Hof van Beroep: Arrest van 2 Juni 2010 (Gent). RG 2008-AR-1180

Date :
02-06-2010
Langue :
Néerlandais
Taille :
17 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20100602-9
Numéro de rôle :
2008-AR-1180

Résumé :

Wanneer de geadresseerde bij een lasthebber woonplaats heeft gekozen, mogen de betekening en de kennisgeving aan die woonplaats geschieden (artikel 39 Ger.W.). Als een partij een woonplaats heeft gekozen, moet de betekening op die gekozen woonplaats gebeuren. De partij die laat betekenen heeft in dat geval geen keuzemogelijkheid tussen de betekening overeenkomstig artikel 39 Ger.W. en artikel 35 Ger.W.. Wanneer, zoals in het voorliggend geval, de partij op wiens verzoek de betekening is verricht, de gekozen woonplaats in België van de betekende partij kende, moet zij, op straffe van nietigheid van de betekening, de woonstkeuze eerbiedigen (vgl. art. 40, vierde lid Ger.W.). Wanneer de partijen, van wie er tenminste één woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van de geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van deze lidstaat bevoegd (artikel 23.1 EEX-Verordening). Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten: De mogelijkheid voor een partij om zich te beroepen op artikel 5 EEX-Verordening ("kan") doet geen afbreuk aan de algemene regel van artikel 2 EEX-Verordening, op grond waarvan zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen worden voor de gerechten van die lidstaat. Appellante kan aldus op grond van artikel 2 EEX-Verordening haar vordering uit de handelsagentuurovereenkomst, ten aanzien van geïntimeerde, die haar zetel heeft in België, stellen voor de Belgische rechtbank, binnen wiens rechtsgebied deze zetel gevestigd is.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Hof van beroep

te Gent

12 Kamer

________

Terechtzitting

van

02 juni 2010

EINDARREST

samenvoeging der zaken met de nrs.:- 2008/AR/1180- 2009/AR/3237- 2009/AR/3238

EEX-Verordening

- In de zaak met het rolnummer 2008/AR/1180 van:

ARCASITA 2000 SL, vennootschap naar Spaans recht

met zetel te Spanje, Ctra. Calpe-Moraira, 03710 Calpe - Alicante,

met BTW nr. ES B 533.971.05,

maar met woonstkeuze bij haar raadsman,

hierna nader vermeld,

appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Kortrijk, op tegenspraak gewezen door de eerste kamer dd. 8-11-2007, oorspronkelijk verweerster,

hebbende als raadsman mr. LIPS Koenraad, advocaat te 9000 Gent, Sint-Annaplein 34

tegen :

nv WOODSTAR,

met zetel te 8580 Avelgem, Knobbelstraat 63,

met ondernemingsnr. 0425.120.514,

geïntimeerde, oorspronkelijk eiseres,

hebbende als raadslieden mr. BEKAERT Stefaan en mr. COSAERT Annemie, beiden advocaat te 8500 Kortrijk, Mgr. de Haernelaan 62;

- en in de zaak met het rolnummer 2009/AR/3237 van:

ARCASITA 2000 SL,

met zetel te Spanje, Ctra. Calpe-Moraira, 03710 Calpe - Alicante,

met BTW nr. ES B 533.971.05,

maar met woonstkeuze bij haar raadsman, hierna nader vermeld,

appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Kortrijk, op tegenspraak gewezen door de eerste kamer dd. 24-11-2005,

oorspronkelijk verweerster,

hebbende als raadsman mr. LIPS Koenraad, advocaat te 9000 Gent, Sint-Annaplein 34

tegen :

nv WOODSTAR,

met zetel te 8580 Avelgem, Knobbelstraat 63,

met ondernemingsnr. 0425.120.514,

geïntimeerde, oorspronkelijk eiseres,

hebbende als raadslieden mr. BEKAERT Stefaan en mr. COSAERT Annemie, beiden advocaat te 8500 Kortrijk, Mgr. de Haernelaan 62;

- en in de zaak met het rolnummer 2009/AR/3238 van:

ARCASITA 2000 SL,

met zetel te Spanje, Ctra. Calpe-Moraira, 03710 Calpe - Alicante,

met BTW nr. ES B 533.971.05,

maar met woonstkeuze bij haar raadsman, hierna nader vermeld,

appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Kortrijk, op tegenspraak gewezen door de eerste kamer dd. 21-9-2006,

oorspronkelijk verweerster,

hebbende als raadsman mr. LIPS Koenraad, advocaat te 9000 Gent, Sint-Annaplein 34

tegen :

nv WOODSTAR,

met zetel te 8580 Avelgem, Knobbelstraat 63,

met ondernemingsnr. 0425.120.514,

geïntimeerde, oorspronkelijk eiseres,

hebbende als raadslieden mr. BEKAERT Stefaan en mr. COSAERT Annemie, beiden advocaat te 8500 Kortrijk, Mgr. de Haernelaan 62;

velt het hof het volgend arrest.

De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en de door hen neergelegde stukken werden ingezien.

Bij verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 5 mei 2008, heeft de vennootschap naar Spaans recht Arcasita 2000 SL (hierna "Arcasita" genoemd) hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 8 november 2007 tussen partijen op tegenspraak gewezen werd door de rechtbank van koophandel te Kortrijk, eerste kamer, in de zaak die aldaar gekend was onder het nr. 950/05 der algemene rol.

Bij verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 21 december 2009, heeft Arcasita hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 24 november 2005 tussen partijen op tegenspraak gewezen werd door de rechtbank van koophandel te Kortrijk, eerste kamer, in dezelfde zaak.

Bij verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 21 december 2009, heeft Arcasita hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 21 september 2006, tussen partijen op tegenspraak gewezen werd door de rechtbank van koophandel te Kortrijk, eerste kamer, in de dezelfde zaak.

Vooraf

1. Rechtsvorderingen kunnen als samenhangende zaken behandeld worden, wanneer zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, ten einde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht (artikel 30 Ger.W.).

Aangezien de drie voormelde hoger beroepen betrekking hebben op respectievelijk tussenvonnissen en het eindvonnis in dezelfde zaak, zijn zij samenhangend in de zin van deze bepaling. De omstandigheid dat de twee laatste hoger beroepen pas ingesteld werden meer dan anderhalf jaar na het eerste en de bewering van Woodstar dat de beroepen dilatoir zijn en misbruik van hoger beroep uitmaken, doen geen afbreuk aan de vaststelling dat het wenselijk is de drie zaken - die overigens alle drie in staat van wijzen zijn - samen te behandelen.

2. De partijen hebben verklaard dat alle conclusies tot het debat behoren, ook indien zij neergelegd werden na het verstrijken van de conclusietermijnen. Daartegen bestaat geen bezwaar.

Antecedenten

I.

1. Woodstar is fabrikant van blokhutten en tuinhuisjes. Zij stelt dat Arcasita vanaf ongeveer 2002 haar producten verdeelde in Spanje en vanaf einde 2003 als haar handelsagent optrad.

