Hof van Cassatie: Arrest van 5 Maart 2003 (België)
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20030305-2
- Numéro de rôle :
Résumé :
De rechter beoordeelt op onaantastbare wijze, binnen de grenzen van de wet en van het E.V.R.M., en m.n. art. 3 ervan, de straf die hij in verhouding acht tot de zwaarwichtigheid van het verklaard bewezen misdrijf (1). (1) Zie Cass., 10 juni 1998, AR P.98.0286.F, nr 296; over het toezicht van het Hof van Cassatie, zie Cass., 12 maart 1998, AR D.97.0003.N, nr 139 en 28 feb. 2002, AR D.01.0008.N, nr ... .
Arrêt :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Nr. P.03.0010.F.-
I. D. F., beschuldigde, gedetineerd,
II. D. F., beschuldigde, gedetineerd,
III. D. F., beschuldigde, gedetineerd,
Mrs. Arnaud Jansen en Joëlle Vossen, advocaten bij de balie te Brussel,
tegen
1. D. I,
2. D. J.,
3. D. V.,
Mrs. Pierre Chomé en Olivier Bastyns, advocaten bij de balie te Brussel,
4. Meester J.-J. P., advocaat, handelend in hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van de erfenis van R. D.,
burgerlijke partijen.
I. Bestreden beslissing
De cassatieberoep zijn gericht tegen een arrest, op 25 november 2002 gewezen, en tegen 2 arresten, op 11 december 2002 gewezen door het Hof van Assisen van het bestuurlijk arrondissement Brussel Hoofdstad.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.
Advocaat generaal Jean Spreutels heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
Eiseres voert twee middelen aan in een memorie, waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.
IV. Beslissing van het Hof
A. Op het cassatieberoep tegen het tussenarrest van 25 november 2002 :
Over het eerste middel :
Wat het eerste onderdeel betreft :
Overwegende dat eiseres van moord, als dader of mededader, is beschuldigd en voor het hof van assisen een conclusie heeft neergelegd waarin zij de nietigheid aanvoert van het verhoor van een inverdenkinggestelde die haar deelname aan de misdaad had aangegeven ; dat zij die nietigheid afleidde uit de omstandigheid dat die verklaring was afgenomen met behulp van een "polygraaf", zonder dat zij het verhoor heeft kunnen bijwonen dat aldus ten haren laste is verricht ;
Overwegende dat het arrest antwoordt op die conclusie, door te vermelden dat het middel, dat reeds door de kamer van inbeschuldigingstelling was onderzocht en verworpen, niet gegrond was, dat het bedoelde verhoor geenszins nietig was en dat de aanwezigheid van die onderzoekshandeling in het dossier van de rechtspleging geen schending van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden opleverde, aangezien eiseres vrij tegenspraak heeft kunnen voeren over zowel de bewijswaarde van de betwiste getuigenis als de pertinentie ervan ten aanzien van alle aan het vonnisgerecht voorgelegde gegevens ;
Dat het hof van assisen zijn beslissing aldus regelmatig met redenen omkleedt ;
Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ;
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat de onderzoeksrechter en de politieambtenaren geen uitspraak dienen te doen over de gegrondheid van een beschuldiging in strafzaken en dus niet onderworpen zijn aan de voorschriften van artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ;
Dat die bepaling hen bijgevolg niet verbiedt een getuige of verdachte te verhoren in afwezigheid van degene ten laste van wie die verklaring wordt afgenomen ;
Dat geen enkele schending van het voormelde artikel 6.1 kan worden afgeleid uit de enige omstandigheid dat een verhoor, zelfs met behulp van een polygraaf, tijdens het voorbereidende onderzoek niet op tegenspraak is verricht, terwijl de betwiste verklaring en de resultaten van de daarbij horende test deel uitmaken van een dossier waarover de partijen, zoals het arrest vaststelt, vrij tegenspraak hebben kunnen voeren ;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;
Wat het derde onderdeel betreft :
Overwegende dat uit de processtukken blijkt dat de gegevens die, naar aanleiding van het verhoor van een van de getuigen, zijn verkregen met behulp van een polygraaf, aan de tegenspraak van eiseres zijn onderworpen voor de raadkamer, de kamer van inbeschuldigingstelling en het hof van assisen ;
