Hof van Cassatie: Arrest van 7 Mei 2001 (België). RG S000047N
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20010507-6
- Numéro de rôle :
- S000047N
Résumé :
Een dagvaarding stuit de verjaring voor de vordering die ze inleidt alsmede voor de vordering waarvan het voorwerp virtueel begrepen is in het voorwerp van de bij dagvaarding ingestelde vordering (1).
Arrêt :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Nr. S.00.0047.N
OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN DE STAD BRUSSEL, in de persoon van de Voorzitter van de Raad voor maatschappelijk welzijn, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Hoogstraat 298 a,
eiser tot cassatie van een arrest, op 15 oktober 1999 gewezen door het Arbeidshof te Brussel,
vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
V.A., vertegenwoordigd door Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 3080 Tervuren, Jesus Eiklaan 154, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
HET HOF,
Gehoord het verslag van afdelingsvoorzitter Boes en op de conclusie van advocaat-generaal Werquin;
Gelet op het bestreden arrest, op 15 oktober 1999 gewezen door het Arbeidshof te Brussel;
Over het eerste middel, gesteld als volgt : schending van
- de artikelen 1134, 1135, 2244 en 2246 van het Burgerlijk Wetboek;
- de artikelen 23, 29, 807, 808 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek;
- artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten,
doordat het arbeidshof in de bestreden beslissing, recht sprekend over de vordering van de verweerster tot het verkrijgen van een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht die bij wijze van incidenteel hoger beroep werd ingesteld bij conclusie ter griffie ontvangen op 30 juni 1998, de door de eiser opgeworpen exceptie van verjaring afwijst op grond van de volgende motieven :
"Vervolgens houdt (de eiser) voor dat het bij conclusie, ontvangen ter griffie op 30 juni 1998, door (de verweerster) ingestelde incidenteel hoger beroep tot het bekomen van een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht (...) verjaard (zou zijn) op basis van artikel 15 WAO en minstens als ongegrond dient te worden afgewezen;
In casu is het duidelijk dat de vordering wegens misbruik van ontslagrecht dezelfde oorzaak heeft als de eerste vordering tot het bekomen van een aanvullende opzeggingsvergoeding gezien de aangehaalde feiten die ten grondslag liggen van de aanspraken dezelfde zijn in de inleidende dagvaarding, waarin trouwens uitdrukkelijk verwezen wordt naar de niet-naleving van het IRIS-plan, waarop onder meer tevens de vordering op grond van de wet van 28 december 1977 is gesteund;
(...) de door (de eiser) op basis van artikel 15 WAO ingeroepen verjaring van de op 30 juni 1998 door (de verweerster) bij besluiten ingestelde vordering wegens misbruik van ontslagrecht kan niet worden weerhouden;
Immers is het zo dat de vorderingen dezelfde oorzaak hebben en in wezen ook hetzelfde voorwerp met name het bekomen van een weliswaar onderscheiden forfaitaire vergoeding, ondanks hun rechtsgrond verschilt in de mate dat het misbruik van ontslagrecht of rechtsmisbruik stoelt op de inhoud van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek" (achtste blad i.c., negende blad en tiende blad i.c. van het arrest),
terwijl overeenkomstig artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, één jaar verjaren na het eindigen van die overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat die termijn één jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst mag overschrijden;
De arbeidsovereenkomst tussen de eiser en de verweerster, blijkens de vaststellingen van het arbeidshof, op 23 juni 1997 werd beëindigd, na eerst bij aangetekende brief van 4 juli 1996 te zijn opgezegd met een opzeggingstermijn van 14 maanden, ingaande op 1 augustus 1996 (zesde blad van het arrest);
De verweerster op 2 december 1996 de eiser dagvaardde voor de Arbeidsrechtbank te Brussel teneinde hem te horen veroordelen tot betaling van 523.438 BEF opzeggingsvergoeding en 6.428.751 BEF vergoeding op grond van artikel 6 van de wet van 28 december 1977 tot bescherming van de arbeidsgeneesheren;
De verweerster eerst bij conclusie neergelegd op 30 juni 1998, zijnde meer dan één jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst, van de eiser een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht vorderde;
De verjaring van die nieuwe vordering tot het verkrijgen van een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht niet werd gestuit door de dagvaarding van 2 december 1996 waarmee de verweerster een opzeggingsvergoeding en een vergoeding op grond van artikel 6 van de wet van 28 december 1977 tot bescherming van de arbeidsgeneesheren vorderde, aangezien de vordering tot het verkrijgen van een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht geen deel uitmaakt van de vorderingen ingesteld met de dagvaarding van 2 december 1996, noch daarin virtueel is begrepen,