Op 8 april 2004 werd een overeenkomst gesloten tussen Arcasita, Arena en Woodstar. Daarin werd onder meer bedongen dat Woodstar verzaakte aan een vordering ten aanzien van Arcasita voor 10.333,78 EUR en dat het door Arcasita aan Woodstar te betalen bedrag herleid werd tot 52.439,44 EUR. Er werd overeengekomen dat dit bedrag door Arcasita aan Woodstar zou overgemaakt worden binnen 45 dagen na de ondertekening van de overeenkomst. Na de definitieve en volledig betaling van dit bedrag, verklaarden Arcasita en Woodstar dat hun wederzijdse rekeningen tot 6 april 2004 geregeld waren en dat zij geen aanspraken, noch vergoedingen of verplichtingen meer hadden tegen-over elkaar. Er werd aan toegevoegd dat de commissies op de verkopen vanaf november 2003 niet in de overeenkomst begrepen waren.

Verder bedongen de partijen in deze overeenkomst dat de volgende leveringen zouden gebeuren mits de afgifte aan Woodstar van een cheque met vervaldag 45 dagen na de levering. Geen enkele levering zou worden uitgevoerd, vooraleer de vorige was betaald. De overeenkomst bepaalde dat, in geval van betwisting, enkel de rechtbanken van Kortrijk bevoegd waren.

2. Woodstar stelt dat Arcasita de nieuwe leveringen na 8 april 2004 betaalde, doch dat de som van 52.439,44 EUR niet werd vereffend. Arcasita argumenteert dat, van de som van 52.439,44 EUR, de commissies vanaf november 2003, die 2.947,85 EUR bedroegen op 8 april 2004, in mindering dienden gebracht te worden, evenals 926,83 EUR als correctie op twee facturen (20030180 en 20030349). Arcasita verklaart dat zij te goeder trouw 50.000,00 EUR betaalde en 508,41 EUR voorschot op de eerstvolgende factuur na 8 april 2004. Bovendien betaalde zij naar eigen zeggen na 8 april 2004 nog eens 34.060,10 EUR met een cheque van 12 oktober 2004.

II.

1. Woodstar dagvaardde op 29 december 2004 Arcasita, onder verwijzing naar de overeenkomst van 8 april 2004 en naar een rekeninguittreksel in betaling van het volgens haar nog verschuldigde bedrag van 48.231,71 EUR, te vermeerderen met de wettelijke verwijlrente vanaf 28 oktober 2004 tot de dagvaarding, vanaf dan tot de betaling de gerechtelijke rente en de kosten van het geding.

2. Arcasita wierp op dat de vordering van Woodstar niets te maken had met de dading van 8 april 2004 en dat ze evenmin betrekking had op koopverkoopovereenkomsten, maar dat zij een handelsagentuur-overeenkomst betrof. Arcasita besloot dat ze onontvankelijk was, omdat de Spaanse rechter bevoegd was en het Spaanse recht toepasselijk. Ondergeschikt achtte Arcasita de vordering ongegrond. Zij stelde dat de schuld niet bewezen werd aan de hand van de stukken die Woodstar voorlegde en verwees naar diverse protesten, die zij geformuleerd had bij de facturen waarvan betaling was gevorderd en die zonder reactie waren gebleven.

Bij tegeneis vorderde Arcasita de veroordeling van Woodstar tot betaling van een uitwinningsvergoeding van 22.223,98 EUR, een aanvullende schadevergoeding van 50.000,00 EUR en "1,00 EUR provisioneel, begroot op 20.000,00 EUR" voor nog niet bekend zijnde of verzwegen commissies. Ten slotte vroeg zij de veroordeling van Woodstar tot de gedingkosten.

3. Woodstar, die volhardde in haar vordering, vroeg in conclusies bovendien om Arcasita minstens tot dezelfde bedragen te veroordelen uit hoofde van openstaande facturen. Met betrekking tot de tegeneis van Arcasita besloot Woodstar dat de geadieerde rechtbank geen rechtsmacht had, minstens niet bevoegd was en dat deze tegeneis ongegrond was.

Woodstar stelde dat zij haar hoofdeis steunde op de dading, die voorzag in de "bevoegdheid" van de rechtbank van Kortrijk. Bovendien argumenteerde zij dat de facturen, waarvan zij betaling vorderde en die protestloos aanvaard waren, bepaalden dat ze op rekeningen in België dienden betaald te worden, zodat ook op basis daarvan de Belgische rechtbanken kennis konden nemen van de zaak.

Ten slotte steunde zij de "bevoegdheid" van de Kortrijkse rechtbank op het feit dat het geschil betrekking had op internationale koopverkoop-overeenkomsten en dat, volgens het daarop toepasselijke Weens Koopverdrag, de prijs diende betaald te worden in de vestiging van de verkoper.

Ten gronde stelde Woodstar dat het bedrag van 52.439,44 EUR, vermeld in de dading, mocht verminderd worden met de commissies vanaf november 2003, die 4.974,73 EUR bedroegen. Arcasita bracht volgens haar evenwel ten onrechte 926,83 EUR in mindering, die betrekking had op twee facturen, die aanvaard waren en begrepen in de dading. Woodstar stelde dat de betalingen, die Arcasita uitvoerde, met haar instemming waren toegerekend op de nieuwe facturen.

Wat de tegeneis betrof, die steunde op een handelsagentuur-overeenkomst, stelde Woodstar dat de Belgische rechtbanken daarvan geen kennis konden nemen en dat het Belgische recht daarop niet van toepassing was. Ondergeschikt argumenteerde Woodstar dat er geen handelsagentuurovereenkomst tussen partijen bestond, dat zij geen einde gesteld heeft aan de samenwerking en dat Arcasita geen aanspraak kon maken op uitwinningsvergoeding of op een aanvullende schadevergoeding. Ten slotte stelde Woodstar dat er geen enkel bewijs was dat zij commissies zou verzwegen hebben.

4. In het vonnis van 24 november 2005 stelde de eerste rechter dat de vordering van Woodstar, zoals geformuleerd in de dagvaarding, tweeledig was: enerzijds vorderde zij de uitvoering van een dading en anderzijds betaling voor diverse leveringen, waarvoor zij facturen heeft opgesteld. De eerste rechter verklaarde over rechtsmacht te beschikken wat de dading betrof, aangezien deze overeenkomst een forumbeding bevatte dat voldeed aan de voorwaarden van artikel 23 van de EEX Verordening.

De eerste rechter overwoog dat er een dubbele relatie bestond tussen partijen, waarbij Arcasita enerzijds optrad als tussenpersoon bij de totstandkoming van overeenkomsten, waarvoor zij een commissie ontving, terwijl zij anderzijds ook zelf goederen afnam bij Woodstar. Deze laatste commerciële relatie gaf aanleiding tot koopverkoop-overeenkomsten. Om de rechtsmacht te bepalen in verband met geschillen die daarop betrekking hadden, diende volgens de eerste rechter nagegaan te worden of er tussen partijen een overeenkomst bestond over de plaats van levering. Aangezien de partijen daarover geen standpunt hadden ingenomen, heropende de eerste rechter daaromtrent de debatten.

Hij verzocht de partijen tevens om standpunt in te nemen "krachtens de bepalingen van het Weens Koopverdrag over de grond van de zaak." Verder stelde de eerste rechter dat hij over geen rechtsmacht beschikte wat de tegenvordering betrof, die steunde op de handelsagentuur-overeenkomst.

