Hof van Cassatie: Arrest van 8 Oktober 1992 (België). RG 9367

Date :
08-10-1992
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
1 page
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19921008-1
Numéro de rôle :
9367

Résumé :

De rechter kan, bij de beoordeling van de ernst van de fout van een bestuurder en, bijgevolg, van zijn aandeel in de aansprakelijkheid voor het ongeval, rekening houden met het feit dat een automobilist moet voorzien dat zijn fouten aanzienlijker schade kunnen veroorzaken dan de fouten van een voetganger. ( Artt. 1382 en 1383, Burgerlijk Wetboek. )

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 12 april 1991 door het Hof van Beroep te Brussel gewezen;
Over het middel : schending van de artikelen 1382, 1383 van het Burgerlijk Wetboek, 8.3, 10.1.3°, 40.1 en 42.4.4 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer,
doordat het arrest, na te hebben beslist dat verweerster aansprakelijk was voor het ongeval, omdat zij de rijbaan schuin was overgestoken zonder erop te letten dat er rechts van haar een voertuig met brandende koplichten naderde, maar dat de automobilist (de verzekerde van eiseres) van zijn kant onoplettend was geweest door verweerster te laat op te merken, oordeelt dat "bij de beoordeling van de respectieve fouten van de voetganger en van de automobilist, de fout van laatstgenoemde belangrijker blijkt te zijn dan die van de voetganger wegens het voorzienbaar karakter van de, eventuele belangrijke, schade die voortvloeit uit de geringste fout die een automobilist begaat; dat daarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van de aansprakelijkheid; dat de automobilist derhalve 3/5 van de schade moet betalen en 2/5 ten laste van de voetganger blijft",
terwijl, eerste onderdeel, men niet als regel kan stellen dat de fout van een automobilist belangrijker is dan die van een voetganger, omdat de schade die hij aan een voetganger kan veroorzaken gewoonlijk groter is dan de schade die een voetganger aan hem kan berokkenen; met andere woorden, de rechter, bij de beoordeling van de respectieve fouten van de automobilist en van de voetganger, geen rekening mag houden met de schade die de fout van elk van beiden kan teweegbrengen; de ernst van een delictuele of quasi-delictuele fout van de begane tekortkoming en niet van de schade afhangt; daaruit volgt dat de beslissing, die het grootste gedeelte van de aansprakelijkheid voor het ongeval aan de verzekerde van eiseres toeschrijft op grond dat de geringste fout van de automobilist grote schade kan veroorzaken, niet naar recht is verantwoord (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek);
tweede onderdeel, artikel 42.5.5 van het Wegverkeersreglement bepaalt dat "op de plaatsen waar het verkeer noch door een bevoegd persoon, noch door verkeerslichten geregeld wordt, de voetgangers zich slechts voorzichtig op de rijbaan mogen begeven en met inachtneming van de naderende voertuigen"; uit die bepaling blijkt dat de voetganger de automobilist moet laten passeren; zijn verplichting dus groter is dan de verplichting tot voorzichtigheid en oplettendheid die op iedere automobilist rust (artikel 8.3 en 10.1.3° van het Wegverkeersreglement); artikel 40.1 van het Wegverkeersreglement weliswaar bepaalt dat "de bestuurder de voetgangers ... die op de rijbaan gaan onder de in dit reglement voorzienbare voorwaarden niet in gevaar mag brengen", maar het arrest te dezen heeft vastgesteld dat verweerster de rijbaan onregelmatig overstak; het er immers op wijst dat zij zonder te letten op een naderend voertuig de rijbaan schuin was overgestoken "waardoor de afstand tussen haar en de automobilist en beweging kleiner was geworden"; het arrest, door te beslissen dat de fout van de verzekerde van eiseres belangrijker was dan die van de verzekerde, en door dus die verzekerde voor 3/5 aansprakelijk te verklaren voor het ongeval, derhalve de vooraan in het middel aangewezen wettelijke bepalingen, inzonderheid de artikelen 40.1 en 42.4.4 van het Wegverkeersreglement, schendt :
Over het middel in zijn geheel :
Overwegende dat de rechter op onaantastbare wijze de ernst van de respectieve fouten van de bij een ongeval betrokken partijen beoordeelt en op grond daarvan ieders aansprakelijkheid voor de veroorzaakte schade bepaalt;
Overwegende dat het Hof van Cassatie dient na te gaan of de door de rechter op onaantastbare wijze vastgestelde feiten de gevolgen wettigen die hij er in rechte uit afleidt, met name of die gevolgtrekkingen noch het wettelijk begrip fout noch dat van oorzakelijk verband miskennen;
Overwegende dat het hof van beroep, door, bij de beoordeling van de ernst van de fout van de verzekerde van eiseres en, bijgevolg, van zijn aandeel in de aansprakelijkheid voor het ongeval, rekening te houden met het feit dat een automobilist moet voorzien dat zijn fouten schade kunnen veroorzaken die belangrijker is dan die van een voetganger, zonder te ontkennen dat verweerster een fout heeft begaan, de in het middel aangewezen wettelijke bepalingen niet schendt;
Dat de beide onderdelen niet kunnen worden aangenomen;
Om die redenen, verwerpt de voorziening; veroordeelt eiseres in de kosten.