Hof van Cassatie: Arrest van 7 Februari 2000 (België). RG S990148N
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20000207-7
- Numéro de rôle :
- S990148N
Résumé :
Over de eerste zes maanden van primaire arbeidsongeschiktheid kan een werknemer ten laste blijven van zijn verzekeringsinstelling, op voorwaarde dat de bij de wet bepaalde vermindering van het vermogen tot verdienen gewaardeerd wordt ten aanzien van het gewone beroep van de betrokkene, althans indien de oorzakelijke aandoening voor een gunstig verloop of genezing vatbaar is binnen een tamelijk korte tijdspanne.
Arrêt :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 27 april 1999 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen;
Over het middel, gesteld als volgt : schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet, 100, § 1, eerste en derde lid van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging,
doordat het bestreden arrest de bestreden administratieve beslissing vernietigde en voor recht zegt dat verweerder gerechtigd is op de ziekte en invaliditeitsuitkeringen vanaf 15 maart 1996, vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf 4 april 1996, op volgende gronden;
(...) dat (verweerder) arbeidsongeschikt was erkend wegens ziekte vanaf 19 februari 1996. Na geneeskundig onderzoek verricht door de adviserend geneesheer van (eiser), werd beslist dat (verweerder) het werk diende te hernemen op 15 maart 1996.
(...) dat vaststaat dat gezien de arbeidsongeschiktheid dateert van 19 februari 1996 de arbeidsongeschiktheid dient geëvalueerd als in het geval voorzien door artikel 100, § 1, al. 3 G.V.U.-Wet dat luidt : "Nochtans wordt die vermindering van het vermogen tot verdienen, over de eerste zes maanden primaire arbeidsongeschiktheid, gewaardeerd ten aanzien van het gewone beroep van de betrokkene, in zover de oorzakelijke aandoening voor een gunstig verloop of voor genezing vatbaar is binnen een tamelijk korte tijdspanne."
Dat echter opvalt dat de opdracht gegeven in eerste aanleg aan de deskundige verder gaand is geweest en in functie van artikel 100, § 1, van de wet tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, hem werd opgedragen : "te onderzoeken ... meer bepaald of de letsels of functionele stoornissen het vermogen tot verdienen van eisende partij verminderen tot één derde of minder dan één derde van wat een persoon van dezelfde stand en met dezelfde opleiding ka n verdienen door zijn werkzaamheid, niet alleen in de beroepencategorie, waartoe (zijn) arbeid behoorde toen (hij) arbeidsongeschikt is geworden, maar ook in de verschillende beroepen die (hij) heeft of zou kunnen uitgeoefend hebben uit hoofde van (zijn) beroepsopleiding"
Dat in functie van deze opdracht de expert navolgende vaststellingen deed : "sinds 1980 lijdt Dhr. Leopold Gilis aan lage rugpijnen. ... Het klinisch onderzoek en het medisch dossier evenals het onderzoek bij Professor Dr. Driessens bevestigen de lumbale hinder van patiënt met chronisch neurogeen lijden L 5 links. ... Dit alles maakt dat patiënt zeker behept is met een verminderde lumbale rugbelastbaarheid zodat hij niet in aanmerking komt voor rugbelastende, langdurig staande arbeid of arbeid in moeilijke houdingen of op grote hoogte."
(...) dat niet betwist wordt dat (verweerder) arbeidsongeschikt werd erkend sedert 19 februari 1996. Trouwens de expert stelde zelf vast dat het medisch dossier geen gegevens bevat tussen 1988 en 1996 (zie pag. 3 deskundig verslag) terwijl hij verder op pagina 5 stelt "Sinds de beslissing van de G.R.A. van 18 april 1995 is patiënt op RVA" - wat zijn arbeidsgeschiktheid impliceert - en dat hij te voren in de metaalnijverheid te werk gesteld is geweest en geen ander beroep dan dat van lasser, automekanieker en metaalbewerker heeft uitgeoefend, wat allen rugbelastende beroepen zijn zoals blijkt uit het attest van Dr. Vermeersch van 16 juli 1998.
