Arbeidshof: Arrest van 7 Maart 2003 (Brussel). RG 42718
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20030307-1
- Numéro de rôle :
- 42718
Résumé :
Samenvatting 1
Arrêt :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Uittreksel uit het arrest
ARBEIDSHOF TE BRUSSEL
&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;
ARREST
OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVEN MAART TWEEDUIZEND EN DRIE.
DERDE KAMER
Bediendecontract
Tegensprekelijk
Definitief
In de zaak :
N.V. KONICA BUSINESS MACHINES BELGIUM, met zetel te 1130 BRUSSEL, Metrologielaan nr. 10 en ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nummer 339.321;
Appellante, vertegenwoordigd door Mr. F. Lagasse, advocaat te 1050 Brussel, Bolwerksquare nr. 1/A;
Tegen :
M. L.
Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. G. Van Deyck, advocaat te 2800 Mechelen, Lakenmakersstraat nr.
42;
x
x x
Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest :
- Gelet op de stukken der rechtspleging en ondermeer het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 12e kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 1 februari 2002 (AR nr. 5058/01), alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 4 maart 2002;
- Gelet op de besluiten en de aanvullende en synthesebesluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie respectievelijk op 24 april 2002 en 4 juli 2002;
- Gelet op de besluiten en synthesebesluiten van appellante, ontvangen ter griffie respectievelijk op 25 juni 2002 en 7 oktober 2002;
- Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 7 februari 2003.
De partijen legden hun bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen.
x
x x
I. FEITEN.
De heer M. trad in dienst bij Konica op 18 augustus 1998 als hoofd van de dienst boekhouding.
Op 25 april 2000 betekende Konica hem de beëindiging van de arbeidsovereenkomst mits een opzeggingstermijn van 5 maanden ingaande op 1 mei 2000.
Op 15 mei 2000 beëindigde Konica de arbeidsovereenkomst van de heer M. wegens dringende reden.
De dringende redenen werden uiteengezet in een brief van 16 mei 2000, die luidt als volgt:
"Geachte heer,
Zoals gemeld in ons aangetekend schrijven van 15 deze, komen wij terug op uw ontslag wegens dringende reden en vermelde U hieronder de motivatie van onze beslissing.
- We merken op dat U enkel en alleen gebruik mag maken van ons informaticasysteem voor het uitoefenen van uw functie in onze maatschappij, doch stellen wij vast dat U herhaaldelijk en zeer dikwijls misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen die wij moeten kunnen stellen in een manager, door niet toelaten websites te bezoeken en meer bepaald pornografische sites. U weet nochtans dat dit laakbaar is.
- Wij hebben op 12 mei laatstleden vernomen dat U pogingen hebt ondernomen om een collega te trachten te beïnvloeden en te overtuigen haar ontslag aan te bieden; hopende zo rekening houdend met haar uitgeoefende functie, de organisatie van de Maatschappij in het nauw te drijven. Dit is onduldbaar.
- Wij vernamen ook op 12 mei 2000 dat u nog vertrouwelijke informaties ingewonnen in het raam van het uitoefenen van uw ambt, betreffende de kapitaalsverhoging van onze Maatschappij, hebt verspreid. Dit gebaar kunnen wij enkel maar verklaren door uw kwade bedoelingen, om schade aan uw werkgever te berokkenen.
- U verspreidt kwaadsprekerij betreffende onze afgevaardigd bestuurder de heer J. J. als zou hij in diskrediet gevallen zijn binnen het Europese management van Konica. Wij beschouwen dit als lasterlijk en beledigend.
- Er werd aan de Directie vermeld dat U het vals gerucht verspreid dat drie van onze technici zouden ontslagen worden. Dit is puur onzin. Zulke uitspraken scheppen enkel onnodige ongerustheid bij deze categorie van personeelsleden.
Uw houding geeft onweerlegbaar blijk van een totaal gebrek aan loyaliteit tegenover de Maatschappij. We hebben het vertrouwen in U verloren, noodzakelijk in elke werkrelatie en in het bijzonder tegenover een lid van het kaderpersoneel.
Door hun aard en de eraan verbonden gevolgen beïnvloeden deze feiten op een zodanige wijze contractuele arbeidsverhoudingen dat ze de voortzetting van iedere professionele samenwerking onmiddellijke en definitief onmogelijk te maken.
We hebben dan ook de beslissing genomen de opsomming van de herhaalde ingeroepen tekortkomingen te beschouwen als voldoende bewezen feiten om uw arbeidsovereen-komst voor bediende op staande voet te verbreken op 15 mei 2000 zonder het uitkeren van een vergoeding gelijk aan de bezoldiging voor de nog resterende vooropzeggingstermijn."
De heer M. betwist met een schrijven dd. 14 juni 2000 van zijn vakorganisatie al de door appellante aangehaalde feiten en vordert verbrekingsvergoeding gelijk aan 5 maanden loon.
Op 22 februari 2001 dagvaardt hij appellante en vordert haar veroordeling tot betaling van:
- 16.654,28 t.t.v. verbrekingsvergoeding,
- 1.198,14 t.t.v. t.t.v. pro rata eindejaarspremie,
- 179,15 t.t.v. vertrekvakantiegeld op pro rata eindejaarspremie,
meer de wettelijke intresten vanaf 15 mei 2000 en gerechtelijke intresten.
