De artikelen 203 en 337, tweede lid, B.W. krachtens welke een verplichting tot onderhoud en opvoeding van de minderjarige kinderen op de ouders en in geval van overlijden van een van hen, op de overlevende ouder rust, sluiten niet uit dat de kinderen, ten gevolge van het overlijden van hun moeder, persoonlijk stoffelijke schade kunnen lijden door het derven van het deel van de door haar verworven inkomsten en van de door haar verrichte huishoudelijke arbeid, die voor hun onderhoud en opvoeding werden besteed; een arrest is derhalve niet wettelijk verantwoord wanneer het beslist dat de kinderen ten gevolge van het overlijden van hun moeder geen materiële schade hebben geleden, op grond alleen dat zodanige verplichting tot levensonderhoud ten deze nog op de overlevende vader rust <1>. (Artt. 1382, 1383 B.W.)
Arrêt :
La version intégrale et consolidée de ce texte n'est pas disponible.