Dat derhalve rekening houdend met deze vaststaande en niet betwiste gegevens de expert, indien zijn opdracht zich zou hebben beperkt tot de relatie met de laatste beroepen van (verweerder), ongetwijfeld tot een andere conclusie zou zijn gekomen met name, dat gezien het rugletsel dat rugbelastende arbeid uitsluit, betrokkene op 15 maart 1996 nog arbeidsongeschikt was in deze primaire periode.
Dat al deze gegevens in acht nemend een nieuw deskundig onderzoek niet nuttig noch noodzakelijk voorkomt en vermits hoven en rechtbanken niet verplicht zijn het advies van de deskundige te volgen indien het strijdig is met hun overtuiging (artikel 986 GerW.), zijn er in casu voldoende overeenstemmende en objectieve elementen aanwezig om te besluiten dat de voorwaarden voor de tussenkomst in het kader van de ZIV-wetgeving zich in casu verenigen en (verweerder) derhalve hierop gerechtigd is."
terwijl, overeenkomstig artikel 100, § 1, eerste lid van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen als arbeidsongeschikt in de zin van deze wet erkend wordt, de werknemer die alle werkzaamheid heeft onderbroken als rechtstreeks gevolg van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen, waarvan erkend wordt dat ze zijn vermogen tot verdienen verminderen tot een derde of minder dan een derde; in toepassing (van) het derde lid van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, de 1/3de-norm over de eerste zes maanden, gewaardeerd wordt ten aanzien van het gewone beroep van de betrokkene, althans indien de oorzakelijke aandoening voor een gunstig verloop of voor genezing vatbaar is binnen een tamelijk korte tijdspanne; na die eerste zes maanden of wanneer de oorzakelijke aandoening niet voor een gunstig verloop of voor genezing vatbaar is binnen een tamelijk korte tijdspanne, overeenkomstig het eerste lid van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, gekeken wordt naar wat een persoon van dezelfde stand en met dezelfde opleiding, kan verdienen door zijn werkzaamheid in de beroepencategorie waartoe de beroepsarbeid van de betrokkene behoort, of in de verschillende beroepen die de betrokkene heeft of had kunnen uitoefenen uit hoofde van zijn beroepsopleiding;
en terwijl, tweede onderdeel, het arbeidshof zijn beslissing dat "de arbeidsongeschiktheid dient geëvalueerd als in het geval voorzien door artikel 100, § 1, al. 3, G.V.U.-Wet" uitsluitend motiveerde vanuit de vaststelling dat "vaststaat dat (...) de arbeidsongeschiktheid dateert van 19 februari 1996"; uit geen enkele overweging van het arrest blijkt dat het arbeidshof vastgesteld, minstens onderzocht heeft, of de voorwaarde voor de toepassing van het derde lid van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, m.n. of de oorzakelijke aandoening al dan niet voor een gunstig verloop of voor genezing binnen een tamelijk korte termijn vatbaar was, in casu vervuld was;
zodat het bestreden arrest, door de arbeidsongeschiktheid van verweerder te beoordelen met toepassing van het derde lid van artikel 100, § 1 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, zonder vast te stellen dat de oorzakelijke aandoening voor een gunstig verloop of voor genezing vatbaar is binnen een tamelijk korte tijdspanne, het hof in de onmogelijkheid stelt de beslissing op haar wettigheid te toetsen en derhalve noch regelmatig gemotiveerd is (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet) noch wettig verantwoord is (schending van artikel 100, § 1, eerste en derde lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen);
