We are very happy to see that you like our platform! At the same time, you have reached the limit of use... Sign up now to continue.
Nous sommes très heureux de voir que vous aimez notre plateforme ! En même temps, vous avez atteint la limite d'utilisation... Inscrivez-vous maintenant pour continuer.

Arbeidsrechtbank: Vonnis van 3 Maart 1999 (Hasselt). RG 97/5665

Date :
03-03-1999
Langue :
Néerlandais
Taille :
5 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19990303-1
Numéro de rôle :
97/5665

Résumé :

Het vermoeden, krachtens hetwelk deeltijdse arbeiders bij ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters worden vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid, is door de wetswijziging van 26 juli 1996 weerlegbaar gemaakt. Voor feiten die dateren van voor deze wetswijziging en die op dat ogenblik rechtsgeldig werden vastgesteld, is dit vermoeden nog onweerlegbaar.

Jugement :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
ARBEIDSRECHTBANK TE HASSELT.
Eerste kamer.
VONNIS van 03.03.1999.
Inzake :
RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Waterloolaan, 76, eisende partij, hebbende als raadsman Mr.L.BEERDEN, advocaat te 3512 Hasselt, Hertoginnenhofstraat 15.
tegen :
G. M., , verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr. B.VRANCKEN loco Mr. G.GOFFIN, advocaat te 3582 BERINGEN, Hospitaalstraat 18.
VERLEENT DE RECHTBANK HET VOLGENDE VONNIS :
Gezien de stukken van het geding, gevoegd bij het rechtsplegingsdossier en nader omschreven op de inventaris ervan, onder meer :
- het inleidend exploot van dagvaarding, betekend aan verwerende partij op 6/11/1997 door het ambt van gerechtsdeurwaarder Beelen, met standplaats te Hasselt;
- de besluiten van verwerende partij, ontvangen ter griffie op 11/2/1998;
- de besluiten van eisende partij, ontvangen ter griffie op 17/2/1998;
- de aanvullende besluiten van verwerende partij, neergelegd op de zitting van 18/3/1998;
- het tussenvonnis van deze rechtbank dd. 8/4/1998;
- de besluiten na tussenvonnis van verwerende partij, ontvangen ter griffie op 2/12/1998;
- de besluiten na tussenvonnis van eisende partij, ontvangen ter griffie op 18/12/1999;
- het schriftelijk advies van de Arbeidsauditeur, in voorlezing gegeven op de zitting van 10/2/1999.
De partijen werden behoorlijk opgeroepen, waren op de zitting van 27/1/1999 vertegenwoordigd en werden er in hun middelen en verklaringen gehoord.
Recht doende over de stukken die zich in het dossier bevinden.
I. RETROACTA en SITUERING VAN HET GESCHIL, STANDPUNT VAN PARTIJEN :
I.a. Retroacta en situering van het geschil :
De rechtbank sprak op 8/4/1998 een tussenvonnis uit.
De vordering en de feitelijke situering van het geschil werd reeds verwoord in dit tussenvonnis en de rechtbank verwijst hiernaar.
Voor zoveel als nodig kan samenvattend worden gesteld dat de vordering er toe strekt om verweerster, inzake bijdragen sociale zekerheid, te horen veroordelen tot betaling aan eiseres van 234.485 BEF ten titel van bijdragen, bijdrageopslagen en intresten m.b.t. de periode van het 4de kwartaal van 1993 en van het 1ste kwartaal van 1994, te vermeerderen met de intresten en de gedingkosten.
Tevens wordt uitvoerbaarheid van het uit te spreken vonnis gevorderd.
De vordering is gesteund op de vaststellingen van de Inspectie van de Sociale Wetten tijdens een onderzoek dat op 17/3/1994 uitgevoerd werd bij verweerster, die twee handelszaken (döner kebap) uitbaat te Peer en te Bocholt.