Ten gronde oordeelde hij dat er, op grond van de dading en na aftrek van de commissies, in principe nog 49.491,59 EUR verschuldigd was. Wat het bedrag van 926,83 EUR betrof, dat volgens Arcasita nog in mindering diende gebracht te worden, stelde de eerste rechter vast dat Arcasita geen uitleg gaf over het feit dat er twee facturen bestonden met hetzelfde factuurnummer, doch met een ander bedrag. Hij verzocht Woodstar daarover standpunt in te nemen en haar uitgaand factuurboek voor te leggen. Verder vroeg hij de partijen ook verder standpunt in te nemen nopens het geschil omtrent de betaling van de facturen voor wat de leveringen na de dading betreft.

5. In het vonnis van 21 september 2006 overwoog de eerste rechter dat er geen samenhang was tussen de vordering op grond van de dading en deze op grond van de facturen. Hij stelde vast dat de partijen niet uitdrukkelijk een plaats van levering waren overeengekomen. Op grond van artikel 31, eerste lid a) van het toepasselijke Weens Koopverdrag besloot hij dat de goederen geacht werden te zijn geleverd door afgifte aan de vervoerder te Avelgem, zodat hij over rechtsmacht beschikte voor de vordering uit hoofde van de koopverkoopovereenkomsten.

Ten gronde stelde de eerste rechter vast dat Woodstar er uiteindelijk mee instemde dat van de schuld op grond van de dading nog 926,83 EUR werd afgetrokken, zodat het verschuldigde saldo uit hoofde daarvan nog 48.564,76 EUR bedroeg.

Wat de vordering op grond van de openstaande facturen betrof, overwoog de eerste rechter dat, volgens de klantenfiche van Arcasita uit de boekhouding van Woodstar, na het afsluiten van de dading nog facturen en creditnota's werden opgesteld, waaruit een saldo van 35.767,10 EUR bleek in het voordeel van Woodstar. Verder bleek uit de boekhouding van Woodstar dat na 8 april 2004 een bedrag van 50.000,00 EUR werd betaald, doch dat tevens nog een boeking in debet van 15.000,00 EUR gebeurde, waartegenover evenwel geen factuur stond. De eerste rechter heropende opnieuw de debatten, teneinde daarover uitleg te krijgen, evenals om in het bezit gesteld te worden van een in het vonnis nader omschreven factuur en drie creditnota's.

Alvorens standpunt in te nemen over de vraag op welke schulden de betaling van 50.000,00 EUR diende aangerekend te worden, verzocht de eerste rechter de partijen standpunt in te nemen over de eventuele compensatie daarvan met de commissies voor 2.026,89 EUR, waarop Arcasita nog gerechtigd was. Verder vroeg hij in het bezit gesteld te worden door Woodstar van het klantenoverzicht van de klant Amparo, teneinde duidelijkheid te bekomen over de vraag waarop een betaling van 34.060,10 EUR van Arcasita betrekking had, die volgens Woodstar bestemd was om een schuld van Amparo te vereffenen. Vooraleer zich uit te spreken over de door Arcasita ingeroepen gebreken aan de levering EAC nr. 940, verzocht de eerste rechter Woodstar daarover standpunt in te nemen.

6. In conclusies na het vonnis van 21 september 2006 volhardde Woodstar in haar eis en Arcasita in de afwijzing ervan. Zij vorderde bij tegeneis de terugbetaling door Woodstar van het volgens haar teveel betaalde bedrag van 2.762,34 EUR, meer de nalatigheidsintresten vanaf 31 mei 2004 en de gerechtelijke intresten tot de dag van de algehele betaling.

7. Met het vonnis van 8 november 2007 veroordeelde de eerste rechter Arcasita tot betaling aan Woodstar van 47.304,97 EUR, te vermeerderen met de verwijlrente vanaf 28 oktober 2004 tot aan de datum van dagvaarding en vanaf die datum tot aan de dag van de betaling de gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet. De tegeneis verklaarde hij ontvankelijk, doch ongegrond, en hij veroordeelde Arcasita tot de gedingkosten.

De eerste rechter stelde vast dat de factuur 20040247, waarvan hij de voorlegging had gevraagd, betrekking had op de levering van twee woningen te Sant Pere de Ribes voor 70.711,00 EUR en dat deze factuur gecrediteerd werd middels de creditnota's 04254 en 05060. In deze laatste creditnota werd tevens 15.000,00 EUR in mindering gebracht als vergoeding voor de montage van Arcasita. Verder bleek uit de boekhouding van Woodstar dat op 8 oktober 2004 een bedrag van 49.060,10 EUR in mindering werd gebracht wegens een cheque die zij ontvangen had van Arcasita tot beloop van 34.060,10 EUR, verhoogd met de montagekosten van 15.000,00 EUR. De eerste rechter kwam tot de bevinding dat de som van 34.060,10 EUR betrekking had op een schuld van een derde, met name Amparo, zodat zij niet kon aangerekend worden op de openstaande facturen van Arcasita ten aanzien van Woodstar. Ook met betrekking tot de som van 15.000,00 EUR besloot de eerste rechter dat zij niet als een betaling van de schuld van Arcasita kon aangerekend worden.

De eerste rechter besloot dat voor leveringen na het afsluiten van de dading een totaal bedrag van 50.767,10 EUR verschuldigd was. Samen met het resterende saldo op grond van de dading, bedroeg de schuld 99.331,86 EUR. Hij overwoog dat Woodstar niet aantoonde dat de door Arcasita uitgevoerde betalingen, in afwijking van artikel 1256 B.W., eerst dienden aangerekend te worden op de facturen die na de dading waren opgesteld. Arcasita bleef volgens hem aan Woodstar nog 99.331,86 EUR - 50.000,00 EUR (betalingen) - 2.026,89 EUR (openstaande commissie) = 47.304,97 EUR in hoofdsom verschuldigd, vermeerderd met moratoire rente vanaf 28 oktober 2004. Het verweer op grond van de beweerde gebreken, wees de eerste rechter af.

III.

1. In de zaak, gekend onder het nr. 2008/AR/1180 der algemene rol, waarbij Arcasita verklaarde hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 8 november 2007, vroeg zij uiteindelijk de initiële vordering ongegrond te horen verklaren, haar initiële tegenvordering ontvankelijk en gegrond te horen verklaren voor 2.762,34 EUR, meer de nalatigheids- en gerechtelijke intresten vanaf 31 mei 2004 tot de dag der algehele betaling. Bovendien vorderde zij dat het hof Woodstar veroordeelde "in gevolge de verbreking van de overeenkomst ten hare laste" tot betaling van een uitwinningsvergoeding van 22.223,98 EUR, een bijkomende schadevergoeding van 50.000,00 EUR ex aequo et bono, o.a. wegens onbetaald gebleven facturen, omzetdaling, gederfde commissies en aantasting van de goede naam, en een provisionele vergoeding van 1,00 EUR begroot op 20.000,00 EUR voor nog niet bekend zijnde en verzwegen commissies. Ten slotte vorderde zij de veroordeling van Woodstar tot de gedingkosten.

Nadat zij bij twee afzonderlijke verzoekschriften tot hoger beroep, beide neergelegd ter griffie van dit hof op 21 december 2009, respectievelijk in de zaken nrs. 2009/AR/3237 en 2009/AR/3238 der algemene rol bovendien hoger beroep had aangetekend tegen de vonnissen van 24 november 2005 en 21 september 2006, vraagt zij thans de samenvoeging van de drie hoger beroepen. Zij vordert dat de drie vonnissen vernietigd worden, dat de initiële hoofdvordering onontvankelijk wordt verklaard en dat voor recht gezegd wordt dat de Belgische rechtbanken "onbevoegd" zijn en het hof van beroep geen rechtsmacht heeft. In ondergeschikte orde besluit zij tot de ongegrondheid van de initiële hoofdvordering.

