Hof van Beroep: Arrest van 27 Maart 1992 (Gent)

Date :
27-03-1992
Langue :
Néerlandais
Taille :
1 page
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19920327-1
Numéro de rôle :

Résumé :

Het verzoek tot toewijzing van een zaak aan een Kamer met drie raadsheren kan niet worden ingewilligd, tenzij het verzoek ingediend werd bij aangetekend schrijven binnen dertig dagen vanaf de kennisgeving van de akte van hoger beroep. Krachtens artikel 109bis, alinéa 2, 4e lid van het Gerechtelijk Wetboek, is de termijn voorgeschreven op straffe van verval. Bij gebrek aan belang is hoger beroep gericht tegen één van de verweerders niet toelaatbaar indien de aanlegger, die hoger beroep heeft ingesteld, de volledige veroordeling van die verweerder heeft verkregen. Opdat de bank op grond van artikel 1384, derde lid van het Burgerlijk Wetboek voor handelingen van haar aangestelden aansprakelijk zou kunnen gesteld worden, is vereist dat de middelen die de aangestelde beschikbaar werden gesteld, zouden zijn misbruikt om persoonlijke doeleinden na te streven. Is dit het geval, dan handelt hij voor eigen rekening en voert hij niet langer een opdracht uit voor rekening van de opdrachtgever. De omstandigheid dat de opdrachtgever zich in een strafrechtelijke procedure tegen de aangestelde burgerlijke partij heeft gesteld en één frank schadevergoeding heeft verkregen, betekent allerminst dat de aangestelde de feiten in zijn dienst zou hebben gepleegd. Schijnmandaat stelt voorop dat 1° de schijnvertegenwoordiger de schijn verwekt heeft voor rekening van zijn opdrachtgever te zijn opgetreden; 2° dat de schijnbare toestand aan de laatste toe te rekenen was en 3° de schadelijdende derde te goeder trouw heeft gehandeld. Derden die met de agent hebben gehandeld kunnen slechts te goeder trouw zijn geweest als zij niet wisten en evenmin behoorden te weten wat de ware toedracht van de zaak was. De omstandigheid dat de schadelijdende derde niet als mededader van de schuldige werd vervolgd, is irrelevant voor de beoordeling van de goede trouw van eerstgenoemde. De verlokking om voor beleggingen een hogere dan de normale rente te verkrijgen en de verzekering om - in strijd met de vigerende wetgeving - aan de roerende voorheffing te ontsnappen, terwijl de gebruikelijke bankdocumenten in verband met bewuste belegging niet van de bank uitgingen, spreken de goede trouw van het slachtoffer tegen. Gebrek aan zorgvuldigheid in de zin van fout of tekortkoming (art. 1382 en 1383 B.W.) kan aan de bank niet worden verweten, indien met de normale onderzoeksverrichtingen die de bank verrichtte, de onregelmatige praktijken van de agent niet konden worden aan het licht gebracht.

Arrêt :

La version intégrale et consolidée de ce texte n'est pas disponible.