Er werd vastgesteld dat verweerster twee werknemers met een deeltijdse arbeidsovereenkomst met variabele uren tewerkstelde, echter zonder dat er een arbeidsreglement was en zonder dat de uurroosters op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend gemaakt waren.
De R.S.Z. ging over tot ambtshalve regularisatie van de bijdragen over het 4de kwartaal van 1993 en het 1ste kwartaal van 1994, zich baserend op het vermoeden dat de door de twee werknemers verrichte arbeid verondersteld werd te zijn verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid.
De rechtbank sprak op 8/4/1998 een tussenvonnis uit :
- waarbij de vordering ontvankelijk werd verklaard;
- waarbij, alvorens ten gronde uitspraak te verlenen, in een heropening der debatten werd voorzien teneinde de uitspraak af te wachten van het Arbitragehof in een zaak waarbij de arbeidsrechtbank te Antwerpen bij vonnis dd. 25/3/1997 een prejudiciële vraag stelde i.v.m. de (grond)wettelijkheid van artikel 171 van de programmawet van 22/12/1989 en de erin voorziene onweerlegbaarheid van het vermoeden van voltijdse tewerkstelling.
I.b. Standpunt van partijen :
Eisende partij :
Verwijzend naar de bepalingen van artikel 171 van de Programmawet van 22/12/1989 stelt eisende partij dat, gezien er door verweerster geen werkroosters werden bekend gemaakt op de voorgeschreven wijze, de door de twee werknemers gepresteerde arbeid vermoed wordt voltijds te zijn verricht.
Het gaat hier volgens eiseres in de periode waarin de vaststellingen werden gedaan en waarover de vordering loopt om een wettelijk onweerlegbaar vermoeden, waarvan het tegendeel niet vermag te worden bewezen.
De verwijzing van verweerster naar de gewijzigde wet (wet van 26/7/1996, in werking vanaf 1/5/1997) kan niet worden aanvaard; deze wet van 26/7/1996 kan niet retroactief worden toegepast op voorheen ontstane feiten en gedane vaststellingen.
Verwerende partij :
Verwerende partij meent dat de wetgever middels de wetswijziging van 26/7/1996 op duidelijke wijze in de weerlegbaarheid van het in de Programmawet van 22/12/1989 vermoeden van voltijdse arbeid heeft willen voorzien.
De nieuwe wet van 26/7/1996 is van toepassing op huidig geschil, niettegenstaande de feiten zich hebben voorgedaan van 20/12/1993 tot 17/3/1994; de nieuwe wet is niet enkel van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de gevolgen van een onder de vroegere wet ontstane toestand, die zich voordoen of die voortduren na de inwerkingtreding van de nieuwe wet (verweerster verwijst naar cassatie-rechtspraak).
De dagvaarding dateert trouwens van een ogenblik dat de nieuwe wet reeds van toepassing was.
Verwerende partij stelt dat het niet kan worden ontkend dat bedoelde werknemers inderdaad effectief slechts deeltijds waren tewerkgesteld; verweerster biedt aan te bewijzen met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, dat de uitbetaalde vergoedingen (loon) overeenstemmen met de effectief geleverde prestaties.
II. BEOORDELING TEN GRONDE NA TUSSENVONNIS - IN RECHTE :
Op zich staat het niet ter discussie dat uit het controleonderzoek van de Sociale Inspectie gebleken is dat verweerster in de periode van 20/12/1993 tot 18/3/1994 twee werknemers tewerkstelde, blijkbaar in het kader van een tussen partijen afgesproken arbeidsovereenkomst voor deeltijdse prestaties met variabele uren, zonder dat een arbeidsreglement werd opgesteld en zonder dat er uurroosters aangeplakt of beschikbaar waren en zonder dat er een controledocument voor afwijkingen op de normale uurroosters ter beschikking was.
De werkgever (verweerster) beging zodoende een inbreuk op onder meer artikel 159 van de Programmawet van 22/12/1989 (B.S. 30/12/1989) hetgeen voorschrijft dat de dagelijkse werkroosters van de deeltijds tewerkgestelde werknemers met variabel uurrooster ten minste 5 dagen op voorhand moeten worden aangeplakt in de bedrijfslokalen en ter kennis van de betrokken werknemers moeten worden gebracht.
Het bericht moet voor iedere deeltijdse werknemer afzonderlijk het werkrooster bepalen.
Artikel 160 van de Programmawet schrijft voor dat de werkgever die deeltijdse werknemers tewerkstelt, over een document moet beschikken waarin alle afwijkingen op de werkroosters bedoeld in de artikelen 157 tot 159 moeten worden opgetekend.
Telkens wordt afgeweken van de voorziene variabele werkroosters moeten de nodige vermeldingen aangebracht worden in bedoeld document (art. 161 Programmawet). En over dergelijk document beschikte verweerster op het ogenblik van de controle evenmin, hoewel toch van de voorziene uurroosters werd afgeweken.
In de Programmawet van 22/12/1989 werd onder de rubriek "toezicht en strafbepalingen" in artikel 171 het navolgende bepaald :
"Behoudens bewijs van het tegendeel dat door de werkgever wordt aangebracht, worden de deeltijdse werknemers vermoed bij ontstentenis van inschrijving in de documenten bedoeld bij de artikelen 160, 162 en 165 (--/--) hun prestaties te hebben verricht overeenkomstig de werkroosters die openbaar zijn gemaakt op de wijze bedoeld bij de artikelen 157 tot 159.
Bij ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters, zoals bedoeld in de artikelen 157 tot 159, worden de werknemers vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid".
En door artikel 181 van de Programmawet van 22/12/1989 werd voorzien in de invoeging in de S.Z.-wet van 27/6/1969 van een eensluidend artikel 22ter.
Voor de periode waarover de huidige vordering zich uitstrekt gaat het om een expliciet voorzien wettelijk onweerlegbaar vermoeden, zoals blijkt uit de uitdrukkelijke tekst van artikel 171 van de Programmawet, als aangepast door artikel 112 van de wet van 20/7/1991 houdende sociale en diverse bepalingen.
Ingevolge deze aanpassing werden, bij ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters als bedoeld in artikelen 157-159, de werknemers vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid "zonder dat het bewijs van het tegendeel kan aangebracht worden".
De wijziging van artikel 171 door de wet van 20/7/1991 had tot doel te verduidelijken dat "een werkgever die de verplichtingen, opgelegd door de wet, niet heeft nageleefd (--/--) zijn onwettige toestand niet kan laten voorgaan door het bewijs van het tegendeel aan te brengen" (Parl. St., Senaat, 1990-1991, nr.
1374-1, p. 39).
Deze toevoeging door de wet van 20/7/1991 i.v.m. de onweerlegbaarheid kan worden beschouwd als een "interpretatieve" bepaling die enkel van aard was duidelijkheid te verschaffen over het karakter van het wettelijk vermoeden;
ook vóór deze toevoeging in de wet wordt het vermoeden verondersteld onweerlegbaar te zijn geweest (vgl.
: Arbrb. Antwerpen, 31/3/1993, J.T.T., 1994, 151; Arbh. Luik, 7/2/1995, Soc. Kron., 1995, 381).
En hoewel door de wet van 20/7/1991 de laatste toevoeging i.v.m. de onweerlegbaarheid enkel werd aangebracht in de tekst van artikel 171 van de Programmawet en niet in artikel 22ter S.Z.-wet, meent de rechtbank dat hieruit geenszins de gevolgtrekking kan worden gemaakt dat er bij de inning van de S.Z.-bijdragen in toepassing van artikel 22ter S.Z.-wet wel sprake zou kunnen zijn van een weerlegbaar vermoeden, in geval van ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters : de interpretatie van de onweerlegbaarheid geldt zowel in toepassing van artikel 171 Programmawet als in toepassing van artikel 22ter S.Z.-wet, artikel dat trouwens ingevoerd werd door dezelfde wet (art. 181 Programmawet) en dat net als artikel 171 Programmawet in hetzelfde kader, zijnde de strijd tegen het zwartwerk (Parl. St., Kamer, 1989-90, nr. 975/10, p. 45, en Senaat, 1989-90, 849-2, p. 24), te situeren is.
Er kan trouwens worden opgemerkt dat in de tweede zin van artikel 22ter S.Z.-wet (i.v.m. de ontstentenis van openbaarmaking van werkroosters), anders dan in de voorgaande zin, niet uitdrukkelijk is voorzien in de weerlegbaarheid.
Rekening houdend met het feit dat de S.Z.-reglementering i.v.m. de berekeningsgrondslagen van de bijdragen de openbare orde aanbelangt (vgl. Cass., 1/2/1993, Arr. Cass., 1993, 137) en dientengevolge van strikte interpretatie is, en met het feit dat de wet in de tweede zin van artikel 22ter S.Z.-wet formeel het tegenbewijs van het vermoeden niet heeft voorgeschreven, dient ook volgens de klassieke gemeenrechtelijke principes te worden aangenomen dat het vermoeden als zijnde onweerlegbaar moet worden beschouwd (vgl.
VANDEPUTTE, R., "De Overeenkomst. Haar ontstaan, haar uitvoering en verdwijning, haar bewijs, Brussel, Larcier, 1977, p. 424; Arbrb. Antwerpen, 31/3/1993, J.T.T., 1994, 151).
In het verleden heeft deze rechtbank trouwens in vergelijkbare zin reeds geoordeeld dat het in de tweede zin van artikel 22ter S.Z.-wet voorziene vermoeden inderdaad onweerlegbaar was (vonnis dd. 2/11/1994, R.S.Z. / D.K. B.V.B.A., A.R. nr. 942479, onuitgegeven; vonnis dd. 20/1/1999, R.S.Z. / B., A.R. nr. 980760, onuitgegeven).
De rechtbank handhaaft dit eerder door haar ingenomen standpunt.
Door artikel 45 van de wet van 26/7/1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen werd opnieuw een wijziging ingevoerd in de tekst van het tweede lid van artikel 171, lid 2 Programmawet.
Sedert deze wetswijziging, van kracht (inwerkingtreding) vanaf 1/5/1997, is voorzien dat "bij ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters, zoals bedoeld in de artikelen 157 tot 159, de werknemers vermoed worden hun arbeidsprestaties voltijds te hebben verricht".
Bepaalde rechtsleer leidt uit deze wetswijziging af dat het voorheen bestaande onweerlegbaar vermoeden thans (vanaf 1/5/1997) weerlegbaar is (bijvoorbeeld : HEIRMAN, J.C., "Deeltijdse arbeid - deel II", Actuele voorinformatie - Aanwerven, tewerkstellen, ontslaan, nr. 34, 2/9/1998, p. 9), standpunt waar de rechtbank zich bij aansluit (hoewel kan worden opgemerkt dat blijkbaar voor sommigen ook nog de andere stelling verdedigbaar is : vgl. MERGITS, B., en VAN CAMP, J., "Het (onweerlegbaar) vermoeden van voltijdse arbeid ingevoerd door artikel 171 van de programmawet van 22 december 1989", A.T.O., Atonaal, 2, augustus 1996, 6-7; eveneens : WEYNS, M., "Het vermoeden van voltijdse arbeid : artikel 171 van de programmawet van 22 december 1989", A.V.I. Arbeidsovereenkomsten, nr. 139, 10/9/1997, p. 8).
Samen met eisende partij is de rechtbank van oordeel dat hier op de feiten en bij de beoordeling van de vordering toepassing moet worden gemaakt van de vóór 1/5/1997 vigerende wetgeving, waarbij in de onweerlegbaarheid van het vermoeden van voltijdse arbeid werd voorzien.
De wetgever beschikt vanzelfsprekend over het volste recht om van mening te veranderen en om, naar de toekomst toe, af te zien van een regeling die voordien anders werd uitgevoerd en toegepast (specifiek het systeem waarbij vóór 1/5/1997 in een onweerlegbaar vermoeden werd voorzien).
Dat vanaf 1/5/1997 in een soepeler wettelijke regeling wordt voorzien, waarbij dan wel de mogelijkheid van weerlegbaarheid wordt ingevoerd, doet geen enkele afbreuk aan de toepasselijkheid van het wettelijk stelsel zoals dit bestond vóór 1/5/1997 op de van voor deze datum daterende feitelijke vaststellingen.
De wetswijziging kan, gelet op het principieel (gemeenrechtelijk) verbod van de retroactiviteit van de wetten alleen toepassing vinden vanaf de inwerkingtreding ervan, zijnde 1/5/1997 (vgl. HEIRMAN, J.C., "Deeltijdse arbeid - deel II", o.c., p.9).
Er bestaan geen aanvaardbare juridische argumenten om de nieuwe, vanaf 1/5/1997 in werking getreden wettelijke bepalingen, retroactief toe te passen op feiten die zich voorheen hebben voorgedaan.
De feiten dateren van de periode van het 4de kwartaal van 1993 en het 1ste kwartaal van 1994 en ze werden rechtsgeldig vastgesteld in functie van de op dat ogenblik bestaande wetgeving.
Het gaat om een definitief vastgestelde en voltrokken toestand waarvoor thans geen retroactieve toepassing kan worden gemaakt in functie van een nadien gewijzigde wetgeving.
Er kan bijgevolg geen rekening worden gehouden met het door verweerder geformuleerde bewijsaanbod dat erop gericht schijnt te zijn het tegendeel aan te tonen.
Conclusie :
De bij verweerster tewerkgestelde werknemers worden in de periode van 20/12/1993 tot 18/3/1994 op onweerlegbare wijze vermoed prestaties te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid.
Eisende partij heeft gehandeld in overeenstemming met de wettelijke bepalingen doordat zij een regularisatie-afrekening heeft doorgevoerd waarbij de S.Z.-bijdragen berekend worden op de voltijds vermoede arbeid.
De R.S.Z. heeft op die wijze enkel de op haar rustende wettelijke plicht vervuld (vgl. Arbh. Antwerpen, afd. Hasselt, 24/6/1996, H. t/ R.S.Z., A.R. nr. 54/95, onuitgegeven).
De vordering is gegrond.
OM DEZE REDENEN :
De Arbeidsrechtbank :
De voorschriften van de wet van 15 juni 1935, op het gebruik van de talen in gerechtszaken, werden nageleefd.
Gehoord mevrouw C. WOUTERS, Substituut-Arbeidsauditeur, in haar eensluidend schriftelijk advies dat in voorlezing werd gegeven op de zitting van 10/2/1999, Na beraadslaging, uitspraak doende op tegenspraak, Na het tussenvonnis van 8.04.1998 ten gronde recht doende, Verklaart de vordering GEGROND, Veroordeelt verwerende partij tot betaling aan eisende partij van :
- 234.485 BEF;
- de interesten (aan het wettelijke tarief) op 173.893 BEF vanaf 4/9/1997 tot de dag der eindbetaling.
Veroordeelt verwerende partij tot de gerechtskosten, aan de zijde van eisende partij begroot op 3.051 BEF dagvaardingskosten en 7.380 BEF rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank dienovereenkomstig vereffend, aan de zijde van verwerende partij begroot en door de rechtbank vereffend op 7.380 BEF rechtsplegingsvergoeding.
Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling, noch kantonnement.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van WOENSDAG DRIE MAART NEGENTIENHONDERD NEGENENNEGENTIG, waar zitting hielden :
P. CEUPPENS, rechter, voorzitter van de kamer, P. de SCHAETZEN, rechter in sociale zaken, werkgever, M. MORREN, rechter in sociale zaken, werknemer-arbeider, E. de GROOT, griffier.