Hof van Cassatie: Arrest van 9 Oktober 1992 (België). RG 7874

Date :
09-10-1992
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
2 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19921009-5
Numéro de rôle :
7874

Résumé :

De beslissing waarbij de Raad van de Orde het ereloon van een advocaat vermindert en teruggave beveelt, zonder een tuchtstraf op te leggen, is geen beslissing in tuchtzaken waartegen hoger beroep openstaat. ( Art. 459, tweede lid, en 468, Gerechtelijk Wetboek. )

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
HET HOF; - Gelet op de beslissing, op 9 september 1991 door de tuchtraad van beroep van de balie van het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Antwerpen gewezen;
Over het middel, gesteld als volgt : schending van artikelen 6, 1°, van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, gesloten te Rome op 4 november 1950, goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, 2, 3°, litterae a en b, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, gesloten te New York op 16 december 1966, goedgekeurd bij de wet van 15 mei 1981, 6, 6bis, 92, 107ter, alinéa 2, 2°, van de Grondwet, 459, tweede lid, 468, van het Gerechtelijk Wetboek, 1, 2°, 26, alinéa 1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, en van de algemene rechtsbeginselen van de dubbele graad van rechtsmacht en de eerbied voor de rechten van de verdediging,
doordat de tuchtraad van beroep oordelend over het hoger beroep dat eiser ingesteld heeft tegen de beslissing d.d. 20 maart 1991 van de raad van de Orde bij de balie te Turnhout, waarbij wordt vastgesteld dat er geen rechtsmiddel van verzet open staat tegen de aangevochten taxatiebeslissing van de raad van de Orde d.d. 8 november 1990, genomen in uitvoering van artikel 459, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zich ter zake zonder bevoegdheid verklaart op volgende gronden : dat de tuchtraden van beroep geen andere bevoegdheid bezitten dan deze hun door de wet toegekend; dat een beslissing van de raad van de Orde die vaststelt dat er geen rechtsmiddel van verzet openstaat tegen een vorige beslissing van deze raad door dewelke bij toepassing van artikel 459, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek een begroting van erelonen werd verminderd en een teruggave werd bevolen, geen beslissing is in tuchtzaken naar zin van artikel 468 van het Gerechtelijk Wetboek waartegen de betrokken advocaat of de procureur-generaal hoger beroep kan instellen, noch een beslissing waartegen op grond van een andere wetsbepaling hoger beroep bij de tuchtraad van beroep openstaat; dat derhalve de tuchtraad van beroep zonder bevoegdheid is ter zake,
terwijl, eerste onderdeel, de sententie van 20 maart 1991 van de raad van de Orde der Advocaten te Turnhout, waarbij beslist werd dat er voor eiser geen rechtsmiddel van verzet openstaat tegen de vorige beslissing d.d. 8 november 1990 van dezelfde raad, waarbij deze op grond van artikel 450, tweede lid, Ger.W., een begroting van erelonen van eiser deed en een teruggave beval, wel vatbaar is voor hoger beroep bij de tuchtraad van beroep; dat immers het principe van de dubbele rechtsgraad en de eerbied van de rechten van de verdediging zulks vereisen en de artikelen 459, tweede lid, en 468 Ger.W. daaraan niet in de weg staan; (schending van de algemene rechtsbeginselen van de dubbele rechtsgraad en van de eerbied van de rechten van de verdediging, 459, tweede lid, 468, Ger.W.); dat zoniet eiser in alle geval geen effectief rechtsmiddel heeft voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter, in een eerlijke en openbare behandeling, tegen de beslissingen, waarbij zijn burgerlijke rechten in het gedrang komen (schending van art. 6, 1°, van het Europees Verdrag van 4 november 1950, 2, 3°, litterae a en b van het Internationaal Verdrag van 16 december 1966);
tweede onderdeel, het feit dat er geen rechtsmiddel openstaat voor de tuchtraad in beroep, noch voor een ander gerecht, tegen de beroepen sententie, die reeds beslist dat er geen rechtsmiddel van verzet is voor eiser tegen de oorspronkelijke beslissing, waarbij zijn erelonen verminderd werden en de teruggave werd bevolen, een miskenning is van de gelijkheid der burgers en een discriminatie lastens eiser is, die als advocaat geen effectief verhaal heeft voor een onafhankelijke rechter tegen een beslissing van de raad van de Orde, buiten zijn aanwezigheid genomen, die hem treft in zijn burgerlijke rechten (schending van art. 6, 6bis van de Grondwet, 6.1 van het Europees Verdrag van 4 november 1950, 2, 3°, litterae a en b van het Internationaal Verdrag van 16 december 1966); dat geschillen over burgerlijke rechten daarbij bij uitsluiting tot de bevoegdheid behoren van de judiciaire rechtbanken (schending van art. 92 der Grondwet); dat dientengevolge de bepalingen, waarop de bestreden beslissing steunt, ongrondwettelijk zijn en indruisen tegen de Europese conventie van 4 november 1950, en tegen het Internationaal Verdrag van 16 december 1966, zodat desaangaande een prejudiciële vraag dient gesteld te worden aan het Arbitragehof (schending van art. 107ter, alinéa 2, 2°, der Grondwet, 1, 2°, 26, alinéa 1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989) :
Wat het eerste onderdeel betreft :
Overwegende dat de beslissing waarbij de raad van de Orde krachtens artikel 459, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek het ereloon van de advocaat vermindert en de teruggave beveelt, zonder een tuchtstraf op te leggen, geen beslissing in tuchtzaken is waartegen krachtens artikel 468 van het Gerechtelijk Wetboek hoger beroep kan worden ingesteld;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat het onderdeel niet aangeeft waarin de artikel 107ter, alinéa 2, 2°, van de Grondwet, en 1, 2°, en 26, alinéa 1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 zouden zijn geschonden;
Dat het onderdeel in zoverre niet ontvankelijk is;
Overwegende dat het onderdeel, in zoverre het schending aanvoert van de artikelen 6 en 6bis van de Grondwet, 6.1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en 2.3, a en b, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, volledig steunt op de onderstelling dat artikel 459 van het Gerechtelijk Wetboek eiser het recht ontzegt het geschil voor het gerecht te brengen;
Overwegende dat uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat artikel 459 van het Gerechtelijk Wetboek eiser niet het recht ontzegt om zich tot het gerecht te wenden;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;
Overwegende dat uit het antwoord op dit onderdeel blijkt dat de voorziening moet worden verworpen om redenen die ontleend zijn aan normen die zelf niet het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof; dat deze vraag derhalve niet moet worden gesteld;
Om die redenen, verwerpt de voorziening; veroordeelt eiser in de kosten.