Hof van Beroep: Arrest van 7 Juni 2006 (Brussel). RG 2005AR389

Date :
07-06-2006
Langue :
Néerlandais
Taille :
6 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20060607-5
Numéro de rôle :
2005AR389

Résumé :

Bij de toetsing van artikel 10 EVRM moet rekening worden gehouden met het maatschappelijk belang dat gemoeid is met de vrijheid van de pers. De pers en journalistieke vrijheid vervult een essentiële rol in een democratische maatschappij. Aan de uitoefening van de expressievrijheid is echter een sociale en maatschappelijk verantwoordelijkheid verbonden, waardoor wel bepaalde beperkingen dienen in acht genomen worden. De rechter in kort geding kan derhalve tussenbeide komen en zelfs voorlopig de uitoefening beperken van de vrijheden van mening, van uitdrukking en van pers om een schending van een subjectief recht te voorkomen of daaraan een einde te maken. Hij moet niet nagaan of de klachten inzake de wederrechtelijkheid van de gelaakte boodschap gegrond zijn, maar hij moet onderzoeken of zijn inmenging beantwoordt aan een dringende maatschappelijke behoefte, of zij evenredig is met het nagestreefde rechtmatig doel en of de motieven die worden aangevoerd om ze te verantwoorden relevant en voldoende zijn ten aanzien van artikel 10, ,§ 2 EVRM. -Wanneer blijkt dat de gepubliceerde informatie niet het voorwerp uitmaakt van voldoende controle en dat zij van die aard is ernstige schade te berokkenen aan een derde die als gevaarlijk wordt voorgesteld, dan is de rechter in kort geding bevoegd om de auteur te bevelen om voorlopig die informatie van de website te schrappen waaraan zij werd toegevoegd. -Het verbod van preventieve maatregelen ten aanzien van de vrijheid van mening en de persvrijheid is algemeen (art. 25 G.W). Dit heeft voor gevolg dat de draagwijdte van de maatregel dient beperkt te worden tot handelingen of uitlatingen waarvan niet kan betwijfeld dat zij een inbreuk zouden kunnen opleveren. De rechter in kort geding mag immers maar optreden voor zoverre het om een onbetwistbare en evidente schending uitmaakt van rechten van derden. Tegen eventuele, toekomstige misbruiken in eventueel toekomstige publicaties, waaraan nog geen reële verspreiding is gegeven, kan de rechter in kortgeding niet optreden.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
Het Hof;
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder de bestreden beschikking, op 22 november 2005 op tegenspraak tussen de partijen uitgesproken door de voorzit-ter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, waarvan geen betekening voorligt en waartegen tijdig en geldig naar de vorm hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 8 december 2005.
Gelet op het incidenteel beroep.
Gelet op de akte verleend aan partijen door dit Hof op 20 december 2005 in toepassing van art. 747 ,§2 Ger.W. tot vaststelling van hun vrijwillige regeling van conclusietermijnen.
1.-
De oorspronkelijke vordering gaat uit van geïntimeerden en strekt ertoe de heer G. T. de verplichting op te leggen om:
Ø onmiddellijk over te gaan tot sluiting van de website www. alsmede alle oude en bestaande artikels en bijlagen van de website te doen verdwijnen, zulks binnen 24 uur na de te wijzen beschikking, op straffe van een dwangsom van 1.000,- EUR per dag en per overtreding,
Ø alle op voor het publiek toegankelijke plaatsen aangebrachte stickers en andere verspreidingsvormen te verwijderen,
Ø naar de toekomst op welke wijze dan ook oude en/of nieuwe artikels aangaande geïntimeerden te verspreiden via om het even welk medium (internet, website, geschreven en gesproken pers, stickers e.d.), zulks onder verbeurte van een dwangsom van 2.500,- EUR per dag en per vastgestelde overtreding.
