Hof van Beroep: Arrest van 15 December 2009 (Brussel). RG 2007AR2594

Date :
15-12-2009
Langue :
Néerlandais
Taille :
3 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20091215-4
Numéro de rôle :
2007AR2594

Résumé :

I. Van een zorgvuldige bankbediende mag in de gegeven omstandigheden eigen aan de casus geëist worden dat hij maatregelen neemt om meer zekerheid te hebben dat het gevraagde bedrag wel aan de juiste persoon uitgekeerd wordt. II. De benadeligde van de diegstal van zijn portefeuille met de bankkaart en identiteitskaart erin heeft echter eveneens fouten begaan waarvoor hij aansprakelijk moet gesteld worden. Hij liet zijn sporttas onbeheerd achter in de kleedkamer van het sportcentrum. Feit is dat appellant zijn sportzak niet in het oog hield zoniet had de diefstal onmogelijk kunnen plaatsvinden.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2009/

A.R. nr. 2007/AR/2594

INZAKE VAN :

De heer G. F.,

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 23 mei 2007,

vertegenwoordigd door Meester Ilse HAECK loco Meester Paul COX, advocaat te 3600 GENK, Europalaan 50 bus 2,

1ste kamer

TEGEN :

De naamloze vennootschap DEXIA BANK BELGIË, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Pachecolaan 44,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Stephanie AUDOORE loco Meester Ines NAUDTS, advocaat te 1731 ZELLIK, Noorderlaan 30,

Gelet op de procedurestukken:

· het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 23 mei 2007, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

· het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 18 september 2007;

· de conclusie van appellant neergelegd ter griffie op 19 februari 2008;

· de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 19 maart 2008.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 9 november 2009 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellant strekte ertoe geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 5.000 euro , in conclusie herleid tot 2.750 euro , plus de vergoedende en de gerechtelijke intresten.

Geïntimeerde stelde een tegeneis in en vroeg de terugbetaling van het bedrag van 2.250 euro plus de gerechtelijke intresten vanaf 9 november 2005.

1.2. De eerste rechter heeft de beide vorderingen ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

1.3. Het hoger beroep van appellant beoogt de toekenning te horen bekomen van zijn oorspronkelijke vordering.

1.4. Bij incidenteel beroep vordert geïntimeerde de toekenning van zijn oorspronkelijke tegenvordering.

II. De Feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat op 8 juli 2003 de portefeuille van appellant gestolen werd in Hasselt.

In die portefeuille stak o.a. ook zijn bankkaart.

Op 9 juli liet appellant zijn kredietkaart blokkeren. Deze kredietkaart was gekoppeld aan zijn zichtrekening.

Op 10 juli 2003 werd in een filiaal van geïntimeerde een bedrag van 4.500 euro in speciën afgehaald van de spaarrekening van appellant.

Op 13 augustus 2003 betaalde geïntimeerde hiervan een bedrag van 2.250 euro terug "uit commerciële overwegingen".

III. Bespreking :

3.1. Appellant verwijt geïntimeerde grove fouten te hebben begaan waaronder een onzorgvuldige controle - door haar loketbediende - dewelke bestaat uit het controleren van de foto en de handtekening op de identiteitskaart.

De dief beschikte over de identiteitskaart van appellant met diens foto erop alsmede over zijn bankkaart. Een nagenoeg perfecte nabootsing van de handtekening was derhalve niet moeilijk zeker wanneer het om professionelen gaat.

Wanneer de foto's bekeken worden die van de dief zijn gemaakt en deze vergelijken met de foto's van appellant zelf valt op dat het gaat om twee personen met dezelfde fysionomie en voorkomen zodat de loketbediende bij nazicht van de foto op de identiteitskaart perfect kon geloven dat de man die voor haar stond dezelfde was als deze van de identiteitskaart.

Van een loketbediende kan immers niet verwacht worden dat hij aan elke identiteitskaart een diepgaand onderzoek wijdt qua uiterlijk.

Bovendien moeten foto's op een identiteitskaart jaren mee terwijl de houder ervan in die jaren ook kan veranderen.

Wanneer echter de handtekeningen vergeleken worden, voorkomende enerzijds op de identiteitskaart en vermoedelijk ook op de bankkaart, en anderzijds onder het kwijtingsbewijs van 10 juli 2003, valt op dat de handtekening die voorkomt op dit laatste document hoegenaamd niet lijkt op deze geplaatst op het identiteitsbewijs.

Bovendien kwam een voor de loketbediende totaal onbekende persoon, woonachtig in Hasselt, in een filiaal, gelegen in de Pachecolaan te Brussel, een toch niet gering bedrag afhalen van een spaarrekening - in speciën dan nog - wat toch omstandigheden zijn die een grotere aandacht en voorzorg vereisen vanwege de bediende in kwestie.

Van een zorgvuldige bankbediende mag in de gegeven omstandigheden geëist worden dat hij maatregelen neemt om meer zekerheid te hebben dat het gevraagde bedrag wel aan de juiste persoon uitgekeerd wordt. Nergens blijkt uit dat de bankbediende contact opnam met de eigen bankinstelling van appellant of minstens deze op zich verdachte handelingen meldde. Het feit dat op één van de gemaakte videobanden twee bankbedienden te zien zijn, kan om allerhande redenen zijn maar bewijst niet dat de bankbediende in kwestie de nodige voorzorgsmaatregelen genomen heeft.

Het personeel van appellante heeft bijgevolg fouten begaan bij het uitvoeren van de gevraagde verrichting en hiervoor dient appellante dan ook aansprakelijk gesteld te worden.

3.2. Appellant heeft echter eveneens fouten begaan waarvoor hij aansprakelijk moet gesteld worden.

Appellant liet blijkbaar zijn sporttas onbeheerd achter in de kleedkamer van het sportcentrum Olympia te Kuringen. In deze sportzak zat én zijn identiteitskaart én zijn bankkaart.

Of appellant al dan niet zelf aanwezig was in die kleedkamer doet niets ter zake. Feit is dat appellant zijn sportzak niet in het oog hield zoniet had de diefstal onmogelijk kunnen plaatsvinden.

Appellant heeft verder zijn eigen bankkantoor eerst op 12 juli 2003 verwittigd - terwijl de diefstal plaatsvond op 8 juli 2003 - dat o.a. zijn identiteitskaart en zijn bankkaart gestolen waren. Van een voorzichtige persoon mag verwacht worden dat hij onmiddellijk zijn eigen bankkantoor op de hoogte brengt van verwikkelingen zodat zij dan in staat is om verdere voorzorgsmaatregelen te nemen in het belang van de cliënt.

Het feit dat appellant in de waan verkeerde dat door de blokkering van zijn bankkaart door aangifte van de diefstal bij Cardstop geen gelden meer konden worden afgehaald van zijn zicht - én spaarrekening doet niets ter zake. Eén en ander legt overigens niet uit waarom hij op 12 juli 2003 zijn bankkantoor plots wel inlichtte.

3.3. Appellant beroept zich ten onrechte op de bepalingen betreffende de bewaargeving teneinde terugbetaling te bekomen van het volledig door geïntimeerde uitgekeerde bedrag.

Op welk een wijze een zichtrekening ook moge gekwalificeerd worden, staat in deze vast dat geïntimeerde tot uitbetaling is overgegaan gezien zij meende dat de uitbetaling geschiedde aan diegene die eigenaar was van de fondsen.

3.4. De schade is derhalve ontstaan ingevolge de samenlopende fouten begaan door zowel appellant als geïntimeerde.

Beide fouten hebben op gelijke wijze bijgedragen tot de schade.

Geïntimeerde betaalde op 13 augustus 2003 een bedrag terug van 2.250 euro , zijnde de helft van het bedrag van 4.500 euro dat van de spaarrekening werd afgehaald.

De oorspronkelijke tegenvordering van geïntimeerde tot terugbetaling van dit bedrag is ongegrond gelet op wat hier voren uiteengezet werd.

Appellant vordert ten onrechte bijkomend de uitbetaling van de overige helft van wat gestolen werd ( = 2.250 euro ). Ingevolge zijn eigen fouten dient hij zelf in te staan voor dit bedrag.

Appellant vraagt bijkomend ook nog een schadevergoeding van 500 euro voor de kosten gepaard gaande met het liquideren van de oude rekeningen en het openen van nieuwe rekeningen alsmede voor de kosten voor het aanvragen van nieuwe bank - en betaalkaarden.

Deze kosten vinden hun oorsprong enkel en alleen in de diefstal zelf en staan niet in oorzakelijk verband met de fouten begaan door geïntimeerde. Zonder de fouten begaan door geïntimeerde had appellant deze kosten ook moeten maken.

De oorspronkelijke hoofdeis is derhalve eveneens ongegrond.

3.5. Het bestreden vonnis wordt bijgevolg bevestigd weliswaar op grond van andere motieven.

Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet ter zake dienend in het licht van wat voorafgaat.

3.6. Beide partijen hebben ter zitting van 9 november om de toepassing gevraagd van het basistarief wat de rechtsplegingsvergoeding betreft.

Zij hebben deze begroot op 650 euro .

Gezien zowel de hoofdberoep als het incidenteel beroep afgewezen worden en bijgevolg zowel de hoofdeis als de tegeneis ongegrond worden verklaard, worden de gerechtskosten in hoger beroep omgeslagen.

OM DEZE REDENEN :

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep beiden ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis weliswaar op grond van andere motieven.

Slaat de gerechtskosten in hoger beroep om, in hun geheel begroot

- in hoofde van appellant op euro 836 ( 186 rolrecht + 650 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerde op euro 650 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 15/12/2009

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS A. DE PREESTER