Nous sommes très heureux de voir que vous aimez notre plateforme ! En même temps, vous avez atteint la limite d'utilisation... Inscrivez-vous maintenant pour continuer.
Hof van Cassatie: Arrest van 4 December 2000 (België). RG C980330Fv
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20001204-3
- Numéro de rôle :
- C980330Fv
Résumé :
De bewaarder, die jegens de schadelijder aansprakelijk is voor de schade, veroorzaakt door een zaak die hij onder zijn bewaring heeft, kan op de derde verhaal uitoefenen wegens de niet-nakoming van de contractuele verbintenissen door laatstgenoemde en zulks tot beloop van het bedrag van de schade die hij moet vergoeden (1).
Arrêt :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Nr. S.98.0330.F
WAALS GEWEST,
Mr. De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
LOUIS DUCHENE, naamloze vennootschap,
in tegenwoordigheid van
D. V. F.,
HET HOF,
Gehoord het verslag van raadsheer Echement en op de conclusie van advocaat-generaal Henkes;
Gelet op het bestreden arrest, op 6 januari 1998 door het Hof van Beroep te Luik gewezen;
Gelet op de op 15 november 2000 door de eerste voorzitter gewezen beschikking waarbij de zaak naar de derde kamer verwezen wordt;
Over het middel : schending van de artikelen 149 van de Grondwet, 1134, 1142, 1147, 1315, eerste lid, 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek,
doordat het arrest, met bevestiging van het beroepen vonnis, de vordering tot vrijwaring die eiseres - op wie de rechten en verplichtingen van de Dienst voor de scheepvaart zijn overgegaan - tegen verweerster heeft ingesteld niet gegrond verklaart, op grond : "dat eiseres op de hoofdvordering en eiseres op de vordering tot vrijwaring in gebreke blijven te bewijzen dat het bestaan van de ondiepe plaats die de schade heeft veroorzaakt en waarvan de oorsprong duister blijft, aan de aannemer te wijten is; dat het Waalse Gewest dat, bij ontstentenis van een bewezen verklaarde fout, in zijn hoedanigheid van opdrachtgever niet aansprakelijk wordt verklaard op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, niet kan nagaan of de aannemer op grond van artikel 3 van de technische bepalingen van het bestek contractueel aansprakelijk is wegens niet-nakoming van de verbintenis om een minimumdiepte van 3 meter in stand te houden",
terwijl, eerste onderdeel, uit die overwegingen van het arrest niet kan worden opgemaakt om welke reden het Waalse Gewest, waarvan de oproeping tot vrijwaring tegen verweerster nochtans ontvankelijk verklaard is, niet "kan nagaan of de aannemer contractueel aansprakelijk is" wegens niet-nakoming van de bij artikel 3 van de technische bepalingen van het bestek opgelegde verbintenis (schending van artikel 149 van de Grondwet);
tweede onderdeel, indien die reden is "dat het Waalse Gewest, bij ontstentenis van een bewezen verklaarde fout, in zijn hoedanigheid van opdrachtgever niet aansprakelijk wordt verklaard op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek", het hof van beroep de beslissing waarbij de oproeping tot vrijwaring wordt afgewezen, niet naar recht verantwoordt; het hof van beroep immers had beslist dat het Waalse Gewest, in zijn hoedanigheid van bewaarder van de waterweg, krachtens artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk was voor de schade die de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen persoon had geleden ten gevolge van het gebrek van de waterweg; de omstandigheid dat geen enkele onrechtmatige daad bewezen is ten laste van de aannemer noch ten laste van het Gewest, waarvan de hoedanigheid van opdrachtgever in het arrest wordt vastgesteld, het Waalse Gewest niet het recht kan ontnemen om op de aannemer verhaal uit te oefenen wegens de tekortkoming van laatstgenoemde aan zijn contractuele verbintenissen, te dezen wegens overtreding van het in het eerste en derde onderdeel aangehaalde artikel 3 van de technische bepalingen van het bestek; het arrest, nu het beslist dat het Gewest die contractuele aansprakelijkheid