Hij vordert tevens de afgifte van de sociale documenten mist een dwangsom van _ 24,79 per dag bij niet aflevering ervan binnen de 24 uren na betekening van het tussen te komen vonnis, appellante te horen veroordelen tot de kosten van het geding en het vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad.
II. HET VONNIS A QUO.
Het vonnis a quo verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond zoals volgt:
Veroordeelt appellante tot betaling aan geïntimeerde van de volgende bedragen:
- 16.654,28 t.t.v. verbrekingsvergoeding,
- 1.198,14 t.t.v. pro rata eindejaarspremie,
- 179,15 t.t.v. vertrekvakantiegeld op pro rata eindejaarspremie,
meer de wettelijke intresten vanaf 15 mei 2000 en gerechtelijke intresten op de overeenstemmende netto bedragen.
Veroordeelt appellante tot de afgifte van de door onderhavig vonnis veroorzaakte en aangepaste sociale documenten.
Zegt dat in de huidige stand van de procedure geen reden is tot verbeurdverklaring van een dwangsom.
Veroordeelt appellante tot de kosten.
De eerste rechter oordeelt dat de door appellante aangehaalde redenen - ook alle te samen genomen - onvoldoende zijn om een dringende reden tot ontslag uit te maken.
De eerste rechter meent dat uit de computerprint en de namen van de geregistreerde websites blijkt dat geïntimeerde regelmatig surfte op het internet en pornosites bezocht. Daar hij alleen verantwoordelijk is voor zijn paswoord en Azijn@ computer is dit een tekortkoming.
Gelet echter op de bijzondere omstandigheden waarbij:
÷ appellante overigens zelf erkent dat zij sommige dossiers en fichiers behorend tot de taken van eiser geblokkeerd had - waardoor geïntimeerde meer vrije tijd kreeg,
÷ er geen enkel geschrift voorhanden is m.b.t. een gedragscode i.v.m. het gebruik van de computer van de werkgever,
÷ er geen verbod was aangetoond van het privé-gebruik van de computer,
is deze tekortkoming volgens het vonnis a quo niet voldoende ernstig om de verderzetting van de arbeidsovereenkomst onmiddellijk en definitief onmogelijk te maken.
Pogingen tot beïnvloeding van een collega om haar ontslag aan te bieden.
De rechtbank meent dat de verklaring uitgaande van B. V. o.m. tendentieus is en niet objectief.
Kritiek op de afgevaardigd bestuurder.
De rechtbank merkt op dat het ontslagschrijven zelf Akwaadsprekerij@ vermeldt zonder verdere specificaties en bijgevolg te vaag en onnauwkeurig; dat noch geïntimeerde noch de rechtbank na kunnen gaan of de aangevoerde feiten wel dezelfde zijn als deze die voor hen worden ingeroepen.
Voor zover als nodig en ten overvloede, meent de rechtbank dat niet bewezen is dat de heer M. op zijn initiatief de zinsnede Afrom hero to zero@ heeft verspreid.
De verspreiding van de informatie dat drie technici zouden worden ontslagen, en van de informatie dat een kapitaalverhoging niet zou doorgaan.
Appellante legt slechts 1 verklaring neer van de heer S. dewelke tendentieus is en niet objectief.
Appellante dient het bewijs te leveren van de dringende reden en bewijst volgens de eerste rechter niet dat geïntimeerde deze geruchten verspreidde, en noch dat hij als aanstichter de eerste was.
De heer S. zelf stelt zich de vraag in zijn verklaring m.b.t. het ontslag van A.S. en F.S.: Awie lekt deze informatie aan L.@ (= geïntimeerde).
III. DE BEROEPSGRIEVEN.
Appellante verzoekt het Hof het vonnis a quo te vernietigen en opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde af te wijzen als zijnde ongegrond en hem tot de kosten van beide aanleggen te veroordelen.
In ondergeschikte orde verzoekt appellante het Hof mevrouw B.V. op te roepen om aan het Hof alle nodige informaties te geven (en dit, onder eed), betreffende haar verklaring dd. 12 mei 2000 die luidt als volgt:
"Er is iets wat mij van het hart moet.
Regelmatig komt L. mij lastig vallen met allerlei geruchten betreffende Konica, waar ik helemaal niet mee gediend ben. Hij houdt mij op die ogenblikken van mijn werk, wat ik hoegenaamd op een behoorlijke manier wil afwerken.
Daarenboven heeft hij mij de afgelopen maanden twee maal gevraagd om, indien hij van werkgever zou veranderen, ik hem zou willen volgen. Hij heeft mij niet de namen van de bedrijven genoemd, maar wel de plaatsen:
Diest en Watermaal-Bosvoorde. Ik heb hem dan ook duidelijk gemaakt dat ik hier niet in geïnteresseerd was.
Mijn vraag is: kan u een einde maken aan deze voor mij onaangename benadering vanwege L. M. ?"
Middelen.
Appellante stelt dat de eerste rechter ten onrechte besliste dat het regelmatig bezoeken van pornosites op het Internet geen voldoende ernstige tekortkoming is om de verderzetting van de arbeidsovereenkomst onmiddellijk en definitief onmogelijk te maken, gelet op de omstandigheden dat:
÷ appellante overigens zelf erkent dat zij sommige dossiers en fichiers, die behoren tot de taken van geïntimeerde, geblokkeerd had, waardoor hij meer vrije tijd kreeg,
÷ er geen enkel geschrift voorhanden is met betrekking tot een gedragscode in verband met het gebruik van de computer van de werkgever,
÷ er geen verbod was aangetoond van het privé gebruik van de computer.