zodat het arbeidshof niet wettig kon beslissen dat de vordering tot het verkrijgen van een vergoeding wegens rechtsmisbruik die de verweerster instelde bij conclusie neergelegd op 30 juni 1998, dezelfde oorzaak en in wezen ook hetzelfde voorwerp heeft als de bij dagvaarding van 2 december 1996 ingestelde vorderingen tot het verkrijgen van een opzeggingsvergoeding en een vergoeding op grond van artikel 6 van de wet van 28 december 1977 tot bescherming van de arbeidsgeneesheren en dus niet wettig de door de eiser opgeroepen exceptie van verjaring kon afwijzen (schending van de artikelen 1134, 1135, 2244 en 2246 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 23, 29, 807, 808 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten) :
Overwegende dat een rechtsvordering die uit de arbeidsovereenkomst is ontstaan, een jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit deze vordering is ontstaan, verjaart, zonder dat deze termijn een jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden;
Overwegende dat, krachtens artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, een dagvaarding de verjaring stuit voor de vordering die ze inleidt en voor de vordering die virtueel daarin begrepen is; dat voor de stuiting van laatstgenoemde vordering vereist is dat het voorwerp van die vordering virtueel begrepen is in het voorwerp van de bij dagvaarding ingestelde vordering;
Overwegende dat het arrest eiser veroordeelt tot betaling aan verweerster, benevens een opzeggingsvergoeding, van een materiële en morele schadevergoeding van 3.000.000 BEF omdat eiser zijn "ontslagrecht heeft uitgeoefend zonder enig gewettigd motief en de economische en sociale finaliteit van dit recht heeft afgewend, zodat in casu wel degelijk sprake is van misbruik van ontslagrecht";
Overwegende dat het arrest oordeelt dat :
1. deze vordering van verweerster, gegrond op het misbruik van ontslagrecht, regelmatig bij incidenteel beroep van 30 juni 1998 met toepassing van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek kon worden ingesteld omdat de oorzaak van deze vordering dezelfde is als deze van de vorderingen bij dagvaarding van 2 december 1996 ingesteld;
2. deze vordering, meer dan een jaar na de beëïndiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen ingesteld, dus na verloop van de in artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalde verjaringstermijn, niet verjaard is omdat de dagvaarding van 2 december 1996, waarbij verweerster een aanvullende opzeggingsvergoeding vorderde en een vergoeding op basis van artikel 6 van de wet van 28 december 1977 tot bescherming van de arbeidsgeneesheren, "in wezen hetzelfde voorwerp (heeft), met name het bekomen van een weliswaar onderscheiden forfaitaire vergoeding" als de in die dagvaarding ingestelde vorderingen;
Overwegende dat, de opzeggingsvergoeding alle schade die uit de onrechtmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voortvloeit, zowel de materiële als de morele schade, op forfaitaire wijze dekt, terwijl de vergoeding wegens rechtsmisbruik buitengewone schade dekt die niet veroorzaakt is door het ontslag zelf; dat dienvolgens een vordering wegens misbruik van het ontslagrecht niet virtueel begrepen is in een vordering tot toekenning van een opzeggingsvergoeding;
Overwegende dat de in artikel 6 van de wet van 28 december 1977 bedoelde vergoeding de vergoeding betreft waarop de arbeidsgeneesheer recht heeft in geval de arbeidsovereenkomst van de arbeidsgeneesheer beëindigd wordt zonder naleving van de procedure, bepaald in artikel 5, "onverminderd het recht op een hogere vergoeding of schadeloosstelling krachtens de overeenkomst of het gebruik en op elke andere vergoeding van materiële of morele schade"; dat deze vergoeding een andere vergoeding is dan deze die het voorwerp is van een vordering wegens misbruik van het ontslagrecht;
Overwegende dat het arrest dienvolgens niet wettig beslist dat de vordering wegens misbruik van ontslagrecht te dezen niet verjaard is omdat deze vordering hetzelfde voorwerp heeft als de bij dagvaarding van 2 december 1996 ingestelde vorderingen, mitsdien bij deze dagvaarding binnen de bedoelde verjaringstermijn ingesteld;
Dat het arrest aldus artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 en artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek schendt;
Dat het onderdeel in zoverre gegrond is;
Overwegende dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het eiser veroordeelt tot het betalen van een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht met interest en de kosten;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Antwerpen.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Boes, de raadsheren Bourgeois, Dirix, Stassijns, Plas, en in openbare terechtzitting van zeven mei tweeduizend en een uitgesproken door afdelingsvoorzitter Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier De Prins.
OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN DE STAD BRUSSEL, in de persoon van de Voorzitter van de Raad voor maatschappelijk welzijn, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Hoogstraat 298 a,
eiser tot cassatie van een arrest, op 15 oktober 1999 gewezen door het Arbeidshof te Brussel,
vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
V.A., vertegenwoordigd door Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 3080 Tervuren, Jesus Eiklaan 154, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
HET HOF,
Gehoord het verslag van afdelingsvoorzitter Boes en op de conclusie van advocaat-generaal Werquin;
Gelet op het bestreden arrest, op 15 oktober 1999 gewezen door het Arbeidshof te Brussel;
Over het eerste middel, gesteld als volgt : schending van
- de artikelen 1134, 1135, 2244 en 2246 van het Burgerlijk Wetboek;
- de artikelen 23, 29, 807, 808 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek;
- artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten,
doordat het arbeidshof in de bestreden beslissing, recht sprekend over de vordering van de verweerster tot het verkrijgen van een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht die bij wijze van incidenteel hoger beroep werd ingesteld bij conclusie ter griffie ontvangen op 30 juni 1998, de door de eiser opgeworpen exceptie van verjaring afwijst op grond van de volgende motieven :
"Vervolgens houdt (de eiser) voor dat het bij conclusie, ontvangen ter griffie op 30 juni 1998, door (de verweerster) ingestelde incidenteel hoger beroep tot het bekomen van een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht (...) verjaard (zou zijn) op basis van artikel 15 WAO en minstens als ongegrond dient te worden afgewezen;
In casu is het duidelijk dat de vordering wegens misbruik van ontslagrecht dezelfde oorzaak heeft als de eerste vordering tot het bekomen van een aanvullende opzeggingsvergoeding gezien de aangehaalde feiten die ten grondslag liggen van de aanspraken dezelfde zijn in de inleidende dagvaarding, waarin trouwens uitdrukkelijk verwezen wordt naar de niet-naleving van het IRIS-plan, waarop onder meer tevens de vordering op grond van de wet van 28 december 1977 is gesteund;
(...) de door (de eiser) op basis van artikel 15 WAO ingeroepen verjaring van de op 30 juni 1998 door (de verweerster) bij besluiten ingestelde vordering wegens misbruik van ontslagrecht kan niet worden weerhouden;
Immers is het zo dat de vorderingen dezelfde oorzaak hebben en in wezen ook hetzelfde voorwerp met name het bekomen van een weliswaar onderscheiden forfaitaire vergoeding, ondanks hun rechtsgrond verschilt in de mate dat het misbruik van ontslagrecht of rechtsmisbruik stoelt op de inhoud van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek" (achtste blad i.c., negende blad en tiende blad i.c. van het arrest),
terwijl overeenkomstig artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, één jaar verjaren na het eindigen van die overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat die termijn één jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst mag overschrijden;
De arbeidsovereenkomst tussen de eiser en de verweerster, blijkens de vaststellingen van het arbeidshof, op 23 juni 1997 werd beëindigd, na eerst bij aangetekende brief van 4 juli 1996 te zijn opgezegd met een opzeggingstermijn van 14 maanden, ingaande op 1 augustus 1996 (zesde blad van het arrest);
De verweerster op 2 december 1996 de eiser dagvaardde voor de Arbeidsrechtbank te Brussel teneinde hem te horen veroordelen tot betaling van 523.438 BEF opzeggingsvergoeding en 6.428.751 BEF vergoeding op grond van artikel 6 van de wet van 28 december 1977 tot bescherming van de arbeidsgeneesheren;
De verweerster eerst bij conclusie neergelegd op 30 juni 1998, zijnde meer dan één jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst, van de eiser een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht vorderde;
De verjaring van die nieuwe vordering tot het verkrijgen van een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht niet werd gestuit door de dagvaarding van 2 december 1996 waarmee de verweerster een opzeggingsvergoeding en een vergoeding op grond van artikel 6 van de wet van 28 december 1977 tot bescherming van de arbeidsgeneesheren vorderde, aangezien de vordering tot het verkrijgen van een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht geen deel uitmaakt van de vorderingen ingesteld met de dagvaarding van 2 december 1996, noch daarin virtueel is begrepen,
zodat het arbeidshof niet wettig kon beslissen dat de vordering tot het verkrijgen van een vergoeding wegens rechtsmisbruik die de verweerster instelde bij conclusie neergelegd op 30 juni 1998, dezelfde oorzaak en in wezen ook hetzelfde voorwerp heeft als de bij dagvaarding van 2 december 1996 ingestelde vorderingen tot het verkrijgen van een opzeggingsvergoeding en een vergoeding op grond van artikel 6 van de wet van 28 december 1977 tot bescherming van de arbeidsgeneesheren en dus niet wettig de door de eiser opgeroepen exceptie van verjaring kon afwijzen (schending van de artikelen 1134, 1135, 2244 en 2246 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 23, 29, 807, 808 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten) :
Overwegende dat een rechtsvordering die uit de arbeidsovereenkomst is ontstaan, een jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit deze vordering is ontstaan, verjaart, zonder dat deze termijn een jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden;
Overwegende dat, krachtens artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, een dagvaarding de verjaring stuit voor de vordering die ze inleidt en voor de vordering die virtueel daarin begrepen is; dat voor de stuiting van laatstgenoemde vordering vereist is dat het voorwerp van die vordering virtueel begrepen is in het voorwerp van de bij dagvaarding ingestelde vordering;
Overwegende dat het arrest eiser veroordeelt tot betaling aan verweerster, benevens een opzeggingsvergoeding, van een materiële en morele schadevergoeding van 3.000.000 BEF omdat eiser zijn "ontslagrecht heeft uitgeoefend zonder enig gewettigd motief en de economische en sociale finaliteit van dit recht heeft afgewend, zodat in casu wel degelijk sprake is van misbruik van ontslagrecht";
Overwegende dat het arrest oordeelt dat :
1. deze vordering van verweerster, gegrond op het misbruik van ontslagrecht, regelmatig bij incidenteel beroep van 30 juni 1998 met toepassing van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek kon worden ingesteld omdat de oorzaak van deze vordering dezelfde is als deze van de vorderingen bij dagvaarding van 2 december 1996 ingesteld;
2. deze vordering, meer dan een jaar na de beëïndiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen ingesteld, dus na verloop van de in artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalde verjaringstermijn, niet verjaard is omdat de dagvaarding van 2 december 1996, waarbij verweerster een aanvullende opzeggingsvergoeding vorderde en een vergoeding op basis van artikel 6 van de wet van 28 december 1977 tot bescherming van de arbeidsgeneesheren, "in wezen hetzelfde voorwerp (heeft), met name het bekomen van een weliswaar onderscheiden forfaitaire vergoeding" als de in die dagvaarding ingestelde vorderingen;
Overwegende dat, de opzeggingsvergoeding alle schade die uit de onrechtmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voortvloeit, zowel de materiële als de morele schade, op forfaitaire wijze dekt, terwijl de vergoeding wegens rechtsmisbruik buitengewone schade dekt die niet veroorzaakt is door het ontslag zelf; dat dienvolgens een vordering wegens misbruik van het ontslagrecht niet virtueel begrepen is in een vordering tot toekenning van een opzeggingsvergoeding;
Overwegende dat de in artikel 6 van de wet van 28 december 1977 bedoelde vergoeding de vergoeding betreft waarop de arbeidsgeneesheer recht heeft in geval de arbeidsovereenkomst van de arbeidsgeneesheer beëindigd wordt zonder naleving van de procedure, bepaald in artikel 5, "onverminderd het recht op een hogere vergoeding of schadeloosstelling krachtens de overeenkomst of het gebruik en op elke andere vergoeding van materiële of morele schade"; dat deze vergoeding een andere vergoeding is dan deze die het voorwerp is van een vordering wegens misbruik van het ontslagrecht;
Overwegende dat het arrest dienvolgens niet wettig beslist dat de vordering wegens misbruik van ontslagrecht te dezen niet verjaard is omdat deze vordering hetzelfde voorwerp heeft als de bij dagvaarding van 2 december 1996 ingestelde vorderingen, mitsdien bij deze dagvaarding binnen de bedoelde verjaringstermijn ingesteld;
Dat het arrest aldus artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 en artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek schendt;
Dat het onderdeel in zoverre gegrond is;
Overwegende dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het eiser veroordeelt tot het betalen van een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht met interest en de kosten;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Antwerpen.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Boes, de raadsheren Bourgeois, Dirix, Stassijns, Plas, en in openbare terechtzitting van zeven mei tweeduizend en een uitgesproken door afdelingsvoorzitter Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier De Prins.