van de aannemer niet kan nagaan, de verbindende kracht van het contract van aanneming miskent (schending van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek) alsook het recht van de opdrachtgever op vergoeding van de schade die voortvloeit uit de niet-nakoming van de contractuele verbintenissen door de aannemer (schending van de artikelen 1142 en 1147 van het Burgerlijk Wetboek), zelfs bij ontstentenis van het bewijs dat laatstgenoemde of de opdrachtgever een fout heeft begaan, aangezien de opdrachtgever ten aanzien van een derde aansprakelijk verklaard wordt op basis van een andere grond van aansprakelijkheid, zoals de bewaring van een gebrekkige zaak (schending van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek);
derde onderdeel, het arrest in het geval dat de door eiseres ingestelde vordering tot vrijwaring verworpen wordt omdat de aannemer, "bij ontstentenis van een bewezen verklaarde fout", niet contractueel aansprakelijk kan worden verklaard wegens niet-nakoming van de bij artikel 3 van de technische bepalingen van het bestek opgelegde verplichting om een minimumdiepte van 3 meter in stand te houden, niet antwoordt op de conclusie van eiseres ten betoge dat voornoemd beding betreffende de minimumdiepte een resultaatsverbintenis was en dat de aard van die verbintenis een weerslag had op de bewijslast betreffende de contractuele tekortkoming, die voortvloeit uit het loutere feit van het niet-bestaan van die minimumdiepte waarvan de instandhouding een last van de aanneming was; eiseres in haar conclusie heeft betoogd : "dat (verweerster) zich jegens (eiseres) ertoe verbonden heeft (2e gedeelte, deel 1, hoofdstuk II, artikel 3, van het bestek G3/87 C 55) 'zich ervan te vergewissen dat de vaargeul minimum drie meter diep is onder de reglementaire waterlijn', het geval dat die minimumdiepte niet wordt bereikt te melden en 'bij voorrang' die minimumdiepte te verwezenlijken; immers, 'de onafgebroken instandhouding van die minimumdiepte gedurende de werkzaamheden een last van de aanneming is'; (...) het bestaan van een ondiepe plaats op 2,10 meter onder de waterlijn op de aan verweerster toevertrouwde werkplaats, een tekortkoming aan haar contractuele verbintenis oplevert waarvoor zij volledig aansprakelijk is"; "de tekst van artikel 3 van het 2e gedeelte van het bijzonder bestek betreffende de technische bepalingen uitdrukkelijk het volgende bepaalt : 'voor de aanvang van de werkzaamheden en binnen de perken ervan, moet de aannemer zich ervan vergewissen dat de vaargeul minimum drie meter diep is onder de reglementaire waterlijn; in het geval dat die minimumdiepte van 3 meter niet overal wordt bereikt, dient de aannemer zulks terstond schriftelijk te melden met aanwijzing van de betrokken zones; hij zorgt bij voorrang voor de verwezenlijking van die minimumdiepte; immers, de onafgebroken instandhouding van die minimumdiepte gedurende de werkzaamheden een last van de aanneming is'; dat artikel wel degelijk een resultaatsverbintenis oplegt; het louter bestaan van een ondiepe plaats in de vaargeul (...) bewijst dat die verbintenis niet werd nagekomen; dat artikel geen enkele zin zou hebben, indien het geen resultaatsverbintenis zou inhouden"; "het hof, nu het die conclusie niet beantwoordt, zijn beslissing niet regelmatig met redenen omkleedt (schending van artikel 149 van de Grondwet); het bovendien de strekking en de draagwijdte van het aangevoerde beding miskent, nu het de verbintenis om een minimumdiepte in stand te houden niet aanziet als een resultaatsverbintenis (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek); het bovendien de verbindende kracht miskent van de overeenkomst waarbij verweerster de resultaatsverbintenis wordt opgelegd om een minimumdiepte in stand te houden en eiseres in strijd met de wet verplicht het bewijs te leveren van de niet-nakoming van die verbintenis, ofschoon die wanprestatie volgens het bestek volgt uit het enkele feit dat die minimumdiepte niet bereikt is (schending van de artikelen 1134, 1315, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek) :
