Hof van Cassatie: Arrest van 9 Februari 2001 (België). RG C990142N
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20010209-7
- Numéro de rôle :
- C990142N
Résumé :
Al staat het aan de feitenrechter onaantastbaar en in feite vast te stellen wanneer een aangifte van goederen met het oog op de uitrekening van de accijnsrechten onbehoorlijk is, kan het Hof evenwel toetsen of de feitenrechter uit de door hem vermelde gegevens vermocht af te leiden dat de aangifte onbehoorlijk is (1).
Arrêt :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Nr. C.99.0142.N
REMAT, naamloze vennootschap, met zetel te 8510 Kuurne, Kasteelstraat 42, ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk, onder nummer 88.252,
eiseres tot cassatie van een arrest, op 30 september 1998 gewezen door het Hof van Beroep te Gent,
vertegenwoordigd door mr. René Bützler, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1083 Ganshoren, de Villegaslaan 33- 34, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
1. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Economische Zaken, wiens kabinet gevestigd is te 1040 Brussel, de Meeûssquare 23,
2. BELGISCH INTERVENTIE EN RESTITUTIEBUREAU, afgekort B.I.R.B., openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 1040 Brussel, Trierstraat 82,
verweerders in cassatie,
3. FORWARDING & AGENCY SERVICE CY, naamloze vennootschap, met zetel te 9000 Gent, Port Arthurlaan 190, ingeschreven in het handelsregister te Gent, nummer 142.589,
4. D.G.,
partijen opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest.
HET HOF,
Gehoord het verslag van raadsheer Londers en op de conclusie van advocaat-generaal Goeminne;
Gelet op het bestreden arrest, op 30 september 1998 gewezen door het Hof van Beroep te Gent;
Over het middel, gesteld als volgt : schending van artikel 143, §§ 1, en 4, A.W.D.A. en artikel 2 van de EG-Verordening nr. 1697/79 van de "Raad van Europa" van 24 juli 1979,
doordat het hof van beroep in punt 1 van het bestreden arrest heeft gesteld : "De goederen werden aangegeven als silo- afval en de administratie beweert dat ze dienden aangegeven te worden als volwaardige rijst. Als silo-afval kunnen onder het douanetarief 23.02 worden aangegeven 'zemelen, slijpsel en andere resten van het zeven, van het malen of van andere bewerkingen van granen of van peulvruchten, ook indien in pellets'. Uit het onderzoek van de administratie, te weten het onderzoek van het genomen monster, is gebleken dat de goederen niet beantwoordden aan deze omschrijving. Zulks werd aan de bestuurder van de NV Remat ter kennis gebracht op 14 december 1990 en deze verklaarde zich te zullen onderwerpen aan de tariefbeslissing. Deze bestuurder was aanwezig bij het nemen van de monsters en heeft kunnen vaststellen dat de monsters volledig legaal werden genomen", alsook : "Er dient niet onderzocht te worden of de ingevoerde rijst al dan niet geschikt was voor menselijke consumptie omdat dit geen rol speelt bij de bepaling van het toepasselijk douanetarief. Ook de prijs welke door de NV Remat aan haar afnemer werd aangerekend, is zonder invloed. Het staat dan ook vast dat de aangegeven rijst, tarieftechnisch, niet beantwoordde aan de vereisten om als silo-afval te worden ingevoerd. De aangifte was dan ook onjuist", en in punt 2 omtrent de toepasbaarheid van artikel 143, § 4, A.W.D.A. : "Deze wetsbepaling (met name artikel 143, § 3, A.W.D.A.) vangt aan met de woorden 'die verjaringen...' en heeft dus kennelijk uitsluitend betrekking op de verjaringen waarvan voordien sprake. Welnu, § 1 van dit artikel behandelt de gevallen waarin de goederen 'behoorlijk' aangegeven zijn en de terugvordering van teveel betaalde bedragen door de aangever, terwijl de §§ 2 en 3, uitsluitend betrekking hebben op de accijns. Nu, zoals sub 1 hierboven aangetoond, de rijst niet 'behoorlijk', d.i. onder de juiste tariefcode, werd aangegeven en de huidige vordering ook geen vordering tot teruggave is uitgaande van de invoerder (zodat aan de voorwaarden van § 1 niet was voldaan) en de betwisting geen betrekking heeft op accijns (zodat ook niet is voldaan aan de vereisten van de §§ 2 en 3), is de bepaling van § 4 ten deze niet toepasselijk", waarbij het dan stelt dat de vordering niet verjaard is, nu artikel 2 van de EG-Verordening nr. 1697/79 van toepassing
is en "deze bepaling voorziet ook de toepasselijke verjaringstermijn van 3 jaar, welke niet verstreken was op het ogenblik waarop de vordering in rechte werd ingeleid",
terwijl enerzijds, artikel 143, § 1, A.W.D.A. de uitrekening van de invoerrechten betreft van de goederen, die "behoorlijk" zijn aangegeven, en het hof van beroep in het bestreden arrest ten onrechte aanvaardt dat een onjuiste aangifte omwille van een tarieftechnische fout vanwege de aangever geen behoorlijke aangifte zou uitmaken in de zin van artikel 143, § 1, A.W.D.A., aangezien er geen enkele identiteit bestaat tussen het onjuist zijn van een aangifte en het onbehoorlijk zijn van een aangifte; dat immers niet elke fout in de aangifte deze aangifte onbehoorlijk maakt; dat, opdat er sprake zou zijn van een onbehoorlijke aangifte het noodzakelijk is dat er een strafrechtelijk vervolgbare handeling is gesteld bij het opstellen en indienen van de aangifte of noodzakelijk is dat de goederen niet aanwezig zijn op de plaats waar de douanebehandeling zal geschieden; de aangifte niet wordt ingereikt bij het kantoor of, in sommige gevallen, bij de van dat kantoor afhangende dienst, die bevoegd is de aangifte te behandelen; de aangifte niet voldoet aan de vormvereisten en niet alle nodige gegevens bevat; niet alle documenten worden overgelegd samen met de aangifte, die wettelijk zijn vereist om de goederen de aangegeven bestemming te doen volgen en de eventueel aangevraagde toelating niet is toegekend; dat een aangifte echter niet onbehoorlijk is als de aangever oprecht, ter goeder trouw en zonder enig crimineel opzet een bepaalde post invult in de aangifte naar zijn eigen inzicht, en deze post achteraf betwist wordt door de bevoegde douaneoverheid en blijkt onjuist te zijn; zodat de appèlrechter op grond van de door hem vastgestelde gegevens en de loutere vaststelling dat de aangifte om tarieftechnische redenen onjuist was niet kon oordelen dat er geen behoorlijke aangifte was;
en anderzijds het toepassingsgebied van artikel 143, § 4, A.W.D.A. niet beperkt is tot de vordering tot teruggave van invoerrechten uitgaande van de invoerder, zoals ten onrechte gesteld in het bestreden arrest, nu met de termen "die verjaringen" in artikel 143, § 4, A.W.D.A. de verjaringen worden bedoeld, die van toepassing zijn op de vorderingen van de administratie en/of overheid om te weinig betaalde invoerrechten, aangezien deze vorderingen ook nog worden vermeld in artikel 143, § 1, A.W.D.A.; dat het feit dat de verjaringstermijn voor het terugvorderen van te weinig betaalde invoerrechten door de administratie en/of overheid, niet meer nominatim bepaald is in artikel 143, §§ 1-3, A.W.D.A., maar is opgenomen in artikel 2 van de EG-Verordening nr. 1697/79, terzake overigens niet relevant is, aangezien artikel 143, § 4, A.W.D.A. onverkort is blijven bestaan en door de loutere intern-wettelijke verplaatsing van de verjaringstermijn wat betreft deze vordering van invoerrechten door de administratie en/of overheid niet is teweeggebracht dat de bijzondere vervaltermijn van artikel 143, § 4, A.W.D.A. niet meer van toepassing zou zijn op deze vorderingen, zodat de beide redenen, die de appèlrechter aanhaalt om te stellen dat artikel 143, § 4, A.W.D.A. niet van toepassing is in casu, in rechte niet correct zijn;
en het tenslotte dient geëxpliciteerd dat de verjaringstermijn van 3 jaar, voorzien in artikel 2 van de EG-Verordening 1697/79, zoals toegepast in het bestreden arrest, geen toepassing kan vinden in casu, omdat artikel 143, § 4, A.W.D.A. in een bijzondere vervaltermijn voorziet en deze moet worden toegepast; nu dit artikel niet in strijd is met artikel 2 van de EG-Verordening 1697/79, aangezien de beide bepalingen perfect verzoenbaar zijn met elkaar en de toepassing van de internationaalrechtelijke bepaling de toepassing van de nationaalrechtelijke bepaling niet in de weg staat, wat perfect wordt aangetoond door het feit dat de huidige internationaalrechtelijke bepaling vroeger was ingebed in de nationale regelgeving, en de beide bepalingen ook toen naast elkaar bestonden en samen dienden te worden in acht genomen; dat dit in rechte immers geen problemen oplevert, nu artikel 2 van de EG-Verordening 1697/79 het instellen van de vordering betreft, en artikel 143, § 4, A.W.D.A. het instellen en het voortzetten van de vervolging betreft, en beide artikelen dus een ander voorwerp en een andere ratio legis hebben,
zodat het bestreden arrest, door te aanvaarden dat artikel 143, § 4, A.W.D.A. niet van toepassing is, en de verjaringstermijn, bepaald in artikel 2 van de EG-Verordening 1697/79, onverkort toe te passen, en derwijze te beslissen dat de vordering van de oorspronkelijke eisende partijen niet vervallen was, de in het middel aangehaalde bepalingen heeft geschonden :
Overwegende dat overeenkomstig artikel 143, § 1, Douane en Accijnzenwet, wanneer de goederen behoorlijk aangegeven zijn, de berekening van de rechten wordt overgelaten aan de ontvanger en men kan volstaan met betaling van datgene dat werd berekend;
Dat de aangever niet langer dan drie jaar na de aangifte gerechtigd is tot terugvordering van hetgeen te veel mocht betaald zijn;
Dat, krachtens artikel 143, § 4, van dezelfde wet, ondermeer die verjaring gestuit wordt door aanvragen betekend en geregistreerd voor het einde van die verjaringstermijn, met dien verstande dat de verjaring onherroepelijk intreedt wanneer de ingestelde vervolgingen worden onderbroken gedurende één jaar, zonder dat de vordering bij de bevoegde rechters wordt voortgezet, zelfs wanneer de eerste termijn van verjaring niet vervallen is;
Overwegende dat de feitenrechter onaantastbaar en in feite vaststelt wanneer een aangifte onbehoorlijk is; dat het Hof evenwel kan toetsen of de feitenrechter uit de door hem vermelde gegevens vermocht af te leiden dat een aangifte onbehoorlijk is;
Overwegende dat het arrest vaststelt, na de feitelijke gegevens te hebben vermeld die geleid hebben tot het nemen van monsters, dat de aangegeven rijst, verborgen onder stof, tarieftechnisch niet beantwoordde aan de vereisten om als silo- afval te worden ingevoerd;
Dat het op grond hiervan, zonder schending van de in het middel aangewezen wetsbepalingen, vermocht te oordelen dat de goederen niet behoorlijk werden aangegeven, zoals bepaald in artikel 143, § 1, Douane en Accijnzenwet, zodat artikel 143, § 4, van dezelfde wet niet van toepassing is;
Overwegende dat het arrest voorts oordeelt dat het verval bepaald in artikel 143, § 4, Douane en Accijnzenwet geen toepassing vindt, gezien het verval betrekking heeft op de vordering tot terugbetaling door de aangever van hetgeen te veel betaald is bedoeld in artikel 143, § 1, van deze wet, maar geen betrekking heeft op de vordering tot betaling van de verschuldigde rechten door de bevoegde administratie, die verjaart na afloop van drie jaar overeenkomstig artikel 2 van de EG-Verordening 1697/79 van 24 juli 1979;
Overwegende tenslotte dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat eiseres voor de feitenrechter heeft aangevoerd dat de vordering van eerste verweerder is verjaard bij toepassing van artikel 2 van de EG-Verordening 1697/79 van 24 juli 1979;
Dat het middel in zoverre het de schending aanvoert van voormelde wetsbepaling nieuw is;
Overwegende dat de verwerping van de voorziening alle belang ontneemt aan de vordering tot bindendverklaring die eiseres tegen de NV Forwarding & Agency Service Cy en G. D. heeft gesteld;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Overwegende dat het Hof geen acht slaat op de noot overgelegd zonder bijstand van een advocaat bij het Hof van Cassatie;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening en de vordering tot bindendverklaring;
Veroordeelt eiseres in de kosten.
De kosten begroot op de som van vijfentwintigduizend honderd zevenenzeventig frank jegens de eisende partij.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Verougstraete, de raadsheren Bourgeois, Goethals, Londers, Dirix, en in openbare terechtzitting van negen februari tweeduizend en een uitgesproken door voorzitter Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bresseleers, met bijstand van griffier Van Geem.
REMAT, naamloze vennootschap, met zetel te 8510 Kuurne, Kasteelstraat 42, ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk, onder nummer 88.252,
eiseres tot cassatie van een arrest, op 30 september 1998 gewezen door het Hof van Beroep te Gent,
vertegenwoordigd door mr. René Bützler, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1083 Ganshoren, de Villegaslaan 33- 34, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
1. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Economische Zaken, wiens kabinet gevestigd is te 1040 Brussel, de Meeûssquare 23,
2. BELGISCH INTERVENTIE EN RESTITUTIEBUREAU, afgekort B.I.R.B., openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 1040 Brussel, Trierstraat 82,
verweerders in cassatie,
3. FORWARDING & AGENCY SERVICE CY, naamloze vennootschap, met zetel te 9000 Gent, Port Arthurlaan 190, ingeschreven in het handelsregister te Gent, nummer 142.589,
4. D.G.,
partijen opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest.
HET HOF,
Gehoord het verslag van raadsheer Londers en op de conclusie van advocaat-generaal Goeminne;
Gelet op het bestreden arrest, op 30 september 1998 gewezen door het Hof van Beroep te Gent;
Over het middel, gesteld als volgt : schending van artikel 143, §§ 1, en 4, A.W.D.A. en artikel 2 van de EG-Verordening nr. 1697/79 van de "Raad van Europa" van 24 juli 1979,
doordat het hof van beroep in punt 1 van het bestreden arrest heeft gesteld : "De goederen werden aangegeven als silo- afval en de administratie beweert dat ze dienden aangegeven te worden als volwaardige rijst. Als silo-afval kunnen onder het douanetarief 23.02 worden aangegeven 'zemelen, slijpsel en andere resten van het zeven, van het malen of van andere bewerkingen van granen of van peulvruchten, ook indien in pellets'. Uit het onderzoek van de administratie, te weten het onderzoek van het genomen monster, is gebleken dat de goederen niet beantwoordden aan deze omschrijving. Zulks werd aan de bestuurder van de NV Remat ter kennis gebracht op 14 december 1990 en deze verklaarde zich te zullen onderwerpen aan de tariefbeslissing. Deze bestuurder was aanwezig bij het nemen van de monsters en heeft kunnen vaststellen dat de monsters volledig legaal werden genomen", alsook : "Er dient niet onderzocht te worden of de ingevoerde rijst al dan niet geschikt was voor menselijke consumptie omdat dit geen rol speelt bij de bepaling van het toepasselijk douanetarief. Ook de prijs welke door de NV Remat aan haar afnemer werd aangerekend, is zonder invloed. Het staat dan ook vast dat de aangegeven rijst, tarieftechnisch, niet beantwoordde aan de vereisten om als silo-afval te worden ingevoerd. De aangifte was dan ook onjuist", en in punt 2 omtrent de toepasbaarheid van artikel 143, § 4, A.W.D.A. : "Deze wetsbepaling (met name artikel 143, § 3, A.W.D.A.) vangt aan met de woorden 'die verjaringen...' en heeft dus kennelijk uitsluitend betrekking op de verjaringen waarvan voordien sprake. Welnu, § 1 van dit artikel behandelt de gevallen waarin de goederen 'behoorlijk' aangegeven zijn en de terugvordering van teveel betaalde bedragen door de aangever, terwijl de §§ 2 en 3, uitsluitend betrekking hebben op de accijns. Nu, zoals sub 1 hierboven aangetoond, de rijst niet 'behoorlijk', d.i. onder de juiste tariefcode, werd aangegeven en de huidige vordering ook geen vordering tot teruggave is uitgaande van de invoerder (zodat aan de voorwaarden van § 1 niet was voldaan) en de betwisting geen betrekking heeft op accijns (zodat ook niet is voldaan aan de vereisten van de §§ 2 en 3), is de bepaling van § 4 ten deze niet toepasselijk", waarbij het dan stelt dat de vordering niet verjaard is, nu artikel 2 van de EG-Verordening nr. 1697/79 van toepassing
is en "deze bepaling voorziet ook de toepasselijke verjaringstermijn van 3 jaar, welke niet verstreken was op het ogenblik waarop de vordering in rechte werd ingeleid",
terwijl enerzijds, artikel 143, § 1, A.W.D.A. de uitrekening van de invoerrechten betreft van de goederen, die "behoorlijk" zijn aangegeven, en het hof van beroep in het bestreden arrest ten onrechte aanvaardt dat een onjuiste aangifte omwille van een tarieftechnische fout vanwege de aangever geen behoorlijke aangifte zou uitmaken in de zin van artikel 143, § 1, A.W.D.A., aangezien er geen enkele identiteit bestaat tussen het onjuist zijn van een aangifte en het onbehoorlijk zijn van een aangifte; dat immers niet elke fout in de aangifte deze aangifte onbehoorlijk maakt; dat, opdat er sprake zou zijn van een onbehoorlijke aangifte het noodzakelijk is dat er een strafrechtelijk vervolgbare handeling is gesteld bij het opstellen en indienen van de aangifte of noodzakelijk is dat de goederen niet aanwezig zijn op de plaats waar de douanebehandeling zal geschieden; de aangifte niet wordt ingereikt bij het kantoor of, in sommige gevallen, bij de van dat kantoor afhangende dienst, die bevoegd is de aangifte te behandelen; de aangifte niet voldoet aan de vormvereisten en niet alle nodige gegevens bevat; niet alle documenten worden overgelegd samen met de aangifte, die wettelijk zijn vereist om de goederen de aangegeven bestemming te doen volgen en de eventueel aangevraagde toelating niet is toegekend; dat een aangifte echter niet onbehoorlijk is als de aangever oprecht, ter goeder trouw en zonder enig crimineel opzet een bepaalde post invult in de aangifte naar zijn eigen inzicht, en deze post achteraf betwist wordt door de bevoegde douaneoverheid en blijkt onjuist te zijn; zodat de appèlrechter op grond van de door hem vastgestelde gegevens en de loutere vaststelling dat de aangifte om tarieftechnische redenen onjuist was niet kon oordelen dat er geen behoorlijke aangifte was;
en anderzijds het toepassingsgebied van artikel 143, § 4, A.W.D.A. niet beperkt is tot de vordering tot teruggave van invoerrechten uitgaande van de invoerder, zoals ten onrechte gesteld in het bestreden arrest, nu met de termen "die verjaringen" in artikel 143, § 4, A.W.D.A. de verjaringen worden bedoeld, die van toepassing zijn op de vorderingen van de administratie en/of overheid om te weinig betaalde invoerrechten, aangezien deze vorderingen ook nog worden vermeld in artikel 143, § 1, A.W.D.A.; dat het feit dat de verjaringstermijn voor het terugvorderen van te weinig betaalde invoerrechten door de administratie en/of overheid, niet meer nominatim bepaald is in artikel 143, §§ 1-3, A.W.D.A., maar is opgenomen in artikel 2 van de EG-Verordening nr. 1697/79, terzake overigens niet relevant is, aangezien artikel 143, § 4, A.W.D.A. onverkort is blijven bestaan en door de loutere intern-wettelijke verplaatsing van de verjaringstermijn wat betreft deze vordering van invoerrechten door de administratie en/of overheid niet is teweeggebracht dat de bijzondere vervaltermijn van artikel 143, § 4, A.W.D.A. niet meer van toepassing zou zijn op deze vorderingen, zodat de beide redenen, die de appèlrechter aanhaalt om te stellen dat artikel 143, § 4, A.W.D.A. niet van toepassing is in casu, in rechte niet correct zijn;
en het tenslotte dient geëxpliciteerd dat de verjaringstermijn van 3 jaar, voorzien in artikel 2 van de EG-Verordening 1697/79, zoals toegepast in het bestreden arrest, geen toepassing kan vinden in casu, omdat artikel 143, § 4, A.W.D.A. in een bijzondere vervaltermijn voorziet en deze moet worden toegepast; nu dit artikel niet in strijd is met artikel 2 van de EG-Verordening 1697/79, aangezien de beide bepalingen perfect verzoenbaar zijn met elkaar en de toepassing van de internationaalrechtelijke bepaling de toepassing van de nationaalrechtelijke bepaling niet in de weg staat, wat perfect wordt aangetoond door het feit dat de huidige internationaalrechtelijke bepaling vroeger was ingebed in de nationale regelgeving, en de beide bepalingen ook toen naast elkaar bestonden en samen dienden te worden in acht genomen; dat dit in rechte immers geen problemen oplevert, nu artikel 2 van de EG-Verordening 1697/79 het instellen van de vordering betreft, en artikel 143, § 4, A.W.D.A. het instellen en het voortzetten van de vervolging betreft, en beide artikelen dus een ander voorwerp en een andere ratio legis hebben,
zodat het bestreden arrest, door te aanvaarden dat artikel 143, § 4, A.W.D.A. niet van toepassing is, en de verjaringstermijn, bepaald in artikel 2 van de EG-Verordening 1697/79, onverkort toe te passen, en derwijze te beslissen dat de vordering van de oorspronkelijke eisende partijen niet vervallen was, de in het middel aangehaalde bepalingen heeft geschonden :
Overwegende dat overeenkomstig artikel 143, § 1, Douane en Accijnzenwet, wanneer de goederen behoorlijk aangegeven zijn, de berekening van de rechten wordt overgelaten aan de ontvanger en men kan volstaan met betaling van datgene dat werd berekend;
Dat de aangever niet langer dan drie jaar na de aangifte gerechtigd is tot terugvordering van hetgeen te veel mocht betaald zijn;
Dat, krachtens artikel 143, § 4, van dezelfde wet, ondermeer die verjaring gestuit wordt door aanvragen betekend en geregistreerd voor het einde van die verjaringstermijn, met dien verstande dat de verjaring onherroepelijk intreedt wanneer de ingestelde vervolgingen worden onderbroken gedurende één jaar, zonder dat de vordering bij de bevoegde rechters wordt voortgezet, zelfs wanneer de eerste termijn van verjaring niet vervallen is;
Overwegende dat de feitenrechter onaantastbaar en in feite vaststelt wanneer een aangifte onbehoorlijk is; dat het Hof evenwel kan toetsen of de feitenrechter uit de door hem vermelde gegevens vermocht af te leiden dat een aangifte onbehoorlijk is;
Overwegende dat het arrest vaststelt, na de feitelijke gegevens te hebben vermeld die geleid hebben tot het nemen van monsters, dat de aangegeven rijst, verborgen onder stof, tarieftechnisch niet beantwoordde aan de vereisten om als silo- afval te worden ingevoerd;
Dat het op grond hiervan, zonder schending van de in het middel aangewezen wetsbepalingen, vermocht te oordelen dat de goederen niet behoorlijk werden aangegeven, zoals bepaald in artikel 143, § 1, Douane en Accijnzenwet, zodat artikel 143, § 4, van dezelfde wet niet van toepassing is;
Overwegende dat het arrest voorts oordeelt dat het verval bepaald in artikel 143, § 4, Douane en Accijnzenwet geen toepassing vindt, gezien het verval betrekking heeft op de vordering tot terugbetaling door de aangever van hetgeen te veel betaald is bedoeld in artikel 143, § 1, van deze wet, maar geen betrekking heeft op de vordering tot betaling van de verschuldigde rechten door de bevoegde administratie, die verjaart na afloop van drie jaar overeenkomstig artikel 2 van de EG-Verordening 1697/79 van 24 juli 1979;
Overwegende tenslotte dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat eiseres voor de feitenrechter heeft aangevoerd dat de vordering van eerste verweerder is verjaard bij toepassing van artikel 2 van de EG-Verordening 1697/79 van 24 juli 1979;
Dat het middel in zoverre het de schending aanvoert van voormelde wetsbepaling nieuw is;
Overwegende dat de verwerping van de voorziening alle belang ontneemt aan de vordering tot bindendverklaring die eiseres tegen de NV Forwarding & Agency Service Cy en G. D. heeft gesteld;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Overwegende dat het Hof geen acht slaat op de noot overgelegd zonder bijstand van een advocaat bij het Hof van Cassatie;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening en de vordering tot bindendverklaring;
Veroordeelt eiseres in de kosten.
De kosten begroot op de som van vijfentwintigduizend honderd zevenenzeventig frank jegens de eisende partij.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Verougstraete, de raadsheren Bourgeois, Goethals, Londers, Dirix, en in openbare terechtzitting van negen februari tweeduizend en een uitgesproken door voorzitter Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bresseleers, met bijstand van griffier Van Geem.