Dat geen enkele miskenning van het algemeen rechtsbeginsel betreffende de eerlijkheid bij het zoeken naar bewijzen kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat eiseres, tijdens het voorbereidende onderzoek, niet heeft kunnen tussenkomen op het ogenblik dat de polygraaftest is verricht, en evenmin uit de omstandigheid dat zij ongeschikt werd geacht om zelf een dergelijke test te ondergaan ;
Dat ook dat onderdeel niet kan worden aangenomen ;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen ;
B. Op het cassatieberoep tegen het arrest dat op 11 december 2002 onder het nummer 7008 is gewezen, en uitspraak doet over de tegen eiseres ingestelde strafvordering :
Over het tweede middel :
Overwegende dat eiseres betoogt dat de haar opgelegde straf van levenslange opsluiting, gezien haar leeftijd en slechte gezondheidstoestand, een overdreven en onmenselijke straf is in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ;
Overwegende dat het middel, in zoverre het onderzoek ervan een onderzoek van feiten veronderstelt, waartoe het Hof niet bevoegd is, niet ontvankelijk is ;
Dat het eveneens niet ontvankelijk is, in zoverre het de schending aanvoert van de artikelen 392, 393, 394 van het Strafwetboek, zonder te verduidelijken in hoeverre het arrest die bepalingen zou schenden ;
Overwegende dat de rechter, voor het overige, op onaantastbare wijze, binnen de grenzen van de wet en van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de straf bepaalt die hij in verhouding acht tot de zwaarwichtigheid van het bewezen verklaarde misdrijf ;
Overwegende dat het arrest, na eiseres schuldig te hebben verklaard aan moord als dader of mededader, een misdaad die door artikel 394 van het Strafwetboek gestraft wordt met levenslange opsluiting, vermeldt dat "de beslissende rol van (eiseres), die de aanstoker en organisator van de moord op haar echtgenoot was en niet geaarzeld heeft de liefde van haar eigen zoon en de zwakheden van een van zijn vrienden uit te buiten om haar doel te verwezenlijken, impliceert dat haar geen enkele verzachtende omstandigheid kan worden toegekend" ;
Overwegende dat noch uit de voorgaande overwegingen noch uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het hof van assisen de in het middel bedoelde verdragsbepaling heeft geschonden ;
Dat het middel niet kan worden aangenomen ;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen ;
C. Op het cassatieberoep tegen het arrest dat op 11 december 2002 onder het nummer 7009 is gewezen en dat uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvorderingen die tegen eiseres zijn ingesteld door
1. de vierde verweerder :
Overwegende dat het arrest die rechtsvordering niet-gegrond verklaart ;
Overwegende dat het cassatieberoep, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk is ;
2. de andere drie verweerders :
Overwegende dat eiseres geen bijzonder middel aanvoert ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF
Verwerpt de cassatieberoepen ;
Veroordeelt eiseres in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Marc Lahousse, de raadsheren Francis Fischer, Jean de Codt, Frédéric Close en Paul Mathieu, en in openbare terechtzitting van vijf maart tweeduizend en drie uitgesproken door afdelingsvoorzitter Marc Lahousse, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Spreutels, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Fabienne Gobert.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Jean de Codt en overgeschreven met assistentie van eerstaanwezend adjunct-griffier Paul Van den Abbeel.
De eerstaanwezend adjunct-griffier, De raadsheer,
I. D. F., beschuldigde, gedetineerd,
II. D. F., beschuldigde, gedetineerd,
III. D. F., beschuldigde, gedetineerd,
Mrs. Arnaud Jansen en Joëlle Vossen, advocaten bij de balie te Brussel,
tegen
1. D. I,
2. D. J.,
3. D. V.,
Mrs. Pierre Chomé en Olivier Bastyns, advocaten bij de balie te Brussel,
4. Meester J.-J. P., advocaat, handelend in hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van de erfenis van R. D.,
burgerlijke partijen.
I. Bestreden beslissing
De cassatieberoep zijn gericht tegen een arrest, op 25 november 2002 gewezen, en tegen 2 arresten, op 11 december 2002 gewezen door het Hof van Assisen van het bestuurlijk arrondissement Brussel Hoofdstad.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.
Advocaat generaal Jean Spreutels heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
Eiseres voert twee middelen aan in een memorie, waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.
IV. Beslissing van het Hof
A. Op het cassatieberoep tegen het tussenarrest van 25 november 2002 :
Over het eerste middel :
Wat het eerste onderdeel betreft :
Overwegende dat eiseres van moord, als dader of mededader, is beschuldigd en voor het hof van assisen een conclusie heeft neergelegd waarin zij de nietigheid aanvoert van het verhoor van een inverdenkinggestelde die haar deelname aan de misdaad had aangegeven ; dat zij die nietigheid afleidde uit de omstandigheid dat die verklaring was afgenomen met behulp van een "polygraaf", zonder dat zij het verhoor heeft kunnen bijwonen dat aldus ten haren laste is verricht ;
Overwegende dat het arrest antwoordt op die conclusie, door te vermelden dat het middel, dat reeds door de kamer van inbeschuldigingstelling was onderzocht en verworpen, niet gegrond was, dat het bedoelde verhoor geenszins nietig was en dat de aanwezigheid van die onderzoekshandeling in het dossier van de rechtspleging geen schending van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden opleverde, aangezien eiseres vrij tegenspraak heeft kunnen voeren over zowel de bewijswaarde van de betwiste getuigenis als de pertinentie ervan ten aanzien van alle aan het vonnisgerecht voorgelegde gegevens ;
Dat het hof van assisen zijn beslissing aldus regelmatig met redenen omkleedt ;
Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ;
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat de onderzoeksrechter en de politieambtenaren geen uitspraak dienen te doen over de gegrondheid van een beschuldiging in strafzaken en dus niet onderworpen zijn aan de voorschriften van artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ;
Dat die bepaling hen bijgevolg niet verbiedt een getuige of verdachte te verhoren in afwezigheid van degene ten laste van wie die verklaring wordt afgenomen ;
Dat geen enkele schending van het voormelde artikel 6.1 kan worden afgeleid uit de enige omstandigheid dat een verhoor, zelfs met behulp van een polygraaf, tijdens het voorbereidende onderzoek niet op tegenspraak is verricht, terwijl de betwiste verklaring en de resultaten van de daarbij horende test deel uitmaken van een dossier waarover de partijen, zoals het arrest vaststelt, vrij tegenspraak hebben kunnen voeren ;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;
Wat het derde onderdeel betreft :
Overwegende dat uit de processtukken blijkt dat de gegevens die, naar aanleiding van het verhoor van een van de getuigen, zijn verkregen met behulp van een polygraaf, aan de tegenspraak van eiseres zijn onderworpen voor de raadkamer, de kamer van inbeschuldigingstelling en het hof van assisen ;
Dat geen enkele miskenning van het algemeen rechtsbeginsel betreffende de eerlijkheid bij het zoeken naar bewijzen kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat eiseres, tijdens het voorbereidende onderzoek, niet heeft kunnen tussenkomen op het ogenblik dat de polygraaftest is verricht, en evenmin uit de omstandigheid dat zij ongeschikt werd geacht om zelf een dergelijke test te ondergaan ;
Dat ook dat onderdeel niet kan worden aangenomen ;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen ;
B. Op het cassatieberoep tegen het arrest dat op 11 december 2002 onder het nummer 7008 is gewezen, en uitspraak doet over de tegen eiseres ingestelde strafvordering :
Over het tweede middel :
Overwegende dat eiseres betoogt dat de haar opgelegde straf van levenslange opsluiting, gezien haar leeftijd en slechte gezondheidstoestand, een overdreven en onmenselijke straf is in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ;
Overwegende dat het middel, in zoverre het onderzoek ervan een onderzoek van feiten veronderstelt, waartoe het Hof niet bevoegd is, niet ontvankelijk is ;
Dat het eveneens niet ontvankelijk is, in zoverre het de schending aanvoert van de artikelen 392, 393, 394 van het Strafwetboek, zonder te verduidelijken in hoeverre het arrest die bepalingen zou schenden ;
Overwegende dat de rechter, voor het overige, op onaantastbare wijze, binnen de grenzen van de wet en van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de straf bepaalt die hij in verhouding acht tot de zwaarwichtigheid van het bewezen verklaarde misdrijf ;
Overwegende dat het arrest, na eiseres schuldig te hebben verklaard aan moord als dader of mededader, een misdaad die door artikel 394 van het Strafwetboek gestraft wordt met levenslange opsluiting, vermeldt dat "de beslissende rol van (eiseres), die de aanstoker en organisator van de moord op haar echtgenoot was en niet geaarzeld heeft de liefde van haar eigen zoon en de zwakheden van een van zijn vrienden uit te buiten om haar doel te verwezenlijken, impliceert dat haar geen enkele verzachtende omstandigheid kan worden toegekend" ;
Overwegende dat noch uit de voorgaande overwegingen noch uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het hof van assisen de in het middel bedoelde verdragsbepaling heeft geschonden ;
Dat het middel niet kan worden aangenomen ;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen ;
C. Op het cassatieberoep tegen het arrest dat op 11 december 2002 onder het nummer 7009 is gewezen en dat uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvorderingen die tegen eiseres zijn ingesteld door
1. de vierde verweerder :
Overwegende dat het arrest die rechtsvordering niet-gegrond verklaart ;
Overwegende dat het cassatieberoep, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk is ;
2. de andere drie verweerders :
Overwegende dat eiseres geen bijzonder middel aanvoert ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF
Verwerpt de cassatieberoepen ;
Veroordeelt eiseres in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Marc Lahousse, de raadsheren Francis Fischer, Jean de Codt, Frédéric Close en Paul Mathieu, en in openbare terechtzitting van vijf maart tweeduizend en drie uitgesproken door afdelingsvoorzitter Marc Lahousse, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Spreutels, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Fabienne Gobert.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Jean de Codt en overgeschreven met assistentie van eerstaanwezend adjunct-griffier Paul Van den Abbeel.
De eerstaanwezend adjunct-griffier, De raadsheer,