2.-
De eerste rechter verklaart de vordering ontvankelijk en in die mate gegrond dat de heer G. T. het bevel kreeg om onmiddellijk over te gaan tot sluiting van de website www.frontpagina.be alsmede om alle oude en bestaande artikels en bijlagen van de website te doen verdwijnen, zulks binnen 24 uur na de gewezen beschikking, op straffe van een dwangsom van 1.000,- EUR per dag en per over-treding, en daarnaast alle op voor het publiek toegankelijke plaatsen aangebrachte stickers en andere verspreidingsvormen te verwijderen.
Het anders en meer gevorderde is als ongegrond afgewezen.
De eerste rechter overweegt dat:
Ø de vrije meningsuiting, waarop de heer G. T. zich beroept, niet grenzeloos is en beperkt wordt ondermeer daar waar laster begint,
Ø de heer G. T. als professioneel journalist de plicht heeft de gegevens die hij meent bekend te moeten maken op juistheid te controleren,
Ø het openbaar poneren dat bepaalde personen en/of firma's onder hun aandeelhouders of bestuurders personen hebben die verdacht worden van internationaal terrorisme, zonder hiervan een degelijk materieel bewijs te leveren, laster is,
Ø door het overnemen door de heer G. T. op zijn website van informatie uit de geschreven pers, hij verantwoordelijk wordt voor de gegevens die hij zo wil overbrengen aan degenen die zijn website lezen.
3.-
Het hoger beroep strekt tot de vernietiging van dit vonnis en, opnieuw recht doende, tot afwijzing van de oorspronkelijke vordering als onont-vankelijk, minstens ongegrond.
Appellante laat als grieven tegen de bestreden beschikking gelden dat:
Ø de eerste rechter volledig voorbij gaat aan het bewijsmateriaal door hem neergelegd en aan het feit dat hij op geen enkel ogenblik beweerd heeft dat geïntimeerden het terrorisme van Osama Bin Laden steunen of dat de I; I., waartoe A. B. NV behoort, banden zou hebben met Osama Bin Laden of diens terroristisch netwerk,
Ø de eerste rechter volledig ten onrechte de sluiting van de hele website verbonden heeft hoewel hierop tal van artikelen staan waarop niets valt aan te merken.
4.-
Geïntimeerden stellen incidenteel beroep in tegen het onderdeel van de vordering met betrekking tot het verbod naar de toekomst oude en/of nieuwe artikels aangaande geïntimeerden te verspreiden, dat als ongegrond afgewezen is. Teneinde volledig doeltreffend te zijn en herhaling van het gebeurde naar de toekomst toe te voorkomen, had naar hun oordeel dit onderdeel van de vordering ook dienen te worden toegekend, met name een verbod te horen opleggen om de eerder gepubliceerde aantijgingen, lasterlijke uitspraken en artikelen met gelijkaardige inhoud te herhalen.
Tevens vragen geïntimeerden akte te verlenen van hun tegenvordering wegens tergend en roekeloos hoger beroep tot betaling van een schadevergoeding van 5.000,- EUR, meer de kosten van verdediging provisioneel begroot op 5.000, EUR.
BEVOEGDHEID
5.-
Geïntimeerden lieten aanvankelijk gelden dat de vordering hoogdringend is aangezien in afwachting van de afhandeling van de burgerlijke partijstelling in handen van de onderzoeksrechter wegens laster, de nodige maatregelen zich opdringen tot stopzetting hiervan en dit ter voorkoming van bijkomende schade.
In het verzoekschrift tot hoger beroep stelt appellant dat de zaak spoedeisend is aangezien de aangevochten beschikking in kortgeding een ernstige schendig uitmaakt van de persvrijheid en van de vrijheid van meningsuiting.
Terwijl in de beroepsconclusie appellant opwerpt dat er slechts een hoogdringendheid bestaat wanneer er een onmiddellijke beslissing nodig is om schade van een bepaalde omvang te voorkomen. Het feit dat de website reeds verspreiding heeft gekend, zoals hier het geval is, belet volgens appellant dat er hoogdringend-heid bestaat.
6.-
Het feit alleen al dat de zaak werd ingeleid in kort geding met uitdrukkelijke verwijzing naar de hoogdringendheid, is echter voldoende. De uitdrukkelijke verwijzing naar de hoogdringendheid van de vordering maakt een element van bevoegdheid uit van de rechter in kort geding.
Het komt daarnaast aan de rechter in kort geding toe uit te maken of de vordering een spoedeisend karakter heeft en blijft hebben als element van toelaatbaarheid van de vordering. Aan deze eis van spoedeisendheid moet immers worden voldaan zowel op het tijdstip van de inleiding als van de uitspraak.
7.-
In eerste aanleg wierp appellant de exceptie van onbevoegdheid op van een onderdeel van de vordering met betrekking tot het opleggen in de toekomst van een absoluut verbod om op welke wijze dan ook oude en/of nieuwe artikels aangaande geïntimeerden te verspreiden via om het even welk medium (internet, website, geschreven en gesproken pers, stickers e.d.), zulks onder verbeurte van een dwangsom van 2.500,- EUR per dag en per vastgestelde overtreding. De rechtbank zou namelijk niet bevoegd zijn om van een dergelijk algemeen preventieve maatregel en censuur kennis te nemen.
In hoger beroep verwijst appellant dienaangaande naar het feit dat de rechter in kort geding bij voorraad uitspraak doet en geen nadeel mag toebrengen aan de zaak zelf. Wat inhoudt dat de rechter in kort geding geen maatregelen mag nemen die van aard zijn om de rechtspositie van partijen definitief en onherroepelijk te wijzigen. Het hoort immers niet aan de rechter in kort geding te zeggen dat de bepaalde persartikelen verkeerde, leugenachtige of lasterlijke informatie bevatten.
8.-
De doelstellingen van de ingestelde vorderingen en de toedracht van de feiten, die er aan ten grondslag liggen, alsmede de respectieve stellingen van partijen zijn te dezen in de bestreden beschikking nauwkeurig toegelicht, zodat het Hof ernaar verwijst.
Het volstaat te herhalen dat A. B. NV sinds 1993 parkeermeters en parkeerplaatsen beheert in Antwerpen.
Einde 2004 is deze onderneming overgenomen door de I. I.
De heer G. T. is werkzaam onder meer als journalist op Kanaal Z en registreerde op zijn naam de website:
www. Op basis van het artikel van gemeenteraadslid Cl. M. omtrent het parkeermeterdossier zou zijn nieuwsgierigheid zijn gewekt naar de banden van deze vennootschappen.
De heer G. T. besluit in het weekend van 3 en 4 september 2005 om een relaas van zijn bevindingen te plaatsen op zijn website, waarin hij onder de titel 'Uitverkoop van publiek bezit' de geschiedenis schetst van A. en de leidende figuren achter I. Hij ontkent wel in de tekst ooit gezegd te hebben dat de inkomsten van A. zouden aangewend worden om via de I. het terrorisme van Osama Bin Laden te steunen. Tevens werd er een stickeractie gestart.
BEOORDELING
9.-
Aan de hand van de uiteenzetting der partijen en de neergelegde stukken overweegt het Hof als volgt.
Volgens geïntimeerden is A. B. NV vanaf augustus 2005 het slachtoffer geworden van herhaaldelijke en aanhoudende laster via het internet, de geschreven pers, stickeracties en andere, gepubliceerd en geïnspireerd door de heer G. T. en zulks via de website op zijn naam geregistreerd met als url: www.
De activiteiten van www.zouden er toe strekken aan te tonen dat de I. I., waartoe A. behoort, banden zou hebben met Osama Bin Laden en diens terroristisch netwerk. De inkomsten van A., verworven uit de inning van par-keerboetes, zouden aangewend worden om via de I. onder meer het terrorisme financieel te steunen.
Voor geïntimeerden zijn deze aantijgingen ronduit leugenachtig, lasterlijk en beledigend, aangezien zij op deze wijze blootgesteld worden aan een kwaadwillig opgezette en publieke lastercampagne die erop gericht is om hen materieel schade toe te brengen en van het bedrijf het mikpunt te maken van openbare verachting.
10.-
De heer G. T. verwijt geïntimeerden daarentegen vanaf het begin nagelaten te hebben om concreet aan te geven wat er mis is met de inhoud van de internet site en wat er gewijzigd zou moeten worden.
Bovendien stelt de heer G. T. dat een rechterlijk verspreidingsverbod van de website een vorm van ongeoorloofde censuur is en een inbreuk op de vrije meningsuiting uitmaakt.
TOELAATBAARHEID
11.-
De vereiste van hoogdringendheid van de vordering moet aanwezig zijn niet alleen op het ogenblik van de inleiding van de vordering als ook op het moment van de uitspraak. Dit houdt in dat de eisende partij ofwel expliciet het spoedeisend karakter vermeldt ofwel de elementen aanreikt waaruit redelijkerwijze af te leiden valt dat de zaak dringend is.
Het is duidelijk dat in de mate schade zou berokkend zijn aan de faam en de goede naam van A. B. NV door lasterlijke aantijgingen te publiceren in de kranten en door het verzenden van e-mail berichten aan beleidsverantwoordelijken, de gevraagde maatregelen geen enkele urgentie meer vertonen.
Er kan maar hoogdringendheid blijven bestaan in de mate de aanwezigheid op het internet van de gewraakte teksten van die aard is om de toestand in ernstige mate verder te ontwrichten. Van belang hierbij is de vaststelling dat de uitlatingen op de website een breed publiek kunnen blijven bereiken en de bezoekers oproepen tot burgerlijk ongehoorzaamheid en het boycot van de parkeermeters in het centrum van Antwerpen.
Derhalve blijft de spoedeisendheid aanwezig.
VRIJE MENINGSUITING
12.-
De vrijheid van mening, de vrijheid van uitdrukking en de persvrijheid zijn grondrechten, die essentieel zijn voor het voortbestaan van een democratische maatschappij en bescherming verdienen conform artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (verder EVRM). Bij de toetsing van artikel 10 EVRM moet rekening worden gehouden met het maatschappelijk belang dat gemoeid is met de vrijheid van de pers. De pers en journalistieke vrijheid vervult een essentiële rol in een democratische maatschappij. Aan de uitoefening van de expressievrijheid is echter een sociale en maatschappelijke verantwoordelijkheid verbonden, waardoor wel bepaalde beperkingen dienen in acht genomen worden.
De vrije meningsuiting is immers niet absoluut. Daar de uitoefening plichten en verantwoordelijkheden met zich meebrengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, welke bij de wet worden voorzien en die in een democra-tische samenleving nodig zijn in het belang van 's lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen (art. 10, ,§ 2 EVRM).
13.-
De rechter in kort geding kan derhalve tussenbeide komen en zelfs voorlopig de uitoefening beperken van de vrijheden van mening, van uitdrukking en van pers om een schending van een subjectief recht te voorkomen of daaraan een einde te maken. Hij moet niet nagaan of de klachten inzake de wederrechtelijkheid van de gelaakte boodschap gegrond zijn, maar hij moet onderzoeken of zijn inmenging beant-woordt aan een dringende maatschappelijke behoefte, of zij evenredig is met het nagestreefde rechtmatig doel en of de motieven die worden aangevoerd om ze te verantwoorden relevant en voldoende zijn ten aanzien van artikel 10, ,§ 2 EVRM (Kortgeding Brussel, 24 maart 2005, J.T., 2005, 583). Heel in het bijzonder wat betreft de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen.
14.-
De heer G. T. maakt hierbij terecht een onderscheid tussen het verspreiden van feiten, die waarheidsgetrouw moeten weergegeven worden, en het uiten van waardeoordelen wat in principe vrij is. Men mag van een journalist geen absolute objectiviteit eisen. Waardeoordelen of opinies kunnen nu eenmaal niet bewezen worden en de bewijsregeling mag daarom niet geëist worden.
In tegenstelling met een feitelijke vaststelling leent een waardeoordeel zich niet tot een bewijs van de waarachtigheid, maar moet het zich toch ten minste kunnen beroepen op een voldoende feitelijke basis.
De waardeoordelen die door hun formulering in feite neerkomen op concrete aantijgingen ten laste van een bepaalde persoon, dienen wel heel in het bijzonder een voldoende betrouwbare basis te hebben.
15.-
De heer G. T. verwijst hiervoor naar het feit dat hij veel bronnen geraadpleegd zou hebben en hieruit met de nodige zorgvuldigheid objectieve feiten gedistilleerd zou hebben. Hiervoor verwijst hij naar de opsomming van de belangrijkste bronnen onderaan het hoofdartikel.
Op de eerste plaats blijft de heer G. T. ontkennen ooit op de website geschreven te hebben dat de I. I.
directe banden zou hebben met Osama Bin Laden en diens terroristisch netwerk, zoals geïntimeerden beweren.
De verwijzingen zouden enkel en alleen terug te vinden zijn in enkele persartikelen waarvoor hij geen verantwoordelijkheid draagt.
Dit belet niet dat op de website een duidelijke link gelegd wordt tussen de moedermaatschappij I. en de Bin Ladens, een aandeel-houdersgroep bestaande uit internationaal gekende personen met extremistische connecties, het B.C.C.I. schandaal en hun betrokkenheid bij de financiering van terrorisme. Ook met betrekking tot de boycot van de parkeermeters wordt gealludeerd op banden met ondemocratische oliesjeiks en extremisten bekend voor de financiering van terrorisme.
16.-
Als bron voor dergelijke verregaande aantijgingen mocht de heer G. T. zich niet enkel vertrouwen op één boek (Brisard en Dasquié, 'La verité interdite') dat van een betwistbaar allooi blijkt zijn, waaruit te vlug een aantal gevolgtrekking getrokken zijn, die prima facie niet kunnen bevestigd worden. Het feit dat de broer Bakr Bin Laden in de periode 1994-1998 bij I. de functie van directeur waargenomen heeft, verantwoordt deze overhaaste besluittrekking niet. Verder recentelijk bronnenmateriaal wordt niet bijgebracht.
De overige stukken zijn bovendien te fragmentarisch en te onduidelijk om prima facie als bewijs te kunnen dienen.
Bijgevolg, afgezien van de voormelde onjuistheid en/of duidelijk gebrek aan controle van de voorgebrachte stukken, dient opgemerkt dat de heer G. T. zich herhaaldelijk beroept op bewijsstukken die geen direct bewijs inhouden. Het komt het Hof wel niet toe zich uit te spreken over het lasterlijk karakter van de aantijgingen van de heer G. T.
17.-
Wanneer blijkt dat de gepubliceerde informatie niet het voorwerp uitmaakt van voldoende controle en dat zij van die aard is ernstige schade te berokkenen aan een derde die als gevaarlijk wordt voorgesteld, dan is de rechter in kort geding bevoegd om de auteur te bevelen om voorlopig die informatie van de website te schrappen waaraan zij werd toegevoegd.
Terecht wordt gesteld dat de zogenaamde vruchten van een diepgaand onderzoek op basis van betrouwbare en gezaghebbende bronnen slechts een dunnetjes verholen vehikel uitmaken om allerhande theorieën van sinistere complotten te spuien (sic).
INCIDENTEEL BEROEP
18.-
Het incidenteel beroep dat gericht is op algemeen verbod naar de toekomst oude en/of nieuwe artikels aangaande geïntimeerden te verspreiden, houdt echter een veel te verregaande vorm van censuur in waar niet kan op ingegaan worden. Zo eveneens is een algemeen gebod tot sluiting van de website veel te algemeen en te vaag.
Het hoger beroep is bijgevolg gedeeltelijk gegrond in de mate dat de volledige sluiting van de website bevolen werd alsmede om alle oude en bestaande artikels en bijlagen van de website te verwijderen.
19.-
Het verbod van preventieve maatregelen ten aanzien van de vrijheid van mening en de persvrijheid is algemeen (art. 25 G.W). Dit heeft voor gevolg dat de draagwijdte van de maatregel dient beperkt te worden tot handelingen of uitlatingen waarvan niet kan betwijfeld dat zij een inbreuk zouden kunnen opleveren. De rechter in kort geding mag immers maar optreden voor zoverre het om een onbetwistbare en evidente schending uitmaakt van rechten van derden. Tegen even-tuele, toekomstige misbruiken in eventueel toekomstige publicaties, waaraan nog geen reële verspreiding is gegeven, kan de rechter in kortgeding niet optreden.
TEGENVORDERING WEGENS TERGEND EN ROEKELOOS HOGER BEROEP
20.-
Gezien de gedeeltelijke toekenning van het hoger beroep bestaat er geen grond tot schadevergoeding.
VERGOEDING VAN DE KOSTEN VAN VERDEDIGING
21.-
Geïntimeerden vragen in hun syntheseconclusie bij wijze van eisuitbreiding de veroordeling van appellant tot het betalen van de kosten van verdediging, advocatenkosten.
In het kader van het kort geding kunnen evenwel slechts voorlopige maatregelen opgelegd worden, zonder dat het de rechter in kort geding toekomt op definitieve wijze uitspraak te doen over ieders verantwoordelijkheid.
Bovendien geeft niet elk in rekening gebracht ereloon tot vergoeding aanleiding. De rechterlijke controle brengt met zich mee dat de voor-geschreven billijke gematigdheid van artikel 459 Ger.W. onverminderd van toepassing blijft en door de rechter zal moeten worden ge-apprecieerd naargelang de concrete gegevens van de zaak.
Geïntimeerden brengen immers geen verantwoording voor de gevorderde kostenstaat en doen bovendien geen afstand van de rechtsplegingvergoeding, die dubbel gebruik uitmaakt, zodat het Hof niet in staat gesteld is om de rechtmatigheid ervan te beoordelen. Stukken worden desaangaande niet aan het dossier toegevoegd.
Een eenvoudige afrekening volstaat niet. Dergelijke kosten zouden slechts in ernst kunnen onderzocht worden op voorwaarde dat de verschuldigdheid en de effectieve betaling van de kosten wordt aan-getoond.
De uitgebreide vordering is dan ook bij gebrek van bewijskrachtige stukken niet gegrond.
O M D I E R E D E N E N :
H E T H O F,
Na beraad, rechtsprekend op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;
Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond;
Verklaart het incidenteel hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond;
Bevestigt het bestreden vonnis in die mate dat appellant het bevel krijgt de website www. op te schonen en alle oude en bestaande artikels met betrekking tot A. B. NV en de I. I. met verwijzing naar de banden met de familie Bin Laden en een terroristisch netwerk te verwijderen;
Verwerpt voor het overige de vorderingen;
Ontvangt de tegenvordering wegens tergend en roekloos hoger beroep en bij eisuitbreiding de vordering tot vergoeding van de kosten van verdediging en verklaart ze ongegrond;
Verwijst appellant in de kosten van het hoger beroep, deze tot op heden aan de zijde van geïntimeerden begroot op EUR 475,96 rechtsplegingsvergoeding.