Appellante stelt dat zij slechts de toegang van de heer M. tot sommige sensibele dossiers blokkeerde doch dat dit zijn werklast niet beperkte.
Verder dat de ontstentenis van een gedragscode i.v.m. het gebruik van de computer van de werkgever niet tot gevolg heeft dat elk (eventueel abusief misbruik enz...) gebruik van de computer aanvaardbaar is.
De begrippen Aopenbare orde@, Agoede zeden@, sierlijk gedrag@ en Amoraliteit@ zijn in het professionele leven van toepassing en dit zelfs indien zij geen vaste en beperkte inhoud hebben. Een officiële (eventueel in het arbeidsreglement bevat) schriftelijke bevestiging van dit elementair principe is niet nodig. Een kaderlid moet voor zijn collega=s een voorbeeld zijn. Indien een kaderlid deze elementaire beginselen schendt dient zijn gedrag als een dringende ontslagreden beschouwd te worden.
De (té tolerante) beoordeling van de eerste rechter faalt volgens appellante naar feite zowel als naar rechte.
Over de pogingen om een collega te beïnvloeden om haar ontslag aan te bieden.
Appellante stelt dat de eerste rechter ten onrechte heeft beslist dat zelfs al zou dit bewezen zijn, dan is het tweemaal stellen van dergelijke vragen door een kaderlid geen dringende reden. Een kaderlid moet voor zijn collega=s een voorbeeld zijn (AH Antwerpen 26.1.1981, RW 1982-1983, 1991; AH Bergen 17.1.1989, JTT 1989, 285; Arbrb. Brussel 15.2.1994, AJT 1994-1995, 1785; AH Antwerpen 8.4.1992, RW 1992-1993, 439).
Over de verspreiding van vertrouwelijke informatie i.v.m. een kapitaalverhoging van de onderneming, alsook van het ontslag van twee werknemers.
Appellante stelt dat de heer M. als kaderlid is gehouden tot een discretie- en geheimhoudingsplicht en de niet-naleving van deze plicht kan (zoals in casu) een dringende reden uitmaken.
Het verspreiden (zelfs indien de betrokkene niet de stichter van deze geruchten is) van deze geruchten is een dringende reden.
Over de kritiek op de afgevaardigd-bestuurder.
Appellante stelt dat de eerste rechter ten onrechte besliste (a) dat deze ontslagreden niet bewezen is en (b) dat het ontslagschrijven te vaag is om ter staving van een ontslag wegens dringende reden ingeroepen te kunnen worden.
Het attest van de heer S. is klaar en duidelijk. Appellante ziet niet in welke mate dit attest tendentieus zou zijn.
De ontslagbrief is niet te vaag. De relevante zin luidt als volgt: AU verspreidt kwaadsprekerij betreffende onze afgevaardigd bestuurder, de heer J. J. als zou hij in diskrediet zijn gevallen binnen het Europese management van Konica@.
Dit is volgens appellante duidelijk genoeg. De heer M. , die deze kwaadsprekerij verspreidde, was er perfect van op de hoogte.
IV. STANDPUNT VAN GEÏNTIMEERDE.
Geïntimeerde verzoekt het Hof het hoger beroep als ongegrond af te wijzen en appellante tot de kosten ervan te veroordelen. Hij verzoekt om bevestiging van het vonnis a quo in zijn beschikkende bestanddelen, doch is het oneens met de motivering van de eerste rechter waar deze stelt dat appellante bewijst dat hij regelmatig pornosites op het Internet zou hebben bezocht.
Hij stelt dat appellante dit feit niet bewijst aan de hand van eenzijdig door haar opgestelde outprints die perfect door haar kunnen gemanipuleerd zijn en derhalve geen bewijskracht hebben.
x
x x
V. BEOORDELING VAN HET HOF.
Overwegende dat het hoger beroep naar vorm en tijd ontvankelijk voorkomt, wat overigens niet wordt betwist.
Overwegende dat de partij die een dringende reden inroept hiervan het bewijs dient te leveren (artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet). De ernst van het ontslag om dringende reden vereist een vaststaand bewijs van de feiten die de werknemer ten laste worden gelegd (AH Bergen 16.5.1991, Bull. VBO 1992, afl.
2, 78). Het bewijs van de aangevoerde feiten kan worden geleverd met alle wettelijke middelen (Cass. 13.10.1986, RW 86-87, 1711).
1. Over het eerste aan geïntimeerde verweten feit.
Overwegende dat appellante ten bewijze van het door haar aangevoerde feit nl. het regelmatig bezoeken tijdens de werkuren en met de PC van de werkgever door geïntimeerde van websites zonder enig professioneel karakter en meer bepaald pornografische sites een afdruk neerlegt van een computerverslag (stuk 9).
Geïntimeerde stelt terecht dat dit stuk 9 louter eenzijdig werd opgesteld door appellante, niet in het bijzijn van getuigen noch van een gerechtsdeurwaarder, noch van geïntimeerde.
Overwegende dat geïntimeerde terecht opmerkt dat het gebruik van een computerverslag manipuleerbaar is omdat het theoretisch mogelijk is dat een derde die zich toegang verschafte tot zijn PC deze computer kan antidateren, een fictief uur inbrengen, vervolgens bepaalde websites op internet bezoeken en vervolgens een verslag afdrukken...
Overwegende dat de verantwoordelijke van appelantes informaticadienst overigens zelf verklaart (stuk 11) dat deze dienst inderdaad het passwoord van de gebruiker op elk moment kan annuleren en een nieuw passwoord invoeren (om begrijpelijke organisatorische redenen).
Het Hof stelt vast dat het stuk 9 (computerverslag) van appellante een EENZIJDIG geschrift is door appellante opgesteld in afwezigheid van objectieve getuigen of van een gerechtsdeurwaarder of van geïntimeerde.
Dit eenzijdig door appellante opgesteld geschrift is geen voldoende bewijs van het aan geïntimeerde verweten feit dat hij herhaaldelijk tijdens de werkuren pornosites en andere niet professionele websites zou hebben bezocht via het Internet met de PC van zijn werkgever.
Het eerste aan geïntimeerde ten laste gelegde feit wordt door appellante niet bewezen.
Volledigheidshalve merkt het Hof op dat appellante ook in de huidige stand van het geding niet bewijst dat er binnen haar onderneming een verbod geldt van privé-gebruik van de PC=s door de werknemers, noch dat zij een gedragscode had opgesteld ten behoeve van de werknemers voor het gebruik van PC en Internet.
2. De poging om een collega te beïnvloeden haar ontslag aan te bieden, verspreiding van vertrouwelijke informatie, kritiek op de afgevaardigde bestuurder (kwaadsprekerij).
Gezien appellantes stuk 8 (verklaring dd. 12 mei 2000 van mevrouw B. V., werkneemster van appellante);
Gezien eveneens appellantes stuk 7 (verklaring dd. 12 mei 2000 van de heer E. S., werknemer van appellante);
Aan de hand van de samenlezing van deze beide stukken stelt het Hof vast dat twee collega=s van geïntimeerde OP DEZELFDE DAG, nl. op 12 mei 2000, bij appellante (de ene bij de algemeen bestuurder, de andere bij de financiële directeur) schriftelijk hun beklag uiten over Abenaderingen@ door geïntimeerde, waarbij tevens opvalt dat mevrouw B. V. op 12 mei 2000 gewag maakt van feiten die zouden dateren van Ade afgelopen maanden@.
Overwegende dat het Hof de mening deelt van de eerste rechter, waar deze oordeelde dat deze schriftelijke verklaringen van twee werknemers van appellante de nodige objectiviteit missen.
Het feit dat plots, op dezelfde dag twee werknemers schriftelijk bij appellante komen klagen over geïntimeerde met op het einde van hun brieven de bijna identieke vraag aan de werkgever of Ahij de nodige maatregelen kan treffen opdat zij iet meer zouden benaderd worden door (geruchten van) geïntimeerde@ ontneemt deze verklaringen hun onafhankelijkheid, hun objectiviteit en derhalve hun geloofwaardigheid.
Het Hof merkt op dat appellante behoudens twee schriftelijke verklaringen dd. 12 mei 2000 geen andere stukken neerlegt ten bewijze van de door haar aangevoerde feiten bv. ook geen vroegere ingebrekestellingen of vermaningen die zij aan geïntimeerde zou hebben gemaakt i.v.m. zijn gedrag.
Wel integendeel blijkt uit geïntimeerdes stuk 2 dat appellante hem op 25 februari 2000 schriftelijk feliciteerde Avoor de inspanningen die U leverde bij het uitoefenen van werkzaamheden die U werden toevertrouwd in onze firma in volle ontwikkeling.
Het verheugt ons er de nadruk te mogen op vestigen dat uw overste hiërarchie, met reden uw bekwame en geprezen samenwerking op prijs stelt, waarvoor onze oprechte felicitaties.
Konica rekent verder op U, dat U in uw toegewezen rol, in de functie die U bekleedt, een bron van dynamisme van opgewektheid en vooruitgang mag zijn dat U door uw hoge prestaties en uw doeltreffendheid met succes, mag bijdragen tot de verwezenlijking van onze ambitieuze doelstellingen.@
Het Hof stelt vast dat appellante de aan geïntimeerde verweten feiten niet bewijst.
De eerste rechter oordeelde terecht dat geïntimeerde onterecht werd ontslagen wegens dringende redenen.
x
x x
OM DEZE REDENEN,
Het Arbeidshof,
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,
Recht doende op tegenspraak,
Alle andere middelen en conclusies verwerpende,
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en ongegrond.
Bevestigt het vonnis a quo in al zijn beschikkingen.
Veroordeelt de appellante tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden als volgt begroot :
- voor de appellant :
- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep - 267,73
- voor de geïntimeerde :
- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep - 261,78
Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op zeven maart tweeduizend en drie.
Waren aanwezig :
M. VERMAELEN : Raadsheer.
R. HOEBEEK : Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, aangeduid bij bevelschrift van heden, ter vervanging van de heer P. KESSELS, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 van het Gerechtelijk Wetboek).
E. VAN DER SMISSEN: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende.
L. COEN : Eerstaanwezend adjunct-griffier.
L. COEN. M. VERMAELEN.
E. VAN DER SMISSEN. R. HOEBEEK.
ARBEIDSHOF TE BRUSSEL
&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;
ARREST
OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVEN MAART TWEEDUIZEND EN DRIE.
DERDE KAMER
Bediendecontract
Tegensprekelijk
Definitief
In de zaak :
N.V. KONICA BUSINESS MACHINES BELGIUM, met zetel te 1130 BRUSSEL, Metrologielaan nr. 10 en ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nummer 339.321;
Appellante, vertegenwoordigd door Mr. F. Lagasse, advocaat te 1050 Brussel, Bolwerksquare nr. 1/A;
Tegen :
M. L.
Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. G. Van Deyck, advocaat te 2800 Mechelen, Lakenmakersstraat nr.
42;
x
x x
Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest :
- Gelet op de stukken der rechtspleging en ondermeer het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 12e kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 1 februari 2002 (AR nr. 5058/01), alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 4 maart 2002;
- Gelet op de besluiten en de aanvullende en synthesebesluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie respectievelijk op 24 april 2002 en 4 juli 2002;
- Gelet op de besluiten en synthesebesluiten van appellante, ontvangen ter griffie respectievelijk op 25 juni 2002 en 7 oktober 2002;
- Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 7 februari 2003.
De partijen legden hun bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen.
x
x x
I. FEITEN.
De heer M. trad in dienst bij Konica op 18 augustus 1998 als hoofd van de dienst boekhouding.
Op 25 april 2000 betekende Konica hem de beëindiging van de arbeidsovereenkomst mits een opzeggingstermijn van 5 maanden ingaande op 1 mei 2000.
Op 15 mei 2000 beëindigde Konica de arbeidsovereenkomst van de heer M. wegens dringende reden.
De dringende redenen werden uiteengezet in een brief van 16 mei 2000, die luidt als volgt:
"Geachte heer,
Zoals gemeld in ons aangetekend schrijven van 15 deze, komen wij terug op uw ontslag wegens dringende reden en vermelde U hieronder de motivatie van onze beslissing.
- We merken op dat U enkel en alleen gebruik mag maken van ons informaticasysteem voor het uitoefenen van uw functie in onze maatschappij, doch stellen wij vast dat U herhaaldelijk en zeer dikwijls misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen die wij moeten kunnen stellen in een manager, door niet toelaten websites te bezoeken en meer bepaald pornografische sites. U weet nochtans dat dit laakbaar is.
- Wij hebben op 12 mei laatstleden vernomen dat U pogingen hebt ondernomen om een collega te trachten te beïnvloeden en te overtuigen haar ontslag aan te bieden; hopende zo rekening houdend met haar uitgeoefende functie, de organisatie van de Maatschappij in het nauw te drijven. Dit is onduldbaar.
- Wij vernamen ook op 12 mei 2000 dat u nog vertrouwelijke informaties ingewonnen in het raam van het uitoefenen van uw ambt, betreffende de kapitaalsverhoging van onze Maatschappij, hebt verspreid. Dit gebaar kunnen wij enkel maar verklaren door uw kwade bedoelingen, om schade aan uw werkgever te berokkenen.
- U verspreidt kwaadsprekerij betreffende onze afgevaardigd bestuurder de heer J. J. als zou hij in diskrediet gevallen zijn binnen het Europese management van Konica. Wij beschouwen dit als lasterlijk en beledigend.
- Er werd aan de Directie vermeld dat U het vals gerucht verspreid dat drie van onze technici zouden ontslagen worden. Dit is puur onzin. Zulke uitspraken scheppen enkel onnodige ongerustheid bij deze categorie van personeelsleden.
Uw houding geeft onweerlegbaar blijk van een totaal gebrek aan loyaliteit tegenover de Maatschappij. We hebben het vertrouwen in U verloren, noodzakelijk in elke werkrelatie en in het bijzonder tegenover een lid van het kaderpersoneel.
Door hun aard en de eraan verbonden gevolgen beïnvloeden deze feiten op een zodanige wijze contractuele arbeidsverhoudingen dat ze de voortzetting van iedere professionele samenwerking onmiddellijke en definitief onmogelijk te maken.
We hebben dan ook de beslissing genomen de opsomming van de herhaalde ingeroepen tekortkomingen te beschouwen als voldoende bewezen feiten om uw arbeidsovereen-komst voor bediende op staande voet te verbreken op 15 mei 2000 zonder het uitkeren van een vergoeding gelijk aan de bezoldiging voor de nog resterende vooropzeggingstermijn."
De heer M. betwist met een schrijven dd. 14 juni 2000 van zijn vakorganisatie al de door appellante aangehaalde feiten en vordert verbrekingsvergoeding gelijk aan 5 maanden loon.
Op 22 februari 2001 dagvaardt hij appellante en vordert haar veroordeling tot betaling van:
- 16.654,28 t.t.v. verbrekingsvergoeding,
- 1.198,14 t.t.v. t.t.v. pro rata eindejaarspremie,
- 179,15 t.t.v. vertrekvakantiegeld op pro rata eindejaarspremie,
meer de wettelijke intresten vanaf 15 mei 2000 en gerechtelijke intresten.
Hij vordert tevens de afgifte van de sociale documenten mist een dwangsom van _ 24,79 per dag bij niet aflevering ervan binnen de 24 uren na betekening van het tussen te komen vonnis, appellante te horen veroordelen tot de kosten van het geding en het vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad.
II. HET VONNIS A QUO.
Het vonnis a quo verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond zoals volgt:
Veroordeelt appellante tot betaling aan geïntimeerde van de volgende bedragen:
- 16.654,28 t.t.v. verbrekingsvergoeding,
- 1.198,14 t.t.v. pro rata eindejaarspremie,
- 179,15 t.t.v. vertrekvakantiegeld op pro rata eindejaarspremie,
meer de wettelijke intresten vanaf 15 mei 2000 en gerechtelijke intresten op de overeenstemmende netto bedragen.
Veroordeelt appellante tot de afgifte van de door onderhavig vonnis veroorzaakte en aangepaste sociale documenten.
Zegt dat in de huidige stand van de procedure geen reden is tot verbeurdverklaring van een dwangsom.
Veroordeelt appellante tot de kosten.
De eerste rechter oordeelt dat de door appellante aangehaalde redenen - ook alle te samen genomen - onvoldoende zijn om een dringende reden tot ontslag uit te maken.
De eerste rechter meent dat uit de computerprint en de namen van de geregistreerde websites blijkt dat geïntimeerde regelmatig surfte op het internet en pornosites bezocht. Daar hij alleen verantwoordelijk is voor zijn paswoord en Azijn@ computer is dit een tekortkoming.
Gelet echter op de bijzondere omstandigheden waarbij:
÷ appellante overigens zelf erkent dat zij sommige dossiers en fichiers behorend tot de taken van eiser geblokkeerd had - waardoor geïntimeerde meer vrije tijd kreeg,
÷ er geen enkel geschrift voorhanden is m.b.t. een gedragscode i.v.m. het gebruik van de computer van de werkgever,
÷ er geen verbod was aangetoond van het privé-gebruik van de computer,
is deze tekortkoming volgens het vonnis a quo niet voldoende ernstig om de verderzetting van de arbeidsovereenkomst onmiddellijk en definitief onmogelijk te maken.
Pogingen tot beïnvloeding van een collega om haar ontslag aan te bieden.
De rechtbank meent dat de verklaring uitgaande van B. V. o.m. tendentieus is en niet objectief.
Kritiek op de afgevaardigd bestuurder.
De rechtbank merkt op dat het ontslagschrijven zelf Akwaadsprekerij@ vermeldt zonder verdere specificaties en bijgevolg te vaag en onnauwkeurig; dat noch geïntimeerde noch de rechtbank na kunnen gaan of de aangevoerde feiten wel dezelfde zijn als deze die voor hen worden ingeroepen.
Voor zover als nodig en ten overvloede, meent de rechtbank dat niet bewezen is dat de heer M. op zijn initiatief de zinsnede Afrom hero to zero@ heeft verspreid.
De verspreiding van de informatie dat drie technici zouden worden ontslagen, en van de informatie dat een kapitaalverhoging niet zou doorgaan.
Appellante legt slechts 1 verklaring neer van de heer S. dewelke tendentieus is en niet objectief.
Appellante dient het bewijs te leveren van de dringende reden en bewijst volgens de eerste rechter niet dat geïntimeerde deze geruchten verspreidde, en noch dat hij als aanstichter de eerste was.
De heer S. zelf stelt zich de vraag in zijn verklaring m.b.t. het ontslag van A.S. en F.S.: Awie lekt deze informatie aan L.@ (= geïntimeerde).
III. DE BEROEPSGRIEVEN.
Appellante verzoekt het Hof het vonnis a quo te vernietigen en opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde af te wijzen als zijnde ongegrond en hem tot de kosten van beide aanleggen te veroordelen.
In ondergeschikte orde verzoekt appellante het Hof mevrouw B.V. op te roepen om aan het Hof alle nodige informaties te geven (en dit, onder eed), betreffende haar verklaring dd. 12 mei 2000 die luidt als volgt:
"Er is iets wat mij van het hart moet.
Regelmatig komt L. mij lastig vallen met allerlei geruchten betreffende Konica, waar ik helemaal niet mee gediend ben. Hij houdt mij op die ogenblikken van mijn werk, wat ik hoegenaamd op een behoorlijke manier wil afwerken.
Daarenboven heeft hij mij de afgelopen maanden twee maal gevraagd om, indien hij van werkgever zou veranderen, ik hem zou willen volgen. Hij heeft mij niet de namen van de bedrijven genoemd, maar wel de plaatsen:
Diest en Watermaal-Bosvoorde. Ik heb hem dan ook duidelijk gemaakt dat ik hier niet in geïnteresseerd was.
Mijn vraag is: kan u een einde maken aan deze voor mij onaangename benadering vanwege L. M. ?"
Middelen.
Appellante stelt dat de eerste rechter ten onrechte besliste dat het regelmatig bezoeken van pornosites op het Internet geen voldoende ernstige tekortkoming is om de verderzetting van de arbeidsovereenkomst onmiddellijk en definitief onmogelijk te maken, gelet op de omstandigheden dat:
÷ appellante overigens zelf erkent dat zij sommige dossiers en fichiers, die behoren tot de taken van geïntimeerde, geblokkeerd had, waardoor hij meer vrije tijd kreeg,
÷ er geen enkel geschrift voorhanden is met betrekking tot een gedragscode in verband met het gebruik van de computer van de werkgever,
÷ er geen verbod was aangetoond van het privé gebruik van de computer.
Appellante stelt dat zij slechts de toegang van de heer M. tot sommige sensibele dossiers blokkeerde doch dat dit zijn werklast niet beperkte.
Verder dat de ontstentenis van een gedragscode i.v.m. het gebruik van de computer van de werkgever niet tot gevolg heeft dat elk (eventueel abusief misbruik enz...) gebruik van de computer aanvaardbaar is.
De begrippen Aopenbare orde@, Agoede zeden@, sierlijk gedrag@ en Amoraliteit@ zijn in het professionele leven van toepassing en dit zelfs indien zij geen vaste en beperkte inhoud hebben. Een officiële (eventueel in het arbeidsreglement bevat) schriftelijke bevestiging van dit elementair principe is niet nodig. Een kaderlid moet voor zijn collega=s een voorbeeld zijn. Indien een kaderlid deze elementaire beginselen schendt dient zijn gedrag als een dringende ontslagreden beschouwd te worden.
De (té tolerante) beoordeling van de eerste rechter faalt volgens appellante naar feite zowel als naar rechte.
Over de pogingen om een collega te beïnvloeden om haar ontslag aan te bieden.
Appellante stelt dat de eerste rechter ten onrechte heeft beslist dat zelfs al zou dit bewezen zijn, dan is het tweemaal stellen van dergelijke vragen door een kaderlid geen dringende reden. Een kaderlid moet voor zijn collega=s een voorbeeld zijn (AH Antwerpen 26.1.1981, RW 1982-1983, 1991; AH Bergen 17.1.1989, JTT 1989, 285; Arbrb. Brussel 15.2.1994, AJT 1994-1995, 1785; AH Antwerpen 8.4.1992, RW 1992-1993, 439).
Over de verspreiding van vertrouwelijke informatie i.v.m. een kapitaalverhoging van de onderneming, alsook van het ontslag van twee werknemers.
Appellante stelt dat de heer M. als kaderlid is gehouden tot een discretie- en geheimhoudingsplicht en de niet-naleving van deze plicht kan (zoals in casu) een dringende reden uitmaken.
Het verspreiden (zelfs indien de betrokkene niet de stichter van deze geruchten is) van deze geruchten is een dringende reden.
Over de kritiek op de afgevaardigd-bestuurder.
Appellante stelt dat de eerste rechter ten onrechte besliste (a) dat deze ontslagreden niet bewezen is en (b) dat het ontslagschrijven te vaag is om ter staving van een ontslag wegens dringende reden ingeroepen te kunnen worden.
Het attest van de heer S. is klaar en duidelijk. Appellante ziet niet in welke mate dit attest tendentieus zou zijn.
De ontslagbrief is niet te vaag. De relevante zin luidt als volgt: AU verspreidt kwaadsprekerij betreffende onze afgevaardigd bestuurder, de heer J. J. als zou hij in diskrediet zijn gevallen binnen het Europese management van Konica@.
Dit is volgens appellante duidelijk genoeg. De heer M. , die deze kwaadsprekerij verspreidde, was er perfect van op de hoogte.
IV. STANDPUNT VAN GEÏNTIMEERDE.
Geïntimeerde verzoekt het Hof het hoger beroep als ongegrond af te wijzen en appellante tot de kosten ervan te veroordelen. Hij verzoekt om bevestiging van het vonnis a quo in zijn beschikkende bestanddelen, doch is het oneens met de motivering van de eerste rechter waar deze stelt dat appellante bewijst dat hij regelmatig pornosites op het Internet zou hebben bezocht.
Hij stelt dat appellante dit feit niet bewijst aan de hand van eenzijdig door haar opgestelde outprints die perfect door haar kunnen gemanipuleerd zijn en derhalve geen bewijskracht hebben.
x
x x
V. BEOORDELING VAN HET HOF.
Overwegende dat het hoger beroep naar vorm en tijd ontvankelijk voorkomt, wat overigens niet wordt betwist.
Overwegende dat de partij die een dringende reden inroept hiervan het bewijs dient te leveren (artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet). De ernst van het ontslag om dringende reden vereist een vaststaand bewijs van de feiten die de werknemer ten laste worden gelegd (AH Bergen 16.5.1991, Bull. VBO 1992, afl.
2, 78). Het bewijs van de aangevoerde feiten kan worden geleverd met alle wettelijke middelen (Cass. 13.10.1986, RW 86-87, 1711).
1. Over het eerste aan geïntimeerde verweten feit.
Overwegende dat appellante ten bewijze van het door haar aangevoerde feit nl. het regelmatig bezoeken tijdens de werkuren en met de PC van de werkgever door geïntimeerde van websites zonder enig professioneel karakter en meer bepaald pornografische sites een afdruk neerlegt van een computerverslag (stuk 9).
Geïntimeerde stelt terecht dat dit stuk 9 louter eenzijdig werd opgesteld door appellante, niet in het bijzijn van getuigen noch van een gerechtsdeurwaarder, noch van geïntimeerde.
Overwegende dat geïntimeerde terecht opmerkt dat het gebruik van een computerverslag manipuleerbaar is omdat het theoretisch mogelijk is dat een derde die zich toegang verschafte tot zijn PC deze computer kan antidateren, een fictief uur inbrengen, vervolgens bepaalde websites op internet bezoeken en vervolgens een verslag afdrukken...
Overwegende dat de verantwoordelijke van appelantes informaticadienst overigens zelf verklaart (stuk 11) dat deze dienst inderdaad het passwoord van de gebruiker op elk moment kan annuleren en een nieuw passwoord invoeren (om begrijpelijke organisatorische redenen).
Het Hof stelt vast dat het stuk 9 (computerverslag) van appellante een EENZIJDIG geschrift is door appellante opgesteld in afwezigheid van objectieve getuigen of van een gerechtsdeurwaarder of van geïntimeerde.
Dit eenzijdig door appellante opgesteld geschrift is geen voldoende bewijs van het aan geïntimeerde verweten feit dat hij herhaaldelijk tijdens de werkuren pornosites en andere niet professionele websites zou hebben bezocht via het Internet met de PC van zijn werkgever.
Het eerste aan geïntimeerde ten laste gelegde feit wordt door appellante niet bewezen.
Volledigheidshalve merkt het Hof op dat appellante ook in de huidige stand van het geding niet bewijst dat er binnen haar onderneming een verbod geldt van privé-gebruik van de PC=s door de werknemers, noch dat zij een gedragscode had opgesteld ten behoeve van de werknemers voor het gebruik van PC en Internet.
2. De poging om een collega te beïnvloeden haar ontslag aan te bieden, verspreiding van vertrouwelijke informatie, kritiek op de afgevaardigde bestuurder (kwaadsprekerij).
Gezien appellantes stuk 8 (verklaring dd. 12 mei 2000 van mevrouw B. V., werkneemster van appellante);
Gezien eveneens appellantes stuk 7 (verklaring dd. 12 mei 2000 van de heer E. S., werknemer van appellante);
Aan de hand van de samenlezing van deze beide stukken stelt het Hof vast dat twee collega=s van geïntimeerde OP DEZELFDE DAG, nl. op 12 mei 2000, bij appellante (de ene bij de algemeen bestuurder, de andere bij de financiële directeur) schriftelijk hun beklag uiten over Abenaderingen@ door geïntimeerde, waarbij tevens opvalt dat mevrouw B. V. op 12 mei 2000 gewag maakt van feiten die zouden dateren van Ade afgelopen maanden@.
Overwegende dat het Hof de mening deelt van de eerste rechter, waar deze oordeelde dat deze schriftelijke verklaringen van twee werknemers van appellante de nodige objectiviteit missen.
Het feit dat plots, op dezelfde dag twee werknemers schriftelijk bij appellante komen klagen over geïntimeerde met op het einde van hun brieven de bijna identieke vraag aan de werkgever of Ahij de nodige maatregelen kan treffen opdat zij iet meer zouden benaderd worden door (geruchten van) geïntimeerde@ ontneemt deze verklaringen hun onafhankelijkheid, hun objectiviteit en derhalve hun geloofwaardigheid.
Het Hof merkt op dat appellante behoudens twee schriftelijke verklaringen dd. 12 mei 2000 geen andere stukken neerlegt ten bewijze van de door haar aangevoerde feiten bv. ook geen vroegere ingebrekestellingen of vermaningen die zij aan geïntimeerde zou hebben gemaakt i.v.m. zijn gedrag.
Wel integendeel blijkt uit geïntimeerdes stuk 2 dat appellante hem op 25 februari 2000 schriftelijk feliciteerde Avoor de inspanningen die U leverde bij het uitoefenen van werkzaamheden die U werden toevertrouwd in onze firma in volle ontwikkeling.
Het verheugt ons er de nadruk te mogen op vestigen dat uw overste hiërarchie, met reden uw bekwame en geprezen samenwerking op prijs stelt, waarvoor onze oprechte felicitaties.
Konica rekent verder op U, dat U in uw toegewezen rol, in de functie die U bekleedt, een bron van dynamisme van opgewektheid en vooruitgang mag zijn dat U door uw hoge prestaties en uw doeltreffendheid met succes, mag bijdragen tot de verwezenlijking van onze ambitieuze doelstellingen.@
Het Hof stelt vast dat appellante de aan geïntimeerde verweten feiten niet bewijst.
De eerste rechter oordeelde terecht dat geïntimeerde onterecht werd ontslagen wegens dringende redenen.
x
x x
OM DEZE REDENEN,
Het Arbeidshof,
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,
Recht doende op tegenspraak,
Alle andere middelen en conclusies verwerpende,
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en ongegrond.
Bevestigt het vonnis a quo in al zijn beschikkingen.
Veroordeelt de appellante tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden als volgt begroot :
- voor de appellant :
- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep - 267,73
- voor de geïntimeerde :
- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep - 261,78
Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op zeven maart tweeduizend en drie.
Waren aanwezig :
M. VERMAELEN : Raadsheer.
R. HOEBEEK : Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, aangeduid bij bevelschrift van heden, ter vervanging van de heer P. KESSELS, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 van het Gerechtelijk Wetboek).
E. VAN DER SMISSEN: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende.
L. COEN : Eerstaanwezend adjunct-griffier.
L. COEN. M. VERMAELEN.
E. VAN DER SMISSEN. R. HOEBEEK.