Hof van Beroep: Arrest van 28 April 2009 (Brussel). RG 2006AR616

Date :
28-04-2009
Langue :
Néerlandais
Taille :
5 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20090428-1
Numéro de rôle :
2006AR616

Résumé :

De taak van de boekhouder is niet beperkt tot het louter blind kopiëren van cijfers overgemaakt door zijn cliënt, maar hij heeft de taak als zorgvuldig boekhouder om deze cijfers na te zien en te controleren.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2009/

A.R. nr. 2006/AR/ 616

INZAKE VAN :

De naamloze vennootschap ALLIANZ BELGIUM, voorheen AGF BELGIUM INSURANCE, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Lakensestraat 35, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder het nummer 574, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0403.258.197,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 8 december 2005,

vertegenwoordigd door Meester Dirk DE MAESENEER, advocaat te 1050 BRUSSEL, Waterloosesteenweg 412 F,

1ste kamer

TEGEN :

1) De heer R. N., en zijn echtgenote

2) Mevrouw R. P.,

geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Dimitri N. loco Meester Patrick JACKERS, advocaat te 3300 T., Goossensvest 36,

I. DE PROCEDURE

In deze zaak oordeelt het hof over het hoger beroep dat ingesteld is tegen een vonnis, gewezen na tegenspraak door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, op 8 december 2005 (A.R. 01/1816/A).

Overeenkomstig artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken wordt voor de rechtspleging de Nederlandse taal gebruikt.

De zaak wordt behandeld en berecht na tegenspraak.

Het bestreden vonnis werd op 3 februari 2006 betekend.

Het hoger beroep werd ingesteld door de nv AGF BELGIUM INSURANCE op 3 maart 2006. Het is ontvankelijk, want tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

II. DE FEITEN

De heer R. N. was zelfstandig bandagist-orthopedist en had tot 31.03.2006 een eigen zaak te T., L. 58.

Sedert 1967 werden, volgens de heer R. N., de aangiften in de personenbelasting opgesteld en ingediend door de heer F. D., boekhouder. Deze had samen met de heer J. B. een "fiskaal en boekhoudkundig kantoor" te M..

De heer D. is overleden op 21.10.1999.

Na het overlijden van de heer D., werd vastgesteld door de nieuwe boekhouder van de heer R. N., dat verschillende aangiften in de personenbelasting belangrijke fouten vertoonden.

Inzonderheid werd vastgesteld dat voor de aanslagjaren 1994 (inkomsten 1993), 1998 (inkomsten 1997) en 1999 (inkomsten 1998) bij de opgave van de beroepskosten geen rekening werd gehouden met de aankopen van handelsgoederen in andere landen van de E.U.

Hierdoor werd telkens een te hoog winstcijfer opgegeven en werd bijgevolg te veel belastingen en te veel sociale bijdragen betaald.

Wat betreft de aanslagjaren 1995, 1996 en 1997 werd wél rekening gehouden met deze aankopen bij de opgave van de kosten.

Met betrekking tot het aanslagjaar 1999 konden de heer en mevrouw N.-P., bij de Gewestelijk Directeur der Directe Belastingen te Leuven bezwaar aantekenen tegen de aanslag die hen op 08.03.2000 was toegestuurd waarbij de vergetelheid van deze kosten werden ingeroepen.

Dit bezwaar werd ingewilligd en resulteerde in een ontlasting ten bedrage van 1.193.320 BEF.

Met betrekking tot de aanslagjaren 1994 en 1998 was een rechtzetting daarentegen niet meer mogelijk.

De nv AGF BELGIUM INSURANCE, hierna kortweg AGF genoemd, is de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van wijlen de heer D.. AGF betwist de beroepsaansprakelijkheid van haar verzekerde.

De partijen kwamen niet tot een oplossing voor hun geschil.

III. DE VORDERINGEN EN DE BESTREDEN BESLISSING

a) Eerste aanleg

De heer R. N. en AGF verschenen vrijwillig voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel op 12 februari 2001.

Bij verzoekschrift van 30 juli 2001 kwam mevrouw P. R. vrijwillig tussen.

De heer en mevrouw N.-P. verzochten, alvorens recht te doen ten gronde, tot aanstelling van een gerechtsdeskundige.

Bij tussenvonnis van 17 januari 2003 werd de heer L. RAVERT aangesteld als gerechtsdeskundige.