Eveneens in ondergeschikte orde vraagt Arcasita de initiële tegenvordering ontvankelijk en gegrond te verklaren voor 2.762,34 EUR, meer nalatigheids- en gerechtelijke intresten vanaf 31 mei 2004 tot de dag der algehele betaling. Bovendien vordert zij Woodstar te horen veroordelen, ingevolge de verbreking van de overeenkomst te haren laste, tot een uitwinningsvergoeding van 22.223,98 EUR, een bijkomende schadevergoeding van 50.000,00 EUR en een provisionele vergoeding van 1,00 EUR begroot op 20.000,00 EUR voor commissies.

Ten slotte vraagt zij dat alle intresten overeenkomstig artikel 1154 B.W. gekapitaliseerd worden en dat Woodstar veroordeeld wordt tot de gedingkosten in beide aanleggen.

2. Woodstar besluit tot de onontvankelijkheid, ontoelaatbaarheid, minstens ongegrondheid van het hoger beroep. Zij stelt incidenteel hoger beroep in dat er toe strekt te zeggen voor recht dat de betalingen na 8 april 2004 dienen toegerekend te worden op de nieuwe leveringen en vraagt dat Arcasita veroordeeld wordt tot de gedingkosten.

3. De middelen en argumenten die beide partijen formuleren en ontwikkelen in hun uitvoerige conclusies, zullen hierna behandeld worden in de mate dat zij dienend zijn.

Beoordeling

I.

1. Woodstar heeft het vonnis van 8 november 2007 op 31 december 2007 laten betekenen aan Arcasita overeenkomstig de op dat ogenblik toepasselijke Verordening 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of handelszaken. Deze betekening geschiedde per aangetekend schrijven met kennisgeving van ontvangst, verzonden naar het adres van Arcasita te Spanje. Volgens Woodstar is het hoger beroep tegen dit vonnis, ingesteld bij verzoekschrift tot hoger beroep, laattijdig.

Arcasita heeft van meet af aan woonplaats gekozen bij haar raadsman meester Lips, op diens kantoor te Gent, Vogelmarkt 9. Zij heeft zulks bevestigd in elke procedureakte die ze heeft neergelegd, zowel voor de eerste rechter als in hoger beroep.

Wanneer de geadresseerde bij een lasthebber woonplaats heeft gekozen, mogen de betekening en de kennisgeving aan die woonplaats geschieden (artikel 39 Ger.W.). Als een partij een woonplaats heeft gekozen, moet de betekening op die gekozen woonplaats gebeuren. De partij die laat betekenen heeft in dat geval geen keuzemogelijkheid tussen de betekening overeenkomstig artikel 39 Ger.W. en artikel 35 Ger.W. (CASS. 22 juni 2007, RABG 1007, 1146). Wanneer, zoals in het voorliggend geval, de partij op wiens verzoek de betekening is verricht, de gekozen woonplaats in België van de betekende partij kende, moet zij, op straffe van nietigheid van de betekening, de woonstkeuze eerbiedigen (vgl. art. 40, vierde lid Ger.W.).

Het vonnis werd aldus niet geldig betekend aan Arcasita, ongeacht of zij daardoor belangenschade heeft geleden (vgl. CASS. 15 september 1993, Arr. Cass. 1993, 700). De omstandigheid dat de eerste rechter de woonstkeuze niet vermeld heeft in het betreffende vonnis - noch in de tussenvonnissen - belet niet dat Arcasita een gekozen woonplaats had en dat Woodstar daarvan kennis had. Bij gebrek aan geldige betekening van het vonnis van 8 november 2007, heeft de beroepstermijn geen aanvang genomen en is het hoger beroep tijdig ingesteld.

De loutere bewering dat het hoger beroep van Arcasita dilatoir is en dat zij enkel het bestreden vonnis aanvecht om tijd te winnen, heeft niet de ontoelaatbaarheid of onontvankelijkheid van het hoger beroep tot gevolg. Woodstar had overigens zelf de afhandeling van het geschil kunnen bespoedigen door korte tijd na de uitspraak het vonnis te laten betekenen aan de gekozen woonplaats van Arcasita.

Aangezien Woodstar geen andere gronden van onontvankelijkheid of ontoelaatbaarheid van het hoger beroep tegen het vonnis van 8 november 2007 opwerpt en het hof er evenmin vaststelt, die ambtshalve dienen opgeworpen te worden, is dit hoger beroep toelaatbaar en ontvankelijk.

2. Hetzelfde geldt ook voor de hoger beroepen, ingesteld op 21 december 2009 tegen de vonnissen van 24 november 2005 en 21 september 2006. Er ligt geen betekening van deze vonnissen voor en de partijen houden evenmin voor dat ze betekend werden.

2.1. Woodstar kan niet bijgetreden worden, waar zij voorhoudt dat Arcasita berust heeft in deze tussenvonnissen. Berusting in een beslissing is afstand doen van de rechtsmiddelen die een partij tegen alle of sommige punten van die beslissing kan aanwenden of reeds heeft aangewend (artikel 1044, eerste lid Ger.W.). De uitdrukkelijke berusting geschiedt bij eenvoudige akte, ondertekend door de partij of haar bijzondere gevolmachtigde. De stilzwijgende berusting kan enkel worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit blijkt dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de gewezen beslissing (art. 1045 Ger.W.).

Er ligt geen berustingsakte voor en er zijn evenmin bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit het vaste voornemen van Arcasita om te berusten in de vonnissen van 24 november 2005 en 21 september 2006 kan worden afgeleid. Uit de enkele omstandigheid dat Arcasita bij het instellen van haar hoger beroep op 5 mei 2008 enkel het vonnis van 8 november 2007 als bestreden vonnis vermeldde, kan niet worden besloten dat zij afstand deed van haar recht om hoger beroep aan te tekenen tegen de vonnissen van 24 november 2005 en 21 september 2006.

Uit de middelen die Arcasita formuleerde in haar beroepsakte van 5 mei 2008 blijkt integendeel dat zij niet instemde met de beslissingen, genomen in de twee tussenvonnissen en dat zij daartegen impliciet maar duidelijk grieven aanvoerde. Aldus stelde Arcasita onder meer dat de betalingen die Woodstar vorderde in haar inleidende dagvaarding hun grondslag niet vonden in de dading, maar in later uitgevoerde leveringen, terwijl de eerste rechter in het vonnis van 24 november 2005 gesteld had dat de vordering tweeledig was en onder meer de uitvoering van de dading betrof. Verder oordeelde de eerste rechter in hetzelfde tussenvonnis dat tussen partijen een dubbele relatie bestond, waaronder één die aanleiding gaf tot koopverkoop-overeenkomsten. Arcasita argumenteerde in haar beroepsakte tegen het eindvonnis dat er enkel sprake was van een handelsagentuur-overeenkomst. Arcasita hernam in haar beroepsakte van 5 mei 2008 haar vorderingen uit de handelsagentuurovereenkomst, alhoewel de eerste rechter in het tussenvonnis van 24 november 2005 beslist had dat hij over geen rechtsmacht beschikte om daarover te oordelen. Waar de eerste rechter ten slotte in het tussenvonnis van 24 november 2005 besliste dat Arcasita principieel nog een som verschuldigd was uit hoofde van de dading, betwistte Arcasita dit.

Uit de inhoud van de beroepsakte blijkt aldus duidelijk dat Arcasita haar hoger beroep niet beperkte tot het eindvonnis van 8 november 2007, terwijl er evenmin andere gegevens zijn, waaruit met zekerheid kan besloten worden dat zij berustte in de tussenvonnissen.

2.2. Evenmin heeft Arcasita haar recht om hoger beroep aan te tekenen tegen de twee tussenvonnissen verwerkt. Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel dat de houder van een recht dit recht verliest, indien hij een houding aanneemt, die strijdig is met de uitoefening ervan. Door het niet onmiddellijk uitoefenen of niet verder uitoefenen van een recht en evenmin door een houding aan te nemen als zou hij het niet uitoefenen of verder uitoefenen, verliest de schuldeiser zijn recht niet, tenzij er sprake is van afstand van recht, verjaring of rechtsmisbruik of indien de wet uitzonderingen bepaalt (vgl. CASS., 17 oktober 2008, Pas. 2008, 2278).

Rechtsverwerking veronderstelt concrete gedragingen van een partij die het oordeel rechtvaardigen dat vanwege die partij niet kan worden teruggekomen op het ingenomen standpunt (vgl. CASS. 12 mei 1989, Arr. Cass 1988-89, 1062). Het loutere feit dat Arcasita pas op 21 december 2009 hoger beroep heeft ingesteld tegen de tussenvonnissen van 24 november 2005 en 21 september 2006 geldt niet als zodanig. Woodstar toont het bestaan niet aan van bijzondere begeleidende omstandigheden noch concrete gedragingen, op grond waarvan Woodstar er rechtmatig kon op vertrouwen dat zij geen hoger beroep meer zou instellen tegen deze tussenvonnissen. De inhoud van haar beroepsakte en conclusies inzake het hoger beroep tegen het eindvonnis lieten het tegendeel veronderstellen. Ten slotte was het recht om hoger beroep in te stellen evenmin verjaard, noch was er sprake van rechtsmisbruik of enige wettelijke bepaling, dat Arcasita het recht ontzegde om vooralsnog hoger beroep in te stellen.

3. In de mate dat Arcasita tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep heeft aangetekend tegen de beide tussenvonnissen en het eindvonnis en zij bovendien reeds in haar initiële beroepsakte impliciet, doch duidelijk de beslissingen, genomen in de tussenvonnissen, die haar griefden, aanvocht, heeft Arcasita het gezag van gewijsde, verbonden aan de tussenvonnissen van 24 november 2005 en 21 september 2006 niet geschonden door hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 8 november 2007.

II.

1. Arcasita besluit tot de onontvankelijkheid van de vordering van Woodstar omdat de Belgische rechtbanken "onbevoegd" zijn en dit hof bijgevolg geen rechtsmacht heeft.

De vordering van Woodstar strekte er volgens haar inleidende dagvaarding toe betaling te bekomen van een som, die Arcasita volgens haar verschuldigd was ingevolge en dading en ingevolge daarna nog gedane leveringen. Volgens Arcasita vindt het geschil evenwel zijn oorsprong in een handelsagentuurovereenkomst die tussen partijen heeft bestaan. Minstens gaat het om koopverkoopovereenkomsten. In beide gevallen zijn volgens haar de Belgische rechtbanken niet bevoegd.

Deze exceptie betreft de internationale rechtsmacht van de Belgische rechtbanken. Arcasita houdt immers niet voor dat een andere Belgische rechtbank dan de rechtbank van koophandel te Kortrijk bevoegd was om van het geschil in eerste aanleg kennis te nemen, maar wel dat het niet tot het imperium van de Belgische rechterlijke orde behoort (vgl.: LAENENS, J., BROECKX, K., SCHEERS, D. en THIRIAR, P., Handboek Gerechtelijk Recht, tweede editie, 2008, nr. 414-416, p. 227-228).

2. Naar Belgisch recht moet de bevoegdheid worden bepaald naar het onderwerp van de vordering en worden beoordeeld, niet naar het door de feitenrechter vast te stellen werkelijke onderwerp van het geschil, maar wel naar de vordering zoals zij door de eiser is voorgedragen (vgl.: CASS. 19 december 1985, Arr. Cass. 1985-86, 58; CASS. 6 maart 1987, Arr. Cass. 1986-87, 894; CASS. 13 juni 2003, Arr. Cass. 2003, 1380) Elk prejudicieel onderzoek van de grond van de zaak, met het oog op de beslechting van een bevoegdheidsgeschil, wordt door het Hof van Cassatie afgewezen. Ook de internationale rechtsmacht van de Belgische rechtbanken ten aanzien van vreemdelingen of buitenlandse rechtspersonen moet worden beoordeeld rekening gehouden met het voorwerp van de vordering zoals bepaald in de dagvaarding. Er dient aldus onderzocht te worden of de Belgische rechtbanken over rechtsmacht beschikken om zich uit te spreken over de vordering die Woodstar, een Belgische vennootschap met zetel in België, instelt op grond van een dading met Arcasita, een Spaanse vennootschap met zetel in Spanje en wegens leveringen aan deze Spaanse vennootschap. De omstandigheid dat Arcasita betwist dat dit de grondslag(en) zijn voor deze vordering, doet daaraan geen afbreuk (vgl. H.V.J, 4 maart 1982, J.T., 1982, 599).

3. De vraag welke rechter kan oordelen over het voorliggend geschil, waaromtrent de rechtsvordering werd ingesteld op 29 december 2004, dient beslecht te worden op grond van de regels vervat in de Verordening (EG) 44/2001 van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna "de EEX-Verordening").

4. Krachtens de algemene bepaling van artikel 2 van de EEX-Verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Zij kunnen slechts voor de rechtbanken van een andere lidstaat worden opgeroepen op één van de gronden, aangehaald in de artikelen 5 tot en met 24 van de EEX-Verordening (art. 3.1 EEX-Verordening).

5. Wanneer de partijen, van wie er tenminste één woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van de geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van deze lidstaat bevoegd (artikel 23.1 EEX-Verordening). Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten:

- hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst,

- hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen partijen gebruikelijk zijn geworden,

- hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen (artikel 23.1 EEX-Verordening).

In zover de vordering van Woodstar de overeenkomst van 8 april 2004 tot grondslag heeft, beschikken de Belgische rechtbanken over rechtsmacht en is de rechtbank van koophandel te Kortrijk (in eerste aanleg en dit hof in hoger beroep) bevoegd. Daarin wordt immers bedongen dat in geval van betwisting enkel de rechtbanken van Kortrijk bevoegd zijn. De Spaanse raadsman van Arcasita verklaarde trouwens in een faxbericht van 1 februari 2005: "Terzake afspraken die op 08/04/2004 zouden zijn gemaakt erkent gedaagde enkel de forumkeuze Voor de rechtbank te Kortrijk."

6. De overeenkomst van 8 april 2004, waarop Woodstar haar vordering steunt, betrof enerzijds een regeling voor de geschillen die op dat ogenblik bestonden tussen Woodstar en Arcasita en tussen Arcasita en Arena. Deze regeling hield onder meer in dat Arcasita zich ertoe verbond nog 52.439,44 EUR te betalen aan Woodstar tot slot van alle rekeningen, zoals afgesloten op 6 april 2004. Anderzijds werd in dezelfde overeenkomst een regeling uitgewerkt voor de leveringen van na deze datum: zij dienden betaald te worden met een cheque die verviel 45 dagen na de leveringen en er zouden geen nieuwe leveringen worden uitgevoerd zolang de vorige niet waren betaald.

De vordering van Woodstar betreft het saldo dat volgens haar verschuldigd blijkt volgens het rekeninguittreksel, dat gehecht is aan de inleidende dagvaarding en waarin zowel het bedrag vermeld is dat volgens de dading voor het verleden schuldig bleef, als de aangerekende sommen voor latere leveringen. Daarvan worden, naast creditnota's, betalingen in mindering gebracht, die door Arcasita werden verricht en die volgens Woodstar dienen aangerekend te worden op de latere leveringen. Volgens Arcasita moeten ze eerst aangerekend worden op de voormelde som van 52.439,44 EUR. Naar gelang van de wijze van aanrekening, betreft het gevorderde saldo aldus ofwel de som waaromtrent een dading werd gesloten bij overeenkomst van 8 april 2004, dan wel de prijs voor de later geleverde goederen, waaromtrent eveneens afspraken gemaakt werden in dezelfde overeenkomst van 8 april 2004. Gelet op het daarin bedongen forumbeding, beschikte de eerste rechter over rechtsmacht en bevoegdheid om deze vordering in al haar aspecten te behandelen.

7. Ten onrechte houdt Arcasita voor dat de vordering van Woodstar haar grondslag vindt in een handelsagentuurovereenkomst die tussen partijen bestond en waarop het Spaanse recht van toepassing is. Volgens de wet 12/1992 van 27 mei 1992 die, zoals de Belgische wet van 13 april 1995, de Europese Richtlijn 86/653 van 18 december 1986 tot coördinatie van de wetgevingen inzake zelfstandige handelsagenten implementeert, is de handelsagent een onafhankelijk bemiddelaar, die bij voortduring en tegen beloning, handel of handelstransacties bevordert voor andermans rekening of handel bevordert en handelstransacties sluit in andermans naam en voor andermans rekening, zonder het risico en de verantwoordelijkheid voor deze transacties op zich te nemen, tenzij anders bepaald (vrije vertaling van artikel 1 van de wet 12/1992).

De vordering van Woodstar, zoals geformuleerd in haar inleidende dagvaarding, strekt tot betaling van sommen die Arcasita volgens haar verschuldigd is op grond van leveringen van goederen die aan Arcasita werden verricht en waarvoor deze laatste niet slechts als bemiddelaar optrad, maar die zij zelf aankocht, om ze al dan niet door te verkopen. Arcasita toont niet aan de vordering betrekking heeft op goederen die Woodstar rechtstreeks aan derden verkocht, doch waaromtrent tussen partijen zou zijn overeengekomen dat Arcasita diende in te staan voor de betaling van de prijs ervan.

8. De tegeneis van Arcasita, die ertoe strekt een uitwinnings-vergoeding, een aanvullende vergoeding en betaling van achterstallige commissies te bekomen, vloeit wel voort uit een vermeende handelsagentuurovereenkomst.

Woodstar, die daarin bijgetreden wordt door de eerste rechter, komt op grond van artikel 5.1.b), tweede streepje van de EEX-Verordening tot het besluit dat alleen de Spaanse rechtbanken rechtsmacht hebben om zich over deze vordering uit te spreken. Krachtens artikel 5 EEX-Verordening kan een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, in een andere lidstaat, ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst worden opgeroepen voor de gerechten van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Voor de toepassing van deze bepaling en tenzij anders is overeengekomen, is de plaats van de uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden.

De mogelijkheid voor een partij om zich te beroepen op artikel 5 EEX-Verordening ("kan") doet geen afbreuk aan de algemene regel van artikel 2 EEX-Verordening, op grond waarvan zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen worden voor de gerechten van die lidstaat. Arcasita kan aldus op grond van artikel 2 EEX-Verordening haar vordering uit de handelsagentuurovereenkomst, ten aanzien van Woodstar, die haar zetel heeft in België, stellen voor de Belgische rechtbank, binnen wiens rechtsgebied deze zetel gevestigd is.

III.

1. Ten gronde is er als zodanig geen betwisting over het feit dat Arcasita, op grond van de overeenkomst van 8 april 2004, tot slot van alle rekeningen voor de periode tot 6 april 2004, de som van 52.439,44 EUR verschuldigd was. In de overeenkomst van 8 april 2004 werd vermeld dat daarin geen rekening gehouden werd met de commissies vanaf november 2003. Woodstar heeft opgave gedaan van commissies voor een totale som van 4.974,73 EUR. Daarvan heeft een bedrag van 2.947,85 EUR betrekking op de periode vanaf november 2003 tot het tijdstip van de dading.

Bovendien verklaarde Woodstar er zich in de loop van het geding voor de eerste rechter mee akkoord dat 926,83 EUR in mindering werd gebracht, omdat het uiteindelijk bedrag van twee facturen, die opgenomen waren in de dading, lager was dan oorspronkelijk vermeld. Zonder rekening te houden met de leveringen en commissies, die dateren van na de periode waarop de dading betrekking heeft, bleef Arcasita aldus 52.439,44 - 2.947,85 - 926,83 = 48.564,76 EUR ver-schuldigd aan Woodstar.

2. In het rekeninguittreksel, gehecht aan haar inleidende dagvaarding, vermeldde Woodstar de volgende facturen, die dateerden van na de overeenkomst van 8 april 2004:

- 20040129 van 30 april 2004: 7.423,32 EUR

- 20040155 van 21 mei 2004: 10.373,98 EUR

- 20040169 van 1 juni 2004: 2.225,29 EUR

- 20040207 van 30 juni 2004: 12.335,70 EUR

- 20040263 van 30 augustus 2004: 2.380,99 EUR

- 20040303 van 5 oktober 2004: 17.092,82 EUR.

3. Arcasita, die als zodanig niet betwist deze facturen en de goederen die daarmee werden aangerekend, ontvangen te hebben, houdt voor diverse schriftelijke protesten te hebben geformuleerd. Ze verwijst in dit verband naar haar brieven van 12 augustus, 10 september, 20 september, 25 oktober en 10 november 2004. Nog afgezien van het feit dat deze protesten alvast laattijdig zouden zijn geweest, in zover ze betrekking zouden gehad hebben op de drie eerst vermelde facturen, stelt het hof vast dat geen van deze brieven een concreet en nauwkeurig protest inhoudt tegen een of meer wel bepaalde facturen.

4. Naast de voormelde facturen, stelde Woodstar op 20 juli 2004 ook nog een factuur 20040247 op van 70.711,00 EUR voor levering van twee woningen te Sant pere de Ribes. Deze factuur werd evenwel naderhand gecrediteerd door middel van creditnota's van 23 augustus 2004 (van 3.200,00 EUR) en van 21 april 2005 (voor een bedrag van 82.511,00 EUR) Deze laatste creditnota betrof, naast het saldo van de factuur van 20 juli 2004, ook nog 15.000,00 EUR voor "vergoeding voor montage bij Amparo".

5. Arcasita voerde betalingen uit voor 20.000,00 EUR op 5 mei 2004 en voor 30.000,00 EUR op 30 juni 2004. Volgens haar moet ook nog een betaling van 34.010,60 EUR aangerekend worden op de openstaande schuld. Op goede gronden heeft de eerste rechter geoordeeld dat dit een betaling betrof die Arcasita aan Woodstar verrichtte voor Amparo.

Woodstar stelde in haar faxbericht van 30 september 2004 dat Arcasita haar nog 34.010,60 EUR diende over te maken "voor wat Amparo betreft." Arcasita antwoordde op 4 oktober 2004 dat dit bedrag "maandag" zou worden opgestuurd. Op 7 oktober 2004 bevestigde Woodstar dan dat zij een cheque van 34.060,10 EUR had ontvangen voor Amparo. De overeenkomst van 8 april 2004 sloot de mogelijkheid daartoe niet uit.

Dat deze som in mindering zou dienen gebracht te worden van de openstaande schuld van Arcasita, wordt trouwens tegengesproken door de brief d.d. 1 februari 2005 van haar eigen Spaanse raadsman. Daarin wordt melding gemaakt van de correcties die volgens Arcasita dienden doorgevoerd te worden aan het rekeninguittreksel van Woodstar en waardoor het herleid diende te worden tot 46.893,21 EUR. Indien zij van oordeel was dat daarvan ook het in oktober 2004 betaalde bedrag van 34.060,10 EUR diende afgetrokken te worden, dan zou Arcasita dit ongetwijfeld hebben gedaan. Daarvan is evenwel geen sprake in de voormelde brief.

6. De eerste rechter heeft vastgesteld dat Woodstar op 8 oktober 2004 bij haar klant Amparo 49.060,10 EUR in mindering heeft gebracht. Dit bedrag stemt overeen met dat van de cheque van 34.060,10 EUR, vermeerderd met 15.000,00 EUR. Zij boekte de som van 49.060,10 EUR dezelfde dag in meer op de klantenfiche van Arcasita. Het bedrag van 15.000,00 EUR werd evenwel opnieuw afgeboekt met de hoger vermelde creditnota van 21 april 2005. Ongeacht de oorzaak van deze boekingen, betreft het hoe dan ook een nuloperatie, die voor het overige geen weerslag heeft op de afrekening van de partijen, terwijl Arcasita ook in hoger beroep nog steeds niet aantoont of voorhoudt aanspraak te kunnen maken op enige vergoeding in verband met de montage waarvan sprake in de creditnota.

7. Van de som, die verschuldigd is op grond van de facturen, die dateren van na de overeenkomst van 8 april 2004, dient wel nog het niet betwiste bedrag aan commissies, die betrekking hebben op dezelfde periode, in mindering te worden gebracht. Het betreft 2.026,89 EUR.

8. In haar rekeninguittreksel vermeldt Woodstar een creditnota d.d. 29 september 2004 van 1.065,00 EUR. Zij stelde deze creditnota op na het faxbericht d.d. 12 augustus 2004 waarin Arcasita geklaagd had over bepaalde tekortkomingen. Ook in hoger beroep legt Arcasita geen bewijskrachtige stukken voor waaruit zou kunnen besloten worden dat er grond was of is om een bijkomende korting of vergoeding toe te kennen.

Waar Woodstar bovendien voorhoudt dat een bestelling EAC 940, die geleverd werd op 5 oktober 2004, gebreken zou hebben vertoond, stelt het hof met de eerste rechter vast dat de loutere vermelding "bestelling EAC nr. 940 was zoals mijn foto's weer laten zien een fiasco" als "P.S." in een faxbericht van 25 oktober 2004, niet kan volstaan voor Arcasita om aanspraak te kunnen maken op een prijsvermindering of een schadevergoeding.

9. Wanneer in de kwijting geen sprake is van enige toerekening, moet de betaling toegerekend worden op de vervallen schulden die de schuldenaar het meest belang had te voldoen; anders gebeurt de toerekening op de vervallen schulden, alhoewel deze minder bezwarend is dan die welke niet vervallen zijn. Indien de schulden van gelijke aard zijn, geschiedt de toerekening op de oudste. (artikel 1256 B.W.).

Uit de loutere omstandigheid dat de overschrijvingen, waarmee op 30 juni 2004, in totaal 30.000,00 EUR betaald werd, de mededeling "pago facturas" of "betaling facturen" bevat, zonder nadere specifiëring, kan niet besloten worden dat Arcasita eerst de facturen betaalde, die dateerden van na de overeenkomst van 8 april 2004, in plaats van de oudere schuld uit hoofde van de dading, die trouwens ook facturen betrof. Evenmin kan Woodstar een argument putten uit het feit dat de gedane betalingen, die dateren van na de totstandkoming van de dading, in haar rekeninguittreksel vermeld staan tussen de facturen van na die datum. Daaruit blijkt geen akkoord over een specifieke toerekening van deze betalingen op wel bepaalde facturen, in afrekening van de wettelijke regels. Het incidenteel hoger beroep dat Woodstar op dit punt instelt, is dan ook ongegrond.

10. Rekening gehouden met al het voorgaande, wordt de afrekening in verband met de hoofdvordering, zoals ze gemaakt werd door de eerste rechter, integraal bevestigd.

11. Aangezien Arcasita nog een saldo verschuldigd is aan Woodstar, is haar tegenvordering tot het bekomen van een terugbetaling voor het beweerd teveel betaalde, ongegrond.

IV.

1. Uit de door Woodstar zelf gedane opgave van commissies, blijkt dat Arcasita niet enkel tuinhuizen van Woodstar aankocht, maar daarnaast ook "bij voortduring en tegen beloning" als onafhankelijk bemiddelaar optrad voor de totstandkoming van handelstransacties tussen Woodstar en Spaanse afnemers, zonder zelf het risico en de verantwoordelijkheid voor deze transacties op zich te nemen. Het hof neemt dan ook aan dat er een handelsagentuurovereenkomst in de zin van de Spaanse wet 12/1992 bestond tussen partijen.

2. Arcasita vordert een uitwinningsvergoeding en een aanvullende vergoeding, die onder de voorwaarden vermeld in de artikelen 28 en 29 van de wet van 27 mei 1992 verschuldigd zijn bij het beëindigen van de handelsagentuurovereenkomst.

Artikel 30 van dezelfde wet bepaalt evenwel dat de handelsagent geen recht heeft op deze vergoedingen indien de handelsagent de overeenkomst beëindigt, behalve indien de opzegging het gevolg is van omstandigheden die aan de principaal te wijten zijn, of gebaseerd zijn op leeftijd, invaliditeit of ziekte van de handelsagent en de voortzetting van de activiteiten redelijkerwijs niet kan geëist worden.

Uit geen enkel gegeven van het dossier blijkt dat Woodstar de agentuurovereenkomst met Arcasita heeft beëindigd.

Het is integendeel Arcasita die een einde gesteld heeft aan de samenwerking. Nadat zij reeds in haar brief van 12 augustus 2004 aan Woodstar te kennen had gegeven dat zij niet (meer) wenste te participeren aan een verkoop van (tuin)huizen voor een verdeler in La Marina, kondigde Arcasita bij brief d.d. 1 februari 2005 van haar raadsman aan de agentuurovereenkomst te zullen opzeggen, tenzij Woodstar een minnelijke schikking zou aanvaarden, die inhield dat zij aan Arcasita een uitwinningsvergoeding van 15.640,17 EUR of 16.246,17 EUR zou betalen. Daarmee gaf zij ondubbelzinnig haar intentie te kennen om een einde te stellen aan de overeenkomst. Het feit dat zij, nadat Woodstar geen gunstig gevolg gaf aan haar voorstel tot minnelijke schikking, haar beslissing tot opzegging niet meer herhaalde en geen opzeggingstermijn respecteerde, doet geen afspraak aan de vaststelling dat Arcasita een einde stelde aan de overeenkomst en niet langer bemiddelde in naam en voor rekening van Woodstar.

Bovendien toont Arcasita niet aan dat de beëindiging van de overeenkomst aan Woodstar te wijten was. Het loutere feit dat Woodstar niet instemde of zelfs niet reageerde op het voorstel om minstens 15.640,17 EUR uitwinningsvergoeding aan Arcasita te betalen, kon niet als een contractuele tekortkoming van Woodstar ingeroepen worden. Verder bewijst Arcasita geen tekortkomingen van Woodstar, die van die aard waren dat zij de beëindiging van de overeenkomst te haren laste konden verantwoorden. Ten slotte stelde Woodstar zelf evenmin handelingen, noch gedroeg zij zich zodanig dat daaruit kon afgeleid worden dat zij zelf een einde stelde aan de overeenkomst of de voortzetting ervan onmogelijk maakte.

Zoals uit de bespreking in verband met de hoofdvordering gebleken is, was het integendeel Arcasita die in gebreke bleef om haar betalingsverbintenis uit hoofde van een weliswaar andere rechtsverhouding tussen partijen na te komen.

Ten slotte was de beëindiging van de overeenkomst door Arcasita niet gebaseerd op leeftijd, invaliditeit of ziekte, waardoor de voortzetting van de activiteiten redelijkerwijs niet kon geëist worden.

3. Ten slotte maakt Arcasita aanspraak op achterstallige of "verzwegen commissies." Zij verklaart vernomen te hebben dat Woodstar rechtstreeks aan door haar aangebrachte klanten geleverd heeft, zonder kennisgeving daarvan aan Arcasita. Zij vraagt dat het hof Woodstar zou bevelen tot overlegging van haar uitgaande boek-houding.

Wanneer de agent aanspraak maakt op achterstallige commissie, rust op hem de bewijslast. Artikel 15, tweede lid van de Spaanse wet van 27 mei 1992 bepaalt dat de agent de voorlegging van de boekhouding van de principaal kan eisen, ten aanzien van de zaken nodig om al hetgeen te controleren met betrekking tot de provisie die hem toekomt. Bovendien heeft hij het recht de informatie te ontvangen, waarover de ondernemer beschikt en die nodig is om het bedrag te controleren. Deze bepaling impliceert niet dat de agent een rechtstreeks en onbeperkt inzagerecht krijgt in de boekhouding van de principaal. Dit controlerecht is doelgebonden en het mag niet verder gaan dan hetgeen de agent nodig heeft voor de berekening van zijn commissies.

Het hof stelt vast dat Arcasita, ook in hoger beroep, geen enkel concreet gegeven aanbrengt, aan de hand waarvan zij aannemelijk maakt dat er mogelijkerwijze transacties zouden zijn geweest, op grond waarvan zij commissie zou kunnen vorderen.

Arcasita deelt niet mee welke klanten zij heeft aangebracht en waarop deze transacties betrekking zouden hebben. Zij stelt enerzijds dat zij zelf niet in staat is aan te geven op welke zaken deze commissie betrekking zou kunnen hebben, maar beroept zich anderzijds wel op getuigen - waaromtrent zij geen gegevens of verklaringen voorlegt - die haar bewering zouden staven. Deze argumentatie mist alle ernst. Wanneer Arcasita meent dat getuigen haar vordering kunnen bewijzen, dan kan dit redelijkerwijze slechts zijn omdat zij ervan op de hoogte is dat de transacties, waarop de verklaring betrekking heeft, geen aanleiding hebben gegeven tot de toekenning van een commissie. En de betreffende getuigen kunnen redelijkerwijze slechts verklaren dat Arcasita voor de betreffende transacties geen commissie ontvangen heeft, wanneer Arcasita hen dit zelf heeft meegedeeld.

In die omstandigheden kan de loutere, door geen enkel concreet gegeven aannemelijk gemaakte, verklaring van Arcasita dat zij nog commissies te goed heeft, niet volstaan om Woodstar te verplichten haar boekhouding voor te leggen.

Aangezien Arcasita ook dit onderdeel van haar tegenvordering niet bewijst, is zij volledig ongegrond.

V.

1. Rekening houdend met de gegrondheid van de vordering van Woodstar en de ongegrondheid van de vordering van Arcasita, heeft de eerste rechter op passende wijze de gedingkosten in eerste aanleg ten laste gelegd van Arcasita.

2. In zover het hoger beroep van Arcasita de hoofdvordering betreft, wordt het ongegrond verklaard. Het hof komt weliswaar, in tegenstelling tot de eerste rechter, tot het besluit dat het rechtsmacht en bevoegdheid heeft om kennis te nemen van de tegenvordering van Arcasita, die steunt op de agentuurovereenkomst, doch deze vordering wordt ongegrond bevonden. Ook het incidenteel hoger beroep is eveneens ongegrond.

Rekening gehouden daarmee zijn de gerechtskosten in hoger beroep ten laste van Arcasita, met dien verstande dat de wederzijdse rechtsplegingsvergoedingen in hoger beroep, door beide partijen begroot op 6.000,00 EUR, elkaar compenseren.

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Voegt de zaken met de nr. 2008/AR/1180, nr. 2009/AR/3237 en nr. 2009/AR/3238 der algemene rol samen;

Verklaart de hoger beroepen van de vennootschap naar Spaans recht Arcasita 2000 SL en het incidenteel hoger beroep van de nv Woodstar ontvankelijk, het eerste in zeer beperkte mate gegrond en het tweede ongegrond;

Bevestigt de bestreden vonnissen, zij het deels op andere gronden, behalve in zover de eerste rechter besliste over geen rechtsmacht te beschikken in verband met de tegenvordering op grond van de handelsagentuurovereenkomst;

En, rechtsprekend over deze tegenvordering, verklaart over rechtsmacht te beschikken en bevoegd te zijn en wijst ze af als ontvankelijk, doch ongegrond;

Veroordeelt de vennootschap naar Spaans recht Arcasita 2000 SL tot de gedingkosten in hoger beroep, aan haar zijde niet te begroten aangezien zij te haren laste zijn; zegt dat de wederzijdse rechtsplegingsvergoedingen elkaar compenseren;

Onverminderd de toepassing van artikel 1024 van het gerechtelijk wetboek.

Aldus gewezen door de 12e kamer van het Hof van Beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit

- A. Van de Putte, raadsheer, waarnemend voorzitter ;

- E. Dursin, raadsheer;

- G. Danneels, raadsheer;

en uitgesproken door de raadsheer wn. Voorzitter van de kamer

in openbare terechtzitting van 2-6-2010

bijgestaan door Bart De Wilde, griffier.