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat in het geval dat schade wordt veroorzaakt door een zaak die men onder zijn bewaring heeft, de bewaarder weliswaar krachtens artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek jegens de schadelijder aansprakelijk is, zodra zijn hoedanigheid van bewaarder, het bestaan van een gebrek van de zaak en het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade bewezen zijn, maar dat hij op de derde verhaal mag uitoefenen wegens de niet-nakoming van de contractuele verbintenissen door laatstgenoemde, en zulks tot beloop van het bedrag van de schade die hij moet vergoeden;
Overwegende dat het arrest, na te hebben beslist dat "alleen (eiseres) aansprakelijk is op grond van artikel 1384, eerste lid, van het burgerlijk Wetboek" en dat eiseres "in gebreke blijft te bewijzen dat het bestaan van de ondiepe plaats die schade heeft veroorzaakt en waarvan de oorsprong duister blijft, te wijten is aan (verweerster)", beslist dat eiseres, bij ontstentenis van een bewezen verklaarde fout, "niet kan nagaan of (verweerster) op grond van artikel 3 van de technische bepalingen van het bestek contractueel aansprakelijk is wegens niet-nakoming van de verbintenis om een minimumdiepte van 3 meter in stand te houden";
Overwegende dat het arrest door die overwegingen de in het onderdeel vermelde wetsbepalingen schendt;
Dat het onderdeel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Zonder dat er grond bestaat tot onderzoek van de overige onderdelen die niet tot ruimere cassatie kunnen leiden,
Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het uitspraak doet over de door eiseres ingestelde vordering tot vrijwaring;
Verklaart het arrest bindend voor François De Vries;
Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de bodemrechter over;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Bergen.
Aldus door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, in openbare terechtzitting van vier december tweeduizend uitgesproken, alwaar aanwezig zijn afdelingsvoorzitter Verheyden, de raadsheren Parmentier, Echement, Close, Matray, advocaat-generaal Henkes, griffier Bierlaire.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Waûters en overgeschreven met assistentie van adjunct-griffier De Prins.
WAALS GEWEST,
Mr. De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
LOUIS DUCHENE, naamloze vennootschap,
in tegenwoordigheid van
D. V. F.,
HET HOF,
Gehoord het verslag van raadsheer Echement en op de conclusie van advocaat-generaal Henkes;
Gelet op het bestreden arrest, op 6 januari 1998 door het Hof van Beroep te Luik gewezen;
Gelet op de op 15 november 2000 door de eerste voorzitter gewezen beschikking waarbij de zaak naar de derde kamer verwezen wordt;
Over het middel : schending van de artikelen 149 van de Grondwet, 1134, 1142, 1147, 1315, eerste lid, 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek,
doordat het arrest, met bevestiging van het beroepen vonnis, de vordering tot vrijwaring die eiseres - op wie de rechten en verplichtingen van de Dienst voor de scheepvaart zijn overgegaan - tegen verweerster heeft ingesteld niet gegrond verklaart, op grond : "dat eiseres op de hoofdvordering en eiseres op de vordering tot vrijwaring in gebreke blijven te bewijzen dat het bestaan van de ondiepe plaats die de schade heeft veroorzaakt en waarvan de oorsprong duister blijft, aan de aannemer te wijten is; dat het Waalse Gewest dat, bij ontstentenis van een bewezen verklaarde fout, in zijn hoedanigheid van opdrachtgever niet aansprakelijk wordt verklaard op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, niet kan nagaan of de aannemer op grond van artikel 3 van de technische bepalingen van het bestek contractueel aansprakelijk is wegens niet-nakoming van de verbintenis om een minimumdiepte van 3 meter in stand te houden",
