Hof van Cassatie: Arrest van 6 April 1992 (België). RG F1191F

Date :
06-04-1992
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
2 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19920406-1
Numéro de rôle :
F1191F

Résumé :

Het kadastraal inkomen van handelsemplacementen die een openbare vervoermaatschappij tegen betaling van een geldsom ter beschikking van derden stelt voor hun exploitatie, is niet van onroerende voorheffing vrijgesteld. ( Art. 157, 3°, Wetboek van de Inkomstenbelastingen. )

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 28 mei 1991 door het Hof van Beroep te Brussel gewezen;
Over het tweede middel : schending van artikel 97 van de Grondwet;
Overwegende dat het arrest niet antwoordt op de beschouwingen in het middel, dat eiseres had voorgedragen in haar voorziening waarnaar zij in haar conclusie voor het hof van beroep verwees;
Dat het middel gegrond is;
Over het eerste middel : schending van de artikelen 157, inzonderheid 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, en 97 van de Grondwet,
doordat eiseres aanspraak maakte op vrijstelling van de onroerende voorheffing, bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen op grond dat die vrijstelling haar even goed als aan haar concurrente, de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, toekwam overeenkomstig de richtlijnen van het bestuur die op goede gronden bepalen dat voor de toepassing van artikel 157 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen als goederen die op zichzelf niets opbrengen, moeten worden beschouwd "niet alleen de goederen, die rechtstreeks dienen voor de exploitatie (...), maar ook, zelfs als ze buiten het grondgebied van de spoorweg gelegen zijn, de goederen die de exploitant in het kader van de exploitatie van het net, zelfs tegen betaling van een geldsom, ter beschikking stelt van derden om er een welbepaald gebruik van te maken, dat uitsluitend verband houdt met de exploitatie van het spoorwegnet en, inzonderheid, om aan de spoorweggebruikers diensten te verstrekken, die een exploitant normalerwijs biedt aan zijn klanten", en dat zulks het geval was met de litigieuze goederen van eiseres; dat het arrest de vordering van eiseres afwijst op grond "dat, hoe dan ook, de tweede voorwaarde van artikel 157, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen niet is vervuld, aangezien de litigieuze onroerende eigendommen wel degelijk op zichzelf iets opbrachten, dat zij zelfs per definitie iets opbrengen, aangezien het hier handelsemplacementen betreft, die de M.I.V.B. tegen betaling van een geldsom ter beschikking van derden stelt met het oog op de exploitatie ervan, en zulks ongeacht de juridische aard van de betrekkingen tussen de M.I.V.B. en de derden (concessie burgerlijke huur of handelshuur), en de aard van de handel, die de derde in het "gehuurde" handelsemplacement drijft",
terwijl als goederen die op zichzelf niets opbrengen in de zin van artikel 157 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen moeten worden beschouwd de goederen die eiseres in het kader van haar exploitatie, zelfs tegen betaling van een geldsom, ter beschikking stelt van derden, mits zij dat doet met het oog op een welbepaald gebruik, dat uitsluitend verband houdt met de exploitatie van het spoorwegnet, en inzonderheid met het doel aan de gebruikers van het net diensten te verlenen, die een exploitant normalerwijs aan zijn klanten aanbiedt; het arrest bijgevolg, nu het zich beperkt tot de vaststelling dat de lokalen tegen betalen van een geldsom ter beschikking werden gesteld van derden, nu het tevens verklaart dat de aard van de door de derden in de emplacementen gedreven handel van geen belang was en nu het derhalve nalaat te onderzoeken of de emplacementen werden gebruikt voor de bovengenoemde doeleinden, zoals eiseres betoogde, a) artikel 157 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen schendt en de beslissing, waarbij de in die bepaling bedoelde belastingvrijstelling wordt geweigerd, niet naar recht verantwoordt (schending van die bepaling), b) niet antwoordt op de conclusie waarin eiseres omstandig had uiteengezet dat de litigieuze goederen, of in elk geval een deel van die goederen, voldeden aan de bovengenoemde voorwaarde (schending van artikel 97 van de Grondwet) :
Overwegende dat luidens artikel 157 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen "van onroerende voorheffing wordt vrijgesteld, het kadastraal inkomen ... 3° van onroerende goederen die de aard van nationale domeingoederen hebben, op zichzelf niets opbrengen en voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden gebruikt; de vrijstelling is van de drie voorwaarden samen afhankelijk";
Overwegende dat het arrest beslist dat "het hof (van beroep) enkel mag acht slaan op de wettelijke criteria, die zijn opgesomd in artikel 157 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, meer bepaald sub 3° van dat artikel, dat de wettelijke grondslag vormt voor de door (eiseres) gevorderde vrijstelling; uit de aan het hof (van beroep) ter beoordeling voorgelegde gegevens blijkt dat hoe dan ook niet is voldaan aan de tweede voorwaarde van artikel 157, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, aangezien de litigieuze onroerende eigendommen wel degelijk op zichzelf iets opbrengen; zij zelfs per definitie iets opbrengen, aangezien het hier handelsemplacementen betreft die de M.I.V.B. tegen betaling van een geldsom ter beschikking van derden stelt met het oog op de exploitatie ervan, en zulks ongeacht de juridische aard van de betrekkingen tussen de M.I.V.B. en de derden (concessie, burgerlijke huur of handelshuur) en de aard van de handel, die de derde in het "gehuurde" handelsemplacement drijft; dat, aangezien aldus is aangetoond dat één van de drie voorwaarden van artikel 157, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen niet is vervuld, het kadastraal inkomen van die emplacementen krachtens die wetsbepaling niet van onroerende voorheffing kan worden vrijgesteld, aangezien die vrijstelling enkel mag worden verleend, als de drie voorwaarden samen vervuld zijn";
Dat het arrest met die consideransen antwoordt op de conclusie van eiseres door ze tegen te spreken en de beslissing betreffende de aanslag in de tot het aandeel van de Staat beperkte onroerende voorheffing naar recht verantwoordt;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Om die redenen, vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over het aandeel van de onroerende voorheffing, dat de provincie en de gemeenten ten goede komt; verwerpt de voorziening voor het overige; beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; veroordeelt eiseres in de helft van de kosten en houdt de beslissing over het overige gedeelte aan voor uitspraak door de feitenrechter; verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Luik.