Hof van Cassatie: Arrest van 8 September 1999 (België). RG P991329F

Date :
08-09-1999
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
2 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19990908-1
Numéro de rôle :
P991329F

Résumé :

In de regel is art. 6 EVRM niet van toepassing op de rechtspleging inzake vorlopige hechtenis.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 27 augustus 1999 gewezen door de vakantiekamer van het Hof van Beroep te Brussel;
Over het derde middel:
Overwegende dat artikel 149 van de Grondwet niet van toepassing is op de vonnisgerechten die uitspraak doen over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling op grond van artikel 27 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis;
Overwegende voor het overige dat, krachtens het laatste lid van dat artikel, de beslissing tot verwerping van een dergelijk verzoekschrift wordt gemotiveerd met inachtneming van hetgeen voorgeschreven is in artikel 16, § 5, eerste en tweede lid, van voornoemde wet;
Dat het middel faalt naar recht;
Over het eerste middel:
Overwegende dat het middel, in zoverre het opkomt tegen de feitelijke beoordeling van de gegevens van de zaak door het hof van beroep en het onderzoek ervan het nagaan van die gegevens vereist, waartoe het Hof niet bevoegd is, niet ontvankelijk is;
Overwegende dat artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in de regel niet van toepassing is op de rechtspleging inzake voorlopige hechtenis;
Dat het middel in dat opzicht faalt naar recht;
Overwegende voor het overige dat het redelijk karakter van de termijn gedurende welke een aangehouden of gehechte persoon het recht heeft berecht te worden of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld moet worden beoordeeld in het licht van de gegevens van iedere zaak afzonderlijk;
Overwegende dat het hof van beroep erop wijst, enerzijds, dat "de duur van de voorlopige hechtenis van (eiser) te verklaren is door het grote aantal feiten dat hem ten laste wordt gelegd en het grote aantal personen dat met hem moet terechtstaan; dat de rechtspleging geen onverantwoorde vertraging heeft opgelopen", anderzijds, "dat (eiser) in twee zaken wordt vervolgd wegens tal van diefstallen met braak (59), alsook wegens helingen en bezit van vuurwapens, mondelinge bedreigingen en bedreigingen door gebaren alsook wegens deelneming aan een vereniging met het oogmerk om misdrijven te plegen; dat de 54e kamer van de Correctionele Rechtbank te Brussel, na de zaken te hebben gevoegd en sommige telastleggingen van diefstal met braak opnieuw te hebben omschreven als heling, al die aan (eiser) ten laste gelegde feiten bewezen heeft verklaard, (heeft) beslist dat zij één enkel misdrijf opleverden door eenheid van opzet en hem onder meer veroordeeld heeft tot een hoofdgevangenisstraf van vijf jaar; dat (eiser), die verklaart alle, hem ten laste gelegde feiten te betwisten, op 4 juli 1999 tegen dat vonnis hoger beroep heeft ingesteld - waarin hij werd gevolgd door het openbaar ministerie; dat de rechtsdag voor die zaak nog moet worden bepaald voor een correctionele kamer van het hof (van beroep), wat binnen afzienbare tijd zou moeten gebeuren"; dat voornoemd hof, dat daarom eiser niet verweten heeft dat hij van zijn recht van hoger beroep gebruik heeft gemaakt, zijn beslissing dat "de redelijke termijn niet is overschreden in de zin van artikel 5.3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens", aldus zijn beslissing naar recht heeft verantwoord;
Dat, in zoverre, het middel niet kan worden aangenomen;
Over het tweede middel:
Overwegende dat, zoals hierboven gezegd, artikel 6 van het Verdrag in de regel niet van toepassing is op de rechtspleging inzake voorlopige hechtenis;
Overwegende dat het hof van beroep, door te vermelden "dat de ernstige bezwaren die tegen de eerste rechter naar voren zijn gebracht, geen verband houden met de beoordeling van de omstandigheden betreffende de handhaving van de voorlopige hechtenis; dat die middelen door het hof (van beroep) zullen worden onderzocht, op het ogenblik dat het kennis zal nemen van de zaak zelf", geen inbreuk heeft gepleegd op het recht van eiser om voor het Hof de onttrekking van de zaak aan de eerste rechter te vorderen op grond van gewettigde verdenking, zelfs als de zaak niet meer bij laatstgenoemde aanhangig was;
Overwegende dat het middel, in zoverre het kritiek oefent op de beslissing van het arrest volgens welke "het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld volgt uit de beslissing van 29 juni 1999 van de Correctionele Rechtbank te Brussel, die, niettegenstaande het ingestelde hoger beroep, haar gezag van gewijsde behoudt zolang zij niet in hoger beroep wordt gewijzigd", geen belang heeft, aangezien het hof van beroep, wat de ernstige schuldaanwijzingen betreft, ook verwijst naar de "in het strafdossier vervatte aanwijzingen", die voornoemd hof uitvoerig opsomt in een arrest van 4 augustus 1999;
Overwegende dat het hof van beroep, door vast te stellen "dat de misdrijven waarvoor (eiser) voorlopig is aangehouden, met toepassing zowel van de artikelen 461 en 467 van het Strafwetboek, die betrekking hebben op de telastlegging van diefstal met braak als van artikel 505-1) van het Strafwetboek dat betrekking heeft op de telastleggingen van heling, strafbaar zijn met een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf - die de duur van de door verzoeker reeds ondergane hechtenis te boven gaat", noch het recht van eiser op een eerlijk proces noch zijn vermoeden van onschuld miskent;
Overwegende dat het onderzoek van het middel, in zoverre het kritiek oefent op de reden van het arrest volgens welke "(eiser) in het verslag van het psychiatrisch deskundigenonderzoek waaraan hij werd onderworpen, wordt omschreven als een persoon die een gevaar voor de maatschappij oplevert wegens 'zijn geestesziekte waardoor hij van zijn delinquentie zijn beroep heeft gemaakt en zich daarbij laat leiden door een geweten dat geen wet erkent'", vereist dat feitelijke gegevens worden nagegaan, waartoe het Hof niet bevoegd is;
Overwegende ten slotte dat uit het enkele feit dat andere beslissingen van het hof van beroep zijn vernietigd niet kan worden afgeleid dat eiser geen recht heeft gehad op onpartijdige rechters;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.