Hof van Cassatie: Arrest (België). RG P.18.0613.N

Date :
04-06-2019
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
2 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20190604-2
Numéro de rôle :
P.18.0613.N

Résumé :

Samenvatting 1

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Nr. P.18.0613.N

J. V.,

burgerlijke partij,

eiseres,

met als raadsman mr. Peter Van Rompaey, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2400 Mol, Rode Kruislaan 5, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

M. L. M. V.,

inverdenkinggestelde,

verweerster,

met als raadsman mr. Roland Pockele-Dilles, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Stoopstraat 1, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 18 mei 2018.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de memorie van antwoord

1. Artikel 429, derde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de verweer-der in cassatie zijn antwoord slechts kan aanvoeren in een memorie die is onder-tekend door een advocaat en die hij uiterlijk acht dagen vóór de rechtszitting ter griffie van het Hof moet doen toekomen.

2. Deze termijn van acht dagen is een volle termijn, wat inhoudt dat acht vol-ledig vrije dagen moeten worden gelaten tussen de dag van de indiening van de memorie en de dag van de rechtszitting. Indien de negende of de tiende dag vóór de rechtszitting een zaterdag, zondag of feestdag zijn, moet de memorie ervoor zijn neergelegd.

3. De memorie van antwoord werd neergelegd op maandag 27 mei 2019, dit is buiten de in artikel 429, derde lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn van ten minste acht dagen vóór de rechtszitting van 4 juni 2019, termijn die ein-digde op vrijdag 24 mei 2019.

De memorie is laattijdig, mitsdien niet ontvankelijk.

Eerste middel

Eerste onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 226, tweede lid, Strafwetboek en de artikelen 1175 en 1183 Gerechtelijk Wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat er onvoldoende bezwaren zijn om de verweerster te verwijzen voor de telastlegging meineed bij boedelbeschrijving; in haar beroepsconclusie heeft de eiseres aangevoerd dat de verweerster door middel van overschrijvingen en betalingen verschillende bedragen van de erflater heeft ontvangen; de verweerster erkende in haar conclusie ook zelf dat zij vergoedingen heeft ontvangen; de partijen bij een boedelbeschrijving die wordt opgemaakt naar aanleiding van een nalatenschap zijn verplicht om melding te maken van alle goederen die de erflater hen heeft geschonken; het arrest laat bij de beoordeling of er voldoende bezwaren zijn voor de voormelde telastlegging ten onrechte na rekening te houden met het niet-meedelen van deze gegevens bij de boedelbeschrijving en de daarbij afgelegde eed.

5. De boedelbeschrijving als bedoeld in de artikelen 1175 en 1183 Gerechtelijk Wetboek heeft als doel de omvang van een nalatenschap, een gemeenschap of een onverdeeldheid vast te stellen en vormt aldus de basis voor een latere verdeling.

De partijen bij een boedelbeschrijving die is opgesteld naar aanleiding van een na-latenschap zijn dan ook gehouden om melding te maken, niet alleen van de goe-deren die tot het vermogen in de strikte zin van de erflater behoren, maar ook van alle goederen die de erflater hen heeft geschonken, ongeacht de omstandigheid dat die schenking wel of niet voor inbreng of inkorting vatbaar was.

Uit het loutere feit dat een partij bij de boedelbeschrijving reeds bepaalde bedra-gen van de erflater heeft ontvangen, volgt niet noodzakelijk dat het een aan te ge-ven schenking betreft.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

6. Met overname van de redenen van de beroepen beschikking en met eigen redenen geven de appelrechters te kennen dat de objectieve gegevens van het strafdossier niet toelaten te besluiten dat de bedragen die wijlen A.A. aan de ver-weerster heeft overgemaakt schenkingen zijn, vermits niet kan worden uitgesloten dat deze bedragen bestemd waren voor de eigen noden van wijlen A.A. en G.V. dan wel een tegenprestatie vormden voor door de verweerster aan deze partijen verstrekte hulp. Met deze redenen verantwoorden de appelrechters hun beslissing tot buitenvervolgingstelling voor de telastlegging meineed bij boedelbeschrijving naar recht.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

7. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Ge-rechtelijk Wetboek: door te oordelen dat er onvoldoende bezwaren zijn voor de telastlegging meineed bij boedelbeschrijving, miskent het arrest de bewijskracht van verweersters beroepsconclusie; in deze conclusie erkent de verweerster immers dat zij schenkingen heeft ontvangen, terwijl de boedelbeschrijving vermeldt dat de verweerster meedeelt geen schenkingen te hebben ontvangen.

8. Met het in het onderdeel vermelde oordeel geven de appelrechters geen uit-legging van verweersters beroepsconclusie. Ze kunnen de bewijskracht ervan dan ook niet miskennen.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en de artikelen 127, 135 en 223 Wetboek van Strafvordering: in haar beroepsconclusie heeft de eiseres een groot aantal feitelijke elementen aangeduid die leiden tot het besluit dat de verweerster een valse eed heeft afgelegd; hierbij werd onder meer gewezen op verschillende door de verweerster in de boedelbeschrijving niet-vermelde, overschrijvingen en geldafhalingen van de rekening van de overledene; het arrest laat dit verweer onbeantwoord.

10. Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat het arrest het in het on-derdeel vermelde verweer beantwoordt en verwerpt.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

11. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en de artikelen 127, 135 en 223 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat er onvoldoende bezwaren zijn om de verweerster te verwijzen voor de telastlegging valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken; in haar beroepsconclusie heeft de eiseres gewezen op verschillende door de verweerster in de boedelbe-schrijving niet-vermelde overschrijvingen en geldafhalingen van de rekening van de overledene; het niet-vermelden van een schenking onder de levenden bij een boedelbeschrijving, gevolgd door het afleggen van de eed, maakt een valsheid in geschriften uit; het arrest laat dit verweer onbeantwoord en verantwoordt de be-slissing tot buitenvervolgingstelling voor deze telastlegging aldus niet naar recht.

12. Uit het antwoord op het eerste middel blijkt dat de appelrechters de stelling van de eiseres dat de bedragen die wijlen A.A. aan de verweerster heeft overge-maakt een schenking onder de levenden zijn, verwerpen.

De appelrechters dienden dan ook niet meer te antwoorden op het eiseres' doello-ze verweer dat het niet-vermelden van deze schenking valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken uitmaakt.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten in het geheel op 87,31 euro, waarvan 52,31 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Peter Hoet, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 4 juni 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende.

V. Vanden Hende I. Couwenberg S. Berneman

P. Hoet F. Van Volsem P. Maffei