Arbeidsrechtbank: Vonnis van 6 November 1997 (Oudenaarde). RG 18.956

Date :
06-11-1997
Langue :
Néerlandais
Taille :
1 page
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19971106-1
Numéro de rôle :
18.956

Résumé :

De arbeidsovereenkomst van de eisende partij bepaalde in artikel 1 : "De aanstelling wordt gevestigd voor een beperkte duur tot de pensioengerechtigde leeftijd en de werkgever verbindt er zich toe de heer J.N. niet af te danken. Voor J.N. echter gelden de normale opzeggingstermijn". De indienstneming van een werknemer tot zijn pensioen, hetgeen een gebeurtenis is dat zich op een gekende datum (65 jaar) voordoet, is een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (Arbrb. Doornik, 20 februari 1981, J.T.T., 1982, 125). Ten onrechte concludeert de verwerende partij uit het feit dat de eisende partij wel de mogelijkheid had om de overeenkomst te beeindigen dat het gaat om een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur. Gelet op artikel 40 van de Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten dat, zoniet van openbare orde (Arbrb. Antwerpen, 8 maart 1998,Soc.Kron. 1988, 296), dan toch minstens van dwingend recht is in het voordeel van beide partijen (Arbh. Luik, 2 februari 1994, J.T.T., 1994, 446) kan de opzeggingsmogelijkheid geen uitwerking hebben (nietig) zonder dat de arbeidsovereenkomst haar karakter van bepaalde duur verliest. Ook verwijst de verwerende partij ten onrechte naar de bepaling in de arbeidsovereenkomst (artikel4) inzake de overname van de conventionele ancienniteit om te concluderen tot een overeenkomst van onbepaalde duur. De opname van de conventionele ancienniteit in een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur kan zin hebben alleen al omdat in artikel 40 van de Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten wordt verwezen (voor de bepaling van een maximumgrens) naar de duur van de opzeggingstermijn die in acht had moeten genomen worden indien de overeenkomst zonder tijdsbepaling was gesloten ( waarbij de ancienniteit een rol speelt). Een dergelijke overeenkomst is niet in strijd met artikel 7 van de Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten noch met artikel 1780 van het Burgerlijk Wetboek, dat een levenslange binding verbiedt. De eisende partij heeft zich zeker niet verbonden voor (de fysische duur van) het leven, zelfs niet voor de lucratieve levensduur aangezien partij na de pensioenleeftijd nog een activiteit kon uitoefenen. De eisende partij heeft zich enkel verbonden voor en beperkte, weliswaar lange (tot 65 jaar) , periode van zijn lucratieve levensduur. Gepubl. : Sociaalrechtelijke Kronieken 1999, p. 547.

Jugement :

La version intégrale et consolidée de ce texte n'est pas disponible.