Arbeidshof: Arrest van 28 Mei 2009 (Brussel). RG 49.932
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20090528-1
- Numéro de rôle :
- 49.932
Résumé :
Indien de inkomsten van de beschermde persoon ontoereikend zijn ter betaling van de onderhoudskosten, kan de voorlopige bewindvoerder tevens het roerend kapitaal aanwenden, eventueel met machtiging van de vrederechter. De aanwezigheid van dit roerend kapitaal toont aan dat er geen gevaar is voor het behoud van de menselijke waardigheid wanneer dit moet worden aangesproken voor de medische kosten van de beschermde.
Arrêt :
rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL
─────────
ARREST
OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTENTWINTIG MEI TWEEDUIZEND EN NEGEN.
7e KAMER
not. 580, 8°, Ger. W.
maatschappelijke dienstverlening
tegenspraak
definitief
In de zaak :
OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN BRUSSEL, met zetel te 1000 Brussel, Hoogstraat 298 A,
appellant op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel beroep, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door meester N. Dugardin loco meester S. Wahis, advocaat te Brussel,
tegen :
I. S.,
geïntimeerde, die ter openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester U. De Neve, advocaat te Brussel.
* * *
*
Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit :
Het arbeidshof neemt kennis van de volgende procedurestukken :
-het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis van de twintigste kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel, uitgesproken op tegenspraak op 13 maart 2008 en ter kennis gebracht op 21 maart 2008 aan de appellant overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W.;
-het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 21 april 2008;
-de voorgelegde stukken;
-de conclusies voor de beide partijen;
De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies ter openbare terechtzitting van 2 april 2009, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft op 10 april 2009 zijn schriftelijk advies ter griffie neergelegd. Aan de partijen werd de mogelijkheid geboden om tot 30 april 2009 een repliek op dat advies ter griffie neer te leggen, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden.
* *
*
1. DE FEITEN EN RECHTSPLEGING
De heer I. is een bejaarde man van Syrische nationaliteit die in 1996 erkend werd als politiek vluchteling en die lijdt aan longkanker.
De heer I. en zijn echtgenote ontvingen elk financiële steun gelijk aan het leefloon samenwonende van 27 oktober 2003 tot 30 september 2007 en zij beschikten tijdens die periode over een medische kaart.
Hij woont met zijn echtgenote en drie van zijn zonen, waarvan één gehuwd is en minderjarige kinderen heeft, aan de Eedgenotenstraat 43 te 1000 Brussel.
De ouders en de jongste zoon N. wonen op het gelijkvloers, terwijl de zoon A. op de eerste verdieping woont. Op het gelijkvloers is geen badkamer, wel is er een bescheiden douche in de kelder en op de eerste verdieping is geen keuken. A. eet soms bij zijn ouders. De zoon N. studeert rechten aan de KUB en verklaart dat hij soms om rustiger te zitten op de eerste verdieping studeert en daar dan soms ook slaapt.
Op de tweede en de derde verdieping huist het gezin van de oudste zoon E..
In het sociaal verslag van 9 oktober 2006, opgemaakt door T. P., wordt op basis van een plaatsbezoek melding gemaakt van de indeling van het gebouw en de woonsituatie van de verschillende familieleden. In verband met A. wordt vastgesteld dat hij na een lange periode van arbeidsongeschiktheid wegens rugproblemen, werkloos is en euro 870 per maand ontvangt. De medische en financiële situatie van de heer I. wordt beschreven als verslechterend. Op basis van deze gegevens wordt de verlenging van de sociale hulp en van het voordeel van de medische kaart voorgesteld; dit voorstel werd door het OCMW gevolgd.
In een uitvoerig sociaal verslag van november 2007, waarin melding gemaakt wordt van verschillende ondervragingen en plaatsbezoeken, verricht door A. C. in het bijzijn van een stagiair die als tolk fungeerde, worden een aantal gegevens van het vorige sociaal verslag ernstig in vraag gesteld omdat de verklaringen tegenstrijdig en leugenachtig zouden zijn, meer bepaald wat betreft de woonsituatie van A. en N., de inkomsten van A. en de gelden op de rekening van de heer I.. Tevens wordt melding gemaakt van spanningen met E.. De gezondheidssituatie van de ouders verbetert echter niet en de heer I. heeft nood aan een regelmatige medische opvolging. Het sociaal verslag sluit af met een voorstel tot sanctie van 1 maand omwille van een gebrek aan medewerking en moedwillige fraude.
Inmiddels bleek de uitbetaling van de financiële steun tijdens dit sociaal onderzoek opgeschort, zodat de heer I. op 21 november 2007 zich bij de arbeidsrechtbank te Brussel bekloeg over het feit dat hij geen financiële steun meer ontving en dat zijn medische kaart werd ingetrokken.
Op 3 december 2007 besliste het Bijzonder Comité van de Sociale Dienst van het OCMW om met ingang van 1 oktober 2007 geen financiële hulp gelijk aan het leefloon van een samenwonende meer toe te staan, omdat naar aanleiding van de jaarlijkse evaluatie van zijn situatie vastgesteld werd dat zijn situatie niet onafhankelijk van deze van zijn twee zonen kon worden onderzocht, met wie hij een feitelijk gezin vormde; omwille van zijn tegenstrijdige verklaringen kon dit slechts vastgesteld worden na meerdere huisbezoeken en ondervragingen in de aanwezigheid van een tolk; zijn situatie zou kunnen herzien worden op basis van volgende gegevens : loonfiches, betaling van werkloosheid of andere socialezekerheidsuitkeringen van alle leden van het gezin.
Bij de behandeling van de zaak voor de eerste rechter vroeg hij de vernietiging van deze beslissing.
In een verklaring van 10 december 2007 wees de heer I. op zijn zeer slechte medische situatie, die bevestigd werd in een medisch attest van de geneesheren van het UMC Sint Pieter m.b.t. de voortschrijdende longkanker. De heer I. vroeg dat men toch wilde terugkomen op de vorige beslissing. Op 3 januari 2008 deed hij een nieuwe aanvraag voor maatschappelijke dienstverlening.
Er werd een nieuw sociaal verslag opgemaakt, ditmaal door H. L., waarbij de ouders een verklaring op eer tekenden; uit een huisbezoek bleek de woonsituatie van de twee zonen. Uit het verslag volgt dat de heer I. de situatie niet goed begrijpt, dat hij op een wachtlijst staat voor een sociale woning sinds 2003, maar dat zijn vroegere sociaal assistente hem had aangeraden om bij zijn zonen te wonen. A. had zich erg boos gemaakt op de vroegere sociaal assistente omdat hij niet kon begrijpen waarom men de hulp en de gezondheidskaart van zijn vader introk.
De gezondheidstoestand van de vader verslechtert van dag tot dag en hij zal op 26 februari 2008 geopereerd worden.
Rekening houdend met de zware gezondheidsproblemen en de beperkte financiële middelen stelt het verslag voor om de medische kaart toe te kennen van 1 februari 2008 tot 31 januari 2009 en om aan de heer en mevrouw een financiële steun aan het tarief van een samenwonende toe te kennen met ingang van 1 januari 2008, dit rekening houdend met het loon van A..
Op 11 februari 2008 besliste het OCMW in die zin.
Bij vonnis van de arbeidsrechtbank van Brussel van 13 maart 2008 werd de vordering van de heer I., zoals ingeleid bij verzoekschrift van 21 november 2007 en ter zitting uitgebreid naar de beslissing van het OCMW van 3 december 2007, ontvankelijk en gegrond verklaard en werd het OCMW veroordeeld tot betaling van een financiële steun gelijk aan het bedrag van het leefloon voor een samenwonende voor de periode van 1 oktober 2007 tot 31 december 2007. Tevens werd het OCMW veroordeeld tot terugbetaling van alle medische kosten die niet op een andere manier gedragen werden tijdens de periode van 1 oktober 2007 tot 31 januari 2008.
Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 21 april 2008, tekende het OCMW van Brussel hoger beroep aan en vroeg dat de oorspronkelijke vordering van de heer I. ontvankelijk doch ongegrond zou worden verklaard en dat de beslissing van 3 december 2007 zou worden bevestigd.
De heer I. tekende incidenteel beroep aan wegens tergend en roekeloos hoger beroep en vroeg een schadevergoeding van euro 1000 provisioneel.
2. BEOORDELING.
Het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank van Brussel van 13 maart 2008 werd aan het O.C.M.W. ter kennis gebracht op 21 maart 2008, zodat haar hoger beroep bij verzoekschrift ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Brussel op 21 april 2008, tijdig is . Het hoger beroep is ook ontvankelijk, wat niet wordt betwist. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep.
2.1. De motivering van de bestreden beslissing.
De bestreden beslissing van 3 december 2007 is gemotiveerd als volgt :
Aangezien tijdens de jaarlijkse herziening van de situatie gebleken is dat uw situatie niet onafhankelijk van deze van uw twee zonen, N. en A., met wie u een feitelijk gezin vormt, kan beoordeeld worden. Omwille van de tegenstrijdige verklaringen is dit slechts vastgesteld kunnen worden na meerdere huisbezoeken en onderhouden in het bijzijn van een tolk.
Uw situatie zal herzien kunnen worden op grond van volgende elementen : loonfiches, bewijzen van werkloosheidsuitkeringen of andere sociale zekerheid vergoedingen van alle leden van uw gezin.
De beslissing vermeldt dan ook de overwegingen die aan de grondslag van de intrekking van de financiële steun liggen. Het OCMW stelt dat deze formele motivering op wettige wijze aangevuld wordt door het sociaal verslag. Er is derhalve een formele motivering, die hierna op haar feitelijke draagkracht zal worden onderzocht.
2.2. De gegrondheid van de bestreden beslissing
2.2.1. De OCMW-Wet voorziet niet in een sanctieregeling in geval van gebrek aan medewerking.
In het sociaal verslag, waarop de bestreden beslissing gebaseerd is, wordt uitdrukkelijk voorgesteld om de financiële steun in te trekken bij wijze van sanctie wegens gebrek aan medewerking en moedwillige fraude van de gezinsleden.
Artikel 60 §1 van de Organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn bepaalt :
De tussenkomst van het centrum is, zonodig, voorafgegaan van een sociaal onderzoek dat besluit met een nauwkeurige diagnose nopens het bestaan en de omvang van de behoefte aan dienstverlening en de meest passende middelen voorstelt om daarin te voorzien.
De betrokkene is ertoe gehouden elke nuttige inlichting nopens zijn toestand te geven, alsmede het centrum op de hoogte te brengen van elk nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op de hulp die hem wordt verleend. ..."
Het openbaar ministerie stelt terecht dat deze bepaling niet voorziet in een sanctiemogelijkheid in de zin dat de OCMW steun ingetrokken kan worden omwille van onvolledige informatie betreffende het verleden; in de OCMW-wet is een dergelijke sanctie niet voorhanden, anders dan in de RMI-wet ( D. SIMOENS, OCMW dienstverlening, p. 346/10, nummer 995/1 en Arbh. Luik 4 april 1995, Soc. Kron. 1996, 548; Arbh. Luik 26 maart 2003, JTT 2003, 334).
Alhoewel ook dit geen sanctie is, kunnen in geval van onvolledige aangifte wel de kosten worden teruggevorderd, zoals terecht vermeld op het ontvangstbewijs voor een aanvraag tot sociale hulp.
Uit de opeenvolgende sociale verslagen blijkt dat het OCMW steeds op de hoogte is geweest van de samenwoonst van de kinderen met de ouders I. en in het laatste verslag van mevrouw H. (januari 2008) staat zelfs te lezen dat dit gebeurde op aanraden van de vroegere maatschappelijk werkster. Tevens blijkt hieruit dat de heer I. de situatie niet goed verstaat, wat begrijpelijk is gelet op zijn zeer slechte gezondheidstoestand.
In de repliek van het OCMW op het advies van het openbaar ministerie wordt zelfs aangegeven dat de beslissing verband houdt met de agressieve houding van de zoon van de heer I., wat erop neer zou komen dat het gebrek aan medewerking, dat in het sociaal verslag als reden voor de sanctie weerhouden wordt, in feite niet eens aan de heer I. zelf te wijten zou zijn.
Voor alles dient het OCMW uit te gaan van het beginsel van de menselijke waardigheid. Met ingang van januari 2008 heeft het OCMW wel de reële situatie onder ogen genomen en rekening gehouden met de zeer precaire financiële en medische situatie van de heer I.. Op een zelfde wijze had men moeten te werk gaan voor de periode oktober - december 2007.
2.2.2. De samenwoonst met de kinderen en de financiële situatie
Terecht merken de eerste rechter en het openbaar ministerie op dat de gegevens in de opeenvolgende sociale verslagen niet dermate verschillend zijn dat kan verantwoord worden dat op 3 december 2007 en ervoor geen financiële steun meer nodig zou zijn omwille van de feitelijke gezinssituatie en de financiële gevolgen ervan.
Niet betwist wordt dat de heer I. en zijn echtgenote van 27 oktober 2003 tot 30 september 2007 elk een financiële hulp gelijk aan het leefloon samenwonenden ontvingen en dat zij tijdens die periode eveneens beschikten over een medische kaart. Elk jaar werd door een sociaal onderzoek de feitelijke situatie nagezien.
Ook vanaf 1 januari 2008 kende het OCMW financiële hulp toe gelijk aan het leefloon samenwonende.
In de sociale verslagen van oktober 2006 en januari 2008 wordt de woonsituatie van de ouders met de zonen in vergelijkbare termen omschreven en dit na verificatie via een plaatsbezoek.
In het verslag van oktober 2006 wordt aangegeven dat A. na een lange periode van arbeidsongeschiktheid, werkloos is en euro 870 per maand ontvangt. Anderzijds viel een vroegere huurinkomen weg.
In het verslag van januari 2008 wordt aangegeven dat men bij het toekennen van financiële hulp rekening zal houden met het loon van A..
Volgens het verslag van november 2007 werkte A. halftijds en verdiende hij in mei 2007 euro 520,67, in juni 2007 euro 868,69, in juli euro 228,78 , in augustus euro 630 en in oktober 2007 euro 462,51.
Uit deze vergelijking van de sociale verslagen kan afgeleid worden dat de financiële situatie met betrekking tot A. geenszins verbeterd was en het arbeidshof kan de beoordeling van de eerste rechter bijtreden dat er voor de onderzochte periode (sept - dec. 2007) wat betreft de hoegrootheid van de steun geen elementen zijn om rekening te houden met het ( zeer beperkte) inkomen van de zoon A., wat in het verleden ook niet gebeurde. Het hof herneemt op dit punt de pertinente motivering van de eerste rechter.
Terecht stelde het openbaar ministerie in zijn advies dat de situatie in januari 2008 in weinig opzichten verschillend was van wat zij in oktober 2007 was. Weliswaar wil het OCMW in haar repliek doen gelden dat in januari 2008 de inkomsten van A. bekend waren, terwijl in oktober 2007 dit niet het geval zou zijn. Nochtans kan het hof enkel vaststellen dat in het sociaal verslag van oktober 2007, p. 4 deze inkomsten vermeld zijn en afgeleid worden uit de loonfiches.
In het verslag van oktober 2007 ( pagina 2) vindt men ook de opgave van de uitgaven van de heer I. ( 1/4 van de afbetaling van de hypothecaire lening, Electrabel facturen van euro 73 per maand en Internet van 55 à euro 60 per maand).
Dezelfde gegevens vindt men terug op p. 2 van het latere verslag van januari 2008, waarin men een totaal uitgavenpatroon van euro 413 per maand vaststelt.
Gelet op deze gegevens ziet men moeilijk in waarom men van 1 oktober 2007 tot 31 december 2007 aan de heer I. de financiële steun ontzegde, terwijl op dezelfde basis vanaf 1 januari 2008 de steun opnieuw werd toegestaan.
In het verslag van oktober 2007 wordt wel zeer uitvoerig aandacht besteed aan kleine verschillen in verband met de woonsituatie van de twee zonen en het is omwille van deze verschillen ( soms versprekingen) dat in het verslag blijkbaar uitgegaan wordt van opzettelijke fraude en gebrek aan medewerking.
Klaarblijkelijk wordt ook een bijzonder belang gehecht aan de mogelijke woonsituatie van de zoon in de kelder.
Rekening houdend met het feit dat de heer I. financiële steun ontving op basis van samenwoonst, treedt ook hier het hof de eerste rechter bij dat al deze elementen weinig relevantie hebben, gelet op de financiële gegevens die vastgesteld werden en die in weinig verschilden van de vorige sociale verslagen en het kort daarna opgestelde verslag van januari 2008.
Het arbeidshof treedt dan ook het advies van het openbaar ministerie bij dat de heer I., mede omwille van zijn erg zware gezondheidsproblemen in moeilijke levensomstandigheden leeft en dat hij derhalve, rekening houdend met zijn financiële situatie, recht heeft op maatschappelijke dienstverlening teneinde hem in de gelegenheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Deze dienstverlening is verschuldigd ongeacht de vergissingen, de onwetendheid, de nalatigheid of de fout van de hulpaanvrager, laat staan deze van zijn samenwonende zoon.
2.2.3. De retroactieve toekenning van de achterstallen
Door de nieuwe beslissing van het OCMW van 11 februari 2008 werd voor de steuntoekenning vanaf 1 januari 2008 telkens rekening gehouden met het inkomen van de samenwonende zoon, dat nochtans niet groter was dan de vroegere werkloosheidsuitkering. De financiële situatie van de heer I., die geen eigen inkomen heeft, verbeterde er dus duidelijk niet op, terwijl uit de medische verslagen volgt dat zijn gezondheidstoestand dag na dag verslechterde.
Samen met het openbaar ministerie dient dan ook te worden vastgesteld dat het zeker verantwoord voorkomt om voor de periode van oktober 2007 tot december 2007 de achterstallige steun toe te kennen, zodat het vonnis van de eerste rechter kan worden bevestigd.
Anders oordelen zou tot een schending leiden van artikel 1, eerste lid van de OCMW-wet waardoor de hulpbehoevende recht heeft op sociale steun van zodra hij zich in een situatie bevindt die hem niet toelaat een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.
Geen enkele wettelijke bepaling voorziet dat de maatschappelijke dienstverlening niet met terugwerkende kracht kan toegekend worden aan een persoon voor een periode die gelegen is tussen de aanvraag en de gerechtelijke uitspraak die hem de steun toekent. ( Cass. 17 december 2007, S.07.0017.F. en Cass. 9 februari 2009, S.08.0090.F)
Het hoofdberoep is dan ook ongegrond.
3. Incidenteel beroep wegens tergend en roekeloos beroep
De heer I. stelt incidenteel beroep in omdat hij van oordeel is dat het hoofdberoep tergend en roekeloos is.
Er kan niet voorgehouden worden dat het OCMW op tergende en roekeloze wijze hoger beroep heeft aangetekend, daar het zich hiervoor steunde op het voorstel van een sociaal verslag.
Het incidenteel beroep is ongegrond.
OM DEZE REDENEN
HET ARBEIDSHOF
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,
Rechtsprekend op tegenspraak,
Gelet op het schriftelijk advies van advocaat-generaal J.- J. André, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 10 april 2009 waarop op 30 april 2009 repliek vanwege het OCMW is gevolgd,
Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk, doch ongegrond,
Bevestigt het bestreden vonnis.
Veroordeelt geïntimeerde op grond van artikel 1017 tweede lid Ger. Wb. tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van partijen niet begroot.
Aldus gewezen door de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door:
L. Lenaerts raadsheer, voorzitter;
M. Van Aken raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever;
J.-P Van Coningsloo raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider;
L. Herregodts, griffier.
L. Lenaerts L. Herregodts
J.-P Van Coningsloo M. Van Aken
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van achtentwintig mei tweeduizend en negen van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel door:
L. Lenaerts raadsheer, voorzitter,
Bijgestaan door
L. Herregodts griffier.
L. Lenaerts L. Herregodts