Hof van Cassatie: Arrest van 31 Oktober 2008 (België). RG C.07.0445.N
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20081031-3
- Numéro de rôle :
- C.07.0445.N
Résumé :
Het recht van de legataris om te ontvangen ontstaat bij het overlijden van de testator.
Arrêt :
Nr. C.07.0445.N
V. B. R.,
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest,
tegen
1. S. T.,
2. A. P.,
verweerders,
vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 523, waar de verweerders woonplaats kiezen.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 29 mei 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.
Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.
Eerste middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet;
- artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955;
- de artikelen 1315, 1316, 1341 en 1348 van het Burgerlijk Wetboek;
- de artikelen 870, 915 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek.
Aangevochten beslissingen
Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de verweerders ontvankelijk en gegrond, doet de bestreden beslissing teniet, verklaart eiseres' vordering ontvankelijk doch ongegrond in al haar onderdelen, wijst de eiseres ervan af, zegt voor recht dat het authentiek testament van 18 februari 2003 van wijlen J.V.B.dient te worden uitgevoerd, en veroordeelt de eiseres in de kosten van de rechtspleging van beide aanleggen, o.m. op volgende gronden:
"12. (De eiseres) toont evenmin erfenisbejaging aan, meer bepaald dat het gewraakte testament van wijlen J.V.B. bewerkstelligd of beïnvloed werd door listen, leugens en/of frauduleuze middelen die de vrije uitdrukking van de uiterste wil van de overledene onmogelijk zou hebben gemaakt. De overledene heeft immers haar testament in aanwezigheid van twee getuigen gedicteerd aan de notaris die het vervolgens heeft voorgelezen in de aanwezigheid van die getuigen. Diezelfde dag nog heeft de overledene een procedure tegen haar zuster, die eerder het initiatief had genomen tot het doen aanstellen van een voorlopig bewindvoerder, ingeleid met het oog op het bekomen van rekening en verantwoording van het beheer van haar patrimonium waarvoor zij een mandaat had verleend op 17 december 2001 aan (de eiseres) en haar echtgenoot en herroepen op 20 december 2002. Uit niets blijkt dat de overledene op 14 december 2002 tegen haar wil de residentie Rinsdelle geruild heeft voor de residentie Chant d'Oiseau. Anders dan (de eiseres) is het (hof van beroep) van oordeel dat het ongenoegen dat de overledene aan dokter L. voornoemd heeft geuit op 31 juli 2003 dat ‘ze meent dat er te veel beslissingen over haar patrimonium boven haar hoofd heen worden genomen, zonder dat ze daar inspraak over zou krijgen' in verband moet worden gebracht met het eerdere initiatief van (de eiseres) om een voorlopige bewindvoerder te doen aanstellen. De overledene had immers op 19 februari 2003 uitdrukkelijk aan de vrederechter te kennen gegeven dat zij dat niet wenste. Uit niets blijkt dat die verklaring aan de vrederechter werd gedaan ‘onder invloed' van (de verweerders). De omstandigheden van het overlijden van J.V.B.en haar begrafenis, voor zover die aan het (hof van beroep) worden aangetoond, vormen geen bewijs van de beweerde erfenisbejaging op 18 februari 2003 door de eisers in beroep.
13. Het gevorderde getuigenbewijs wordt niet toegestaan gelet op de diverse schriftelijke verklaringen van derden die de verweerster in beroep als bewijsstukken in haar bundel heeft gevoegd (stukken nrs. 6 t.e.m. 12)" (...).
Grieven
1. Overeenkomstig de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek moet iedere partij het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert.
Het bewijs van erfenisbejaging kan, als rechtsfeit, met toepassing van de artikelen 1316, 1341 en 1348 van het Burgerlijk Wetboek, door getuigen worden geleverd.
Overeenkomstig artikel 915 van het Gerechtelijk Wetboek, dat krachtens artikel 1042 van hetzelfde wetboek eveneens van toepassing is op de rechtsmiddelen, kan de rechter, indien een partij aanbiedt het bewijs van een bepaald en ter zake dienend feit te leveren door een of meer getuigen, die bewijslevering toestaan, indien het bewijs toelaatbaar is.
De rechter oordeelt in feite of een getuigenbewijs dienstig kan worden geleverd, wanneer de wet dat bewijsmiddel niet verbiedt, mits hij het principieel recht om zodanig bewijs te leveren, gewaarborgd door artikel 6.1 van het E.V.R.M. en het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van verdediging, niet miskent.
2. De eiseres vorderde te dezen voor de appelrechters o.m. de nietigverklaring van het litigieuze testament van 18 februari 2003 wegens "wederrechtelijke beïnvloeding" van de wilsvrijheid van de erflaatster door de verweerders, op grond waarvan tot captatie (erfenisbejaging) moet besloten worden (...).
Zij vorderde, in ondergeschikte orde, gemachtigd te worden tot getuigenbewijs van volgende feiten:
"a. wijlen J.V.B.verbleef van 24 september 2001 tot december 2092 in het rusthuis Rinsdelle en had een goede verstandhouding met (de eiseres) en haar echtgenoot die haar dagelijks in dit rusthuis bezochten;
b. (de verweerders) hebben wijlen J.V.B.in december 2002 meegenomen uit rusthuis Rindelle om haar te doen verblijven in rusthuis Seigneurie Chant d'Oiseau;
c. wijlen J.V.B.werd door (de verweerders) sinds december 2002 afgeschermd van haar familie en de bezoeken van familieleden aan haar werden zeer beperkt en strikt gecontroleerd door (de verweerders) die bij bezoeken steeds in haar kamer aanwezig bleven;
d. (de eiseres) en haar echtgenote en de andere familieleden werden door (de verweerders) niet op de hoogte gesteld van het overlijden van wijlen J.V.B.op 25 november 2003, noch verwittigd van een begrafenis of uitvaartdienst" (...).
3. Het bestreden arrest verwerpt de gevorderde nietigverklaring omdat de eiseres de erfenisbejaging niet aantoont, en staat tegelijkertijd het gevorderde getuigenbewijs niet toe "gelet op de diverse schriftelijke verklaringen van derden die (de eiseres) als bewijsstukken in haar bundel heeft gevoegd (stukken nrs. 6 t. e. m. 12)".
De enkele door het bestreden arrest in aanmerking genomen omstandigheid dat de eiseres reeds eenzijdige schriftelijke verklaringen van derden voorlegde, ontneemt haar evenwel niet de mogelijkheid om tot getuigenbewijs gemachtigd te worden, nu hieruit niet blijkt dat het door de eiseres aangeboden bewijs geen bepaalde en ter zake dienende feiten zijn in de zin van artikel 915 van het Gerechtelijk Wetboek, of het aangeboden bewijs niet nuttig of overbodig is.
Het bestreden arrest miskent aldus het principieel recht van de eiseres om het getuigenbewijs te leveren van de materiële feiten waaruit zij de erfenisbejaging afleidde (schending van de artikelen 1315, 1316, 1341 en 1348 van het Burgerlijk Wetboek, van de artikelen 870, 915 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, en artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955), minstens berust het bestreden arrest op een dubbelzinnige redengeving, in zoverre zou dienen te worden aangenomen dat deze redenen niet toelaten na te gaan of de appelrechters in feite hebben beslist dat geen nuttig en geloofwaardig getuigenverhoor mogelijk is, uitlegging op grond waarvan de beslissing naar recht zou verantwoord zijn, dan wel principieel hebben beslist dat getuigenverhoor niet kan worden toegestaan wanneer reeds, zoals te dezen, diverse eenzijdige verklaringen van derden werden overgelegd, uitlegging op grond waarvan het het principieel recht op getuigenbewijs miskent (schending van de artikelen 1315, 1316, 1341 en 1348 van het Burgerlijk Wetboek, van de artikelen 870, 915 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, en artikel 6.1 E.V.R.M.), en is het derhalve niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).
Door minstens niet nader uit te leggen waarom omwille van "de diverse schriftelijke verklaringen van derden die (de eiseres) als bewijsstukken in haar bundel heeft gevoegd", het gevorderde getuigenbewijs niet wordt toegestaan, laat het bestreden arrest het Hof niet toe de wettigheid van de beslissing te toetsen, en schendt het om die reden artikel 149 van de Grondwet.
Tweede middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 2, 895, 902, 906, tweede lid, en 909, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek;
- het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de wet geen terugwerkende kracht heeft.
Aangevochten beslissingen
Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de verweerders ontvankelijk en gegrond, doet de bestreden beslissing te niet, verklaart eiseres' vordering ontvankelijk doch ongegrond in al zijn onderdelen, wijst de eiseres ervan af, zegt voor recht dat het authentiek testament van 18 februari 2003 van wijlen J.V.B.dient te worden uitgevoerd, en veroordeelt de eiseres in de kosten van de rechtspleging van beide aanleggen, o.m. op volgende gronden:
"(De eiseres) meent ten onrechte zich te kunnen beroepen op het tweede lid van artikel 909 van het Burgerlijk Wetboek. Het testament waarvan zij de nietigheid benaarstigt dateert immers van 18 februari 2003 terwijl dat tweede lid van dit wetsartikel werd aangevuld door de wet van 22 april 2003 (B.S. 22 mei 2003). Overeenkomstig artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek beschikt die wet alleen voor het toekomende en heeft zij geen terugwerkende kracht" (...).
Grieven
1. De eiseres beriep zich op een bijzondere rechtsonbekwaamheid van de verweerders tot het ontvangen van een legaat uit het testament van de op 25 november 2003 overleden erflaatster, voortvloeiend uit het wettelijk en onweerlegbaar vermoeden van captatie voor uitbaters van een rusthuis in artikel 909, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (...).
2. Overeenkomstig artikel 902 van het Burgerlijk Wetboek kunnen alle personen beschikken en verkrijgen, hetzij bij schenking onder de levenden, hetzij bij testament, uitgezonderd degenen die de wet daartoe onbekwaam verklaart.
Artikel 909, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd door artikel 2 van de wet van 22 april 2003 tot wijziging van artikel 909 van het Burgerlijk Wetboek, in werking getreden op 1 juni 2003, tien dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad op 22 mei 2003, bepaalt: "Beheerders en personeelsleden van rustoorden, rust- en verzorgingstehuizen alsmede van om het even welke collectieve woonstructuur ook voor bejaarden kunnen geen voordeel genieten van beschikkingen onder de levenden of bij testament die een persoon die in hun instelling heeft verbleven gedurende zijn verblijf aldaar te hunnen behoeve mocht hebben gemaakt".
3. Luidens artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de wet geen terugwerkende kracht heeft is een nieuwe wet in de regel niet enkel van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.
Een legataris moet enkel bekwaam zijn op het ogenblik van het openvallen van het testament, nu hij pas op dat ogenblik rechten verkrijgt. Het testament is immers een eenzijdige rechtshandeling waarbij de erflater, overeenkomstig artikel 895 van het Burgerlijk Wetboek, voor de tijd dat hij niet meer in leven zal zijn, over zijn goederen beschikt, en die hij steeds kan herroepen. Bovendien volstaat het, overeenkomstig artikel 906, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, dat men bestaat (verwekt was) op het ogenblik van de dood van de erflater.
Het door de wet van 22 april 2003 gewijzigde artikel 909, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, is dan ook van toepassing op nalatenschappen die zijn opengevallen sinds 1 juni 2003, ook al dateert het testament van vóór die datum, en was de erflater toen, in toepassing van de oude wetgeving nog bekwaam om ten voordele van die begunstigde te testeren.
4. Het bestreden arrest kon dan ook niet wettig de toepassing van het door de eiseres ingeroepen artikel 909, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd door de wet van 22 april 2003, verwerpen, op grond van de enkele overweging dat het litigieuze testament van 18 februari 2003 dateert van vóór deze wet, terwijl uit het arrest blijkt dat het overlijden van de erflaatster dagtekent van na de inwerkingtreding van de wet op 1 juni 2003, m.n. 25 november 2003 (arrest p. 3, sub 10) (schending van de artikelen 2, 895, 902, 906, tweede lid, en 909, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, en het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de wet geen terugwerkende kracht heeft).
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Tweede middel
1. Artikel 895 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een testament een akte is waarbij de erflater, voor de tijd dat hij niet meer in leven zal zijn, over het geheel of een deel van zijn goederen beschikt, en die hij kan herroepen.
Het recht van de legataris om te ontvangen ontstaat aldus bij het overlijden van de testator.
2. Artikel 909, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat beheerders en personeelsleden van rustoorden, rust- en verzorgingstehuizen alsmede van om het even welke collectieve woonstructuur ook voor bejaarden, geen voordeel kunnen genieten van beschikkingen onder de levenden of bij testament die een persoon die in hun instelling heeft verbleven gedurende zijn verblijf aldaar te hunnen behoeve mocht hebben gemaakt. Dit tweede lid van artikel 909 voert een relatieve onbekwaamheid in om te ontvangen, die beperkt is tot de specifieke verhouding die de wet beoogt.
3. Dit tweede lid van artikel 909 dat werd ingevoegd bij artikel 2, 2°, van de wet van 22 april 2003 en in werking is getreden op 1 juni 2003, strekt ertoe de schenker of de testator te beschermen met een onweerlegbaar vermoeden dat de begiftiging het gevolg is van de afhankelijkheid waarin hij zich bevindt tegenover de begiftigde of legataris.
4. Uit de samenhang van de artikelen 895 en 909, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek volgt dat in het geval de in het tweede lid van artikel 909 beschermde afhankelijkheid bestond op het ogenblik dat het testament werd opgemaakt, ook al was op dit ogenblik dit tweede lid nog niet in werking getreden maar was het reeds in werking getreden op het ogenblik van het overlijden van de testator, de legataris onbekwaam is om het legaat te ontvangen.
5. Het arrest wijst de vordering van de eiseres onder meer af met de reden: "(De eiseres) meent zich ten onrechte te kunnen beroepen op het tweede lid van artikel 909 van het Burgerlijk Wetboek. Het testament waarvan zij de nietigheid benaarstigt dateert immers van 18 februari 2003 terwijl dat tweede lid van dit wetsartikel werd aangevuld door de wet van 22 april 2003 (B.S. 22 mei 2003). Overeenkomstig artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek beschikt die wet alleen voor het toekomende en heeft zij geen terugwerkende kracht".
Aldus schendt het arrest de artikelen 895 en 909, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.
Het middel is gegrond.
Overige grieven
De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie kan leiden.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 31 oktober 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols.