Hof van Beroep: Arrest van 23 Februari 2000 (Brussel). RG 98AR68

Date :
23-02-2000
Langue :
Néerlandais
Taille :
6 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20000223-9
Numéro de rôle :
98AR68

Résumé :

I. Iedere normaal voorzichtige en redelijke notaris zou, in dezelfde feitelijke omstandigheden geplaatst, zich niet vergist hebben nopens de juridische draagwijdte van de opgezette ‘constructie', bestaande in tegenbrieven bij de overeenkomsten voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming. II. De miskenning van de algemene zorgvuldigheidsnorm kan slechts als een fout in aanmerking komen als vaststaat dat de schade, als gevolg van deze miskenning, voorzienbaar was. Begroting ex aequo et bono van de financiële en van de morele schade.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2000/

A.R. nr. 1998/AR/68

Buitencontractuele aansprakelijkheid notaris - Informatieplicht - Ongeldige tegenbrief in het kader van een echtscheiding door onderlinge toestemming - Begroting schade

INZAKE VAN :

Mevrouw VDB M., wonende te

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 18 november 1997,

vertegenwoordigd door Meester Jozef DE MEY, advocaat te 1800 VILVOORDE, Heldenplein 18,

1ste kamer

TEGEN :

De heer D. P., ere-notaris,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Gilbert PUTTEMANS, advocaat te 1800 VILVOORDE, Stationlei 15,

Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder het afschrift van een vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 18 november 1997, waarvan geen exploot van betekening wordt voorgelegd en waartegen tijdig een regelmatig hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd door mevrouw VDB ter griffie van het hof op 9 januari 1998;

Nopens de rechtspleging in eerste aanleg

Overwegende dat mevrouw VDB voor de eerste rechter een vordering instelde op 4 maart 1993 er toe strekkende erenotaris D. te horen veroordelen tot het betalen van 1.622.500,-BEF, te vermeerderen met wettelijke interesten vanaf 14 januari 1982, wegens een beweerde beroepsfout in hoofde van erenotaris D. (zie conclusies neergelegd op 7 maart 1994);

Overwegende dat de eerste rechter bij tussenvonnis van 5 september 1995 ( ), waartegen geen expliciet hoger beroep wordt ingesteld, als volgt besliste :

"Verklaart voor recht dat (erenotaris D.) bij het verlijden van de akte van 14 februari 1982 waarvan hij wist dat de door hem geakteerde verklaringen van de partijen vals waren, een beroepsfout begaan heeft en dat hij aansprakelijk is voor de eventuele schade welke (mevrouw VDB) hierdoor geleden heeft.",

en vervolgens de zaak uitstelde op verzoek van de partijen om hen toe te laten nader te concluderen over de schade en het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade;

Overwegende dat mevrouw VDB haar schade vervolgens als volgt begrootte (conclusies neergelegd op 1 april 1996) :

hoofdsom interesten vanaf

betaald onderhoudsgeld 50.000,-BEF 01.10.1984

103.039,-BEF 01.06.1985

74.457,-BEF 01.07.1986

47.529,-BEF 01.07.1987

48.352,-BEF 01.07.1988

49.312,-BEF 01.07.1989

51.188,-BEF 01.07.1990

52.590,-BEF 01.07.1991

54.399,-BEF 01.07.1992

55.236,-BEF 01.07.1993

37.920,-BEF 01.05.1994

624.022,-BEF

onnodige kosten 150.000,-BEF 12.12.1985

morele schade 100.000,-BEF 12.12.1985

874.022,-BEF

Overwegende dat de eerste rechter erenotaris D. veroordeelde tot het betalen van een som van 45.000,-BEF ten titel van morele schadevergoeding, te vermeerderen met vergoedende interesten vanaf 12 december 1985;

Nopens de rechtspleging in hoger beroep

Overwegende dat mevrouw VDB bij wege van haar hoger beroep tegen het vonnis waarin de schade werd begroot, haar laatst in eerste aanleg gestelde vordering volledig herneemt, en zelfs in hoofdorde opnieuw het bedrag vordert dat zij aanvankelijk eiste, te weten 1.622.500,-BEF, wat de helft is van de waarde van het onroerend goed dat als compensatie was voorzien voor het onderhoudsgeld;

Overwegende dat erenotaris D. incidenteel beroep aantekent er toe strekkende te horen stellen dat hij niets verschuldigd is aan mevrouw VDB en derhalve het vonnis a quo te horen hervormen, minstens, in de mate dat het Hof bij onmogelijkheid toch zou menen dat hij een beroepsfout heeft gepleegd, hoogstens het vonnis a quo te bevestigen; dat hij in zijn beroepsconclusies voorhoudt niet te kort te zijn gekomen aan zijn adviseringsplicht;

Dat erenotaris D. bijgevolg impliciet, maar zeker, ook incidenteel beroep instelt tegen het vonnis van 5 september 1995, omstandigheid waarover het Hof de partijen heeft ingelicht ter zitting van 14 februari 2000 en waaromtrent zij hun standpunt hebben kunnen kenbaar maken;

Nopens de feiten

Overwegende dat de relevante feiten nuttig voor de beoordeling van de zaak, zoals zij uit de stukken en uit de conclusies van partijen blijken, als volgt kunnen worden samengevat:

Mevrouw M. VDB (hierna afgekort tot ‘mevrouw VDB') was destijds gehuwd met de heer Chr. C. Uit het huwelijk werd een kind geboren op 17 maart 1972.

Na 10 jaar huwelijk beslisten de echtgenoten C-VDB om uit de echt te scheiden door onderlinge toestemming en zij raadpleegden hiertoe samen en rechtstreeks notaris D. (hierna afgekort tot ‘notaris D'), die overeenkomstig hun wil een voorafgaandelijke overeenkomst en een regelingsakte opstelde, waarbij onder meer werd overeengekomen dat het woonhuis van de echtgenoten, waarin de heer C verder zou verblijven samen met het kind, voor het geheel in volle eigendom zou toekomen aan de heer C zonder opleg van zijnentwege, maar mits verdere afbetaling, door hem alleen, van de hypothecaire lening. Verder kwamen de echtgenoten eveneens overeen dat ze aan mekaar geen persoonlijk onderhoudsgeld zouden verschuldigd zijn en dat "voor het overige mevrouw VDB aan de heer C geen bijdrage zal moeten betalen tot de kosten, onderhoud en opvoeding van het minderjarig kind".

Op 23 november 1981 werden de nodige stukken neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Ingevolge de opmerkingen geformuleerd door de Procureur des Konings stelde notaris D op 5 januari 1982 een bijkomende akte van voorafgaandelijke overeenkomst aan de echtscheiding door onderlinge toestemming op waarin het volgende werd overeengekomen: "Mevrouw VDB zal aan de heer C een maandelijkse (geïndexeerde) bijdrage moeten betalen tot de kosten, onderhoud en opvoeding van het minderjarig kind, ten bedrage van ...".

Op 14 januari 1982 gingen de echtgenoten over tot de ondertekening van deze bijkomende akte, waarbij het maandelijks onderhoudsgeld voor het kind bepaald werd op 3000,-BEF. Gelijktijdig stelde notaris D evenwel ook een andere overeenkomst op, die hij de titel ‘Bijvoeglijke Overeenkomst' meegaf en die hij liet onderteken door de echtgenoten. Deze overeenkomst luidt als volgt:

"Tussen ondergetekenden (de heer C en mevrouw VDB) is er verwezen naar de overeenkomsten van echtscheiding door onderlinge toestemming dd. 11.8.81 en 14.1.82 en overeengekomen:

Dat hoewel in deze aangehaalde overeenkomsten voorzien is dat mevrouw VDB onderhoudsgeld zou betalen voor hun kind (..) de heer C zich op zijn eer verbindt daar zelf voor te zorgen, daar integraal voor in te staan, zodat dus mevrouw VDB daarover nooit kan verontrust worden. Moest mevrouw VDB toch verplicht worden tot betaling dan moet dit haar vergoed worden door de heer C of zijn erfgerechtigde als compensatie voor het feit dat zij zonder enige vergoeding het gemeenschappelijke goed afstond te Grimbergen (...) juist onder uitdrukkelijk voorbehoud dat zij dan geen onderhoudsgeld voor het kind zou dienen te betalen.

Gedaan in drievoud op 14 januari 1982"

Op 24 januari 1983 werd de echtscheiding tussen de echtgenoten overgeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand.

Op 4 maart 1983, dit is kort daarna, maande de raadsman van de heer C mevrouw VDB aan tot het betalen van de onderhoudsgelden voor het kind vanaf februari 1982.

Mevrouw VDB wendde zich hierop tot notaris D, die met een schrijven van 10 maart 1983 aan deze raadsman antwoordde verwonderd te zijn over diens brief als volgt : "Waarschijnlijk is de heer C vergeten welk akkoord er onder hen getekend werd. Hierbij daarvan fotokopij. Ik aanzie de kwestie dan ook als gedaan."

De heer C ging toch tot uitvoering over van de notariële akte.

Met een schrijven van 12 december 1985 lichtte de raadsman van mevrouw VDB notaris D in dat de heer C was overgegaan tot uitvoerend beslag op loon en roerende goederen. Hij plaatste de notaris voor zijn verantwoordelijkheid indien geen minnelijke regeling zou tussenkomen.

Op 9 februari 1987 dagvaardde mevrouw VDB zowel de heer C als notaris D voor de Vrederechter van Vilvoorde ten einde te horen zeggen voor recht dat geen onderhoudsgelden voor het kind verschuldigd waren met toepassing van de bijkomende overeenkomst van 14 januari 1982 en ten einde het tussen te komen vonnis tegenstelbaar te horen verklaren aan notaris D.

Nadat de Vrederechter de zaak had verwezen naar de Arrondissemenstrechtbank en nadat deze de zaak verwees naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, verklaarde de rechtbank de vordering ongegrond, wegens nietigheid van de tegenbrief van 14 januari 1982, en verklaarde zij haar beslissing gemeen en tegenstelbaar aan notaris D, die de plicht had partijen juridisch raad te geven, ‘omdat diens verantwoordelijkheid in het gedrang zou kunnen worden gebracht'. Tegen dit vonnis werd geen hoger beroep ingesteld.

Nopens het recht

De fout gepleegd door de notaris

Overwegende dat naar luid van de artikelen 1382 en 1383 B.W. elke daad, elke nalatigheid of elke onvoorzichtigheid van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, degene door wiens schuld de schade is ontstaan, verplicht die te vergoeden;

Overwegende dat notaris D bevestigt dat de echtgenoten overeengekomen waren dat in ruil voor de afstand van het aandeel van mevrouw VDB in de echtelijke woning, de heer C zou afzien betaling van onderhoudsgeld voor het kind te vorderen;

Overwegende dat op notaris D, die door de echtgenoten C-VDB aangesproken en belast werd met het opstellen van alle nodige akten voorafgaand aan hun echtscheiding door onderlinge toestemming en het inleiden van de procedure, de plicht rustte om een overeenkomst op te stellen die de wil van de contractanten weergaf in zover deze geen schending van enige bepaling van openbare orde meebracht; dat het aan de notaris, als professioneel, toekwam de echtgenoten, die in casu een beperkte vorming hebben genoten, juist in te lichten over de draagwijdte van de juridische gevolgen van de overeenkomsten die hij voor hen opstelde;

Overwegende dat overeenkomstig de rechtsleer en rechtspraak, die op het ogenblik van de tussenkomst van notaris D heerste (en nog steeds op heden), er geen bezwaar bestond dat de ouder aan wie het bestuur over het kind is toevertrouwd, zich verbond om in grote mate, of zelfs alleen, de financiële lasten van de opvoeding en onderhoud te dragen ( ); dat, in casu, het de bedoeling was dat aan de heer C een deel van een onroerend goed werd toebedeeld als onderhoudsbijdrage voor het kind; dat niets een dergelijke regeling in de weg stond ( ); dat een dergelijke regeling alleen geen definitief karakter heeft en de ouder die niet bijdraagt niet vrijstelt van zijn verplichtingen vervat in art. 203 B.W., dat van openbare orde is ( ); dat het Hof van Cassatie een duidelijk onderscheid maakt tussen de onderhoudsverplichting op zichzelf, waaraan niet kan worden getornd, en de wijze waarop deze verplichting wordt uitgevoerd door de onderhoudsbijdrage, de contributio ( );

Overwegende dat, om tegemoet te komen aan de opmerkingen van de Procureur des Konings, het bijgevolg had volstaan dat de overeenkomst duidelijk vermeldde waarin de bijdrage van mevrouw VDB bestond, namelijk de afstand van een deel van een onroerend goed en, eventueel, de bijdragen in natura tijdens de uitoefening van het bezoekrecht ( ); dat er desgevallend kon aan toevoegend worden dat de overeenkomst geen opheffing inhield of kon inhouden van de onderhoudsverplichting, de obligatio, van mevrouw VDB ( );

Overwegende dat notaris D evenwel geen oplossing voorstelde in de hierboven aangegeven zin, desgevallend na samenspraak met de Procureur des Konings, maar opteerde voor een oplossing die grote risico's inhield voor de naleving ervan;

Dat er immers bij de ondertekening van de notariële akte van 14 januari 1982 en de onderhandse tegenbrief van dezelfde datum, geen twijfel kon over bestaan dat deze tegenbrief ongeldig was en geen rechtsgevolgen kon teweegbrengen wegens schending van de procedure ( ); dat notaris D daar overigens volledig van op de hoogte was, aangezien hij de hypothese dat mevrouw VDB toch zou verplicht worden de in de notariële akte bepaalde onderhoudsbijdrage te betalen uitdrukkelijk in de tegenbrief liet opnemen;

Dat hij echter, ten onrechte, van mening was dat het beding volgens hetwelk mevrouw VDB in zulkdanig geval diende vergoed te worden door de heer C of zijn erfgerechtigden als compensatie voor het feit dat zij zonder enige vergoeding het gemeenschappelijke huis afstond, geldig was; dat ook deze afspraak een schending inhoudt van de procedure bepaald in de artikelen 1287 en 1288 Ger. W. en dat aldus de controle door de rechter wordt omzeild (art. 1291 Ger. W.), wat meebrengt dat ook dit tegenbeding geen uitwerking kan hebben; dat, overigens, een dergelijk beding noodzakelijk tot doel heeft de aanspraak van de heer C op onderhoud ten behoeve van het kind te neutraliseren of te verhinderen, wat betekent dat het indruist tegen het artikel 203 B.W., dat van openbare orde is; dat notaris dan ook ten onrechte betoogt dat mevrouw VDB over een vorderingsrecht tot schadevergoeding beschikt tegen de heer C;

Overwegende dat notaris D zich bijgevolg vergist heeft nopens de juridische gevolgen van zijn raadgeving en van de oplossing die hij voorstond;

Dat het Hof hier zelfs niet in beschouwing neemt het feit dat hij bijstand verleend heeft bij een akte, waarvan hij wist dat deze niet beantwoordde aan de wilsovereenstemming van de echtgenoten;

Overwegende dat iedere normaal voorzichtige en redelijke notaris, in dezelfde feitelijke omstandigheden geplaatst, zich niet zou vergist hebben nopens de juridische draagwijdte van de opgezette ‘constructie';

Overwegende dat de miskenning van de algemene zorgvuldigheidsnorm slechts als een fout in aanmerking komt als vaststaat dat de schade, als gevolg van deze miskenning, voorzienbaar was ( );

Dat het op het ogenblik van de ondertekening van de akten voorzienbaar was dat mevrouw VDB het risico liep dat de heer C toch betaling van de onderhoudsgelden zou eisen, wat zijn recht was, waardoor de oorzaak van de toebedeling, voor het geheel, van de woning aan de heer C zou verdwijnen; dat mevrouw VDB zonder twijfel niet akkoord zou zijn gegaan met de voorgestelde regeling van toebedeling, indien zij juist ware ingelicht geweest;

Dat de echtgenoten gehuwd waren onder het wettelijk stelsel van gemeenschap van goederen ingevolge huwelijkscontract verleden voor notaris D; dat mevrouw VDB bijgevolg in principe aanspraak kon maken op de helft van de gemeenschap, waaronder de woning; dat zij, in het kader van de afspraak tussen de echtgenoten over de onderhoudsgelden voor het kind, afstand deed van een gedeelte van haar rechten in de gemeenschap; dat deze afspraak echter ondeskundig in geschrift werd gezet op advies van notaris D;

Dat de schade die werd veroorzaakt door de fout van notaris D voorzienbaar was;

De schade veroorzaakt door de gepleegde fout

Overwegende dat mevrouw VDB in hoofdorde de door haar geleden schade "ex aequo et bono" raamt op de helft van de in de overeenkomst bepaalde waarde van het gemeenschappelijke onroerend goed, te weten (3.245.000 / 2 =) 1.622.500,-BEF;

Dat deze raming evenwel niet volledig opgaat vermits daarnaast de heer C er zich toe verbond in te staan voor de verdere afbetalingen van de hypothecaire lening die op 15 maart 1977 werd aangegaan voor de bouw van de gemeenschappelijke woning; dat de grond werd aangekocht op 30 september 1975;

Overwegende dat het moeilijk, zoniet onmogelijk is uit te maken welke de becijferde toegift van mevrouw VDB was; dat immers de bedingen van de overeenkomst, die in casu een dadingsovereenkomst uitmaakt, met elkaar verbonden zijn door de toestemming van de contractanten; dat dergelijke overeenkomsten complex zijn en dat niet uit te maken valt welke bedingen voor de éne of de andere partij hebben doorgewogen; dat immers de partijen vrij zijn de dading te treffen die ze wensen; dat naast materiële overwegingen ook emotionele overwegingen een rol kunnen spelen bij het streven naar een wilsovereensteming;

Overwegende dat echter vaststaat dat mevrouw VDB niet akkoord zou zijn gegaan met de voorgestelde regeling van toebedeling, indien zij juist ware ingelicht geweest; dat zij bijgevolg, door de fout van de notaris en in het licht van wat nadien is gevolgd, niet geprobeerd heeft om enige opleg te bekomen van de heer C tot vergoeding van haar aandeel in het onroerend goed; dat deze gemiste kans op een redelijke vergoeding voor haar aandeel ex aequo et bono dient vergoed;

Overwegende dat de onderhoudsgelden die mevrouw VDB diende te betalen geen schade uitmaken aangezien zij berusten op een wettelijke verplichting;

Overwegende dat de uitvoeringskosten en de kosten van de procedure met betrekking tot het al dan niet verschuldigd zijn van de onderhoudsgelden niet het gevolg zijn van de fout van de notaris, maar voortspruiten uit het feit dat mevrouw VDB, ten onrechte, dacht dat de ‘bijvoeglijke overeenkomst' van 14 januari 1982 rechtsgeldig werd gesloten; dat, zoals hierboven reeds gesteld, mevrouw VDB verplicht was de onderhoudsbijdragen te betalen overeenkomstig de voorafgaandelijke overeenkomst tot echtscheiding door onderlinge toestemming; dat, overigens, de raadsman van mevrouw VDB in zijn schrijven van 14 maart aan gerechtsdeurwaarder De Muelenaere de bijvoeglijke overeenkomst zelf omschreef als een ‘ere-overeenkomst; dat ere-overeenkomsten niet afdwingbaar zijn;

Dat, ten overvloede, deze ‘onnodige kosten', die nochtans in concreto bewijsbaar en bepaalbaar zijn, niet bewezen worden aan de hand van stavingsstukken;

Overwegende dat de fout van notaris D mevrouw VDB, die meende een probleemloze uitvoering van de voorafgaande overeenkomst tegemoet te mogen zien, ongetwijfeld in ontreddering en in verwarring heeft gebracht; dat, evenwel, nu de bijvoeglijke overeenkomst van 14 januari 1982 zelf verwees naar de mogelijkheid dat mevrouw VDB ‘toch' verplicht zou worden tot betaling, het morele leed van mevrouw VDB niet mag worden overgewaardeerd;

Overwegende dat op grond van het hierbovenstaande de door mevrouw VDB geleden schade dient te worden begroot als volgt:

- gemiste kans op een redelijke opleg: ex aequo et bono : 300.000,-BEF

- morele schade : ex aequo et bono : 20.000,-BEF

320.000,-BEF

Overwegende dat de schade zich voordeed van zodra vaststond dat de heer C de onderhoudsbijdragen effectief zou invorderen; dat de heer C op 7 februari 1984 een bevel liet betekenen aan mevrouw VDB; dat de vergoedende interesten beginnen te lopen vanaf deze datum;

OM DEZE REDENEN :

HET HOF, rechtdoende na tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond;

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk, maar ongegrond;

Doet het eerste vonnis teniet behoudens in zover de oorspronkelijke vordering ontvankelijk werd verklaard, in zover de kosten van de procedure in eerste aanleg werden begroot en in zover notaris D. werd veroordeeld tot de kosten van de procedure;

En hervormend,

Veroordeelt notaris D. tot het betalen aan mevrouw VDB van het bedrag van DRIEHONDERD TWINTIGDUIZEND FRANK (320.000,-BEF), te vermeerderen met vergoedende interesten aan de wettelijke rentevoet vanaf 7 februari 1984 en de gerechtelijke interesten, van moratoire aard, vanaf heden;

Veroordeelt notaris D. tot de kosten van de procedure in hoger beroep in hoofde van mevrouw VDB begroot op 24.300,-

(7.500 + 16.800) frank en in hoofde van hemzelf begroot op 16.800 frank.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

waar aanwezig waren en zitting hielden :

J. BOON, Alleenzetelend Raadsheer,

V. DE VIS, Griffier.

V. DE VIS J. BOON