het bestreden arrest door te oordelen dat het derde lid van artikel 100, § 1 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 voor de berechting van het geschil van toepassing is, op de enkele grond dat de aandoening zich situeert in de eerste zes maanden van primaire ongeschiktheid, zonder tevens vast te stellen dat de oorzakelijke aandoening voor een gunstig verloop of voor genezing binnen een tamelijk korte tijdspanne vatbaar is, niet wettelijk gerechtvaardigd is (schending van artikel 100, § 1, eerste en derde lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen);
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat, krachtens artikel 100, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, als arbeidsongeschikt als bedoeld in deze wet wordt erkend, de werknemer die alle werkzaamheid heeft onderbroken als rechtstreeks gevolg van het intreden of verergeren van letsels of functionele stoornissen waarvan erkend wordt dat ze zijn vermogen tot verdienen verminderen tot een derde of minder dan een derde van wat een persoon, van dezelfde stand en met dezelfde opleiding, kan verdienen door zijn werkzaamheid in de beroepscategorie waartoe de beroepsarbeid behoort, door betrokkene verricht toen hij arbeidsongeschikt is geworden, of in de verschillende beroepen die hij heeft of zou kunnen uitoefenen hebben uit hoofde van zijn beroepsopleiding;
Dat nochtans, krachtens het derde lid van deze wetsbepaling, die vermindering van het vermogen tot verdienen, over de eerste zes maanden primaire arbeidsongeschiktheid, gewaardeerd wordt ten aanzien van het gewone beroep van de betrokkene, in zover de oorzakelijke aandoening voor een gunstig verloop of voor genezing vatbaar is binnen een tamelijk korte tijdspanne;
Overwegende dat het arrest oordeelt, zonder vast te stellen dat de oorzakelijke aandoening van verweerder voor een gunstig verloop of voor genezing binnen een tamelijk korte tijdspanne vatbaar is, dat de primaire arbeidsongeschiktheid van verweerder slechts ten aanzien van het gewone beroep van verweerder moet worden gewaardeerd en niet ten aanzien van de verschillende beroepen die hij heeft of zou kunnen uitoefenen hebben uit hoofde van zijn beroepsopleiding;
Dat het arrest aldus de voormelde wetsbepalingen schendt;
Dat het onderdeel gegrond is;
Overwegende dat het eerste en het derde onderdeel niet tot ruimere cassatie kunnen leiden;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Gelet op artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, veroordeelt eiser in de kosten;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel.
Gelet op het bestreden arrest, op 27 april 1999 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen;
Over het middel, gesteld als volgt : schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet, 100, § 1, eerste en derde lid van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging,
doordat het bestreden arrest de bestreden administratieve beslissing vernietigde en voor recht zegt dat verweerder gerechtigd is op de ziekte en invaliditeitsuitkeringen vanaf 15 maart 1996, vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf 4 april 1996, op volgende gronden;
(...) dat (verweerder) arbeidsongeschikt was erkend wegens ziekte vanaf 19 februari 1996. Na geneeskundig onderzoek verricht door de adviserend geneesheer van (eiser), werd beslist dat (verweerder) het werk diende te hernemen op 15 maart 1996.
(...) dat vaststaat dat gezien de arbeidsongeschiktheid dateert van 19 februari 1996 de arbeidsongeschiktheid dient geëvalueerd als in het geval voorzien door artikel 100, § 1, al. 3 G.V.U.-Wet dat luidt : "Nochtans wordt die vermindering van het vermogen tot verdienen, over de eerste zes maanden primaire arbeidsongeschiktheid, gewaardeerd ten aanzien van het gewone beroep van de betrokkene, in zover de oorzakelijke aandoening voor een gunstig verloop of voor genezing vatbaar is binnen een tamelijk korte tijdspanne."
Dat echter opvalt dat de opdracht gegeven in eerste aanleg aan de deskundige verder gaand is geweest en in functie van artikel 100, § 1, van de wet tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, hem werd opgedragen : "te onderzoeken ... meer bepaald of de letsels of functionele stoornissen het vermogen tot verdienen van eisende partij verminderen tot één derde of minder dan één derde van wat een persoon van dezelfde stand en met dezelfde opleiding ka n verdienen door zijn werkzaamheid, niet alleen in de beroepencategorie, waartoe (zijn) arbeid behoorde toen (hij) arbeidsongeschikt is geworden, maar ook in de verschillende beroepen die (hij) heeft of zou kunnen uitgeoefend hebben uit hoofde van (zijn) beroepsopleiding"
Dat in functie van deze opdracht de expert navolgende vaststellingen deed : "sinds 1980 lijdt Dhr. Leopold Gilis aan lage rugpijnen. ... Het klinisch onderzoek en het medisch dossier evenals het onderzoek bij Professor Dr. Driessens bevestigen de lumbale hinder van patiënt met chronisch neurogeen lijden L 5 links. ... Dit alles maakt dat patiënt zeker behept is met een verminderde lumbale rugbelastbaarheid zodat hij niet in aanmerking komt voor rugbelastende, langdurig staande arbeid of arbeid in moeilijke houdingen of op grote hoogte."
(...) dat niet betwist wordt dat (verweerder) arbeidsongeschikt werd erkend sedert 19 februari 1996. Trouwens de expert stelde zelf vast dat het medisch dossier geen gegevens bevat tussen 1988 en 1996 (zie pag. 3 deskundig verslag) terwijl hij verder op pagina 5 stelt "Sinds de beslissing van de G.R.A. van 18 april 1995 is patiënt op RVA" - wat zijn arbeidsgeschiktheid impliceert - en dat hij te voren in de metaalnijverheid te werk gesteld is geweest en geen ander beroep dan dat van lasser, automekanieker en metaalbewerker heeft uitgeoefend, wat allen rugbelastende beroepen zijn zoals blijkt uit het attest van Dr. Vermeersch van 16 juli 1998.
Dat derhalve rekening houdend met deze vaststaande en niet betwiste gegevens de expert, indien zijn opdracht zich zou hebben beperkt tot de relatie met de laatste beroepen van (verweerder), ongetwijfeld tot een andere conclusie zou zijn gekomen met name, dat gezien het rugletsel dat rugbelastende arbeid uitsluit, betrokkene op 15 maart 1996 nog arbeidsongeschikt was in deze primaire periode.
Dat al deze gegevens in acht nemend een nieuw deskundig onderzoek niet nuttig noch noodzakelijk voorkomt en vermits hoven en rechtbanken niet verplicht zijn het advies van de deskundige te volgen indien het strijdig is met hun overtuiging (artikel 986 GerW.), zijn er in casu voldoende overeenstemmende en objectieve elementen aanwezig om te besluiten dat de voorwaarden voor de tussenkomst in het kader van de ZIV-wetgeving zich in casu verenigen en (verweerder) derhalve hierop gerechtigd is."