terwijl, eerste onderdeel, uit die overwegingen van het arrest niet kan worden opgemaakt om welke reden het Waalse Gewest, waarvan de oproeping tot vrijwaring tegen verweerster nochtans ontvankelijk verklaard is, niet "kan nagaan of de aannemer contractueel aansprakelijk is" wegens niet-nakoming van de bij artikel 3 van de technische bepalingen van het bestek opgelegde verbintenis (schending van artikel 149 van de Grondwet);
tweede onderdeel, indien die reden is "dat het Waalse Gewest, bij ontstentenis van een bewezen verklaarde fout, in zijn hoedanigheid van opdrachtgever niet aansprakelijk wordt verklaard op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek", het hof van beroep de beslissing waarbij de oproeping tot vrijwaring wordt afgewezen, niet naar recht verantwoordt; het hof van beroep immers had beslist dat het Waalse Gewest, in zijn hoedanigheid van bewaarder van de waterweg, krachtens artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk was voor de schade die de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen persoon had geleden ten gevolge van het gebrek van de waterweg; de omstandigheid dat geen enkele onrechtmatige daad bewezen is ten laste van de aannemer noch ten laste van het Gewest, waarvan de hoedanigheid van opdrachtgever in het arrest wordt vastgesteld, het Waalse Gewest niet het recht kan ontnemen om op de aannemer verhaal uit te oefenen wegens de tekortkoming van laatstgenoemde aan zijn contractuele verbintenissen, te dezen wegens overtreding van het in het eerste en derde onderdeel aangehaalde artikel 3 van de technische bepalingen van het bestek; het arrest, nu het beslist dat het Gewest die contractuele aansprakelijkheid van de aannemer niet kan nagaan, de verbindende kracht van het contract van aanneming miskent (schending van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek) alsook het recht van de opdrachtgever op vergoeding van de schade die voortvloeit uit de niet-nakoming van de contractuele verbintenissen door de aannemer (schending van de artikelen 1142 en 1147 van het Burgerlijk Wetboek), zelfs bij ontstentenis van het bewijs dat laatstgenoemde of de opdrachtgever een fout heeft begaan, aangezien de opdrachtgever ten aanzien van een derde aansprakelijk verklaard wordt op basis van een andere grond van aansprakelijkheid, zoals de bewaring van een gebrekkige zaak (schending van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek);
derde onderdeel, het arrest in het geval dat de door eiseres ingestelde vordering tot vrijwaring verworpen wordt omdat de aannemer, "bij ontstentenis van een bewezen verklaarde fout", niet contractueel aansprakelijk kan worden verklaard wegens niet-nakoming van de bij artikel 3 van de technische bepalingen van het bestek opgelegde verplichting om een minimumdiepte van 3 meter in stand te houden, niet antwoordt op de conclusie van eiseres ten betoge dat voornoemd beding betreffende de minimumdiepte een resultaatsverbintenis was en dat de aard van die verbintenis een weerslag had op de bewijslast betreffende de contractuele tekortkoming, die voortvloeit uit het loutere feit van het niet-bestaan van die minimumdiepte waarvan de instandhouding een last van de aanneming was; eiseres in haar conclusie heeft betoogd : "dat (verweerster) zich jegens (eiseres) ertoe verbonden heeft (2e gedeelte, deel 1, hoofdstuk II, artikel 3, van het bestek G3/87 C 55) 'zich ervan te vergewissen dat de vaargeul minimum drie meter diep is onder de reglementaire waterlijn', het geval dat die minimumdiepte niet wordt bereikt te melden en 'bij voorrang' die minimumdiepte te verwezenlijken; immers, 'de onafgebroken instandhouding van die minimumdiepte gedurende de werkzaamheden een last van de aanneming is'; (...) het bestaan van een ondiepe plaats op 2,10 meter onder de waterlijn op de aan verweerster toevertrouwde werkplaats, een tekortkoming aan haar contractuele verbintenis oplevert waarvoor zij volledig aansprakelijk is"; "de tekst van artikel 3 van het 2e gedeelte van het bijzonder bestek betreffende de technische bepalingen uitdrukkelijk het volgende bepaalt : 'voor de aanvang van de werkzaamheden en binnen de perken ervan, moet de aannemer zich ervan vergewissen dat de vaargeul minimum drie meter diep is onder de reglementaire waterlijn; in het geval dat die minimumdiepte van 3 meter niet overal wordt bereikt, dient de aannemer zulks terstond schriftelijk te melden met aanwijzing van de betrokken zones; hij zorgt bij voorrang voor de verwezenlijking van die minimumdiepte; immers, de onafgebroken instandhouding van die minimumdiepte gedurende de werkzaamheden een last van de aanneming is'; dat artikel wel degelijk een resultaatsverbintenis oplegt; het louter bestaan van een ondiepe plaats in de vaargeul (...) bewijst dat die verbintenis niet werd nagekomen; dat artikel geen enkele zin zou hebben, indien het geen resultaatsverbintenis zou inhouden"; "het hof, nu het die conclusie niet beantwoordt, zijn beslissing niet regelmatig met redenen omkleedt (schending van artikel 149 van de Grondwet); het bovendien de strekking en de draagwijdte van het aangevoerde beding miskent, nu het de verbintenis om een minimumdiepte in stand te houden niet aanziet als een resultaatsverbintenis (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek); het bovendien de verbindende kracht miskent van de overeenkomst waarbij verweerster de resultaatsverbintenis wordt opgelegd om een minimumdiepte in stand te houden en eiseres in strijd met de wet verplicht het bewijs te leveren van de niet-nakoming van die verbintenis, ofschoon die wanprestatie volgens het bestek volgt uit het enkele feit dat die minimumdiepte niet bereikt is (schending van de artikelen 1134, 1315, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek) :
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat in het geval dat schade wordt veroorzaakt door een zaak die men onder zijn bewaring heeft, de bewaarder weliswaar krachtens artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek jegens de schadelijder aansprakelijk is, zodra zijn hoedanigheid van bewaarder, het bestaan van een gebrek van de zaak en het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade bewezen zijn, maar dat hij op de derde verhaal mag uitoefenen wegens de niet-nakoming van de contractuele verbintenissen door laatstgenoemde, en zulks tot beloop van het bedrag van de schade die hij moet vergoeden;
Overwegende dat het arrest, na te hebben beslist dat "alleen (eiseres) aansprakelijk is op grond van artikel 1384, eerste lid, van het burgerlijk Wetboek" en dat eiseres "in gebreke blijft te bewijzen dat het bestaan van de ondiepe plaats die schade heeft veroorzaakt en waarvan de oorsprong duister blijft, te wijten is aan (verweerster)", beslist dat eiseres, bij ontstentenis van een bewezen verklaarde fout, "niet kan nagaan of (verweerster) op grond van artikel 3 van de technische bepalingen van het bestek contractueel aansprakelijk is wegens niet-nakoming van de verbintenis om een minimumdiepte van 3 meter in stand te houden";
Overwegende dat het arrest door die overwegingen de in het onderdeel vermelde wetsbepalingen schendt;
Dat het onderdeel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Zonder dat er grond bestaat tot onderzoek van de overige onderdelen die niet tot ruimere cassatie kunnen leiden,
Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het uitspraak doet over de door eiseres ingestelde vordering tot vrijwaring;
Verklaart het arrest bindend voor François De Vries;
Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de bodemrechter over;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Bergen.
Aldus door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, in openbare terechtzitting van vier december tweeduizend uitgesproken, alwaar aanwezig zijn afdelingsvoorzitter Verheyden, de raadsheren Parmentier, Echement, Close, Matray, advocaat-generaal Henkes, griffier Bierlaire.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Waûters en overgeschreven met assistentie van adjunct-griffier De Prins.