De deskundige legde zijn eindverslag neer ter griffie op 25 juli 2003.

Na neerlegging van het deskundig verslag vorderden de heer en mevrouw N.-P. de veroordeling van AGF tot betaling van 56.372,13 EUR plus vergoedende intresten.

AGF besloot tot de ongegrondheid van de vordering, minstens de aansprakelijkheid te verdelen gelet op de fouten en nalatigheden in hoofde van de heer en mevrouw N.-P. en te zeggen dat AGF niet meer gehouden kan zijn dan 1/3de van de voorgehouden schade.

AGF stelde een tegenvordering in ertoe strekkende de heer en mevrouw N.-P. te veroordelen tot een schadevergoeding van 1.250 EUR uit hoofde van tergend en roekeloos geding.

De eerste rechter verklaarde de vordering van de heer en mevrouw N.-P. gegrond en veroordeelde AGF tot betaling van 56.372,13 EUR, plus vergoedende intresten op

- het bedrag van 23.987,57 EUR vanaf 17.02.1995,

- het bedrag van 628,06 EUR vanaf 17.03.1996,

- het bedrag van 628,06 EUR vanaf 16.06.1996,

- het bedrag van 628,06 EUR vanaf 18.09.1996,

- het bedrag van 628,06 EUR vanaf 16.12.1996,

- het bedrag van 27.046,20 EUR vanaf 09.02.1999,

- het bedrag van 706,53 EUR vanaf 16.03.2000,

- het bedrag van 706,53 EUR vanaf 16.06.2000,

- het bedrag van 706,53 EUR vanaf 16.09.2000,

- het bedrag van 706,53 EUR vanaf 16.12.2000, telkens tot de inleiding van onderhavige procedure en vervolgens met de gerechtelijke intresten tot de integrale betaling.

De tegenvordering werd afgewezen als ongegrond en AGF werd veroordeeld tot de gerechtskosten.

b. Hoger beroep

AGF stelt hoger beroep in zoverre de vordering van de heer en mevrouw N.-P. gegrond werd verklaard en herneemt haar oorspronkelijk verweer, in ondergeschikte orde verzoekt zij de vordering enkel gegrond te verklaren voor de correcties van de deskundige wat betreft de aanslagjaren 1997 en 1999 en de helft van de aansprakelijkheid voor de begane fout lastens de heer en mevrouw N.-P. te weerhouden.

De heer en mevrouw N.-P. besluiten tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vorderen de veroordeling van AGF tot de gerechtskosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding die zij begroten op het maximumbedrag van 6.000 EUR.

AGF begroot de rechtsplegingsvergoeding op het basisbedrag van 3.000 EUR.

IV. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING EN HET ANTWOORD OP DE MIDDELEN VAN DE PARTIJEN

1. AGF herneemt de argumenten welke ze reeds heeft voorgelegd aan de gerechtsdeskundige en aan de eerste rechter en waarop in het deskundig verslag reeds uitgebreid is geantwoord.

2. Het wordt niet betwist dat de BTW aangiftes opgesteld door de heer en mevrouw N.-P. voor de jaren 1993 tot en met 1998 fouten bevatten.

De bedragen van de intercommunautaire verwervingen, opgenomen in de code 86 van de BTW aangifte, werden ten onrechte nooit opgenomen in de code 81 van de BTW aangifte (aankopen van grondstoffen, handelsgoederen).

De fiscale aangiftes voor de jaren 1993 (aanslagjaar 1994), 1997 (aanslagjaar 1998) en 1998 (aanslagjaar 1999) zijn foutief, aangezien bij de berekening van de winst geen rekening werd gehouden met de intracommunautaire verwervingen.

De heer en mevrouw N.-P. stellen dat de heer D., boekhouder, deze fouten had moeten vaststellen en correcte fiscale aangiftes had moeten indienen.

3. AGF beweert dat de opdracht van de heer D. beperkt was tot het éénmalig opstellen/invullen van de jaarlijkse fiscale aangiftes en het verdedigen erna bij de controleur van de belastingen, dit alles op basis van de hem door de heer R. N. overgemaakte gegevens, zonder dat enige verificatieopdracht werd gegeven.

Volgens AGF had de heer D. dan ook niet de opdracht na te gaan of er fouten waren in de dagelijkse boekhouding of de BTW-aangiftes opgesteld door de heer en mevrouw N.-P..

4. De heer en mevrouw N.-P. tonen voldoende aan dat de heer D. voor het opstellen en indienen van de belastingsaangifte beschikte over het inkomend en uitgaand facturenboek, de BTW aangiften en alle aankoopfacturen.

Dit blijkt uit :

- het ontvangstbewijs van 9 december 1999, ondertekend bij de overhandiging van de fiscale stukken door het boekhoudkantoor na het overlijden van de heer D.,

- de brief van de vennoot van de heer D., de heer B., die in zijn brief van 16 augustus 2000 de opdracht van de heer D. als volgt omschrijft :

1° Het opstellen van de belastingsaangifte aan de hand van de omzetbedragen en aankoopbedragen die berkend werden door de heer N..

2° Het uitpluizen van de onkosten facturen en okosten kwijtingen om deze soort per soort te listeren.

3° De controle en verdediging van deze aangifte.

- de detailberekeningen die werden opgemaakt en in bijlage gevoegd van de belastingaangiftes.

Ook de deskundige komt tot het besluit dat uit het overgemaakte dossier zeer duidelijk blijkt - er kan hier geen misverstand over bestaan - dat de heer D. beschikte over alle aankoopfacturen, dit wil zeggen niet enkel over de "onkosten"-facturen, maar eveneens over de "aankoop"-facturen van goederen, Belgische en buitenlandse. (zie p.19 deskundig verslag)

Bovendien heeft de heer D. in 1994, 1995 en 1996 rekening gehouden met de intracommunautaire verwervingen en de fouten in de BTW-aangiftes recht gezet, hetgeen enkel kon op basis van een volledig dossier, dit wil zeggen alle aankoopfacturen, BTW-aangiftes, enz... (zie p.21 deskundig verslag).

De heer D. was op de hoogte van de intracommunautaire verwervingen, minstens had hij hiervan op basis van de hem overhandigde stukken op de hoogte moeten zijn.

5. De taak van de boekhouder is niet beperkt tot het louter blind kopiëren van cijfers overgemaakt door zijn cliënt, maar hij heeft de taak als zorgvuldig boekhouder om deze cijfers na te zien en te controleren.

De deskundige besluit dat de heer D., op basis van de hem overgemaakte stukken, door een eenvoudige en niet-tijdrovende analyse, gemakkelijk had kunnen vaststellen dat er fouten waren in de BTW-aangiftes, waarmede rekening diende gehouden te worden in de aangifte in de personenbelasting.

De heer D. heeft hier trouwens rekening mee gehouden in bepaalde jaren (1994-1995 en 1996), maar niet in andere jaren (1993,1997 en 1998).

Meer nog, de deskundige is van oordeel dat zelfs indien de fout niet onmiddellijk zou ontdekt geweest zijn door de heer D., deze had dienen op te merken, na een summiere analyse van de bruto-marge dat de winstberekeningen niet correct waren.

De intracommunautaire verwervingen hebben namelijk rechtstreeks een invloed op de bruto-marge aangezien de bruto-marge gelijk is aan het verschil tussen enerzijds de verkopen en anderzijds de aankopen (Belgische en buitenlandse of intracommunautaire), rekeninghoudend met mogelijke voorraadwijzigingen.

De heer D. is nalatig geweest en heeft duidelijk beroepsfouten begaan in zijn taak, waarvoor hij aansprakelijk moet worden gesteld.

6. Het beweerde lage ereloon is niet van aard om de beroepsaansprakelijkheid van de heer D. te beperken. Indien deze laatste van oordeel was geweest dat zijn ereloon te laag was om zijn taak naar behoren uit te voeren, dan had hij hetzij een hoger ereloon moeten vragen, hetzij zijn opdracht moeten weigeren.

7. AGF blijft in gebreke aan te tonen dat de heer N.-P. zelf fouten zouden hebben begaan. De heer en mevrouw N.-P. hebben beroep gedaan op een professioneel boekhouder, omdat zij leek zijn in de materie. Het is slechts na nazicht van de boekhouding door de nieuwe boekhouder dat de fouten in de aangifte in de personenbelasting werden ontdekt. AGF bewijst niet dat de heer en mevrouw N.-P. de fouten in de boekhouding zelf en/of vroeger hadden moeten opmerken.

Bovendien hebben de heer en mevrouw N.-P. onmiddellijk het nodige gedaan teneinde de schade te beperken, door zich te richten tot de Gewestelijke Directeur der Directe Belastingen te Leuven tot ontheffing van ambtswege van de litigieuze aanslag van 1998. De termijn voor bezwaar in te dienen tegen kwestieuze aanslag was immers verstreken. Dit verzoek werd afgewezen.

Ten onrechte verwijt AGF de heer en mevrouw N.-P. geen beroep te hebben ingesteld tegen de afwijzende beslissing van de Gewestelijke Directeur der Directe Belastingen te Leuven.

De eerste rechter oordeelde terecht dat dit beroep geen kans op slagen had. Het betreft in casu immers geen materiële vergissing of optelfout. De intracommunautaire verwervingen werden gewoon niet opgenomen noch in de aangifte, noch in de bijlage bij de aangifte.

In deze omstandigheden is er geen duidelijke materiële vergissing begaan, zoals een rekenfout, een schrijffout of een andere grove vergissing, maar gaat het eerder om een vergetelheid en/of een beoordelingsfout vanwege de boekhouder.

De raadsman van AGF werd bovendien hiervan in kennis gesteld bij brief van 16 februari 2001, waarbij tevens het advies van de nieuwe boekhouder van de heer en mevrouw N.-P. werd gevoegd, alsmede de afwijzende beslissing van de Gewestelijke Directeur der Directe Belastingen te Leuven. Niettegenstaande naar het standpunt van AGF werd gevraagd, kreeg deze brief geen antwoord.

Thans de heer en mevrouw N.-P. verwijten geen beroep te hebben aangetekend, waarvan de uitslag alles behalve zeker kan genoemd worden en waarover zij zelfs haar standpunt ten gepaste tijde niet liet kennen, getuigt niet van een zorgvuldig optreden vanwege AGF.

Voor het aanslagjaar 1999 hebben de heer en mevrouw N.-P. wel tijdig bezwaar kunnen indienen, hetgeen heeft geresulteerd in een ontlasting ten bedrage van 29.581,63 EUR

Er is in casu geen sprake van enige eigen aansprakelijkheid, nalatigheid of onzorgvuldigheid in hoofde van de heer en mevrouw N.-P..

8. Omtrent de gevorderde schadebedragen wordt door AGF geen discussie gevoerd.

De heer en mevrouw N.-P. vorderen de bedragen die zij teveel betaalden uit hoofde van personenbelasting.

De deskundige becijferde dit als volgt :

- Personenbelasting aanslagjaar 1994 : 23.987,57 EUR

- personenbelasting aanslagjaar 1998 : 27.046,20 EUR

De heer en mevrouw N.-P. vorderen de bedragen die zij teveel betaalden uit hoofde van sociale lasten.

De deskundige becijferde dit als volgt :

- te veel betaalde sociale lasten jaar 1996 : 2.512,24 EUR

- te veel betaalde sociale lasten jaar 2000 : 2.826,13 EUR

Deze bedragen komen correct over en werden door de eerste rechter terecht toegekend en vermeerderd met de intresten aan de wettelijke intrestvoet te rekenen vanaf de respectievelijk betaaldata van de belasting en sociale lasten.

9. Sedert 1 januari 2008 is de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en het K.B. van 26 oktober 2007 dat de nieuwe tarieven van de rechtsplegingsvergoeding bepaalt, van toepassing.

In casu is het beroep van AGF ongegrond en zijn de heer en mevrouw N.-P. de in het gelijk gestelde partij, welke aanspraak kunnen maken op een rechtsplegingsvergoeding.

Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt volgens partijen 3.000 EUR (geschil dat betrekking heeft op vorderingen voor een bedrag van 60.000,01 EUR tot 100.000 EUR).

De heer en mevrouw N.-P. vorderen het maximumbedrag van 6.000 EUR, gezien de bijzondere complexiteit van de zaak, zonder verdere precisering.

Huidige zaak is niet van aard om als een uiterst complexe zaak te worden aanzien, er bestaat in casu geen reden tot afwijking van het basisbedrag.

OM DEZE REDENEN :

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, maar ongegrond;

Veroordeelt de nv AGF BELGIUM INSURANCE tot de gerechtskosten in hoger beroep, begroot in haren hoofde op 186 EUR (rolrecht) en in hoofde van de heer en mevrouw N.-P. op 3.000 EUR (rechtsplegingsvergoeding) en 183,88 EUR (betekeningskosten).

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 28/4/09

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Nathalie DE RIJCK, Raadsheer,

Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS N. DE RIJCK