terwijl, overeenkomstig artikel 100, § 1, eerste lid van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen als arbeidsongeschikt in de zin van deze wet erkend wordt, de werknemer die alle werkzaamheid heeft onderbroken als rechtstreeks gevolg van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen, waarvan erkend wordt dat ze zijn vermogen tot verdienen verminderen tot een derde of minder dan een derde; in toepassing (van) het derde lid van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, de 1/3de-norm over de eerste zes maanden, gewaardeerd wordt ten aanzien van het gewone beroep van de betrokkene, althans indien de oorzakelijke aandoening voor een gunstig verloop of voor genezing vatbaar is binnen een tamelijk korte tijdspanne; na die eerste zes maanden of wanneer de oorzakelijke aandoening niet voor een gunstig verloop of voor genezing vatbaar is binnen een tamelijk korte tijdspanne, overeenkomstig het eerste lid van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, gekeken wordt naar wat een persoon van dezelfde stand en met dezelfde opleiding, kan verdienen door zijn werkzaamheid in de beroepencategorie waartoe de beroepsarbeid van de betrokkene behoort, of in de verschillende beroepen die de betrokkene heeft of had kunnen uitoefenen uit hoofde van zijn beroepsopleiding;
en terwijl, tweede onderdeel, het arbeidshof zijn beslissing dat "de arbeidsongeschiktheid dient geëvalueerd als in het geval voorzien door artikel 100, § 1, al. 3, G.V.U.-Wet" uitsluitend motiveerde vanuit de vaststelling dat "vaststaat dat (...) de arbeidsongeschiktheid dateert van 19 februari 1996"; uit geen enkele overweging van het arrest blijkt dat het arbeidshof vastgesteld, minstens onderzocht heeft, of de voorwaarde voor de toepassing van het derde lid van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, m.n. of de oorzakelijke aandoening al dan niet voor een gunstig verloop of voor genezing binnen een tamelijk korte termijn vatbaar was, in casu vervuld was;
zodat het bestreden arrest, door de arbeidsongeschiktheid van verweerder te beoordelen met toepassing van het derde lid van artikel 100, § 1 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, zonder vast te stellen dat de oorzakelijke aandoening voor een gunstig verloop of voor genezing vatbaar is binnen een tamelijk korte tijdspanne, het hof in de onmogelijkheid stelt de beslissing op haar wettigheid te toetsen en derhalve noch regelmatig gemotiveerd is (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet) noch wettig verantwoord is (schending van artikel 100, § 1, eerste en derde lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen);
het bestreden arrest door te oordelen dat het derde lid van artikel 100, § 1 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 voor de berechting van het geschil van toepassing is, op de enkele grond dat de aandoening zich situeert in de eerste zes maanden van primaire ongeschiktheid, zonder tevens vast te stellen dat de oorzakelijke aandoening voor een gunstig verloop of voor genezing binnen een tamelijk korte tijdspanne vatbaar is, niet wettelijk gerechtvaardigd is (schending van artikel 100, § 1, eerste en derde lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen);
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat, krachtens artikel 100, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, als arbeidsongeschikt als bedoeld in deze wet wordt erkend, de werknemer die alle werkzaamheid heeft onderbroken als rechtstreeks gevolg van het intreden of verergeren van letsels of functionele stoornissen waarvan erkend wordt dat ze zijn vermogen tot verdienen verminderen tot een derde of minder dan een derde van wat een persoon, van dezelfde stand en met dezelfde opleiding, kan verdienen door zijn werkzaamheid in de beroepscategorie waartoe de beroepsarbeid behoort, door betrokkene verricht toen hij arbeidsongeschikt is geworden, of in de verschillende beroepen die hij heeft of zou kunnen uitoefenen hebben uit hoofde van zijn beroepsopleiding;
Dat nochtans, krachtens het derde lid van deze wetsbepaling, die vermindering van het vermogen tot verdienen, over de eerste zes maanden primaire arbeidsongeschiktheid, gewaardeerd wordt ten aanzien van het gewone beroep van de betrokkene, in zover de oorzakelijke aandoening voor een gunstig verloop of voor genezing vatbaar is binnen een tamelijk korte tijdspanne;
Overwegende dat het arrest oordeelt, zonder vast te stellen dat de oorzakelijke aandoening van verweerder voor een gunstig verloop of voor genezing binnen een tamelijk korte tijdspanne vatbaar is, dat de primaire arbeidsongeschiktheid van verweerder slechts ten aanzien van het gewone beroep van verweerder moet worden gewaardeerd en niet ten aanzien van de verschillende beroepen die hij heeft of zou kunnen uitoefenen hebben uit hoofde van zijn beroepsopleiding;
Dat het arrest aldus de voormelde wetsbepalingen schendt;
Dat het onderdeel gegrond is;
Overwegende dat het eerste en het derde onderdeel niet tot ruimere cassatie kunnen leiden;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Gelet op artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, veroordeelt eiser in de kosten;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel.