Hof van Cassatie: Arrest van 8 November 2004 (België). RG C030510N
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20041108-6
- Numéro de rôle :
- C030510N
Résumé :
De toepassing van het C.M.R.-verdrag vereist het bestaan van een overeenkomst die het vervoer van goederen over de weg tot voorwerp heeft; die voorwaarde is niet vervuld indien de overeenkomst de wijze van vervoer niet nader bepaalt en evenmin uit de omstandigheid van de zaak blijkt dat de partijen een vervoer over de weg voor ogen hadden.
Arrêt :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Nr. C.03.0510.N.-
TNT EXPRESS BELGIUM, naamloze vennootschap, met vennootschaps-zetel gevestigd te 1931 Zaventem, Brucargo, Gebouw 711, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder het nummer 576.433,
eiseres,
vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
1. MITSUI SUMITOMO INSURANCE COMPANY EUROPE Ltd, vennootschap naar Engels recht, voorheen MITSUI MARINE & FIRE INSURANCE CO. (EUROPE) LTD., verzekeringsmaatschappij, waarvan de zetel gevestigd is te EC3R 7 LP London (Verenigd Koninkrijk), 6th floor, New London House, 6 London Street, waarvan de zetel voor België gevestigd is te 2650 Edegem, Prins Boudewijnlaan 43, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0443.536.458,
verweerster,
2. SONY SERVICE CENTRE EUROPE, naamloze vennootschap, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1840 Londerzeel, Technologielaan 7, en waarvan de uitbatingszetel gevestigd is te 1130 Brussel, Rakestraat 100, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0413.825.160,
3. SONY DEUTSCHLAND GmbH, vennootschap naar Duits recht, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 50829 Köln (Duitsland), Hugo Eckenerstrasse 20,
4. MEDIA MARKT TV-HIFI-ELEKTRO GmbH, vennootschap naar Duits recht, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 49191 Belm (Duitsland), Weberstrasse 1,
partijen opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest,
allen vertegenwoordigd door Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 81, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, in laatste aanleg gewezen op 21 november 2002 door het Vredegerecht van het kanton Overijse-Zaventem (zetel Zaventem).
II. Rechtspleging voor het Hof
Bij beschikking van de eerste voorzitter van 30 september 2004 werd de zaak naar de derde kamer verwezen.
Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd.
III. Middelen
Eiseres voert in haar verzoekschrift drie middelen aan.
1. Eerste middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.
Aangevochten beslissing
Het vonnis bevestigt dat er tussen de gedingvoerende partijen betwisting bestaat over de omvang van de schadevergoeding en stelt vervolgens vast :
"(Eiseres) roept in dat in artikel 38 van de Vervoerswet van 3 mei 1999 uitdrukkelijk is bepaald dat het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, afgekort CMR-verdrag, van toepassing is op het nationaal vervoer van zaken wat volgens haar in casu het geval zou zijn. (Eiseres) argumenteert dat ze de goederen over de weg vervoerde en dat dienvolgens volgens haar het CMR-verdrag moet worden toegepast, hoewel het weliswaar een binnenlands vervoer betrof" (cf. p. 5, tweede en derde alinea van het vonnis).
Grieven
Schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.
De rechter is ertoe gehouden de bewijskracht van de gedingstukken te eerbiedigen en miskent de bewijskracht ervan indien hij deze stukken uitlegt of weergeeft op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan.
In haar conclusie liet eiseres gelden dat zij zich op de toepassing van het Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst voor het internationaal vervoer van goederen over de weg kon beroepen, vermits de vordering van verweerster en tot de bindendverklaring opgeroepen partijen betrekking had "op schade in het kader van een internationaal wegvervoer van Londerzeel naar Belm (Duitsland)" (cf. p. 4, eerste alinea van de derde aanvullende en hernemende conclusie van eiseres).
Eiseres voerde niet aan dat er een nationaal vervoer zou hebben plaatsgevonden en riep tot staving van haar verweer evenmin artikel 38 van de Vervoerswet van 3 mei 1999 in.
Waar het vonnis overweegt dat "(eiseres) ... inroept dat in artikel 38 van de Vervoerswet van 3 mei 1999 uitdrukkelijk is bepaald dat het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, afgekort CMR-verdrag, van toepassing is op het nationaal vervoer van zaken wat volgens haar in casu het geval zou zijn. (Eiseres) argumenteert dat ze de goederen over de weg vervoerde en dat dienvolgens volgens haar het CMR-verdrag moet worden toegepast, hoewel het weliswaar een binnenlands vervoer betrof" (cf. p. 5, tweede en derde alinea van het vonnis), schrijft het aan de conclusie van eiseres iets toe dat er niet in werd beweerd, geeft het deze conclusie en de erin vervatte verweermiddelen derhalve weer op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en schendt het dan ook de bewijskracht ervan (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek).
2. Tweede middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- Artikel 1, 1. en 1, 2., van het Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst voor het internationaal vervoer van goederen over de weg, goedgekeurd bij wet van 4 september 1962 (B.S. 8 november 1962) en gewijzigd door het Protocol bij het Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR) van 5 juli 1978, goedgekeurd bij wet van 25 april 1983 (B.S. 20 oktober 1983) (hierna CMR-verdrag).
Aangevochten beslissing
Eiseres voerde aan dat het CMR-verdrag op onderhavig geschil van rechtswege van toepassing was.
Het vredegerecht heeft dit middel op basis van de volgende overwegingen verworpen :
"Hoe (eiseres) haar opdracht bewerkstelligde en materialiseerde om uiteindelijk de goederen ter bestemming af te leveren, is volkomen irrelevant.
Het relevante punt is wat partijen ab initio overeengekomen zijn.
De toepassing van het CMR-verdrag vereist het bestaan van een overeenkomst van wegvervoer.
Volgens artikel 1 van het CMR is de overeenkomst, zijnde de consensus tussen de partijen, determinerend om uit te maken of het tractaat al dan niet toepasselijk is (zie artikel 1, CMR en artikel 38, Vervoerswet 1999).
In casu ligt geen overeenkomst van wegvervoer voor.
Sony richtte zich niet tot een wegvervoerder, maar wel tot een koerierdienst-pakjesdienst.
Een koerierdienst-pakjesdienst, onderscheidt zich fundamenteel van het 'klassieke' transport door de specificiteiten van zo een dienst.
De koerier bepaalt soeverein en autonoom hoe hij de opdracht tot aflevering zal tewerkstelligen en dit zonder toezicht of inspraak van zijn opdrachtgever.
Daartegenover wordt een overeenkomst van wegvervoer gekenmerkt door een consensus, ab initio, over het transportmodem. Van keuze van modem is bij de overeenkomst van wegvervoer geen sprake. De vervoerder geniet geenszins de vrijheid aangaande de routebepaling, op- en overslagen enz..
De vooraf bestaande consensus tussen partijen betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg is absoluut een conditio sine qua non voor de toepassing van deze overeenkomst.
Uitgebreide rechtspraak en uitvoerige rechtsleer zijn het hierover volkomen eens (...).
De Rechtbank van Koophandel te Brussel oordeelde tot nu toe steevast dat een koerierdienst geen transportovereenkomst inhoudt.
Het is een aanneming van werk die onder de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek ressorteert, ergo ook een onbeperkte aansprakelijkheid met zich meebrengt.
Zo de partijen een overeenkomst tot wegvervoer sloten, is de CMR van toepassing ongeacht hoe het vervoer in de realiteit werd bewerkstelligd.
In ontkennend geval is de CMR de overeenkomst vreemd.
In casu betreft het duidelijk een tussen partijen gesloten sui generis overeenkomst, volkomen vreemd aan de overeenkomst van wegvervoer.
De koerierdienst, pakjesdienst, differentieert zich in essentie van de overeenkomst van wegvervoer. De koerierdienst heeft enkel een verzendings-opdracht, noch min of meer.
Kortom de absolute keuzevrijheid van de koerier, buiten ieder toezicht en zonder enige inspraak van zijn contractant, is nu net kenmerkend voor de pakjesdienst.
De koerier bepaalt soeverein. Dit staat in schril contrast tot een overeenkomst van wegvervoer, waar de vervoerder, in tegenstelling tot de koerier, helemaal niet soeverein bij het materialiseren van zijn opdracht kan beslissen.
De contractant geeft de koerier enkel een verzendingsopdracht. Hoe die verzending gematerialiseerd wordt blijft hem vreemd. De koerierdienst, pakjesdienst heeft geen uitstaans met de overeenkomst van wegvervoer en dit bij gebreke van de absolute vereiste consensus. De koerier differentieert zich in essentie van zo'n vervoer en is dus wel degelijk een dienst sui generis. Juridisch betreft het een gewone aanneming van werk, zoals bedoeld in het Burgerlijk Wetboek waarmee het CMR geen uitstaans heeft.
Het CMR-verdrag is in casu duidelijk niet van toepassing" (cf. p. 5 en p. 6 van het vonnis).
Grieven
Schending van artikel 1, 1. en 1, 2., van het CMR-verdrag.
De activiteit van een vervoerder wordt in beginsel als een huur van werk en van diensten gekwalificeerd, waarop de artikelen 1779 e.v. van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn (cf. artikel 1779, 2°, van het Burgerlijk Wetboek).
De bepalingen van het Burgerlijk Wetboek wijken echter voor de meer specifieke wettelijke regeling die in voorkomend geval op deze vervoersactiviteit van toepassing is.
Luidens artikel 1, 1., van het CMR-verdrag, is dit verdrag van rechts-wege toepasselijk "op iedere overeenkomst onder bezwarende titel voor het vervoer van goederen over de weg door middel van voertuigen, wanneer de plaats van inontvangstneming der goederen en de plaats bestemd voor de aflevering, zoals deze zijn aangegeven in de overeenkomst, gelegen zijn in twee verschillende landen, waarvan ten minste één een bij het Verdrag partij zijnde land is, ongeacht de woonplaats en de nationaliteit van partijen".
Eiseres voerde aan dat het schadegeval zich had voorgedaan tijdens het bedongen vervoer van goederen ten bezwarende titel over de weg van Londerzeel in België naar Belm in Duitsland, met behulp van een in artikel 1, 2., van het CMR-verdrag opgesomd voertuig, zodat het CMR-verdrag en de in artikel 23 van dit verdrag opgenomen aansprakelijkheidsbeperking moest worden toegepast (cf. p. 4 van de derde aanvullende en hernemende conclusie van eiseres).
Het Vredegerecht van het kanton Overijse-Zaventem oordeelt evenwel dat dit niet volstaat om de toepasselijkheid van de in het verdrag opgenomen aansprakelijkheidsbeperking te kunnen inroepen.
Het vredegerecht acht de wijze waarop eiseres uitwerking gaf aan haar opdracht om de goederen ter bestemming af te leveren immers "volkomen irrelevant" (cf. p. 5, vierde alinea van het vonnis) en oordeelt dat de toepasselijkheid van het CMR-verdrag het bestaan van een overeenkomst van wegvervoer veronderstelt (cf.
p. 5, vijfde alinea van het vonnis).
Van dergelijke overeenkomst is volgens het vredegerecht slechts sprake indien er "ab initio een consensus bestond over het transportmodem" (cf. p. 5, tweede laatste alinea van het vonnis), zodat er bij gebrek aan deze "absolute vereiste consensus" (cf. p. 6, zevende alinea van het vonnis) geen sprake kan zijn van een toepasselijkheid van rechtswege of "ex lege" van het CMR-verdrag.
Opdat het CMR-verdrag van rechtswege van toepassing kan zijn, moet er een vervoersovereenkomst (1) ten bezwarende titel (2) voorliggen, met betrekking tot het vervoer van goederen (3) langs de weg (4), door middel van de in het Verdrag opgesomde voertuigen (5), waarbij de in de overeenkomst aangegeven plaatsen van inontvangstneming en aflevering zich in twee verschillende landen bevinden en minstens één ervan het Verdrag heeft goedgekeurd (6).
Artikel 1, 1., van het CMR-verdrag viseert uitdrukkelijk iedere overeen-komst die aan deze voorwaarden voldoet.
In de oorspronkelijke Franstalige en Engelstalige versie van het verdrag (cf. artikel 51 van het CMR-verdrag) is er respectievelijk sprake van "tout contrat de transport de marchandises par route" en "every contract for the carriage of goods by road", d.i. iedere overeenkomst betreffende het vervoer van goederen over de weg.
In tegenstelling tot hetgeen het vonnis aanneemt, is voor de toepassing van artikel 1, 1., van het CMR-verdrag niet vereist dat er tussen de partijen wilsovereenstemming werd bereikt over het aan te wenden transportmiddel.
Artikel 1, 1., van het CMR-verdrag vereist slechts een overeenkomst waarin een persoon zich er jegens een andere partij toe verbonden heeft om tegen vergoeding goederen te vervoeren, waarbij de in de overeenkomst aangegeven plaatsen van inontvangstneming en aflevering zich in twee verschillende landen bevinden en minstens één ervan het Verdrag heeft goedgekeurd.
Indien kan worden aangetoond dat dit vervoer over de weg gebeurde, met behulp van de in artikel 1, 2., van het CMR-verdrag opgesomde voertuigen, sluit derhalve niets uit dat het CMR-verdrag van rechtswege van toepassing is.
Door te beslissen dat artikel 1, 1., van het CMR-verdrag, slechts kan worden toegepast indien er tussen de partijen een "consensus ab initio" bestond met betrekking tot het te gebruiken "transportmodem" (cf.
p. 5, 2 de laatste alinea van het vonnis), verleent het vonnis een te beperkende draagwijdte aan artikel 1, 1., van het CMR-verdrag en ontzegt het eiseres ten onrechte de mogelijkheid om aan te tonen dat het vervoer over de weg plaatsvond, met gebruik van de in artikel 1, 2., van het CMR-verdrag opgesomde voertuigen.
Door aldus artikel 1, 1. en artikel 1, 2., van het CMR-verdrag, op onwettige wijze uit te leggen, heeft het vonnis deze bepalingen geschonden.
3. Derde middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 23 van het Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst voor het internationaal vervoer van goederen over de weg, goedgekeurd bij wet van 4 september 1962 (B.S. 8 november 1962) en gewijzigd door het Protocol bij het Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR) van 5 juli 1978, goedgekeurd bij wet van 25 april 1983 (B.S. 20 oktober 1983) (hierna CMR-verdrag) ;
- artikel 149 van de Grondwet ;
- de artikelen 1134, 1162, 1319, 1320, 1322 van het Burgerlijk Wetboek.
Aangevochten beslissing
Eiseres deed in haar conclusie tevens beroep op de tussen haar en Sony Service Centre Europe totstandgekomen computerlicentieovereenkomst en de eraan gehechte algemene voorwaarden.
Het vonnis verwerpt dit middel op grond van de volgende overwegingen :
"Tenslotte tracht (eiseres) zich in haar tweede aanvullende en derde aanvullende besluiten te beroepen op de computerlicentieovereenkomst en de bijlagen inzake vervoervoorwaarden (eiseres).
Samengevat zou men kunnen besluiten dat (eiseres) zogezegd vergeten zou zijn dat zij aangaande de toepasselijke transportconditiën met Sony contracteerde. Eenderwelk hout is voor (eiseres) thans goed om pijlen te maken.
Een en ander is hier echter irrelevant, hooguit akademisch en keert zich trouwens zelf tegen (eiseres).
(Eiseres) geeft een onjuiste lezing van de computerlicentie-overeenkomst.
De computerlicentieovereenkomst heeft een duidelijk doel en een strikt beperkt voorwerp.
De opzet bestaat er louter in het gebruik van informatica-uitrusting - die (eiseres) toebehoort en die zij aan haar klanten ter beschikking stelt - te regelen.
(Eiseres) tracht tevergeefs zich te beroepen op haar algemene conditiën. Volgens verwerende partij zouden die voorwaarden op de zending van toepassing zijn, daar de zogezegde 'computerlicentieovereenkomst' dit bepaalt.
Tevergeefs tracht (eiseres) haar aansprakelijkheid te beperken door zich tevergeefs te beroepen op de aansprakelijkheidsbeperking van het CMR-verdrag enerzijds en anderzijds de Warschauwer Conventie in te roepen.
Daar waar (eiseres) groot gewag maakt van haar algemene conditiën, geïncorporeerd in de zogezegde computerlicentieovereenkomst, dient vastgesteld te worden dat verwerende partij uit het oog verliest dat deze conditiën überhaupt niet bedingen dat de CMR hier, of elders toepassing vinden. De draagwijdte van artikel 11 (eiseres') conditiën is gans anders. Die clausule brengt gewoonweg de aansprakelijkheidsregeling/beperking onder de CMR en het Warschauwer Luchtvaarttractaat 1929 in herinnering, wanneer die verdragen rechtens toepassing vinden.
In casu werd desaangaande niets bedongen.
(Eiseres) tracht onder de CMR of het Warschauwer Luchtvaarttractaat alsnog een beperkte aansprakelijkheid in te bouwen, terwijl zij normaliter onder die tractaten onbeperkt aansprakelijk is.
Het beding is wederrechtelijk. Indien de verdragen toepassing zouden vinden, zijn ze dwingend. Dit geldt ook voor de bepalingen waaronder de aansprakelijkheid onder CMR of Warschauwer Luchtvaarttractaat wijkt.
Dit beding is nietig.
Algemene conditiën zijn van strikte interpretatie en dienen trouwens tegen diegene die ze oplegt geïnterpreteerd te worden. Het laatste lid van clausule 11 doelt kennelijk enkel op de hypothese waar de CMR of het Warschauwer Luchtvaarttractaat normaliter, 'rechtens', toepassing vindt. Andere hypotheses zijn niet voorzien. Dit beding bepaalt dus niets voor een zending waar de tractaten - zoals in casu - niet rechtens van toepassing zijn.
Daar waar verwerende partij alludeert op het zogezegde 'Collection Manifest', wijzigt dit niets aan het feit dat : de conditiën gekend moeten zijn, zonder kennis, geen acceptatie ; dit de exacte draagwijdte van die conditiën niet uitbreidt.
De door verwerende partij ingeroepen zogezegde toepassing ontbreekt hier volkomen.
(Eiseres) is, onder het Belgisch Burgerlijk Wetboek, onbeperkt aansprakelijk.
Kortom de door verwerende partij ingeroepen argumenten met betrekking tot de 'computerlicentieovereenkomst' doen in casu niets ter zake en worden afgewezen". (cf. p. 7 tot en met 9 van het vonnis)
Grieven
Eerste onderdeel
Schending van de artikelen 1134, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek en het beginsel dat de overeenkomst de partijen tot wet strekt.
Eiseres liet in haar conclusie gelden dat tussen Sony Service Centre Europe en eiseres een computerlicentieovereenkomst met bijhorende algemene voorwaarden was totstandgekomen.
Met verwijzing naar artikel 2.3 van deze computerlicentieovereenkomst voerde eiseres aan dat de computerlicentieovereenkomst zelf het gebruik van de door eiseres ter beschikking gestelde software viseerde, terwijl de onderliggende transacties, namelijk de transportzendingen die eiseres in opdracht van Sony Service Centre Europe met behulp van deze software uitvoerde, door de aan deze computerlicentieovereenkomst gehechte algemene voorwaarden werden beheerst (cf. p. 10, in fine en p. 11, tweede en derde alinea, van de derde aanvullende en hernemende conclusie van eiseres).
Artikel 2.3 van de computerlicentieovereenkomst bepaalt dat "de onderliggende transacties zullen geregeld worden door de bepalingen en voorwaarden van vervoer van TEW, waarvan een kopij als bijlage 1 is gevoegd".
In het vonnis overweegt het vredegerecht dat "(eiseres) (...) een onjuiste lezing (geeft) van de computerlicentieovereenkomst.
De computerlicentieovereenkomst heeft een duidelijk doel en een strikt beperkt voorwerp. De opzet bestaat er louter in het gebruik van informatica uitrusting - die (eiseres) toebehoort en die zij aan haar klanten ter beschikking stelt - te regelen". (cf. p. 8 van het vonnis)
Zo het vredegerecht met deze overwegingen heeft willen zeggen dat in de computerlicentieovereenkomst niets werd bedongen aangaande de rechtsregels van toepassing op de door eiseres in opdracht van Sony Service Centre Europe uitgevoerde bestellingen, miskent het de verbindende kracht van de door eiseres en Sony Service Centre Europe ondertekende overeenkomst en de erin opgenomen bedingen, in het bijzonder van artikel 2.3 van deze overeenkomst.
Artikel 2.3 van de computerlicentieovereenkomst bepaalt immers dat "de onderliggende transacties zullen geregeld worden door de bepalingen en voorwaarden van vervoer van TEW, waarvan een kopij als bijlage 1 is gevoegd".
Door aldus aan bedoelde overeenkomst niet de gevolgen toe te kennen die ze wettig tussen partijen heeft, schendt het vonnis artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek en het in dat artikel vervatte beginsel dat de overeenkomst de partijen tot wet strekt.
Minstens legt het vonnis deze overeenkomst en de erin vervatte bedingen uit op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en schendt het derhalve de bewijskracht van de akte tot vaststelling van de overeenkomst (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek).
Tweede onderdeel
Schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 23 van het CMR-verdrag.
Eiseres liet in haar conclusie gelden dat zij met toepassing van de in artikel 11, eerste lid, b), van de algemene voorwaarden, vervatte aan-sprakelijkheidsbeperking slechts tot de betaling van een vergoeding ten belope van een speciaal trekkingsrecht van 8, 33 (euro) - hetgeen overstemde met een vergoeding van 10 US $ - per kilo beschadigde of verloren goederen kon worden veroordeeld (cf. p. 9 en p. 10 van de derde samenvattende en hernemende conclusie van eiseres).
Het vonnis oordeelt echter dat "(eiseres) tevergeefs tracht (...) haar aansprakelijkheid te beperken door zich tevergeefs te beroepen op de aansprakelijkheidsbeperking van het CMR-verdrag enerzijds en anderzijds de Warschauwer Conventie in te roepen.
Daar waar (eiseres) groot gewag maakt van haar algemene conditiën, geïncorporeerd in de zogezegde computerlicentieovereenkomst, dient vastgesteld te worden dat verwerende partij uit het oog verliest dat deze conditiën überhaupt niet bedingen dat de CMR hier, of elders toepassing vindt. De draagwijdte van artikel 11 (eiseres') conditiën is gans anders. Die clausule brengt gewoonweg de aansprakelijkheidsregeling/beperking onder de CMR en het Warschauwer Luchtvaarttractaat 1929 in herinnering, wanneer die verdragen rechtens toepassing vinden.
In casu werd desaangaande niets bedongen.
(Eiseres) tracht onder de CMR of het Warschauwer Luchtvaarttractaat alsnog een beperkte aansprakelijkheid in te bouwen, terwijl zij normaliter onder die tractaten onbeperkt aansprakelijk is.
Het beding is wederrechtelijk. Indien de verdragen toepassing zouden vinden, zijn ze dwingend. Dit geldt ook voor de bepalingen waaronder de aansprakelijkheid onder CMR of Warschauwer Luchtvaarttractaat wijkt.
Dit beding is nietig". (cf. p. 8 van het vonnis)
Luidens artikel 11 van de aan de computerlicentieovereenkomst gehechte algemene voorwaarden (dat door eiseres in haar conclusie in het Nederlands werd weergegeven, (cf. p. 9 van de derde aanvullende en hernemende conclusie van eiseres) werd de omvang van de door eiseres verschuldigde schadevergoeding in geval van aansprakelijkheid wegens verlies, schade of vertraging als volgt beperkt :
a) Vervoer via de lucht :
Indien het vervoer van uw zending of een gedeelte ervan uitsluitend via de lucht geschiedt en een uiteindelijke bestemming of een onderbreking heeft in een ander land dan dit van verzending is de Conventie van Warschau (1929), zoals gewijzigd door het Protocol van Den Haag (1985) van toepassing. Dit internationaal verdrag beperkt onze aansprakelijkheid voor verlies, schade of vertraging in uw zending tot 17,66 (euro) speciale trekkingsrechten per kilo (wat ongeveer overeenkomt met 20 US $ per kilo, zij het dat de koers somtijds schommelt).
b) Vervoer over de weg :
Indien het vervoer van uw zending uitsluitend over de weg geschiedt, in, naar of van een land dat partij is bij de internationale overeenkomst van vervoer over de weg 1956 (CMR) is onze aansprakelijkheid voor verlies of schade van uw zending of van een gedeelte ervan beperkt tot 8,33 (euro) speciale trekkingsrechten per kilo (wat ongeveer overeenkomt met 10 US $ per kilo, zij het dat de koers somtijds schommelt). In geval van vertraging is onze aansprakelijkheid, mits het bewijs van schade hierdoor, beperkt tot de terugbetaling van de vrachtprijs die wij voor deze zending of voor het gedeelte dat vertraging opgelopen heeft, in rekening hebben gebracht".
Artikel 11, lid 1, b), van de algemene voorwaarden van eiseres is een omzetting naar de tussen eiseres en Sony Service Centre Europe gesloten overeenkomst van artikel 23 van het CMR-verdrag.
Dit artikel bepaalt dat, "wanneer ingevolge de bepalingen van dit Verdrag een schadevergoeding voor geheel of gedeeltelijk verlies van de goederen ten laste van de vervoerder wordt gebracht, wordt deze schadevergoeding berekend naar de waarde van de goederen op de plaats en het tijdstip van inontvangstneming. (...) De schadevergoeding kan evenwel niet meer bedragen dan 8,33 rekeneenheden voor elk ontbrekend kilogram brutogewicht (...).
In geval van vertraging is, indien de rechthebbende bewijst dat daardoor schade is ontstaan, de vervoerder gehouden voor deze schade een vergoeding te betalen, die niet meer kan bedragen dan de vrachtprijs".
Met het oog op de toepassing van artikel 11, lid 1, b), van de algemene voorwaarden van eiseres was slechts vereist dat het vervoer van de goederen van Sony Service Centre Europe over de weg gebeurde naar een staat die verdragspartij is bij het CMR-verdrag.
In dat geval kon de conventionele vertaling van artikel 23 van het CMR-verdrag worden toegepast.
Waar het vonnis derhalve oordeelt dat artikel 11, eerste lid, b), van de algemene voorwaarden van eiseres slechts kan worden toegepast indien het CMR-verdrag van rechtswege van toepassing is, legt het artikel 11, eerste lid, b), van deze algemene voorwaarden uit op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en schendt het derhalve de bewijskracht van de akte tot vaststelling van dit beding (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) alsook artikel 23 van het CMR-verdrag.
Derde onderdeel
Schending van artikel 23 van het CMR-verdrag en artikel 149 van de Grondwet.
Het vredegerecht overweegt in het vonnis dat "(eiseres) onder de CMR of het Warschauwer Luchtvaarttractaat alsnog een beperkte aansprakelijkheid (tracht) in te bouwen, terwijl zij normaliter onder die tractaten onbeperkt aansprakelijk is. Het beding is wederrechtelijk. Indien de verdragen toepassing zouden vinden, zijn ze dwingend. Dit geldt ook voor de bepalingen waaronder de aansprakelijkheid onder CMR of Warschauwer Luchtvaarttractaat wijkt. Dit beding is nietig".
In zoverre het vonnis aldus oordeelt dat artikel 11, eerste lid, b), van de algemene voorwaarden wegens strijdigheid met het dwingende CMR-verdrag nietig is, is het niet naar recht verantwoord.
Artikel 11,eerste lid, b), van de algemene voorwaarden is immers een conventionele omzetting van artikel 23 van het CMR-verdrag, waarin wordt bepaalt dat, "wanneer ingevolge de bepalingen van dit Verdrag een schadevergoeding voor geheel of gedeeltelijk verlies van de goederen ten laste van de vervoerder wordt gebracht, wordt deze schadevergoeding berekend naar de waarde van de goederen op de plaats en het tijdstip van inontvangstneming. (...) De schadevergoeding kan evenwel niet meer bedragen dan 8,33 rekeneenheden voor elk ontbrekend kilogram brutogewicht (...). In geval van vertraging is, indien de rechthebbende bewijst dat daardoor schade is ontstaan, de vervoerder gehouden voor deze schade een vergoeding te betalen, die niet meer kan bedragen dan de vrachtprijs".
Artikel 23 van het CMR-verdrag beperkt aldus uitdrukkelijk de vergoedingsverplicht van de vervoerder wegens geheel of gedeeltelijk verlies van lading of vertraging in de uitvoering van de opdracht.
Artikel 11, eerste lid, b), van de algemene voorwaarden van eiseres is dan ook niet strijdig met het dwingende artikel 23 van het CMR-verdrag doch vormt er slechts de conventionele vertaling van.
In zover het vonnis oordeelt dat artikel 11, eerste lid, b), van de algemene voorwaarden van eiseres wegens strijdigheid met het CMR-verdrag nietig is, schendt het derhalve artikel 23 van dat verdrag.
Minstens is het vonnis op dat punt verstoken van de vaststellingen die uw Hof in staat moeten stellen na te gaan welke die bepalingen zijn op grond waarvan artikel 11 van de algemene voorwaarden van eiseres nietig wordt verklaard.
Vermits de overwegingen van het vonnis het aan het Hof onmogelijk maken om toezicht uit te oefenen op de wettigheid van deze beslissing, miskent het vonnis de in artikel 149 van de Grondwet vervatte motiveringsverplichting (schending van artikel 149 van de Grondwet).
Vierde onderdeel
Schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.
Eiseres voerde in haar conclusie aan dat zij zich hoe dan ook op het laatste lid van artikel 11 van haar algemene voorwaarden kon beroepen, dat in de Nederlandse vertaling ervan (cf. p. 9 van de derde aanvullende en hernemende conclusie van eiseres) als volgt luidt :
"Indien geen van beide Conventies van toepassing is om welke reden ook, met inbegrip van contractbreuk, nalatigheid, opzettelijke fout of gebrek, is onze aansprakelijkheid voor verlies, schade of vertraging m.b.t. Uw zending of een gedeelte ervan beperkt tot 20 US $ per kilo".
Waar het vonnis overweegt dat "(eiseres) onder de CMR of het Warschauwer Luchtvaarttractaat alsnog een beperkte aansprakelijkheid (tracht) in te bouwen, terwijl zij normaliter onder die tractaten onbeperkt aansprakelijk is" (cf. p. 8, tweede laatste alinea van het vonnis) en oordeelt dat het laatste lid van artikel 11 van de algemene voorwaarden van eiseres om die reden wegens strijdigheid met het dwingende CMR-verdrag nietig is, schendt het de bewijskracht van het laatste lid van artikel 11 van de algemene voorwaarden van eiseres.
Het laatste lid van artikel 11 van de algemene voorwaarden van eiseres viseert immers uitdrukkelijk de situatie waarin "geen van beide Conventies van toepassing is" en heeft dus niet tot doel om, zoals het vonnis aanneemt, "onder de CMR of het Warschauwer Luchtvaarttractaat een beperkte aansprakelijk-heid in te bouwen" (cf. p. 8, tweede laatste alinea van het vonnis).
Waar het vonnis overweegt dat dit laatste lid van artikel 11 van de algemene voorwaarden van eiseres tot doel heeft "onder de CMR of het Warschauwer Luchtvaarttractaat een beperkte aansprakelijkheid in te bouwen", terwijl het laatste lid slechts de gevallen viseert waarin "geen van beide Conventies van toepassing is", legt het vonnis het laatste lid van artikel 11 van de algemene voorwaarden van eiseres uit op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en schendt het derhalve de bewijskracht van de akte tot vaststelling ervan (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek).
Vijfde onderdeel
Schending van artikel 1162 van het Burgerlijk Wetboek.
Met betrekking tot het laatste lid van artikel 11 van de algemene voorwaarden van eiseres oordeelt het vonnis dat "algemene conditiën (...) van strikte interpretatie (zijn) en (...) trouwens tegen diegene die ze oplegt (dienen) geïnterpreteerd te worden. Het laatste lid van clausule 11 doelt kennelijk enkel op de hypothese waar de CMR of het Warschauwer Luchtvaarttractaat normaliter, 'rechtens' toepassing vindt.
Andere hypotheses zijn niet voorzien. Dit beding bepaalt dus niets voor een zending waar de tractaten - zoals in casu - niet rechtens van toepassing zijn".
Luidens artikel 1162 van het Burgerlijk Wetboek wordt de overeenkomst in geval van twijfel uitgelegd ten nadele van hem die bedongen heeft en ten voordele van hem die zich verbonden heeft.
Van deze interpretatieregel kan evenwel slechts gebruik worden gemaakt indien er twijfel bestaat over de draagwijdte van de overeenkomst of een erin opgenomen beding en het de rechter niet mogelijk is om de zin van de overeenkomst of een erin opgenomen beding te bepalen aan de hand van de gegevens binnen en buiten de akte.
In voorliggend geval stelt het vonnis het bestaan van dergelijke twijfel niet vast en geeft het evenmin te kennen dat de draagwijdte van artikel 11, laatste lid, van de algemene voorwaarden van eiseres niet kon worden nagegaan aan de hand van de gegevens binnen en buiten de akte.
In zoverre het vonnis op grond van de enkele overweging dat "algemene conditiën (...) trouwens tegen diegene die ze oplegt (dienen) geïnterpreteerd te worden" (cf. p. 8, laatste alinea van het vonnis) toepassing maakt van artikel 1162 van het Burgerlijk Wetboek, zonder te hebben nagegaan of de draagwijdte van het laatste lid van artikel 11 van de algemene voorwaarden niet kon worden bepaald aan de hand van de gegevens binnen en buiten de akte, schendt het artikel 1162 van het Burgerlijk Wetboek.
Zesde onderdeel
Schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.
Volgens het vonnis "(doelt) het laatste lid van clausule 11 (...) kennelijk enkel op de hypothese waar de CMR of het Warschauwer Luchtvaarttractaat normaliter, 'rechtens' toepassing vindt. Andere hypotheses zijn niet voorzien. Dit beding bepaalt dus niets voor een zending waar de tractaten - zoals in casu niet rechtens van toepassing zijn" (cf. p. 8, in fine van het vonnis).
Nochtans bepaalt artikel 11, laatste lid, van de algemene voorwaarden van eiseres uitdrukkelijk : "Indien geen van beide Conventies van toepassing is om welke reden ook, met inbegrip van contractbreuk, nalatigheid, opzettelijke fout of gebrek, is onze aansprakelijkheid voor verlies, schade of vertraging m.b.t. uw zending of een gedeelte ervan beperkt tot 20 US $ per kilo".
Het laatste lid van artikel 11 van de algemene voorwaarden van eiseres viseert derhalve net die gevallen waarin het CMR-verdrag "om welke reden ook" niet van toepassing is. Waar het vonnis derhalve oordeelt dat eiseres zich niet op de aansprakelijkheidsbeperking vervat in het laatste lid van artikel 11 van haar algemene voorwaarden kan beroepen, omdat "dit beding niets bepaalt voor een zending waar de tractaten - zoals in casu - niet rechtens van toepassing zijn", terwijl het artikel uitdrukkelijk de gevallen viseert waarin "geen van beide Conventies (om welke reden ook) van toepassing is ...", legt het deze clausule uit op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, miskent het derhalve de bewijskracht van de akte tot vaststelling van dit beding en schendt het dan ook de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.
Zevende onderdeel
Schending van de artikelen 1322 en 1323 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 1322, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, bepaalt dat een onderhandse akte die erkend is door degenen tegen wie men zich daarop beroept, of die wettelijk voor erkend wordt gehouden, tussen de ondertekenaars van de akte en tussen hun erfgenamen en rechtsverkrijgenden dezelfde bewijskracht heeft als een authentieke akte.
Luidens artikel 1323 van het Burgerlijk Wetboek is diegene tegen wie men zich op een onderhandse akte beroept, verplicht zijn schrift of zijn handtekening op stellige wijze te erkennen of te ontkennen.
Ten aanzien van de algemene voorwaarden van eiseres overweegt het vonnis tevens dat "de conditiën gekend moeten zijn, zonder kennis, geen acceptatie ; dit de exacte draagwijdte van die conditiën niet uitbreidt ; De door verwerende partij ingeroepen zogezegde toepassing ontbreekt hier volkomen" (cf. p. 9, eerste en tweede alinea van het vonnis).
Zoals eiseres in haar conclusie aanvoerde werd tussen eiseres en Sony Service Centre Europe bedongen dat de onderliggende transacties, met name de transportzendingen die door Sony Service Centre Europe aan eiseres werden overgemaakt, door de aan de computerlicentieovereenkomst gehechte algemene voorwaarden zouden worden beheerst (cf. p. 11, tweede alinea van de derde aanvullende en hernemende conclusie van eiseres).
Deze overeenkomst werd door Sony Service Centre Europe en door eiseres ondertekend.
Sony Service Centre Europe eigende zich door deze ondertekening de inhoud van de computerlicentieovereenkomst en de erin vervatte verklaring dat "de onderliggende transacties zullen geregeld worden door de Bepalingen en de voorwaarden van vervoer van TEW, waarvan een kopij als bijlage 1 is bijgevoegd" (cf. artikel 2.3, van de computerlicentieovereenkomst, zoals ingeroepen door eiseres) toe.
Het vonnis kon derhalve niet zonder miskenning van de artikelen 1322 en 1323 van het Burgerlijk Wetboek beslissen dat Sony Service Centre Europe geen kennis had van deze algemene voorwaarden en er derhalve niet door gebonden was (schending van de artikelen 1322 en 1323 van het Burgerlijk Wetboek).
IV. Beslissing van het Hof
1. Eerste middel
Overwegende dat de ingeroepen schending van de bewijskracht van de conclusies van eiseres zonder weerslag blijft op de wettelijkheid van het dispositief van het vonnis, luidens hetwelk het CMR-verdrag niet van toepassing is ;
Dat het middel niet ontvankelijk is ;
2. Tweede middel
Overwegende dat, luidens artikel l, lid 1, van het Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, hierna te noemen CMR-verdrag, dit Verdrag van toepassing is op iedere overeenkomst onder bezwarende titel voor het vervoer van goederen over de weg door middel van voertuigen, wanneer de plaats van inontvangstneming der goederen en de plaats bestemd voor de aflevering, zoals deze zijn aangegeven in de overeenkomst, gelegen zijn in twee verschillende landen, waarvan ten minste één een bij het Verdrag partij zijnde land is, ongeacht de woonplaats en de nationaliteit van partijen ;
Overwegende dat de toepassing van het CMR-verdrag het bestaan van een overeenkomst vereist die het vervoer van goederen over de weg tot voorwerp heeft ;
Dat die voorwaarde niet is vervuld indien de overeenkomst de wijze van vervoer niet nader bepaalt en evenmin uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat de partijen een vervoer over de weg voor ogen hadden ;
Overwegende dat het vonnis dat oordeelt dat de vooraf bestaande overeenstemming tussen partijen dat de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg plaatsvindt, "absoluut een conditio sine qua non (is) voor de toepassing van deze overeenkomst", naar recht is verantwoord ;
Dat het middel niet kan worden aangenomen ;
3. Derde middel
3.1. Eerste onderdeel
Overwegende dat de rechter oordeelt dat de "computerlicentieovereenkomst" een duidelijk doel en een strikt beperkt voorwerp heeft, namelijk het gebruik te regelen van de door eiseres aan haar cliënten ter beschikking gestelde software en op grond hiervan beslist dat de door eiseres uitgevoerde vervoeropdrachten niet kunnen beschouwd worden als aan de computerlicentieovereenkomst onderliggende transacties, zodat de in die overeenkomst geïncorporeerde algemene contractsvoorwaarden terzake geen toepassing vinden ;
Dat door aldus te oordelen, de rechter de bindende kracht van de computerlicentieovereenkomst niet schendt, noch de bewijskracht van artikel 2.3 van die overeenkomst miskent ;
Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ;
3.2. Tweede, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende onderdeel
Overwegende dat gelet op de beslissing over het eerste onderdeel waarbij de kritiek werd verworpen op de beslissing volgens welke het CMR-verdrag niet door de computerlicentieovereenkomst toepasselijk werd gemaakt op de zending, de onderdelen geen belang meer vertonen, mitsdien niet ontvankelijk zijn ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt eiseres in de kosten.
De kosten begroot op de som van achthonderd eenennegentig euro vierendertig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd tweeënzeventig euro zesenzestig cent jegens de verwerende partijen
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van acht november tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols.
TNT EXPRESS BELGIUM, naamloze vennootschap, met vennootschaps-zetel gevestigd te 1931 Zaventem, Brucargo, Gebouw 711, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder het nummer 576.433,
eiseres,
vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
1. MITSUI SUMITOMO INSURANCE COMPANY EUROPE Ltd, vennootschap naar Engels recht, voorheen MITSUI MARINE & FIRE INSURANCE CO. (EUROPE) LTD., verzekeringsmaatschappij, waarvan de zetel gevestigd is te EC3R 7 LP London (Verenigd Koninkrijk), 6th floor, New London House, 6 London Street, waarvan de zetel voor België gevestigd is te 2650 Edegem, Prins Boudewijnlaan 43, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0443.536.458,
verweerster,
2. SONY SERVICE CENTRE EUROPE, naamloze vennootschap, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1840 Londerzeel, Technologielaan 7, en waarvan de uitbatingszetel gevestigd is te 1130 Brussel, Rakestraat 100, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0413.825.160,
3. SONY DEUTSCHLAND GmbH, vennootschap naar Duits recht, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 50829 Köln (Duitsland), Hugo Eckenerstrasse 20,
4. MEDIA MARKT TV-HIFI-ELEKTRO GmbH, vennootschap naar Duits recht, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 49191 Belm (Duitsland), Weberstrasse 1,
partijen opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest,
allen vertegenwoordigd door Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 81, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, in laatste aanleg gewezen op 21 november 2002 door het Vredegerecht van het kanton Overijse-Zaventem (zetel Zaventem).
II. Rechtspleging voor het Hof
Bij beschikking van de eerste voorzitter van 30 september 2004 werd de zaak naar de derde kamer verwezen.
Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd.
III. Middelen
Eiseres voert in haar verzoekschrift drie middelen aan.
1. Eerste middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.
Aangevochten beslissing
Het vonnis bevestigt dat er tussen de gedingvoerende partijen betwisting bestaat over de omvang van de schadevergoeding en stelt vervolgens vast :
"(Eiseres) roept in dat in artikel 38 van de Vervoerswet van 3 mei 1999 uitdrukkelijk is bepaald dat het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, afgekort CMR-verdrag, van toepassing is op het nationaal vervoer van zaken wat volgens haar in casu het geval zou zijn. (Eiseres) argumenteert dat ze de goederen over de weg vervoerde en dat dienvolgens volgens haar het CMR-verdrag moet worden toegepast, hoewel het weliswaar een binnenlands vervoer betrof" (cf. p. 5, tweede en derde alinea van het vonnis).
Grieven
Schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.
De rechter is ertoe gehouden de bewijskracht van de gedingstukken te eerbiedigen en miskent de bewijskracht ervan indien hij deze stukken uitlegt of weergeeft op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan.
In haar conclusie liet eiseres gelden dat zij zich op de toepassing van het Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst voor het internationaal vervoer van goederen over de weg kon beroepen, vermits de vordering van verweerster en tot de bindendverklaring opgeroepen partijen betrekking had "op schade in het kader van een internationaal wegvervoer van Londerzeel naar Belm (Duitsland)" (cf. p. 4, eerste alinea van de derde aanvullende en hernemende conclusie van eiseres).
Eiseres voerde niet aan dat er een nationaal vervoer zou hebben plaatsgevonden en riep tot staving van haar verweer evenmin artikel 38 van de Vervoerswet van 3 mei 1999 in.
Waar het vonnis overweegt dat "(eiseres) ... inroept dat in artikel 38 van de Vervoerswet van 3 mei 1999 uitdrukkelijk is bepaald dat het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, afgekort CMR-verdrag, van toepassing is op het nationaal vervoer van zaken wat volgens haar in casu het geval zou zijn. (Eiseres) argumenteert dat ze de goederen over de weg vervoerde en dat dienvolgens volgens haar het CMR-verdrag moet worden toegepast, hoewel het weliswaar een binnenlands vervoer betrof" (cf. p. 5, tweede en derde alinea van het vonnis), schrijft het aan de conclusie van eiseres iets toe dat er niet in werd beweerd, geeft het deze conclusie en de erin vervatte verweermiddelen derhalve weer op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en schendt het dan ook de bewijskracht ervan (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek).
2. Tweede middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- Artikel 1, 1. en 1, 2., van het Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst voor het internationaal vervoer van goederen over de weg, goedgekeurd bij wet van 4 september 1962 (B.S. 8 november 1962) en gewijzigd door het Protocol bij het Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR) van 5 juli 1978, goedgekeurd bij wet van 25 april 1983 (B.S. 20 oktober 1983) (hierna CMR-verdrag).
Aangevochten beslissing
Eiseres voerde aan dat het CMR-verdrag op onderhavig geschil van rechtswege van toepassing was.
Het vredegerecht heeft dit middel op basis van de volgende overwegingen verworpen :
"Hoe (eiseres) haar opdracht bewerkstelligde en materialiseerde om uiteindelijk de goederen ter bestemming af te leveren, is volkomen irrelevant.
Het relevante punt is wat partijen ab initio overeengekomen zijn.
De toepassing van het CMR-verdrag vereist het bestaan van een overeenkomst van wegvervoer.
Volgens artikel 1 van het CMR is de overeenkomst, zijnde de consensus tussen de partijen, determinerend om uit te maken of het tractaat al dan niet toepasselijk is (zie artikel 1, CMR en artikel 38, Vervoerswet 1999).
In casu ligt geen overeenkomst van wegvervoer voor.
Sony richtte zich niet tot een wegvervoerder, maar wel tot een koerierdienst-pakjesdienst.
Een koerierdienst-pakjesdienst, onderscheidt zich fundamenteel van het 'klassieke' transport door de specificiteiten van zo een dienst.
De koerier bepaalt soeverein en autonoom hoe hij de opdracht tot aflevering zal tewerkstelligen en dit zonder toezicht of inspraak van zijn opdrachtgever.
Daartegenover wordt een overeenkomst van wegvervoer gekenmerkt door een consensus, ab initio, over het transportmodem. Van keuze van modem is bij de overeenkomst van wegvervoer geen sprake. De vervoerder geniet geenszins de vrijheid aangaande de routebepaling, op- en overslagen enz..
De vooraf bestaande consensus tussen partijen betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg is absoluut een conditio sine qua non voor de toepassing van deze overeenkomst.
Uitgebreide rechtspraak en uitvoerige rechtsleer zijn het hierover volkomen eens (...).
De Rechtbank van Koophandel te Brussel oordeelde tot nu toe steevast dat een koerierdienst geen transportovereenkomst inhoudt.
Het is een aanneming van werk die onder de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek ressorteert, ergo ook een onbeperkte aansprakelijkheid met zich meebrengt.
Zo de partijen een overeenkomst tot wegvervoer sloten, is de CMR van toepassing ongeacht hoe het vervoer in de realiteit werd bewerkstelligd.
In ontkennend geval is de CMR de overeenkomst vreemd.
In casu betreft het duidelijk een tussen partijen gesloten sui generis overeenkomst, volkomen vreemd aan de overeenkomst van wegvervoer.
De koerierdienst, pakjesdienst, differentieert zich in essentie van de overeenkomst van wegvervoer. De koerierdienst heeft enkel een verzendings-opdracht, noch min of meer.
Kortom de absolute keuzevrijheid van de koerier, buiten ieder toezicht en zonder enige inspraak van zijn contractant, is nu net kenmerkend voor de pakjesdienst.
De koerier bepaalt soeverein. Dit staat in schril contrast tot een overeenkomst van wegvervoer, waar de vervoerder, in tegenstelling tot de koerier, helemaal niet soeverein bij het materialiseren van zijn opdracht kan beslissen.
De contractant geeft de koerier enkel een verzendingsopdracht. Hoe die verzending gematerialiseerd wordt blijft hem vreemd. De koerierdienst, pakjesdienst heeft geen uitstaans met de overeenkomst van wegvervoer en dit bij gebreke van de absolute vereiste consensus. De koerier differentieert zich in essentie van zo'n vervoer en is dus wel degelijk een dienst sui generis. Juridisch betreft het een gewone aanneming van werk, zoals bedoeld in het Burgerlijk Wetboek waarmee het CMR geen uitstaans heeft.
Het CMR-verdrag is in casu duidelijk niet van toepassing" (cf. p. 5 en p. 6 van het vonnis).
Grieven
Schending van artikel 1, 1. en 1, 2., van het CMR-verdrag.
De activiteit van een vervoerder wordt in beginsel als een huur van werk en van diensten gekwalificeerd, waarop de artikelen 1779 e.v. van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn (cf. artikel 1779, 2°, van het Burgerlijk Wetboek).
De bepalingen van het Burgerlijk Wetboek wijken echter voor de meer specifieke wettelijke regeling die in voorkomend geval op deze vervoersactiviteit van toepassing is.
Luidens artikel 1, 1., van het CMR-verdrag, is dit verdrag van rechts-wege toepasselijk "op iedere overeenkomst onder bezwarende titel voor het vervoer van goederen over de weg door middel van voertuigen, wanneer de plaats van inontvangstneming der goederen en de plaats bestemd voor de aflevering, zoals deze zijn aangegeven in de overeenkomst, gelegen zijn in twee verschillende landen, waarvan ten minste één een bij het Verdrag partij zijnde land is, ongeacht de woonplaats en de nationaliteit van partijen".
Eiseres voerde aan dat het schadegeval zich had voorgedaan tijdens het bedongen vervoer van goederen ten bezwarende titel over de weg van Londerzeel in België naar Belm in Duitsland, met behulp van een in artikel 1, 2., van het CMR-verdrag opgesomd voertuig, zodat het CMR-verdrag en de in artikel 23 van dit verdrag opgenomen aansprakelijkheidsbeperking moest worden toegepast (cf. p. 4 van de derde aanvullende en hernemende conclusie van eiseres).
Het Vredegerecht van het kanton Overijse-Zaventem oordeelt evenwel dat dit niet volstaat om de toepasselijkheid van de in het verdrag opgenomen aansprakelijkheidsbeperking te kunnen inroepen.
Het vredegerecht acht de wijze waarop eiseres uitwerking gaf aan haar opdracht om de goederen ter bestemming af te leveren immers "volkomen irrelevant" (cf. p. 5, vierde alinea van het vonnis) en oordeelt dat de toepasselijkheid van het CMR-verdrag het bestaan van een overeenkomst van wegvervoer veronderstelt (cf.
p. 5, vijfde alinea van het vonnis).
Van dergelijke overeenkomst is volgens het vredegerecht slechts sprake indien er "ab initio een consensus bestond over het transportmodem" (cf. p. 5, tweede laatste alinea van het vonnis), zodat er bij gebrek aan deze "absolute vereiste consensus" (cf. p. 6, zevende alinea van het vonnis) geen sprake kan zijn van een toepasselijkheid van rechtswege of "ex lege" van het CMR-verdrag.
Opdat het CMR-verdrag van rechtswege van toepassing kan zijn, moet er een vervoersovereenkomst (1) ten bezwarende titel (2) voorliggen, met betrekking tot het vervoer van goederen (3) langs de weg (4), door middel van de in het Verdrag opgesomde voertuigen (5), waarbij de in de overeenkomst aangegeven plaatsen van inontvangstneming en aflevering zich in twee verschillende landen bevinden en minstens één ervan het Verdrag heeft goedgekeurd (6).
Artikel 1, 1., van het CMR-verdrag viseert uitdrukkelijk iedere overeen-komst die aan deze voorwaarden voldoet.
In de oorspronkelijke Franstalige en Engelstalige versie van het verdrag (cf. artikel 51 van het CMR-verdrag) is er respectievelijk sprake van "tout contrat de transport de marchandises par route" en "every contract for the carriage of goods by road", d.i. iedere overeenkomst betreffende het vervoer van goederen over de weg.
In tegenstelling tot hetgeen het vonnis aanneemt, is voor de toepassing van artikel 1, 1., van het CMR-verdrag niet vereist dat er tussen de partijen wilsovereenstemming werd bereikt over het aan te wenden transportmiddel.
Artikel 1, 1., van het CMR-verdrag vereist slechts een overeenkomst waarin een persoon zich er jegens een andere partij toe verbonden heeft om tegen vergoeding goederen te vervoeren, waarbij de in de overeenkomst aangegeven plaatsen van inontvangstneming en aflevering zich in twee verschillende landen bevinden en minstens één ervan het Verdrag heeft goedgekeurd.
Indien kan worden aangetoond dat dit vervoer over de weg gebeurde, met behulp van de in artikel 1, 2., van het CMR-verdrag opgesomde voertuigen, sluit derhalve niets uit dat het CMR-verdrag van rechtswege van toepassing is.
Door te beslissen dat artikel 1, 1., van het CMR-verdrag, slechts kan worden toegepast indien er tussen de partijen een "consensus ab initio" bestond met betrekking tot het te gebruiken "transportmodem" (cf.
p. 5, 2 de laatste alinea van het vonnis), verleent het vonnis een te beperkende draagwijdte aan artikel 1, 1., van het CMR-verdrag en ontzegt het eiseres ten onrechte de mogelijkheid om aan te tonen dat het vervoer over de weg plaatsvond, met gebruik van de in artikel 1, 2., van het CMR-verdrag opgesomde voertuigen.
Door aldus artikel 1, 1. en artikel 1, 2., van het CMR-verdrag, op onwettige wijze uit te leggen, heeft het vonnis deze bepalingen geschonden.
3. Derde middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 23 van het Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst voor het internationaal vervoer van goederen over de weg, goedgekeurd bij wet van 4 september 1962 (B.S. 8 november 1962) en gewijzigd door het Protocol bij het Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR) van 5 juli 1978, goedgekeurd bij wet van 25 april 1983 (B.S. 20 oktober 1983) (hierna CMR-verdrag) ;
- artikel 149 van de Grondwet ;
- de artikelen 1134, 1162, 1319, 1320, 1322 van het Burgerlijk Wetboek.
Aangevochten beslissing
Eiseres deed in haar conclusie tevens beroep op de tussen haar en Sony Service Centre Europe totstandgekomen computerlicentieovereenkomst en de eraan gehechte algemene voorwaarden.
Het vonnis verwerpt dit middel op grond van de volgende overwegingen :
"Tenslotte tracht (eiseres) zich in haar tweede aanvullende en derde aanvullende besluiten te beroepen op de computerlicentieovereenkomst en de bijlagen inzake vervoervoorwaarden (eiseres).
Samengevat zou men kunnen besluiten dat (eiseres) zogezegd vergeten zou zijn dat zij aangaande de toepasselijke transportconditiën met Sony contracteerde. Eenderwelk hout is voor (eiseres) thans goed om pijlen te maken.
Een en ander is hier echter irrelevant, hooguit akademisch en keert zich trouwens zelf tegen (eiseres).
(Eiseres) geeft een onjuiste lezing van de computerlicentie-overeenkomst.
De computerlicentieovereenkomst heeft een duidelijk doel en een strikt beperkt voorwerp.
De opzet bestaat er louter in het gebruik van informatica-uitrusting - die (eiseres) toebehoort en die zij aan haar klanten ter beschikking stelt - te regelen.
(Eiseres) tracht tevergeefs zich te beroepen op haar algemene conditiën. Volgens verwerende partij zouden die voorwaarden op de zending van toepassing zijn, daar de zogezegde 'computerlicentieovereenkomst' dit bepaalt.
Tevergeefs tracht (eiseres) haar aansprakelijkheid te beperken door zich tevergeefs te beroepen op de aansprakelijkheidsbeperking van het CMR-verdrag enerzijds en anderzijds de Warschauwer Conventie in te roepen.
Daar waar (eiseres) groot gewag maakt van haar algemene conditiën, geïncorporeerd in de zogezegde computerlicentieovereenkomst, dient vastgesteld te worden dat verwerende partij uit het oog verliest dat deze conditiën überhaupt niet bedingen dat de CMR hier, of elders toepassing vinden. De draagwijdte van artikel 11 (eiseres') conditiën is gans anders. Die clausule brengt gewoonweg de aansprakelijkheidsregeling/beperking onder de CMR en het Warschauwer Luchtvaarttractaat 1929 in herinnering, wanneer die verdragen rechtens toepassing vinden.
In casu werd desaangaande niets bedongen.
(Eiseres) tracht onder de CMR of het Warschauwer Luchtvaarttractaat alsnog een beperkte aansprakelijkheid in te bouwen, terwijl zij normaliter onder die tractaten onbeperkt aansprakelijk is.
Het beding is wederrechtelijk. Indien de verdragen toepassing zouden vinden, zijn ze dwingend. Dit geldt ook voor de bepalingen waaronder de aansprakelijkheid onder CMR of Warschauwer Luchtvaarttractaat wijkt.
Dit beding is nietig.
Algemene conditiën zijn van strikte interpretatie en dienen trouwens tegen diegene die ze oplegt geïnterpreteerd te worden. Het laatste lid van clausule 11 doelt kennelijk enkel op de hypothese waar de CMR of het Warschauwer Luchtvaarttractaat normaliter, 'rechtens', toepassing vindt. Andere hypotheses zijn niet voorzien. Dit beding bepaalt dus niets voor een zending waar de tractaten - zoals in casu - niet rechtens van toepassing zijn.
Daar waar verwerende partij alludeert op het zogezegde 'Collection Manifest', wijzigt dit niets aan het feit dat : de conditiën gekend moeten zijn, zonder kennis, geen acceptatie ; dit de exacte draagwijdte van die conditiën niet uitbreidt.
De door verwerende partij ingeroepen zogezegde toepassing ontbreekt hier volkomen.
(Eiseres) is, onder het Belgisch Burgerlijk Wetboek, onbeperkt aansprakelijk.
Kortom de door verwerende partij ingeroepen argumenten met betrekking tot de 'computerlicentieovereenkomst' doen in casu niets ter zake en worden afgewezen". (cf. p. 7 tot en met 9 van het vonnis)
Grieven
Eerste onderdeel
Schending van de artikelen 1134, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek en het beginsel dat de overeenkomst de partijen tot wet strekt.
Eiseres liet in haar conclusie gelden dat tussen Sony Service Centre Europe en eiseres een computerlicentieovereenkomst met bijhorende algemene voorwaarden was totstandgekomen.
Met verwijzing naar artikel 2.3 van deze computerlicentieovereenkomst voerde eiseres aan dat de computerlicentieovereenkomst zelf het gebruik van de door eiseres ter beschikking gestelde software viseerde, terwijl de onderliggende transacties, namelijk de transportzendingen die eiseres in opdracht van Sony Service Centre Europe met behulp van deze software uitvoerde, door de aan deze computerlicentieovereenkomst gehechte algemene voorwaarden werden beheerst (cf. p. 10, in fine en p. 11, tweede en derde alinea, van de derde aanvullende en hernemende conclusie van eiseres).
Artikel 2.3 van de computerlicentieovereenkomst bepaalt dat "de onderliggende transacties zullen geregeld worden door de bepalingen en voorwaarden van vervoer van TEW, waarvan een kopij als bijlage 1 is gevoegd".
In het vonnis overweegt het vredegerecht dat "(eiseres) (...) een onjuiste lezing (geeft) van de computerlicentieovereenkomst.
De computerlicentieovereenkomst heeft een duidelijk doel en een strikt beperkt voorwerp. De opzet bestaat er louter in het gebruik van informatica uitrusting - die (eiseres) toebehoort en die zij aan haar klanten ter beschikking stelt - te regelen". (cf. p. 8 van het vonnis)
Zo het vredegerecht met deze overwegingen heeft willen zeggen dat in de computerlicentieovereenkomst niets werd bedongen aangaande de rechtsregels van toepassing op de door eiseres in opdracht van Sony Service Centre Europe uitgevoerde bestellingen, miskent het de verbindende kracht van de door eiseres en Sony Service Centre Europe ondertekende overeenkomst en de erin opgenomen bedingen, in het bijzonder van artikel 2.3 van deze overeenkomst.
Artikel 2.3 van de computerlicentieovereenkomst bepaalt immers dat "de onderliggende transacties zullen geregeld worden door de bepalingen en voorwaarden van vervoer van TEW, waarvan een kopij als bijlage 1 is gevoegd".
Door aldus aan bedoelde overeenkomst niet de gevolgen toe te kennen die ze wettig tussen partijen heeft, schendt het vonnis artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek en het in dat artikel vervatte beginsel dat de overeenkomst de partijen tot wet strekt.
Minstens legt het vonnis deze overeenkomst en de erin vervatte bedingen uit op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en schendt het derhalve de bewijskracht van de akte tot vaststelling van de overeenkomst (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek).
Tweede onderdeel
Schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 23 van het CMR-verdrag.
Eiseres liet in haar conclusie gelden dat zij met toepassing van de in artikel 11, eerste lid, b), van de algemene voorwaarden, vervatte aan-sprakelijkheidsbeperking slechts tot de betaling van een vergoeding ten belope van een speciaal trekkingsrecht van 8, 33 (euro) - hetgeen overstemde met een vergoeding van 10 US $ - per kilo beschadigde of verloren goederen kon worden veroordeeld (cf. p. 9 en p. 10 van de derde samenvattende en hernemende conclusie van eiseres).
Het vonnis oordeelt echter dat "(eiseres) tevergeefs tracht (...) haar aansprakelijkheid te beperken door zich tevergeefs te beroepen op de aansprakelijkheidsbeperking van het CMR-verdrag enerzijds en anderzijds de Warschauwer Conventie in te roepen.
Daar waar (eiseres) groot gewag maakt van haar algemene conditiën, geïncorporeerd in de zogezegde computerlicentieovereenkomst, dient vastgesteld te worden dat verwerende partij uit het oog verliest dat deze conditiën überhaupt niet bedingen dat de CMR hier, of elders toepassing vindt. De draagwijdte van artikel 11 (eiseres') conditiën is gans anders. Die clausule brengt gewoonweg de aansprakelijkheidsregeling/beperking onder de CMR en het Warschauwer Luchtvaarttractaat 1929 in herinnering, wanneer die verdragen rechtens toepassing vinden.
In casu werd desaangaande niets bedongen.
(Eiseres) tracht onder de CMR of het Warschauwer Luchtvaarttractaat alsnog een beperkte aansprakelijkheid in te bouwen, terwijl zij normaliter onder die tractaten onbeperkt aansprakelijk is.
Het beding is wederrechtelijk. Indien de verdragen toepassing zouden vinden, zijn ze dwingend. Dit geldt ook voor de bepalingen waaronder de aansprakelijkheid onder CMR of Warschauwer Luchtvaarttractaat wijkt.
Dit beding is nietig". (cf. p. 8 van het vonnis)
Luidens artikel 11 van de aan de computerlicentieovereenkomst gehechte algemene voorwaarden (dat door eiseres in haar conclusie in het Nederlands werd weergegeven, (cf. p. 9 van de derde aanvullende en hernemende conclusie van eiseres) werd de omvang van de door eiseres verschuldigde schadevergoeding in geval van aansprakelijkheid wegens verlies, schade of vertraging als volgt beperkt :
a) Vervoer via de lucht :
Indien het vervoer van uw zending of een gedeelte ervan uitsluitend via de lucht geschiedt en een uiteindelijke bestemming of een onderbreking heeft in een ander land dan dit van verzending is de Conventie van Warschau (1929), zoals gewijzigd door het Protocol van Den Haag (1985) van toepassing. Dit internationaal verdrag beperkt onze aansprakelijkheid voor verlies, schade of vertraging in uw zending tot 17,66 (euro) speciale trekkingsrechten per kilo (wat ongeveer overeenkomt met 20 US $ per kilo, zij het dat de koers somtijds schommelt).
b) Vervoer over de weg :
Indien het vervoer van uw zending uitsluitend over de weg geschiedt, in, naar of van een land dat partij is bij de internationale overeenkomst van vervoer over de weg 1956 (CMR) is onze aansprakelijkheid voor verlies of schade van uw zending of van een gedeelte ervan beperkt tot 8,33 (euro) speciale trekkingsrechten per kilo (wat ongeveer overeenkomt met 10 US $ per kilo, zij het dat de koers somtijds schommelt). In geval van vertraging is onze aansprakelijkheid, mits het bewijs van schade hierdoor, beperkt tot de terugbetaling van de vrachtprijs die wij voor deze zending of voor het gedeelte dat vertraging opgelopen heeft, in rekening hebben gebracht".
Artikel 11, lid 1, b), van de algemene voorwaarden van eiseres is een omzetting naar de tussen eiseres en Sony Service Centre Europe gesloten overeenkomst van artikel 23 van het CMR-verdrag.
Dit artikel bepaalt dat, "wanneer ingevolge de bepalingen van dit Verdrag een schadevergoeding voor geheel of gedeeltelijk verlies van de goederen ten laste van de vervoerder wordt gebracht, wordt deze schadevergoeding berekend naar de waarde van de goederen op de plaats en het tijdstip van inontvangstneming. (...) De schadevergoeding kan evenwel niet meer bedragen dan 8,33 rekeneenheden voor elk ontbrekend kilogram brutogewicht (...).
In geval van vertraging is, indien de rechthebbende bewijst dat daardoor schade is ontstaan, de vervoerder gehouden voor deze schade een vergoeding te betalen, die niet meer kan bedragen dan de vrachtprijs".
Met het oog op de toepassing van artikel 11, lid 1, b), van de algemene voorwaarden van eiseres was slechts vereist dat het vervoer van de goederen van Sony Service Centre Europe over de weg gebeurde naar een staat die verdragspartij is bij het CMR-verdrag.
In dat geval kon de conventionele vertaling van artikel 23 van het CMR-verdrag worden toegepast.
Waar het vonnis derhalve oordeelt dat artikel 11, eerste lid, b), van de algemene voorwaarden van eiseres slechts kan worden toegepast indien het CMR-verdrag van rechtswege van toepassing is, legt het artikel 11, eerste lid, b), van deze algemene voorwaarden uit op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en schendt het derhalve de bewijskracht van de akte tot vaststelling van dit beding (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) alsook artikel 23 van het CMR-verdrag.
Derde onderdeel
Schending van artikel 23 van het CMR-verdrag en artikel 149 van de Grondwet.
Het vredegerecht overweegt in het vonnis dat "(eiseres) onder de CMR of het Warschauwer Luchtvaarttractaat alsnog een beperkte aansprakelijkheid (tracht) in te bouwen, terwijl zij normaliter onder die tractaten onbeperkt aansprakelijk is. Het beding is wederrechtelijk. Indien de verdragen toepassing zouden vinden, zijn ze dwingend. Dit geldt ook voor de bepalingen waaronder de aansprakelijkheid onder CMR of Warschauwer Luchtvaarttractaat wijkt. Dit beding is nietig".
In zoverre het vonnis aldus oordeelt dat artikel 11, eerste lid, b), van de algemene voorwaarden wegens strijdigheid met het dwingende CMR-verdrag nietig is, is het niet naar recht verantwoord.
Artikel 11,eerste lid, b), van de algemene voorwaarden is immers een conventionele omzetting van artikel 23 van het CMR-verdrag, waarin wordt bepaalt dat, "wanneer ingevolge de bepalingen van dit Verdrag een schadevergoeding voor geheel of gedeeltelijk verlies van de goederen ten laste van de vervoerder wordt gebracht, wordt deze schadevergoeding berekend naar de waarde van de goederen op de plaats en het tijdstip van inontvangstneming. (...) De schadevergoeding kan evenwel niet meer bedragen dan 8,33 rekeneenheden voor elk ontbrekend kilogram brutogewicht (...). In geval van vertraging is, indien de rechthebbende bewijst dat daardoor schade is ontstaan, de vervoerder gehouden voor deze schade een vergoeding te betalen, die niet meer kan bedragen dan de vrachtprijs".
Artikel 23 van het CMR-verdrag beperkt aldus uitdrukkelijk de vergoedingsverplicht van de vervoerder wegens geheel of gedeeltelijk verlies van lading of vertraging in de uitvoering van de opdracht.
Artikel 11, eerste lid, b), van de algemene voorwaarden van eiseres is dan ook niet strijdig met het dwingende artikel 23 van het CMR-verdrag doch vormt er slechts de conventionele vertaling van.
In zover het vonnis oordeelt dat artikel 11, eerste lid, b), van de algemene voorwaarden van eiseres wegens strijdigheid met het CMR-verdrag nietig is, schendt het derhalve artikel 23 van dat verdrag.
Minstens is het vonnis op dat punt verstoken van de vaststellingen die uw Hof in staat moeten stellen na te gaan welke die bepalingen zijn op grond waarvan artikel 11 van de algemene voorwaarden van eiseres nietig wordt verklaard.
Vermits de overwegingen van het vonnis het aan het Hof onmogelijk maken om toezicht uit te oefenen op de wettigheid van deze beslissing, miskent het vonnis de in artikel 149 van de Grondwet vervatte motiveringsverplichting (schending van artikel 149 van de Grondwet).
Vierde onderdeel
Schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.
Eiseres voerde in haar conclusie aan dat zij zich hoe dan ook op het laatste lid van artikel 11 van haar algemene voorwaarden kon beroepen, dat in de Nederlandse vertaling ervan (cf. p. 9 van de derde aanvullende en hernemende conclusie van eiseres) als volgt luidt :
"Indien geen van beide Conventies van toepassing is om welke reden ook, met inbegrip van contractbreuk, nalatigheid, opzettelijke fout of gebrek, is onze aansprakelijkheid voor verlies, schade of vertraging m.b.t. Uw zending of een gedeelte ervan beperkt tot 20 US $ per kilo".
Waar het vonnis overweegt dat "(eiseres) onder de CMR of het Warschauwer Luchtvaarttractaat alsnog een beperkte aansprakelijkheid (tracht) in te bouwen, terwijl zij normaliter onder die tractaten onbeperkt aansprakelijk is" (cf. p. 8, tweede laatste alinea van het vonnis) en oordeelt dat het laatste lid van artikel 11 van de algemene voorwaarden van eiseres om die reden wegens strijdigheid met het dwingende CMR-verdrag nietig is, schendt het de bewijskracht van het laatste lid van artikel 11 van de algemene voorwaarden van eiseres.
Het laatste lid van artikel 11 van de algemene voorwaarden van eiseres viseert immers uitdrukkelijk de situatie waarin "geen van beide Conventies van toepassing is" en heeft dus niet tot doel om, zoals het vonnis aanneemt, "onder de CMR of het Warschauwer Luchtvaarttractaat een beperkte aansprakelijk-heid in te bouwen" (cf. p. 8, tweede laatste alinea van het vonnis).
Waar het vonnis overweegt dat dit laatste lid van artikel 11 van de algemene voorwaarden van eiseres tot doel heeft "onder de CMR of het Warschauwer Luchtvaarttractaat een beperkte aansprakelijkheid in te bouwen", terwijl het laatste lid slechts de gevallen viseert waarin "geen van beide Conventies van toepassing is", legt het vonnis het laatste lid van artikel 11 van de algemene voorwaarden van eiseres uit op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en schendt het derhalve de bewijskracht van de akte tot vaststelling ervan (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek).
Vijfde onderdeel
Schending van artikel 1162 van het Burgerlijk Wetboek.
Met betrekking tot het laatste lid van artikel 11 van de algemene voorwaarden van eiseres oordeelt het vonnis dat "algemene conditiën (...) van strikte interpretatie (zijn) en (...) trouwens tegen diegene die ze oplegt (dienen) geïnterpreteerd te worden. Het laatste lid van clausule 11 doelt kennelijk enkel op de hypothese waar de CMR of het Warschauwer Luchtvaarttractaat normaliter, 'rechtens' toepassing vindt.
Andere hypotheses zijn niet voorzien. Dit beding bepaalt dus niets voor een zending waar de tractaten - zoals in casu - niet rechtens van toepassing zijn".
Luidens artikel 1162 van het Burgerlijk Wetboek wordt de overeenkomst in geval van twijfel uitgelegd ten nadele van hem die bedongen heeft en ten voordele van hem die zich verbonden heeft.
Van deze interpretatieregel kan evenwel slechts gebruik worden gemaakt indien er twijfel bestaat over de draagwijdte van de overeenkomst of een erin opgenomen beding en het de rechter niet mogelijk is om de zin van de overeenkomst of een erin opgenomen beding te bepalen aan de hand van de gegevens binnen en buiten de akte.
In voorliggend geval stelt het vonnis het bestaan van dergelijke twijfel niet vast en geeft het evenmin te kennen dat de draagwijdte van artikel 11, laatste lid, van de algemene voorwaarden van eiseres niet kon worden nagegaan aan de hand van de gegevens binnen en buiten de akte.
In zoverre het vonnis op grond van de enkele overweging dat "algemene conditiën (...) trouwens tegen diegene die ze oplegt (dienen) geïnterpreteerd te worden" (cf. p. 8, laatste alinea van het vonnis) toepassing maakt van artikel 1162 van het Burgerlijk Wetboek, zonder te hebben nagegaan of de draagwijdte van het laatste lid van artikel 11 van de algemene voorwaarden niet kon worden bepaald aan de hand van de gegevens binnen en buiten de akte, schendt het artikel 1162 van het Burgerlijk Wetboek.
Zesde onderdeel
Schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.
Volgens het vonnis "(doelt) het laatste lid van clausule 11 (...) kennelijk enkel op de hypothese waar de CMR of het Warschauwer Luchtvaarttractaat normaliter, 'rechtens' toepassing vindt. Andere hypotheses zijn niet voorzien. Dit beding bepaalt dus niets voor een zending waar de tractaten - zoals in casu niet rechtens van toepassing zijn" (cf. p. 8, in fine van het vonnis).
Nochtans bepaalt artikel 11, laatste lid, van de algemene voorwaarden van eiseres uitdrukkelijk : "Indien geen van beide Conventies van toepassing is om welke reden ook, met inbegrip van contractbreuk, nalatigheid, opzettelijke fout of gebrek, is onze aansprakelijkheid voor verlies, schade of vertraging m.b.t. uw zending of een gedeelte ervan beperkt tot 20 US $ per kilo".
Het laatste lid van artikel 11 van de algemene voorwaarden van eiseres viseert derhalve net die gevallen waarin het CMR-verdrag "om welke reden ook" niet van toepassing is. Waar het vonnis derhalve oordeelt dat eiseres zich niet op de aansprakelijkheidsbeperking vervat in het laatste lid van artikel 11 van haar algemene voorwaarden kan beroepen, omdat "dit beding niets bepaalt voor een zending waar de tractaten - zoals in casu - niet rechtens van toepassing zijn", terwijl het artikel uitdrukkelijk de gevallen viseert waarin "geen van beide Conventies (om welke reden ook) van toepassing is ...", legt het deze clausule uit op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, miskent het derhalve de bewijskracht van de akte tot vaststelling van dit beding en schendt het dan ook de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.
Zevende onderdeel
Schending van de artikelen 1322 en 1323 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 1322, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, bepaalt dat een onderhandse akte die erkend is door degenen tegen wie men zich daarop beroept, of die wettelijk voor erkend wordt gehouden, tussen de ondertekenaars van de akte en tussen hun erfgenamen en rechtsverkrijgenden dezelfde bewijskracht heeft als een authentieke akte.
Luidens artikel 1323 van het Burgerlijk Wetboek is diegene tegen wie men zich op een onderhandse akte beroept, verplicht zijn schrift of zijn handtekening op stellige wijze te erkennen of te ontkennen.
Ten aanzien van de algemene voorwaarden van eiseres overweegt het vonnis tevens dat "de conditiën gekend moeten zijn, zonder kennis, geen acceptatie ; dit de exacte draagwijdte van die conditiën niet uitbreidt ; De door verwerende partij ingeroepen zogezegde toepassing ontbreekt hier volkomen" (cf. p. 9, eerste en tweede alinea van het vonnis).
Zoals eiseres in haar conclusie aanvoerde werd tussen eiseres en Sony Service Centre Europe bedongen dat de onderliggende transacties, met name de transportzendingen die door Sony Service Centre Europe aan eiseres werden overgemaakt, door de aan de computerlicentieovereenkomst gehechte algemene voorwaarden zouden worden beheerst (cf. p. 11, tweede alinea van de derde aanvullende en hernemende conclusie van eiseres).
Deze overeenkomst werd door Sony Service Centre Europe en door eiseres ondertekend.
Sony Service Centre Europe eigende zich door deze ondertekening de inhoud van de computerlicentieovereenkomst en de erin vervatte verklaring dat "de onderliggende transacties zullen geregeld worden door de Bepalingen en de voorwaarden van vervoer van TEW, waarvan een kopij als bijlage 1 is bijgevoegd" (cf. artikel 2.3, van de computerlicentieovereenkomst, zoals ingeroepen door eiseres) toe.
Het vonnis kon derhalve niet zonder miskenning van de artikelen 1322 en 1323 van het Burgerlijk Wetboek beslissen dat Sony Service Centre Europe geen kennis had van deze algemene voorwaarden en er derhalve niet door gebonden was (schending van de artikelen 1322 en 1323 van het Burgerlijk Wetboek).
IV. Beslissing van het Hof
1. Eerste middel
Overwegende dat de ingeroepen schending van de bewijskracht van de conclusies van eiseres zonder weerslag blijft op de wettelijkheid van het dispositief van het vonnis, luidens hetwelk het CMR-verdrag niet van toepassing is ;
Dat het middel niet ontvankelijk is ;
2. Tweede middel
Overwegende dat, luidens artikel l, lid 1, van het Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, hierna te noemen CMR-verdrag, dit Verdrag van toepassing is op iedere overeenkomst onder bezwarende titel voor het vervoer van goederen over de weg door middel van voertuigen, wanneer de plaats van inontvangstneming der goederen en de plaats bestemd voor de aflevering, zoals deze zijn aangegeven in de overeenkomst, gelegen zijn in twee verschillende landen, waarvan ten minste één een bij het Verdrag partij zijnde land is, ongeacht de woonplaats en de nationaliteit van partijen ;
Overwegende dat de toepassing van het CMR-verdrag het bestaan van een overeenkomst vereist die het vervoer van goederen over de weg tot voorwerp heeft ;
Dat die voorwaarde niet is vervuld indien de overeenkomst de wijze van vervoer niet nader bepaalt en evenmin uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat de partijen een vervoer over de weg voor ogen hadden ;
Overwegende dat het vonnis dat oordeelt dat de vooraf bestaande overeenstemming tussen partijen dat de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg plaatsvindt, "absoluut een conditio sine qua non (is) voor de toepassing van deze overeenkomst", naar recht is verantwoord ;
Dat het middel niet kan worden aangenomen ;
3. Derde middel
3.1. Eerste onderdeel
Overwegende dat de rechter oordeelt dat de "computerlicentieovereenkomst" een duidelijk doel en een strikt beperkt voorwerp heeft, namelijk het gebruik te regelen van de door eiseres aan haar cliënten ter beschikking gestelde software en op grond hiervan beslist dat de door eiseres uitgevoerde vervoeropdrachten niet kunnen beschouwd worden als aan de computerlicentieovereenkomst onderliggende transacties, zodat de in die overeenkomst geïncorporeerde algemene contractsvoorwaarden terzake geen toepassing vinden ;
Dat door aldus te oordelen, de rechter de bindende kracht van de computerlicentieovereenkomst niet schendt, noch de bewijskracht van artikel 2.3 van die overeenkomst miskent ;
Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ;
3.2. Tweede, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende onderdeel
Overwegende dat gelet op de beslissing over het eerste onderdeel waarbij de kritiek werd verworpen op de beslissing volgens welke het CMR-verdrag niet door de computerlicentieovereenkomst toepasselijk werd gemaakt op de zending, de onderdelen geen belang meer vertonen, mitsdien niet ontvankelijk zijn ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt eiseres in de kosten.
De kosten begroot op de som van achthonderd eenennegentig euro vierendertig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd tweeënzeventig euro zesenzestig cent jegens de verwerende partijen
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van acht november tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols.