Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de specifieke brandveiligheidsnormen waaraan het toeristische logies moet voldoen

Date :
11-09-2009
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
43 pages
Section :
Législation
Source :
Numac 2009036100

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
Hoofdstuk 1. Definities
Artikel 1In dit besluit wordt verstaan onder :
  1° het decreet van 10 juli 2008 : het decreet van 10 juli 2008 betreffende het toeristische logies;
  2° de minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het toerisme;
  3° de burgemeester : de burgemeester van de gemeente waar het toeristische logies ligt;
  4° het adviescomité van het toeristische logies : het adviescomité, vermeld in artikel 15, § 4, van het decreet van 10 juli 2008;
  5° verhuureenheid : een hotelkamer, een gastenkamer, een vakantiewoning of een kamer of ruimte van een vakantielogies waarin wordt overnacht door een of meer toeristen;
  6° [1 bestaande hotelexploitatie : een toeristisch logies als vermeld in artikel 2, 9°, van het decreet van 10 juli 2008 dat op 31 december 2009 beschikt over een vergunning of een geldig brandveiligheidsattest, afgeleverd op grond van respectievelijk het decreet van 20 maart 1984 houdende het statuut van de logiesverstrekkende bedrijven en het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 1988 tot vaststelling van de specifieke brandveiligheidsnormen waaraan de logiesverstrekkende bedrijven moeten voldoen. Aangrenzende uitbreidingen van of aan bestaande hotelexploitaties worden ook als een bestaande hotelexploitatie beschouwd, voor zover de maximale capaciteit van de uitbreiding niet meer bedraagt dan de helft van de maximale capaciteit van de hotelexploitatie op 31 december 2009;]1
  7° nieuwe hotelexploitatie : een toeristisch logies als vermeld in artikel 2, 9°, van het decreet van 10 juli 2008 met uitzondering van de bestaande hotelexploitaties;
  8° [2 bestaande gastenkamerexploitatie:
   a) een toeristisch logies als vermeld in artikel 2, 8°, van het decreet van 10 juli 2008, dat op 31 december 2012 beschikte over een geldig brandveiligheidsattest, afgeleverd met toepassing van dit besluit, waaruit blijkt dat het toeristische logies voldoet aan de specifieke brandveiligheidsnormen, vermeld in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd. Aangrenzende uitbreidingen van of aan bestaande gastenkamerexploitaties worden ook als een bestaande gastenkamerexploitatie beschouwd als de maximale capaciteit van de uitbreiding niet meer bedraagt dan de helft van de maximale capaciteit van de gastenkamerexploitatie op 31 december 2012;
   b) een toeristisch logies als vermeld in artikel 2, 8°, van het decreet van 10 juli 2008, dat op 31 december 2009 beschikte over een geldig brandveiligheidsattest, afgeleverd op grond van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 1988 tot vaststelling van de specifieke brandveiligheidsnormen waaraan de logiesverstrekkende bedrijven moeten voldoen. Aangrenzende uitbreidingen van of aan bestaande gastenkamerexploitaties worden ook als een bestaande gastenkamerexploitatie beschouwd als de maximale capaciteit van de uitbreiding niet meer bedraagt dan de helft van de maximale capaciteit van de gastenkamerexploitatie op 31 december 2009;]2
  9° nieuwe gastenkamerexploitatie : een toeristisch logies als vermeld in artikel 2, 8°, van het decreet van 10 juli 2008, met uitzondering van de bestaande gastenkamerexploitaties;
  10° type eengezinswoning : een toeristisch logies dat voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) de verhuureenheid beschikt over een individuele, buiten gelegen eerste evacuatiemogelijkheid. De verhuureenheid kan deel uitmaken van een groter bouwgeheel, op voorwaarde dat het bouwgeheel niet meer dan drie bovengrondse bouwlagen bezit, met inbegrip van het evacuatieniveau, en elke andere woon-, verhuur- of verblijfseenheid eveneens over een al dan niet gemeenschappelijke buiten gelegen evacuatieweg beschikt;
  b) de verhuureenheid wordt van andere verhuureenheden afgescheiden door wanden en vloeren met een brandwerendheid [1 EI1 30]1 of door wanden en vloeren die zijn vervaardigd uit metselwerk of beton waar geen openingen in voorkomen. Deze voorwaarde hoeft niet voldaan te zijn als de verhuureenheden gelegen zijn op minstens 4 meter van elkaar en er zich in die vrije ruimte geen brandbare elementen bevinden;
  c) aan elkaar grenzende verhuureenheden mogen alleen met elkaar in verbinding staan via een deur met een brandwerendheid [1 EI1 30]1. In dat geval worden, voor de brandveiligheidsnormen, alle verhuureenheden die met elkaar in verbinding staan als één geheel beschouwd;
  11° type meergezinswoning : een toeristisch logies dat voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) de verhuureenheid maakt integraal deel uit van een groter bouwgeheel dat is samengesteld uit andere woon-, verhuur- of verblijfseenheden die gebruikmaken van een gemeenschappelijke, niet buiten gelegen eerste vluchtmogelijkheid;
  b) de verhuureenheid wordt van de gemeenschappelijke evacuatieweg en van de andere delen van het gebouw afgescheiden door wanden en vloeren met een brandwerendheid EI 60 of door wanden en vloeren die zijn vervaardigd uit metselwerk of beton waar geen openingen in voorkomen. Deuren die hierin aangebracht zijn, bezitten een brandwerendheid EI 30. Als de verhuureenheid in een gebouw ligt waarvan de bouwvergunning dateert van voor 4 april 1972, en als de brandwerendheid van de deuren niet met zekerheid vastgesteld kan worden, kunnen die deuren behouden blijven op voorwaarde dat ze door een gecertificeerde plaatser op hun massiviteit en aansluiting worden gecontroleerd en eventueel worden aangepast. Uit dat onderzoek moet blijken dat een brandwerendheid EI 30 wordt benaderd;
  12° type kamers : een toeristisch logies dat voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) de verhuureenheden beschikken over een gemeenschappelijke, binnen gelegen evacuatieweg die over de volledige lengte deel uitmaakt van de exploitatie;
  b) de verhuureenheden beschikken niet over een van de volgende voorzieningen :
  1) een individuele toiletgelegenheid;
  2) een individuele badgelegenheid;
  3) een individuele kookgelegenheid.

Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen
Artikel 2 Het toeristische logies moet voldoen aan de specifieke brandveiligheidsnormen die van toepassing zijn overeenkomstig de tabel die als bijlage 1 bij dit besluit is gevoegd. De specifieke brandveiligheidsnormen zijn bepaald in de desbetreffende bijlage bij dit besluit.

Artikel 3De inachtneming van de specifieke brandveiligheidsnormen, vermeld in artikel 2, wordt vastgelegd door een brandveiligheidsattest, waarvan het model door [3 het Departement internationaal Vlaanderen]3 wordt bepaald. Het attest vermeldt minstens de bijlage of bijlagen van specifieke brandveiligheidsnormen waaraan het toeristische logies voldoet en de datum van aflevering van het attest. Daarnaast bevat het attest :
  1° voor een toeristisch logies van de categorie Hotel : het aantal hotelkamers en de maximale capaciteit van het hotel;
  2° voor een toeristisch logies van de categorie Gastenkamer : het aantal gastenkamers en de maximale capaciteit van de gastenkamerexploitatie;
  3° voor een toeristisch logies van de categorie Openluchtrecreatief terrein : het aantal plaatsen voor openluchtrecreatieve verblijven;
  4° voor een toeristisch logies van de categorie Vakantiewoning : de maximale capaciteit van de vakantiewoning;
  5° voor een toeristisch logies van de categorie Vakantielogies : de maximale capaciteit van het vakantielogies.
  Als de minister afwijkingen van de specifieke brandveiligheidsnormen heeft toegestaan als vermeld in artikel 17, vermeldt het brandveiligheidsattest die afwijkingen en het besluit van de minister waarbij die afwijkingen werden toegestaan.

Artikel 4§ 1. De inachtneming van de specifieke brandveiligheidsnormen, vermeld in bijlagen 3 tot en met 6 die bij dit besluit zijn gevoegd, wordt ter plaatse gecontroleerd door de bevoegde brandweerdienst.
  [4 De bevoegde brandweerdienst controleert tevens de specifieke brandveiligheidsnormen, vermeld in de definities in artikel 1, 6° tot en met 12° en in de artikelen 7, 7/1, 7/2, 7/3 en 7/4.]4
  § 2. [5 De inachtneming van de specifieke brandveiligheidsnormen, vermeld in bijlage 2 die bij dit besluit is gevoegd, wordt ter plaatse gecontroleerd door één of meerdere instellingen of instanties die de minister heeft aangewezen. Het Departement internationaal Vlaanderen stelt het model van controleverslag ter beschikking van de aangewezen instellingen of instanties.
   De minister sluit met de aangewezen instellingen of instanties, vermeld in het eerste lid, een concessie waarin minstens de taakstelling van de instellingen of de instanties, de controle- en verslagtermijn, de tarieven voor een controle en de uitdrukkelijk ontbindende voorwaarden van de overeenkomst worden gespecificeerd. De looptijd van de concessie bedraagt ten hoogste vijf jaar en is hernieuwbaar.
   De aangewezen instellingen of instanties controleren tevens de specifieke brandveiligheidsnormen, vermeld in de definities in artikel 1, 6° tot en met 12° en in de artikelen 7, 7/1, 7/2, 7/3 en 7/4.]5

Artikel 5§ 1. Het brandveiligheidsattest wordt afgeleverd door de burgemeester als het toeristische logies voldoet aan de specifieke brandveiligheidsnormen.
  § 2. De burgemeester kan, na advies van de bevoegde brandweerdienst, het afgeleverde attest intrekken als het toeristische logies niet meer voldoet aan de specifieke brandveiligheidsnormen. Uitgezonderd wanneer een onverwijld optreden noodzakelijk is, neemt de burgemeester die beslissing nadat de betrokkene of zijn gemachtigde het recht werd geboden om gehoord te worden.
  In het geval, vermeld in het eerste lid, brengt de burgemeester de exploitant van het toeristische logies, in voorkomend geval zijn gemachtigde, en [3 het Departement internationaal Vlaanderen]3 op de hoogte van de beslissing tot intrekking van het attest. De burgemeester doet dat met een aangetekende brief, per fax of elektronisch, als dat een ontvangstbewijs van de geadresseerde oplevert.

Artikel 6§ 1. Het brandveiligheidsattest heeft een geldigheidsduur van zeven jaar. Die termijn gaat in vanaf de datum van aflevering, vermeld op het attest.
  Na het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, vervalt het attest van rechtswege. Minstens zes maanden voor het vervallen van het brandveiligheidsattest, worden de exploitant van het vergunde toeristische logies en de burgemeester hiervan door [3 het Departement internationaal Vlaanderen]3 in kennis gesteld. Als een nieuwe aanvraag minstens drie maanden voor het verstrijken van de geldigheidsduur wordt ingediend op de wijze, vermeld in artikel 8, § 1, wordt de geldigheidsduur van het bestaande brandveiligheidsattest verlengd tot aan het einde van de behandeling van de hernieuwingsaanvraag, inclusief een mogelijke beroeps- of afwijkingsprocedure.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 vervalt het bestaande brandveiligheidsattest van rechtswege als de volgende werkzaamheden zich voordoen :
  1° de bouwkundige inrichting van nieuwe lokalen of ruimtes die effectief deel uitmaken van de toeristische exploitatie en die de functie hebben van vergader-, sport- of ontspanningszaal, restaurant, keuken, salon of bar;
  2° de bouwkundige herinrichting of herindeling van bestaande lokalen of ruimtes die effectief deel uitmaken van de toeristische exploitatie en die de functie hebben van vergader-, sport- of ontspanningszaal, restaurant, keuken, salon of bar;
  3° het uitbreiden van het aantal hotelkamers, het aantal gastenkamers of het aantal plaatsen voor openluchtrecreatieve verblijven;
  4° het uitbreiden van de maximale capaciteit van het hotel, de gastenkamerexploitatie, de vakantiewoning of het vakantielogies;
  5° het bouwkundig wijzigen van de indeling van de bestaande hotelkamers, de bestaande gastenkamers, de vakantiewoning of het vakantielogies;
  6° het wijzigen van een vluchtweg of een evacuatieweg, of het wijzigen van het traject van die wegen;
  7° de installatie van of bouwkundige werkzaamheden aan personen- of goederenliften die effectief deel uitmaken van de toeristische exploitatie;
  8° de installatie, de vernieuwing of de uitbreiding van een gas- of elektriciteitsnet in of op het toeristische logies.
  [6 In het geval, vermeld in het eerste lid, blijft het bestaande brandveiligheidattest geldig tot aan het einde van de behandeling van de hernieuwingaanvraag, inclusief een mogelijke beroeps -en afwijkingsprocedure, indien binnen een periode van dertig kalenderdagen na de beëindiging van de werkzaamheden een nieuwe aanvraag wordt ingediend op de wijze vermeld in artikel 8, § 1. Als de werkzaamheden onderbroken worden, moet de aanvraag, om voor deze verlenging in aanmerking te komen, op dezelfde wijze ingediend worden binnen een periode van dertig kalenderdagen, te rekenen vanaf die onderbreking.]6
  Als de werkzaamheden, vermeld in het eerste lid, uitgevoerd werden in of op een toeristisch logies dat moet voldoen aan de specifieke brandveiligheidsnormen, vermeld in bijlagen 3 tot en met 6 die bij dit besluit zijn gevoegd, kan de burgemeester een vereenvoudigd brandveiligheidsattest afleveren waaruit blijkt dat de uitgevoerde werkzaamheden overeenkomstig de desbetreffende brandveiligheidsnormen zijn. In dat geval behoudt het initiële brandveiligheidsattest zijn geldigheid voor de ongewijzigde toestand van het toeristische logies gedurende de overblijvende geldigheidsduur. De geldigheidsduur van het vereenvoudigde brandveiligheidsattest wordt beperkt tot de overblijvende geldigheidsduur van het initiële brandveiligheidsattest. Op het moment van de controle van de uitgevoerde werkzaamheden kan de bevoegde brandweerdienst ook de conformiteit van het gehele toeristische logies met de desbetreffende specifieke brandveiligheidsnormen nagaan. In dat geval wordt de inachtneming van de brandveiligheidsnormen vastgelegd in een brandveiligheidsattest met een geldigheidsduur als vermeld in artikel 6, § 1.
  [7 § 3. Op voorwaarde dat dezelfde bijlage van de specifieke brandveiligheidsnormen van toepassing blijft, blijft, met behoud van de toepassing van paragraaf 1 en 2, het brandveiligheidsattest geldig als het toeristische logies als volgt wijzigt van categorie:
   1° van categorie hotel naar categorie gastenkamer, en omgekeerd;
   2° van categorie vakantiewoning, type eengezinswoning, naar categorie vakantielogies, type eengezinswoning, en omgekeerd;
   3° van categorie vakantiewoning, type meergezinswoning, naar categorie vakantielogies, type meergezinswoning, en omgekeerd;
   4° van categorie hotel naar categorie vakantielogies, type kamers, en omgekeerd;
   5° van categorie gastenkamer naar categorie vakantielogies, type kamers, en omgekeerd.]7

Artikel 7[8 Bij een toeristisch logies zijn volgende mengvormen verboden, tenzij deze toeristische logiezen brandveilig ten opzichte van elkaar zijn gescheiden en beschikken over eigen onafhankelijke evacuatiewegen :
   1° twee of meer hotelexploitaties in hetzelfde gebouw;
   2° hotelexploitatie en gastenkamerexploitatie in hetzelfde gebouw;
   3° hotelexploitatie en vakantielogiesexploitatie (type kamers) in hetzelfde gebouw;
   4° twee of meer gastenkamerexploitaties in hetzelfde gebouw;
   5° gastenkamerexploitatie en vakantielogiesexploitatie (type kamers) in hetzelfde gebouw;
   6° twee of meer vakantielogiesexploitaties (type kamers) in hetzelfde gebouw.]8

Artikel 7/1 [9 De exploitant en de personen die belast zijn met het dagelijkse of feitelijke bestuur van een hotel, zijn verplicht om :
   1° bij de hoofdingang van het hotel vereenvoudigde samenvattende plannen van de volledige inrichting beschikbaar te stellen, die per verdieping minstens de volgende gegevens bevatten :
   a) de bestemming van alle lokalen inclusief de kamernummers, alle evacuatiewegen en evacuatiemogelijkheden van alle kamers;
   b) alle brandvoorzieningen zoals, voor zover aanwezig, een brandweerkluis, een branddetectiecentrale, de bediening van de ventilatieopening van het trappenhuis, het bedieningsbord van het ventilatiesysteem, de brandbestrijdingsmiddelen;
   c) alle lokalen met bijzonder risico zoals, voor zover aanwezig, een stookplaats, een hoogspanningsinstallatie, opslagplaatsen;
   d) de locatie van alle afsluiters die het mogelijk maken het gebouw van alle energie- en watertoevoer af te sluiten;
   2° op een duidelijk zichtbare plaats nabij de toegang tot elke verdieping een vereenvoudigd samenvattend plan van de verdieping aan te brengen met vermelding van de situering van de locaties zoals vermeld in punt 1° ;
   3° in elke hotelkamer minstens de volgende gegevens ter beschikking te stellen :
   a) instructies in geval van brand, minstens opgesteld in het Nederlands, het Frans, het Duits en het Engels. De instructies vermelden ook het verbod om de eventuele liften te gebruiken in geval van brand;
   b) een vereenvoudigd samenvattend plan van de verdieping met aanduiding waar de hotelkamer zich situeert op de verdieping ten opzichte van de evacuatiewegen en -mogelijkheden en de brandvoorzieningen;
   c) het internationale noodnummer 112;
   d) de contactgegevens van de persoon die voor de logerende toeristen gedurende het verblijf permanent bereikbaar is.]9

Artikel 7/2 [10 De exploitant en de personen die belast zijn met het dagelijkse of feitelijke bestuur van een gastenkamerexploitatie, zijn verplicht om in iedere gastenkamer minstens de volgende gegevens ter beschikking te stellen :
   1° instructies in geval van brand, minstens opgesteld in het Nederlands, het Frans, het Duits en het Engels. De instructies vermelden ook het verbod om de eventuele liften te gebruiken in geval van brand;
   2° een vereenvoudigd samenvattend plan van de verdieping met aanduiding waar de kamer zich situeert op de verdieping ten opzichte van de evacuatiewegen en -mogelijkheden en de brandvoorzieningen;
   3° het internationale noodnummer 112;
   4° de contactgegevens van de persoon die voor de logerende toeristen gedurende het verblijf permanent bereikbaar is. ]10

Artikel 7/3 [11 De exploitant en de personen die belast zijn met het dagelijkse of feitelijke bestuur van de vakantiewoning, zijn verplicht om in de vakantiewoning minstens de volgende gegevens ter beschikking te stellen :
   1° instructies in geval van brand, minstens opgesteld in het Nederlands, het Frans, het Duits en het Engels. De instructies vermelden ook het verbod om de eventuele liften te gebruiken in geval van brand;
   2° een vereenvoudigd samenvattend plan van het verblijf met aanduiding van de evacuatiewegen en evacuatiemogelijkheden en de brandvoorzieningen;
   3° het internationale noodnummer 112;
   4° de contactgegevens van de persoon die voor de logerende toeristen gedurende het verblijf bereikbaar is tijdens de kantooruren.]11

Artikel 7/4 [12 De exploitant en de personen die belast zijn met het dagelijkse of feitelijke bestuur van het vakantielogies, zijn verplicht om in het vakantielogies minstens de volgende gegevens ter beschikking te stellen :
   1° voor het vakantielogies type " kamers " gelden de bepalingen van artikel 7/1;
   2° voor het vakantielogies type " eengezinswoning " en " meergezinswoning " gelden de bepalingen van artikel 7/3.]12

Hoofdstuk 3. Procedure voor de aanvraag van het brandveiligheidsattest
Artikel 8§ 1. De exploitant van het toeristische logies, of in voorkomend geval zijn gemachtigde, vraagt het brandveiligheidsattest aan met een aangetekende brief, per fax of elektronisch, als dat een ontvangstbewijs van de geadresseerde oplevert, bij de volgende instantie :
  1° bij de door de minister aangewezen instelling of instantie als vermeld in artikel 4, § 2 : in geval van een toeristisch logies dat moet voldoen aan de specifieke brandveiligheidsnormen, vermeld in bijlage 2 die bij dit besluit is gevoegd;
  2° bij de burgemeester : in geval van een toeristisch logies dat moet voldoen aan de specifieke brandveiligheidsnormen als vermeld in bijlagen 3 tot en met 6 die bij dit besluit zijn gevoegd.
  [3 Het Departement internationaal Vlaanderen]3 stelt het model ter beschikking waarmee de aanvraag moet worden ingediend.
  § 2. De door de minister aangewezen instelling of instantie bezorgt binnen de verslagtermijn, vermeld in de concessie, haar controleverslag aan de burgemeester, samen met een afschrift van de aanvraag en de ontvangstdatum van de aanvraag.

Artikel 9§ 1. Met toepassing van artikel 6 van het decreet van 10 juli 2008 kan [3 het Departement internationaal Vlaanderen]3, met een aangetekende brief, per fax of elektronisch, als dat een ontvangstbewijs van de geadresseerde oplevert, het advies inwinnen bij de burgemeester over de inachtneming van de specifieke brandveiligheidsnormen door het toeristische logies, vermeld in artikel 3, § 3, van het decreet van 10 juli 2008.
  [3 Het Departement internationaal Vlaanderen]3 bezorgt in dat geval aan de exploitant van het toeristische logies en, in voorkomend geval, aan zijn gemachtigde een kopie van de adviesvraag, samen met een kopie van het ontvangstbewijs van de geadresseerde van de adviesvraag.
  § 2. De inachtneming van de normen wordt op dezelfde wijze vastgelegd als vermeld in artikel 3. De inachtneming van de specifieke brandveiligheidsnormen wordt ter plaatse gecontroleerd door de bevoegde brandweerdienst.

Artikel 10Een aanvraag voor een brandveiligheidsattest als vermeld in artikel 8 of een adviesvraag als vermeld in artikel 9 kan betrekking hebben op verschillende categorieën of subcategorieën van toeristisch logies binnen dezelfde exploitatie. Als de exploitant of, in voorkomend geval, zijn gemachtigde, respectievelijk [3 het Departement internationaal Vlaanderen]3, verschillende aanvragen voor brandveiligheidsattesten of adviesvragen indient voor verschillende categorieën of subcategorieën van toeristisch logies binnen dezelfde exploitatie, dan kan de burgemeester of de bevoegde brandweerdienst ze samenvoegen en ze samen behandelen.

Artikel 11§ 1. Binnen een periode van drie maanden na de datum van ontvangst van de aanvraag, vermeld in artikel 8, § 1, respectievelijk van de adviesvraag vanwege [3 het Departement internationaal Vlaanderen]3, vermeld in artikel 9, § 1, brengt de burgemeester de exploitant en, in voorkomend geval, zijn gemachtigde op de hoogte van de beslissing tot toekenning of weigering van het attest. Hij doet dat met een aangetekende brief, per fax of elektronisch, als dat een ontvangstbewijs van de geadresseerde oplevert. De burgemeester bezorgt een afschrift van die beslissing aan [3 het Departement internationaal Vlaanderen]3.
  De burgemeester beslist in dat geval over de toekenning of weigering van het attest op grond van het besluit waarbij afwijkingen op de specifieke brandveiligheidsnormen werden toegestaan, zoals vermeld in artikel 17.
  Als [3 het Departement internationaal Vlaanderen]3 het advies inwint bij de burgemeester over de inachtneming van de specifieke brandveiligheidsnormen door het toeristische logies, vermeld in artikel 3, § 3, van het decreet van 10 juli 2008, wordt, bij ontstentenis van kennisgeving van de burgemeester binnen de periode, vermeld in het eerste lid, ervan uitgegaan dat het brandveiligheidsattest is geweigerd.
  § 2. De kennisgeving door de minister aan de burgemeester van een afwijkingsaanvraag als vermeld in artikel 17 schort de termijn, vermeld in paragraaf 1, op tot aan de ontvangst van de beslissing die de minister heeft genomen overeenkomstig artikel 17.

Hoofdstuk 4. Beroepen
Artikel 12§ 1. De exploitant van het toeristische logies of, in voorkomend geval, zijn gemachtigde kan een met redenen omkleed beroep indienen bij de minister in de volgende gevallen :
  1° tegen de beslissing van de burgemeester tot weigering of intrekking van het brandveiligheidsattest;
  2° bij ontstentenis van kennisgeving van de burgemeester binnen de periode, vermeld in artikel 11, § 1.
  Een beroep kan betrekking hebben op verschillende categorieën of subcategorieën van toeristische logies binnen dezelfde exploitatie.
  § 2. Het beroep is alleen opschortend als het is ingesteld bij onstentenis van kennisgeving van de burgemeester op de adviesvraag vanwege [3 het Departement internationaal Vlaanderen]3 als vermeld in artikel 11, § 1, derde lid.

Artikel 13§ 1. Het beroep wordt op straffe van verval ingediend binnen een termijn van twintig kalenderdagen vanaf de ontvangst van de bestreden beslissing of, in geval van artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, twintig kalenderdagen na de datum waarop de aanvrager op de hoogte moest gesteld worden van de beslissing tot toekenning of weigering van het attest.
  § 2. Het beroep wordt ingediend met een aangetekende brief, per fax of elektronisch, als dat een ontvangstbewijs van de geadresseerde oplevert.
  § 3. In voorkomend geval voegt de indiener een afschrift van de volgende documenten bij het beroep :
  1° de beslissing van de burgemeester tot weigering of intrekking van het brandveiligheidsattest;
  2° het verslag van de bevoegde brandweerdienst of van de instelling of instantie die de minister heeft aangewezen;
  3° de aanvraag voor een brandveiligheidsattest en het ontvangstbewijs van die aanvraag;
  4° de adviesvraag van [3 het Departement internationaal Vlaanderen]3 en het ontvangstbewijs van die adviesvraag.

Artikel 14Binnen vijftien kalenderdagen na de ontvangst van het beroep krijgt de indiener van de minister een ontvangstmelding met een aangetekende brief, per fax of elektronisch, als dat een ontvangstbewijs van de geadresseerde oplevert. Die ontvangstmelding vermeldt minstens de ontvangstdatum van het beroep, de termijn, vermeld in artikel 16, en de vermelding dat bij gebrek aan kennisgeving binnen die termijn, ervan wordt uitgegaan dat het beroep is ingewilligd.
  Binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, bezorgt de minister een afschrift van het beroepsdossier aan de secretaris van de Technische Commissie Brandveiligheid en licht hij de burgemeester en [3 het Departement internationaal Vlaanderen]3 in over het ingediende beroep.

Artikel 15 Binnen een termijn van negentig kalenderdagen nadat de Technische Commissie Brandveiligheid het beroepsdossier ontvangen heeft, geeft de Technische Commissie Brandveiligheid, vermeld in artikel 22, een gemotiveerd advies over dat beroep aan de minister.

Artikel 16Binnen een termijn van honderddertig kalenderdagen na ontvangst van het beroep brengt de minister de exploitant en, in voorkomend geval, zijn gemachtigde, op de hoogte van zijn beslissing. Hij doet dat met een aangetekende brief, per fax of elektronisch, als dat een ontvangstbewijs van de geadresseerde oplevert. Een afschrift van de beslissing wordt aan de burgemeester en aan [3 het Departement internationaal Vlaanderen]3 bezorgd.
  Bij gebrek aan kennisgeving binnen die termijn wordt ervan uitgegaan dat het beroep is ingewilligd.

Hoofdstuk 5. Afwijkingen
Artikel 17 Als een toeristisch logies niet kan voldoen aan een of meer specifieke brandveiligheidsnormen, kan de minister afwijkingen toestaan op advies van de Technische Commissie Brandveiligheid, vermeld in artikel 22. Alternatieve oplossingen en maatregelen moeten een veiligheidsniveau bieden dat ten minste gelijk is aan het niveau, vereist in de normen waarvoor een afwijking wordt gevraagd.

Artikel 18 § 1. De exploitant van het toeristische logies of, in voorkomend geval, zijn gemachtigde, dient de afwijkingsaanvraag in bij de minister. Hij doet dat met een aangetekende brief, per fax of elektronisch, als dat een ontvangstbewijs van de geadresseerde oplevert.
  Een afwijkingsaanvraag kan betrekking hebben op verschillende categorieën of subcategorieën van toeristisch logies binnen dezelfde exploitatie.
  § 2. De afwijkingsaanvraag is gemotiveerd en geeft nauwkeurig aan op welke specifieke brandveiligheidsnormen de afwijkingsaanvraag slaat.
  § 3. Op straffe van onontvankelijkheid voegt de indiener een afschrift van het verslag van de bevoegde brandweerdienst of van de instelling of instantie die de minister heeft aangewezen, bij de afwijkingsaanvraag.

Artikel 19 Het beroep, vermeld in artikel 12, kan ook een afwijkingsaanvraag inhouden, op voorwaarde dat die uitdrukkelijk wordt vermeld. In dat geval worden het afwijkings- en beroepsdossier samengevoegd.

Artikel 20 De afwijkingsaanvraag verloopt op dezelfde wijze en wordt volgens dezelfde procedure afgehandeld als vermeld in artikelen 14 tot en met 16.

Artikel 21Een toegestane afwijking blijft geldig, ook als het brandveiligheidsattest vervalt, zolang de toestand waarvoor de afwijking werd verkregen, ongewijzigd blijft en er geen andersluidende bepaling is opgenomen in de beslissing van de minister over het ingediende beroep of de afwijkingsaanvraag.
  [13 Een toegestane afwijking op de normen van de volgende bijlagen geldt ook voor de normen van de erna vermelde bijlagen :
   1° afwijkingen op bijlage 5 voor bijlage 4, 3 en 2;
   2° afwijkingen op bijlage 4 voor bijlage 3 en 2;
   3° afwijkingen op bijlage 3 voor bijlage 2. ]13

Hoofdstuk 6. Technische Commissie Brandveiligheid
Artikel 22 Er wordt een Technische Commissie Brandveiligheid opgericht die belast is met het uitbrengen van adviezen over de beroepen, vermeld in artikel 12, en over de afwijkingsaanvragen, vermeld in artikel 17.
  De Technische Commissie Brandveiligheid wordt tevens geraadpleegd over maatregelen op het vlak van brandveiligheid ter uitvoering van het decreet van 10 juli 2008 en kan daar ook op eigen initiatief adviezen over uitbrengen.

Artikel 23§ 1. De Technische Commissie Brandveiligheid is als volgt samengesteld :
  1° een voorzitter, die een personeelslid is van een Vlaamse overheidsdienst en die geen effectief of plaatsvervangend lid is van het adviescomité van het toeristische logies. Als de voorzitter verhinderd is, kan hij een plaatsvervanger aanwijzen die aan dezelfde voorwaarden voldoet;
  2° vier brandveiligheidsdeskundigen die actief deel uitmaken van een openbare brandweerdienst;
  3° twee deskundigen voor de categorie hotel, van wie één deskundige als effectief lid deskundige is voor de categorie hotel in het adviescomité van het toeristische logies;
  4° twee deskundigen voor de categorie openluchtrecreatief terrein, van wie één deskundige als effectief lid deskundige is voor de categorie openluchtrecreatief terrein in het adviescomité van het toeristische logies;
  5° twee deskundigen voor de categorie gastenkamer, van wie één deskundige als effectief lid deskundige is voor de categorie gastenkamer in het adviescomité van het toeristische logies;
  6° twee deskundigen voor de categorie vakantiewoning, van wie één deskundige als effectief lid deskundige is voor de categorie vakantiewoning in het adviescomité van het toeristische logies;
  7° twee deskundigen voor de categorie vakantielogies, van wie één deskundige als effectief lid deskundige is voor de categorie vakantielogies in het adviescomité van het toeristische logies;
  [14 8° voor elke deskundige uit de categorie hotel, openluchtrecreatief terrein, gastenkamer, vakantiewoning en vakantielogies benoemt de minister een plaatsvervangend lid dat aan dezelfde voorwaarden voldoet.]14
  Bij hun infunctietreding verbinden de deskundigen, vermeld in punten [14 2° tot en met 8°]14, zich er schriftelijk toe om bij de uitoefening van hun mandaat altijd onafhankelijk en onpartijdig op te treden, overeenkomstig het onderstaande model :
  " Ik verklaar dat ik bij de uitoefening van mijn mandaat in de Technische Commissie Brandveiligheid zal optreden als onafhankelijke en onpartijdige deskundige.
  (handtekening)
  (voornaam en achternaam) ".
  § 2. Het Departement internationaal Vlaanderen bezorgt voor de samenstelling van de Technische Commissie Brandveiligheid een indicatieve lijst met kandidaten aan de minister. De minister kan een of meer kandidaten aan die lijst toevoegen.
  § 3. De minister benoemt de leden van de Technische Commissie Brandveiligheid.
  § 4. De deskundigen, vermeld in paragraaf 1, [14 3° tot en met 8°]14, zetelen alleen in de Technische Commissie Brandveiligheid als het uit te brengen advies betrekking heeft op de categorie van toeristisch logies die ze vertegenwoordigen.
  § 5. [15 Een vertegenwoordiger van het Departement internationaal Vlaanderen, aangewezen door de secretaris-generaal van het Departement internationaal Vlaanderen en verschillend van het personeelslid dat belast is met het secretariaat van de Technische Commissie Brandveiligheid, woont met raadgevende stem de vergaderingen van de Technische Commissie Brandveiligheid bij. Indien hij verhinderd is, kan de vertegenwoordiger een plaatsvervanger aanwijzen.]15
  § 6. Het secretariaat van de Technische Commissie Brandveiligheid wordt waargenomen door het Departement internationaal Vlaanderen.
  § 7. De voorzitter roept de Technische Commissie Brandveiligheid bijeen op verzoek van de minister, van [3 het Departement internationaal Vlaanderen]3 of van minstens een derde van de deskundigen, vermeld in paragraaf 1, 2° tot en met 7°.
  § 8. De voorzitter en de zetelende deskundigen, vermeld in paragraaf 1, [14 2° tot en met 8°]14, zijn ertoe gemachtigd om in onderling overleg buitenstaanders als deskundigen uit te nodigen op de vergaderingen van de commissie. Die buitenstaanders hebben geen stemrecht.
  § 9. [16 De zetelende deskundigen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 8°, kunnen aanspraak maken op de volgende vergoedingen :
   1° een geïndexeerd presentiegeld van 50 euro per bijgewoonde vergadering om vergaderingen van de Technische Commissie Brandveiligheid bij te wonen;
   2° een reisvergoeding voor de reiskosten die ze gemaakt hebben om een vergadering van de Technische Commissie Brandveiligheid bij te wonen overeenkomstig de kilometervergoeding voor dienstreizen die toegekend wordt aan de personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid. De vergoeding wordt berekend op basis van de afstand tussen de woonplaats en de plaats van de vergadering;
   3° een reisvergoeding voor de reiskosten die ze gemaakt hebben om een plaatsbezoek uit te voeren met een ander vervoermiddel dan hun dienstwagen overeenkomstig de kilometervergoeding voor dienstreizen die toegekend wordt aan de personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid;
   4° een geïndexeerde vergoeding van 25 euro voor de plaatsbezoeken die ze uitgevoerd hebben per afwijkings- en beroepsdossier.
   De brandveiligheidsdeskundigen, vermeld in paragraaf 1, 2°, kunnen aanspraak maken op de volgende vergoedingen :
   1° een geïndexeerd presentiegeld van 50 euro per bijgewoonde vergadering, om vergaderingen van de Technische Commissie Brandveiligheid bij te wonen;
   2° een reisvergoeding voor de reiskosten die ze gemaakt hebben om een vergadering van de Technische Commissie Brandveiligheid bij te wonen overeenkomstig de kilometervergoeding voor dienstreizen die toegekend wordt aan de personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid. De vergoeding wordt berekend op basis van de afstand tussen de woonplaats en de plaats van de vergadering;
   3° een reisvergoeding voor de reiskosten die ze gemaakt hebben om een plaatsbezoek uit te voeren met een ander vervoermiddel dan hun dienstwagen overeenkomstig de kilometervergoeding voor dienstreizen die toegekend wordt aan de personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid;
   4° een geïndexeerde vergoeding van 100 euro voor de plaatsbezoeken die ze uitgevoerd hebben per afwijkings- en beroepsdossier.
   De vergoedingen, vermeld in de vorige leden, zijn gekoppeld aan het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen. De vergoedingen worden telkens op 1 januari van het jaar aangepast volgens de formule :
   vergoeding x spilindex 1/01/jaar/basisindex 1/01/2010.]16

Artikel 24 § 1. De voorzitter en de deskundigen van de Technische Commissie Brandveiligheid hebben een mandaat van vier jaar, dat begint te lopen op de datum van hun benoemingsbesluit.
  § 2. De minister kan :
  1° op verzoek van een lid een einde maken aan het mandaat van dat lid;
  2° op verzoek van de Technische Commissie Brandveiligheid ambtshalve het mandaat van een lid beëindigen als de mandaathouder :
  a) driemaal na elkaar zonder voorafgaande kennisgeving de vergadering van de Technische Commissie Brandveiligheid niet bijwoont;
  b) activiteiten verricht of functies vervult die onverenigbaar zijn met het mandaat of die een strijdigheid van belangen tot gevolg hebben.
  § 3. Als een mandaat van een lid vacant wordt voor het verstreken is, voorziet de minister in de vervanging van de mandaathouder binnen een periode van drie maanden. De vervanger wordt benoemd voor de overblijvende duur van het mandaat. Zolang de vervanging niet heeft plaatsgevonden, vergadert de Technische Commissie Brandveiligheid, in afwachting van de nieuwe benoeming, op geldige wijze.

Artikel 25 Eenieder die partij is in een zaak die wordt voorgelegd aan de Technische Commissie Brandveiligheid, heeft recht van wraking in de gevallen, vermeld in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek.

Artikel 26 De Technische Commissie Brandveiligheid vergadert alleen op geldige wijze als minstens de voorzitter of zijn plaatsvervanger, de helft van de benoemde brandveiligheidsdeskundigen en de helft van de benoemde zetelende deskundigen die een categorie van toeristisch logies vertegenwoordigen, aanwezig zijn. De adviezen worden uitgebracht door de aanwezige deskundigen, vermeld in artikel 23, § 1, 2° tot en met 7°.
  De aanwezige brandveiligheidsdeskundigen, vermeld in artikel 23, § 1, 2°, en de aanwezige zetelende deskundigen die een categorie van toeristisch logies vertegenwoordigen, hebben ieder de helft van de stemmen. Naar rato van het aantal aangewezen leden wordt de weging van de stemmen per deskundige bepaald.
  De adviezen van de Technische Commissie Brandveiligheid worden bij meerderheid van stemmen uitgebracht. Bij staking van stemmen beslist de voorzitter over het advies.

Artikel 27 Binnen zes maanden na haar installatie vraagt de Technische Commissie Brandveiligheid aan de minister de goedkeuring van een ontwerp van huishoudelijk reglement tot nadere regeling van de uitoefening van haar werking.

Hoofdstuk 7. Wijzigingsbepalingen
Artikel 28 Artikel 27 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betreffende de erkenning en de financiële ondersteuning van verblijven in het kader van " Toerisme voor Allen ", gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2005, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 27. § 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt een technische commissie brandveiligheid opgericht, die als volgt wordt samengesteld :
  1° een voorzitter, die een personeelslid is van een Vlaamse overheidsdienst. Als de voorzitter verhinderd is, kan hij een plaatsvervanger aanduiden die aan dezelfde voorwaarden voldoet;
  2° vier deskundigen voor de "Toerisme voor Allen"-verblijven, van wie twee deskundigen namens de jeugdverblijfsector en twee deskundigen namens de volwassenenverblijfsector;
  3° vier brandveiligheiddeskundigen die actief deel uitmaken van een openbare brandweerdienst.
  § 2. Het Departement Internationaal Vlaanderen bezorgt voor de samenstelling van de technische commissie brandveiligheid een indicatieve lijst met kandidaten aan de minister. De minister kan een of meer kandidaten aan die lijst toevoegen.
  § 3. De minister benoemt de leden van de technische commissie brandveiligheid.
  § 4. Een vertegenwoordiger van Toerisme Vlaanderen die wordt aangewezen door de leidend ambtenaar van Toerisme Vlaanderen, en een vertegenwoordiger van het agentschap Sociaal-Cultureel Werk voor Jeugd en Volwassenen die wordt aangewezen door de leidend ambtenaar van het agentschap, wonen met raadgevende stem de vergaderingen van de technische commissie brandveiligheid bij. Als die vertegenwoordigers verhinderd zijn, kunnen ze een plaatsvervanger aanwijzen.
  § 5. Het secretariaat van de technische commissie brandveiligheid wordt waargenomen door het Departement Internationaal Vlaanderen.
  § 6. De voorzitter en de deskundigen van de technische commissie brandveiligheid zijn ertoe gemachtigd om in onderling overleg buitenstaanders als deskundigen uit te nodigen op de vergaderingen van de commissie. Die buitenstaanders hebben geen stemrecht.
  § 7. De deskundigen, vermeld in paragraaf 1, 2° en 3°, kunnen aanspraak maken op de volgende vergoedingen :
  1° presentiegeld van 50 euro per bijgewoonde vergadering, geïndexeerd, om vergaderingen van de technische commissie brandveiligheid bij te wonen;
  2° een reisvergoeding van 25 cent per kilometer, geïndexeerd, voor de reiskosten die ze gemaakt hebben om een vergadering van de technische commissie brandveiligheid bij te wonen. De vergoeding wordt berekend op basis van de afstand tussen de woonplaats en de plaats van zitting;
  3° een vergoeding voor de plaatsbezoeken die ze uitgevoerd hebben van 25 euro per afwijkings- en beroepsdossier, geïndexeerd. "

Artikel 29 In hetzelfde besluit worden een artikel 27bis, 27ter en 27quater ingevoegd, die luiden als volgt :
  " Art. 27bis. § 1. De voorzitter en de deskundigen van de technische commissie brandveiligheid hebben een mandaat van vier jaar, dat begint te lopen op de datum van hun benoemingsbesluit.
  § 2. De minister kan :
  1° op verzoek van een lid een einde maken aan het mandaat van dat lid;
  2° op verzoek van de technische commissie brandveiligheid ambtshalve het mandaat van een lid beëindigen als de mandaathouder :
  a) driemaal na elkaar zonder voorafgaande kennisgeving de vergadering van de technische commissie brandveiligheid niet bijwoont;
  b) activiteiten verricht of functies vervult die onverenigbaar zijn met het mandaat of die een strijdigheid van belangen tot gevolg hebben.
  § 3. Als een mandaat van een lid vacant wordt voor het verstreken is, voorziet de minister in de vervanging van de mandaathouder binnen een periode van drie maanden. De vervanger wordt benoemd voor de overblijvende duur van het mandaat. Zolang de vervanging niet heeft plaatsgevonden, vergadert de technische commissie brandveiligheid, in afwachting van de nieuwe benoeming, op geldige wijze.
  Art. 27ter. § 1. De technische commissie brandveiligheid vergadert alleen op geldige wijze als minstens de voorzitter of zijn plaatsvervanger, twee benoemde brandveiligheidsdeskundigen, een benoemde vertegenwoordiger namens de jeugdverblijfsector en een benoemde vertegenwoordiger namens de volwassenenverblijfsector aanwezig zijn. De adviezen worden uitgebracht door de aanwezige deskundigen, vermeld in artikel 27, § 1, 2° en 3°.
  De aanwezige brandveiligheidsdeskundigen, vermeld in artikel 27, § 1, 3°, en de aanwezige vertegenwoordigers van "Toerisme voor Allen"-verblijven, vermeld in artikel 27, § 1, 2°, hebben ieder de helft van de stemmen. Naar rato van het aantal aangewezen leden wordt de weging van de stemmen per deskundige bepaald.
  De adviezen van de technische commissie brandveiligheid worden bij meerderheid van stemmen uitgebracht. Bij staking van stemmen beslist de voorzitter over het advies.
  § 2. Eenieder die partij is in een zaak die wordt voorgelegd aan de technische commissie brandveiligheid heeft recht van wraking in de gevallen, vermeld in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek.
  Art. 27quater. Binnen zes maanden na haar installatie vraagt de technische commissie brandveiligheid aan de minister de goedkeuring van een ontwerp van huishoudelijk reglement tot nadere regeling van de uitoefening van haar werking. "

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Artikel 30 De volgende regelingen worden opgeheven :
  1° het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 1988 tot vaststelling van de specifieke brandveiligheidsnormen waaraan de logiesverstrekkende bedrijven moeten voldoen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 29 mei 1991, 15 juli 2002 en 6 juni 2008;
  2° het besluit van de Vlaamse Regering van 8 maart 1995 tot vaststelling van de specifieke brandveiligheidsnormen waaraan terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven moeten voldoen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 juli 1996, 8 juni 2000, 24 oktober 2003 en 6 juni 2008.

Artikel 31 Geldige brandveiligheidsattesten, toegekend op grond van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 1988 tot vaststelling van de specifieke brandveiligheidsnormen waaraan de logiesverstrekkende bedrijven moeten voldoen en het besluit van de Vlaamse Regering van 8 maart 1995 tot vaststelling van de specifieke brandveiligheidsnormen waaraan terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven moeten voldoen, behouden hun geldigheid voor de periode waarvoor ze werden afgeleverd, ongeacht in welke categorie of subcategorie het toeristische logies wordt aangemeld of vergund.
  Afwijkingen, toegestaan door de minister op grond van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 1988 tot vaststelling van de specifieke brandveiligheidsnormen waaraan de logiesverstrekkende bedrijven moeten voldoen, en het besluit van de Vlaamse Regering van 8 maart 1995 tot vaststelling van de specifieke brandveiligheidsnormen waaraan terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven moeten voldoen, behouden hun geldigheid zolang de toestand waarvoor de afwijking werd verkregen, ongewijzigd is gebleven en blijft, en zolang er geen andersluidende bepaling is opgenomen in de beslissing van de minister over het ingediende beroep of de afwijkingsaanvraag.

Artikel 32 Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2010, met uitzondering van artikelen 28 en 29, die in werking treden op de tiende dag na de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.

Artikel 33 De Vlaamse minister, bevoegd voor het toerisme, is belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGEN.

Artikel N1Bijlage 1. - [17 Overzicht van de specifieke brandveiligheidsnormen per categorie van toeristisch logies
  

  
maximum capaciteit
  
   van het toeristische logies
Categorie
  
   Hotel
Categorie
  
   Gastenkamer
Categorie
  
   Vakantiewoning
Categorie
  
   Vakantielogies
Categorie
  
   Openlucht-
  
   recreatief
  
   terrein
    Type
  
   eengezins-
  
   woning
  
   (cf.art.1,10° )
  Type
  
   meergezins-
  
   woning
  
   (cf.art.1,11° )
Type
  
   Kamers
  
   (cf.art.1,12° )
Type eengezins-
  
   woning
  
   (cf.art.1,10° )
Type meergezins-
  
   woning
  
   (cf.art.1,11° )
  
  
tot en met 3 verhuureenheden of plaatsen voor openluchtrecreatieve verblijven en voor ten hoogste 8 toeristen per toeristisch logies Niet van toepassing Bijlage 2 Bijlage 2 Bijlage 2 Bijlage 2 Bijlage 2 Bijlage 2 Bijlage 6
4 of 5 verhuureenheden of plaatsen voor openluchtrecreatieve verblijven en voor 9 of ten hoogste 10 toeristen per toeristisch logies Bijlage 3 Bijlage 3 Bijlage 2 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 2 Bijlage 2 Bijlage 6
Vanaf 6 verhuureenheden tot en met 15 verhuureenheden of plaatsen voor openluchtrecreatieve verblijven en voor 11 tot ten hoogste 32 toeristen per toeristisch logies bestaande hotel-
  
   exploitatie
  
   (cf. art.1, 6° )
nieuwe hotel-
  
   exploitatie
  
   (cf. art. 1, 7° )
bestaande gastenkamer-
  
   exploitatie
  
   (cf. art.1, 8° )
nieuwe gastenkamer-
  
   exploitatie
  
   (cf. art.1,9° )
Bijlage 3 Bijlage 5 Bijlage 4 Bijlage 3 Bijlage 5 Bijlage 6
  Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 4 Bijlage 5
Vanaf 16 verhuureenheden of plaatsen voor openluchtrecreatieve verblijven of voor meer dan 32 toeristen per toeristisch logies bestaande hotel-
  
   exploitatie
  
   (cf. art. 1, 6° )
nieuwe hotel-
  
   exploitatie
  
   (cf. art. 1, 7° )
Niet van toepassing Bijlage 5 Bijlage 5 Bijlage 5 Bijlage 5 Bijlage 5 Bijlage 6
  Bijlage 4 Bijlage 5

]17

Artikel N2Bijlage 2. - [18 Specifieke brandveiligheidsnormen van toepassing op die toeristische logies overeenkomstig de tabel in bijlage 1 bij dit besluit
  HOOFDSTUK 1. - Algemeen
  1.
  De specifieke brandveiligheidsnormen in deze bijlage hebben tot doel :
  1° het ontstaan, de ontwikkeling en de voortplanting van brand te voorkomen;
  2° de veiligheid van de aanwezigen te waarborgen;
  3° het ingrijpen van de brandweer preventief te vergemakkelijken.
  HOOFDSTUK 2. - Evacuatie
  2.1
  Iedere inrichting heeft minstens twee evacuatiemogelijkheden in geval van brand.
  De eerste evacuatiemogelijkheid bestaat uit de normale uitgang.
  Aanvaardbare oplossingen per verhuureenheid voor de tweede evacuatiemogelijkheid zijn :
  1° een tweede binnentrap;
  2° een buitentrap;
  3° een al of niet uitklapbare buitenladder voor inrichtigen met maximaal drie bovengrondse bouwlagen;
  4° een raam dat open kan, als de vloer van de verhuureenheid zich lager bevindt dan 3 m boven de begane grond;
  5° een raam dat open kan of een terras en dat bereikbaar is voor de draagbare brandweerladders, als de raamdorpel of de terrasvloer zich lager bevindt dan 7 m boven de begane grond;
  6° een raam dat open kan of een terras en dat bereikbaar is voor de hoogtewerker van de brandweer.
  2.2
  De evacuatiewegen zijn veilig aangelegd, duidelijk gesignaleerd en worden vrij en bruikbaar gehouden zonder versperringen.
  De evacuatiewegen moeten zo worden aangelegd en verdeeld dat ze steeds onafhankelijk blijven van elkaar. Een evacuatieweg blijft bruikbaar wanneer een andere evacuatieweg onbruikbaar wordt. Buiten komen ze uit op een straat of op een vrije ruimte die voldoende groot is om zich van het gebouw te kunnen verwijderen en het snel en veilig te kunnen ontruimen.
  [19 Hoofdstuk 2/1. - Inplanting
   2/1.1 Inplanting
   Het gebouw wordt van nevenliggende constructies afgescheiden door wanden die in metselwerk of beton gebouwd zijn of die een brandwerendheid hebben van minstens EI 60.
   Als onderscheiden gebouwen van het gebouwencomplex met elkaar verbonden zijn door overdekte doorgangen, zijn hun openingen voorzien van zelfsluitende deuren of bij brand zelfsluitende deuren met een brandwerendheid EI 1 30.
   De gedeelten van het gebouw die niet functioneel gerelateerd zijn aan de exploitatie van de inrichting, zijn afgescheiden door:
   1° wanden met een brandwerendheid EI 60 of wanden die vervaardigd zijn uit metselwerk of beton;
   2° zelfsluitende deuren met brandwerendheid EI 1 30.]19
  HOOFDSTUK 3. - Technische installaties en veiligheidsuitrusting
  3.1 Elektriciteit
  De conformiteit van de elektrische installatie met de geldende wetgeving wordt aangetoond door een geldig keuringsverslag, afgeleverd door een externe dienst voor technische controles.
  3.2 Verwarmingstoestellen
  De goede en veilige werking van de verwarmingsinstallatie op vloeibare, vaste of gasvormige brandstof, en de eventueel daarvoor dienstige schoorstenen en rookkanalen, wordt aangetoond door een attest, afgeleverd door een bevoegd technicus.
  3.3 Gastoevoerleidingen
  De veilige staat van de gasleidingen met de aansluitingen van de desbetreffende toestellen en de conformiteit met de geldende normen wordt aangetoond door een attest van een bevoegd technicus.
  3.4 Branddetectie
  Minstens de nachthal voor de ruimten waarin wordt overnacht, wordt uitgerust met één of meer autonome branddetectoren.
  3.5 Brandbestrijdingsmiddelen
  Per toeristisch logies moet minstens één gekeurde snelblusser per 150 m2 voorhanden zijn (geplaatst in het toeristische logies of in de onmiddellijke nabijheid ervan) met een capaciteit van minstens 6 kg (ABC-poeder of gelijkwaardig) die beantwoordt aan de geldende normen.
  HOOFDSTUK 4. - Uitbatingsvoorschriften
  4.
  Behalve wat vermeld is in de specifieke brandveiligheidsnormen, neemt de exploitant alle nodige maatregelen om de personen die in de inrichting aanwezig zijn, te beschermen tegen brand, paniek en ontploffingen.
  HOOFDSTUK 5. - Onderhoud en controles
  5.1
  De exploitant zorgt ervoor dat de nodige keuringen, onderzoeken en controles worden uitgevoerd. De data van de controles, de vaststellingen die tijdens die controles werden gedaan en de instructies voor het personeel worden in een logboek ingeschreven.
  5.2
  De technische en veiligheidsuitrusting van de inrichting wordt in goede staat gehouden. De exploitant laat op zijn verantwoordelijkheid periodiek die uitrusting door bevoegde personen onderhouden en controleren overeenkomstig de onderstaande tabel.
  

  
VOORWERP UITVOERDER PERIODICITEIT
Laagspanning EDTC vijfjaarlijks
Gasleidingen en -toestellen, vaste LPG-tanks (dichtheidscontrole) EDTC of BT driejaarlijks
Verwarmingstoestellen (goede werking) inclusief conformiteit afvoer rookgassen en aanvoer verse lucht voor toestellen met open verbranding BT jaarlijks
Schoorsteen en rookkanalen (toestellen op vloeibare/vaste brandstof) BT jaarlijks
Autonome branddetectoren BP driemaandelijks
Draagbare brandblustoestellen (goede werking) BT jaarlijks
Blusmiddelen, evacuatiewegen, trappen, ladders enzovoort (goede staat, bruikbaarheid) BP tijdens de uitbating



  
EDTC : externe dienst voor technische controles
BP : bevoegde persoon : persoon die al dan niet tot het eigen personeel behoort (zie artikel 28 van het ARAB) of de exploitant zelf, op voorwaarde dat hij voldoende kennis van de toestellen heeft
BT : bevoegde technicus : persoon of organisatie met de nodige kennis, het nodige materiaal, de nodige erkenning enzovoort om dergelijke controles te doen (bijvoorbeeld gasdichtheid : gehabiliteerde installateur; verwarming : erkende technicus enzovoort)

]18

Artikel N3Bijlage 3. - [20 Specifieke brandveiligheidsnormen van toepassing op die toeristische logies overeenkomstig de tabel in bijlage 1 bij dit besluit
  HOOFDSTUK 1. - Algemeen
  1.1 Doel
  De specifieke brandveiligheidsnormen in deze bijlage hebben tot doel :
  1° het ontstaan, de ontwikkeling en de voortplanting van brand te voorkomen;
  2° de veiligheid van de aanwezigen te waarborgen;
  3° het ingrijpen van de brandweer preventief te vergemakkelijken.
  1.2 Terminologie
  Bijlage 1 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen, zoals gewijzigd, is van toepassing.
  De inrichtingen worden ingedeeld in drie categorieën :
  1° categorie 1 : inrichtingen waarvan één of meer verhuureenheden gelegen zijn op de eerste, tweede of derde bovengrondse bouwlaag, met inbegrip van het laagste evacuatieniveau;
  2° categorie 2 : inrichtingen waarvan één of meer verhuureenheden gelegen zijn hoger dan de derde bovengrondse bouwlaag, maar op minder dan 25 m hoogte;
  3° categorie 3 : inrichtingen waarvan de verhuureenheden gelegen zijn op 25 m hoogte of hoger.
  1.3 Reactie van de materialen bij brand
  De proefmethoden, vermeld in bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen, zoals gewijzigd, zijn van toepassing.
  HOOFDSTUK 2. - Inplanting en toegangswegen
  2.1 Inplanting
  Het gebouw moet van nevenliggende constructies afgescheiden worden door wanden die in metselwerk of beton gebouwd zijn of die een brandwerendheid hebben van minstens EI 60.
  Als onderscheiden gebouwen van het gebouwencomplex met elkaar verbonden zijn door overdekte doorgangen, zijn hun openingen voorzien van zelfsluitende deuren of bij brand zelfsluitende deuren met een brandwerendheid EI1 30.
  De gedeelten van het gebouw die niet functioneel gerelateerd zijn aan de exploitatie van de inrichting, moeten afgescheiden zijn door :
  1° wanden met een brandwerendheid EI 60 of wanden die vervaardigd zijn uit metselwerk of beton;
  2° zelfsluitende deuren met brandwerendheid EI1 30.
  2.2 Toegangswegen
  De toegangswegen worden bepaald in overleg met de bevoegde brandweerdienst.
  HOOFDSTUK 3. - Evacuatie
  3.1
  De evacuatiewegen worden oordeelkundig verdeeld over het gebouw en moeten een snelle en gemakkelijke ontruiming van de personen toelaten.
  Ieder compartiment heeft minstens twee evacuatiemogelijkheden in geval van brand.
  De eerste evacuatiemogelijkheid bestaat uit de normale uitgang.
  Aanvaardbare oplossingen per verhuureenheid voor de tweede evacuatiemogelijkheid zijn :
  1° voor de inrichting van categorie 1 :
  a) een tweede binnentrap;
  b) een buitentrap;
  c) een al of niet uitklapbare buitenladder;
  d) een opengaand raam, indien de vloer van de verhuureenheid zich lager bevindt dan 3 m boven de begane grond;
  2° voor de inrichtingen van de categorie 2 en categorie 3 :
  a) een tweede binnentrap;
  b) een buitentrap.
  De af te leggen weg mag niet langer zijn dan 35 m tot de eerste evacuatiemogelijkheid en 60 m tot de tweede evacuatiemogelijkheid. De lengte van de doodlopende delen van de evacuatiewegen bedraagt niet meer dan 15 m.
  Voor de inrichtingen van categorie 1 en categorie 2 mag eveneens van de ladders van de brandweer gebruik worden gemaakt als tweede evacuatiemogelijkheid. In dat geval moet aan alle onderstaande eisen voldaan zijn :
  1° de inrichting moet uitgerust zijn met een algemene automatische branddetectie;
  2° iedere verhuureenheid moet over een raamopening of een terras beschikken die bereikbaar is voor de ladders van de brandweer. Het raam moet een vlotte evacuatie mogelijk maken;
  3° de toegangsdeur en de verticale binnenwanden van de verhuureenheid moeten minstens een brandwerendheid EI1 30 bezitten.
  3.2
  De evacuatiewegen zijn veilig aangelegd, duidelijk gesignaleerd en worden vrij en bruikbaar gehouden, zonder versperringen.
  De evacuatiewegen moeten zo worden aangelegd en verdeeld dat ze steeds onafhankelijk blijven van elkaar. Een evacuatieweg blijft bruikbaar als een andere evacuatieweg onbruikbaar wordt. Buiten komen ze uit op een straat of op een vrije ruimte die voldoende groot is om zich van het gebouw te kunnen verwijderen en het snel en veilig te kunnen ontruimen.
  HOOFDSTUK 4. - Voorschriften voor sommige bouwelementen
  4.1 Doorvoeringen door wanden
  Doorvoeringen dwars door wanden van leidingen voor fluïda of voor elektriciteit en de uitzetvoegen mogen de vereiste weerstand tegen brand van de bouwelementen niet nadelig beïnvloeden.
  4.2 Structurele elementen
  De constructieve elementen die de stabiliteit van het gebouw verzekeren, zoals kolommen, dragende wanden, hoofdbalken en vloeren, en andere essentiële delen die de draagconstructie van het gebouw vormen, zijn gebouwd in metselwerk of beton, of hebben :
  1° een brandwerendheid REI 30 voor inrichtingen van categorie 1;
  2° een brandwerendheid REI 60 voor inrichtingen van categorie 2 en categorie 3.
  Als aan die eisen niet wordt voldaan, wordt de inrichting uitgerust met een algemene automatische branddetectie.
  Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de constructieve elementen van het dakwerk.
  HOOFDSTUK 5. - Voorschriften voor de constructie van evacuatievoorzieningen
  5.1 Binnen- en buitentrappen
  5.1.1
  Iedere binnentrap in een inrichting van categorie 2 en categorie 3 wordt ommuurd. Voor de inrichtingen van categorie 2 mogen de muren en de toegangsdeuren van de verhuureenheden per bouwlaag de ommuring vormen.
  De binnenwanden van de trappenhuizen zijn gebouwd uit metselwerk of beton, of hebben :
  1° een brandwerendheid EI 30 voor inrichtingen van categorie 2;
  2° een brandwerendheid EI 60 voor inrichtingen van categorie 3.
  De trappenhuizen zijn toegankelijk :
  1° voor inrichtingen van categorie 2 : via massieve houten deuren, deuren met gewapend glas of deuren met brandwerendheid EI1 30;
  2° voor inrichtingen van categorie 3 : via deuren met brandwerendheid EI1 30.
  Boven aan ieder trappenhuis bevindt zich een horizontale, verticale of hellende verluchtingsopening die uitmondt in openlucht en die een doorsnede heeft van minstens :
  1° 0,50 m2 voor inrichtingen van categorie 2;
  2° 1 m2 voor inrichtingen van categorie 3.
  Het openen gebeurt door de brandweer met behulp van een manueel te bedienen systeem, dat goed zichtbaar op het evacuatieniveau wordt geplaatst.
  5.1.2
  Nieuw te bouwen buitentrappen zijn langs beide kanten voorzien van een stevig vastgehechte leuning. Hun nuttige breedte is minstens 0,80 m. De treden van de buitentrappen zijn antislip en de maximale hellingshoek is 45°.
  5.2 Buitenladders
  De buitenladders zijn stevig bevestigd. Bij gebruik van opklapbare ladders moet hun aanwezigheid en gebruikswijze duidelijk worden gesignaleerd.
  5.3 Breedte van traparmen, overlopen en sassen
  5.3.1
  De breedte van de traparmen, de overlopen en de sassen bedraagt minstens 0,80 m. Voor de gebouwen waarvan de bouwvergunning dateert van voor 1 juni 1972, is een breedte vanaf 0,70 m toegestaan.
  5.3.2
  Voor de inrichtingen van categorie 2 en categorie 3 moeten de trappen een totale breedte hebben die minstens gelijk is, in centimeters, aan het aantal personen die ze moeten gebruiken om de uitgang van het gebouw te bereiken, vermenigvuldigd met 1,25 als ze omlaag moeten gaan naar de uitgang, en vermenigvuldigd met 2 als ze omhoog moeten gaan naar de uitgang.
  Het berekenen van de breedte van de trappen moet gesteund zijn op het feit dat, bij het verlaten van het gebouw, alle personen van een verdieping samen de naburige verdieping vervoegen en dat die al ontruimd is als zij er aankomen.
  Onder de personen die het gebouw moeten evacueren, worden niet alleen het personeel van de inrichting verstaan, maar ook de bezoekers, de gasten en de andere personen die de trappen, evacuatiewegen, uitgangen en wegen naar de uitgangen moeten gebruiken.
  Als niet bij benadering kan vastgesteld worden hoeveel personen het gebouw tegelijk moeten kunnen evacueren, stelt de exploitant dat aantal op zijn eigen verantwoordelijkheid vast.
  5.4 Evacuatiewegen
  5.4.1
  De breedte van de evacuatiewegen, de uitgangen en de wegen die ernaartoe leiden is minstens 0,80 m. Voor de gebouwen waarvan de bouwvergunning dateert van voor 1 juni 1972 is voor de deuren een breedte vanaf 0,70 m toegestaan.
  5.4.2
  De binnenwanden van de evacuatiewegen hebben :
  1° een brandwerendheid EI 30 voor inrichtingen van categorie 1. Als aan die eisen niet wordt voldaan, wordt de inrichting uitgerust met een algemene automatische branddetectie;
  2° een brandwerendheid EI 60 voor inrichtingen van categorie 2 en categorie 3.
  5.4.3
  Draaideuren en draaipaaltjes zijn, zelfs als ze in de binnengelegen evacuatiewegen geplaatst zijn, alleen toegestaan ter aanvulling van de gewone deuren en doorgangen.
  5.5 Signalisatie
  De uitgang, de nooduitgang en de richting naar die uitgangen moeten worden aangeduid overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 17 juni 1997 betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalisatie op het werk, zoals gewijzigd.
  HOOFDSTUK 6. - Constructievoorschriften voor sommige lokalen en technische ruimten
  6.1 Stookplaatsen waarvan het gemeenschappelijke vermogen van de stookinstallaties meer dan 30 KW bedraagt
  De muren, wanden, de vloeren en de zolderingen van de stookplaatsen hebben minstens een brandwerendheid EI1 30 of zijn gebouwd uit metselwerk of beton.
  Als er gebruik wordt gemaakt van vaste, vloeibare of gasvormige brandstoffen, moet iedere verbinding tussen de stookplaats en het gebouw en tussen de stookplaats en de brandstofopslagplaats, afgesloten zijn door een deur met een brandwerendheid EI 30. Die deuren sluiten automatisch. Ze zijn niet voorzien van een toestel dat het mogelijk maakt ze in geopende stand vast te zetten. Het is in alle omstandigheden verboden ze in open stand te houden.
  De stookplaatsen moeten behoorlijk verlucht worden.
  Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor generatoren met een vermogen kleiner dan 70 KW die werken op gas en die een gesloten verbrandingsruimte bezitten met mechanische trek.
  6.2 Parkeergarages
  Parkeergarages voor drie autovoertuigen of meer zijn van de rest van het gebouw afgescheiden door wanden met een brandwerendheid EI 60 of zijn vervaardigd uit metselwerk of beton. De deuren die erin aangebracht zijn, bezitten een brandwerendheid EI1 30 en zijn zelfsluitend.
  6.3 Restaurants en keukens, met uitzondering van huishoudelijke keukens
  De keukens en de combinaties keuken-restaurant, uitgerust met kook-, braad-, bak- of frituurinstallaties, zijn begrensd door wanden die gebouwd zijn in metselwerk of beton, of een brandwerendheid hebben van :
  1° EI 30 voor inrichtingen van categorie 1;
  2° EI 60 voor inrichtingen van categorie 2 en categorie 3.
  Deuren die erin aangebracht zijn, bezitten een brandwerendheid EI1 30 en zijn zelfsluitend of bij brand zelfsluitend.
  HOOFDSTUK 7. - Uitrusting van de gebouwen
  7.1 Liften en goederenliften
  Het geheel van de liften en goederenliften die bestaan uit één of meer schachten, is begrensd door wanden die gebouwd zijn in metselwerk of beton of een brandwerendheid hebben van :
  1° EI 30 voor inrichtingen van categorie 1;
  2° EI 60 voor inrichtingen van categorie 2 en categorie 3.
  Er wordt een uitzondering gemaakt voor de voorzijde van de liftbordessen en de wanden die deel uitmaken van de gevel.
  De liftbordesvoorzijde, de deuren inbegrepen, bezitten een brandwerendheid E 30.
  7.2 Lift met prioritaire oproep
  Iedere inrichting van categorie 3 wordt bediend door een lift met prioritaire oproep. Die lift geeft uit op een evacuatieniveau dat gemakkelijk toegankelijk is voor de brandweer. Als verschillende liftengroepen eenzelfde compartiment bedienen, dan bezit iedere liftgroep een prioritaire lift.
  Aan die vereiste is voldaan :
  1° als een lift vanaf dat evacuatieniveau alle bovenliggende verdiepingen bedient;
  2° als verschillende liften vanaf dat evacuatieniveau een gedeelte van de bovenliggende verdiepingen bedienen, op voorwaarde dat het geheel van de liften met prioritaire oproep de toegang tot alle compartimenten van het gebouw mogelijk maakt.
  Op het liftbordes van het evacuatieniveau is een brandweerschakelaar aangebracht, waarmee de voorkeursgroep kan worden gegeven.
  Met de brandweerschakelaar moet de liftkooi snel kunnen worden opgeroepen na aankomst op het evacuatieniveau, zonder buitenoproepen te beantwoorden. De brandweerschakelaar moet in een kastje zijn aangebracht dat voorzien is van een ruitje met het opschrift " brandweer ".
  Behalve de omstandigheden die hun specifieke gebruik noodzakelijk maken, worden de liften met prioritaire oproep normaal gebruikt.
  7.3 Elektrische installatie voor drijfkracht, verlichting en signalisatie
  7.3.1
  Alleen elektrische verlichting is toegestaan.
  7.3.2
  Het vermogen van de autonome stroombronnen is voldoende om alle veiligheidsinstallaties zoals de veiligheidsverlichting, de rookevacuatiekoepels en de installaties voor melding, waarschuwing, alarm en detectie te voeden. Voor de inrichtingen van categorie 3 is het vermogen ook voldoende voor de machines van de liften met prioritaire oproep.
  Zodra de normale voeding van het net uitvalt, verzekeren de autonome stroombron of stroombronnen automatisch en binnen dertig seconden de werking van de installaties gedurende een uur.
  7.3.3
  De evacuatiewegen zijn voorzien van een veiligheidsverlichting.
  7.4 Verwarmingstoestellen
  7.4.1
  De verwarmingstoestellen moeten zo opgevat en opgesteld zijn dat ze voldoende veiligheidswaarborgen bieden, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden.
  7.4.2
  De verwarmingstoestellen moeten gebruiksklaar worden gehouden, verbonden zijn met een goed trekkende schoorsteen en zo zijn gemaakt dat een volledige en regelmatige afvoer van de verbrandingsgassen verzekerd is.
  7.4.3
  De schoorstenen en rookgangen van de verwarmingstoestellen moeten gebouwd zijn uit onbrandbare materialen en behoorlijk onderhouden worden.
  7.4.4
  De warmtegeneratoren, de schoorstenen en de rookgangen moeten op een voldoende afstand van brandbare stoffen en materialen opgesteld zijn of er in die mate van afgezonderd zijn dat brandgevaar voorkomen wordt.
  7.4.5
  De warmtegeneratoren met automatisch aansteekmechanisme die vloeibare of een gasvormige brandstof gebruiken, moeten in die mate uitgerust zijn dat de brandstoftoevoer automatisch afgesneden wordt in de volgende gevallen :
  1° bij het al dan niet automatisch stilvallen van de brander;
  2° zodra de vlam toevallig uitdooft;
  3° zodra er oververhitting of overdruk in de wisselaar voorkomt;
  4° in geval van onderbreking van elektrische stroom, voor de warmtegeneratoren die vloeibare brandstoffen gebruiken.
  7.4.6
  De verwarmingsinstallaties met warme lucht moeten aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° de temperatuur van de lucht mag op de verdelingspunten niet hoger dan 80 ° C bedragen;
  2° de aanvoerkanalen van warme lucht moeten volledig uit onbrandbare materialen vervaardigd zijn.
  7.4.7
  In de verhuureenheden zijn elektrische verwarmingstoestellen toegestaan, met uitzondering van de toestellen die een zichtbaar elektrische weerstand bevatten. Individuele verwarmingstoestellen van het verbrandingstype zijn verboden.
  7.5 Gastoevoerleidingen
  Als het gebouw, waarin de inrichting ligt, een algemene gastoevoerleiding bezit, dan moet daarop minstens één handbediende afsluitkraan aangebracht zijn. De afsluitkraan wordt geplaatst bij het begin van de leiding in het gebouw, op een behoorlijk aangeduide plaats.
  7.6 Melding, waarschuwing, alarm en brandbestrijdingsmiddelen
  7.6.1
  Alle inrichtingen zijn uitgerust met een installatie voor melding, waarschuwing, alarm en brandbestrijding. De exploitant raadpleegt de bevoegde brandweerdienst voor het bepalen van die uitrusting.
  7.6.2
  Tenzij de inrichting uitgerust is met een algemene automatische branddetectie, moet de evacuatieweg van de verhuureenheden uitgerust zijn met minstens één autonome branddetector.
  Als de specifieke brandveiligheidsnormen een automatische branddetectie eist, bestaat die uit een aantal branddetectoren en een centrale.
  De detectoren worden geplaatst in de verhuureenheden, de evacuatieruimten, de technische lokalen, de bureaus, de lokalen die voor het publiek toegankelijk zijn, de keukens en de bergplaatsen die deel uitmaken van de inrichting. De detectoren worden aangepast aan het brandrisico. Nachtverblijven en evacuatiewegen moeten beveiligd worden met rookdetectoren.
  De centrale is aangepast aan de detectoren en minstens uitgerust met :
  1° een optisch signaal dat de inbedrijfstelling van de installatie aanduidt;
  2° een akoestisch waarschuwingssignaal;
  3° een optisch waarschuwingssignaal dat het mogelijk maakt om de plaats waar de brand ontstaan is, te lokaliseren. Dat lokaliseren moet minstens mogelijk zijn per verdieping;
  4° een akoestisch en optisch storingssignaal dat verschilt van het waarschuwingssignaal bij brand.
  De centrale wordt gevoed door het openbaar elektriciteitsnet en wordt beveiligd met afzonderlijke zekeringen. Als het openbaar elektriciteitsnet uitvalt, zorgt een secundaire stroombron automatisch voor de voeding van de installatie.
  7.6.3
  De brandbestrijdingsmiddelen worden vastgelegd in overleg met de bevoegde brandweerdienst.
  Per toeristisch logies of in de onmiddellijke nabijheid ervan moet minstens één gekeurde snelblusser per 150 m2 voorhanden zijn, met een capaciteit van minstens 6 kg ABC-poeder of gelijkwaardig, die beantwoordt aan de geldende normen.
  De toestellen worden bepaald door de bevoegde brandweerdienst afhankelijk van de aard en de omvang van het gevaar.
  HOOFDSTUK 8. - Bekleding en wandversiering
  8.
  Bekledingsmaterialen en versieringen mogen geen risico inhouden op brandgevaarlijke toestanden.
  HOOFDSTUK 9. - Onderhoud en controles
  9.1 Algemeen
  9.1.1
  De technische uitvoering van de inrichting wordt in goede staat gehouden.
  De exploitant laat op zijn verantwoordelijkheid die uitrusting periodiek door bevoegde personen controleren.
  9.1.2
  De exploitant zorgt ervoor dat de nodige keuringen, onderzoeken en controles uitgevoerd worden. De data van de controles, de vaststellingen die tijdens die controles werden gedaan en de instructies voor het personeel, worden in een logboek ingeschreven. Dat logboek wordt ter beschikking gehouden van de burgemeester of zijn afgevaardigde.
  9.2 Periodieke controles
  9.2.1 Liften en goederenliften
  Goederenliften worden gekeurd en onderzocht op de wijze, voorgeschreven in titel II, hoofdstuk I, afdeling II, van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming (ARAB).
  Personenliften worden gekeurd en onderzocht zoals voorgeschreven in het koninklijk besluit van 9 maart 2003.
  9.2.2 Elektrische installaties voor drijfkracht, verlichting, signalisatie en veiligheidsverlichting
  De elektrische installaties voor drijfkracht, verlichting, signalisatie en veiligheidsverlichting beantwoorden, naargelang van het geval, aan de voorschriften van titel III, hoofdstuk I, afdeling I, van het ARAB (inclusief de arbeidsmiddelenrichtlijn), of aan de voorschriften van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (AREI).
  9.2.3 Veiligheidsverlichting
  De veiligheidsverlichting wordt door de exploitant minstens driemaandelijks gecontroleerd op hun goede werking en autonomie.
  9.2.4 Installaties voor verwarming en klimaatregeling
  Met behoud van de toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit van 21 oktober 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste en vloeibare brandstoffen, zoals gewijzigd, worden jaarlijks de installaties voor centrale verwarming en centrale klimaatregeling door een bevoegd technicus gecontroleerd.
  De afvoerkanalen voor rook- en verbrandingsgassen worden steeds in goede staat gehouden.
  9.2.5 Installaties, gevoed met brandbaar gas
  Met behoud van de toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit van 21 oktober 1968 betreffende opslagplaatsen voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste ongekoelde houders, zoals gewijzigd, worden de installaties die met brandbaar gas worden gevoed, onderzocht voor de inbedrijfstelling van een nieuwe of gedeeltelijk vernieuwde installatie, volgens de voorschriften van de Belgische normen en regels van goede praktijk.
  De bovengenoemde controles worden uitgevoerd door een daartoe uitgerust organisme of door een bevoegde technicus. De resultaten ervan worden in een proces-verbaal opgetekend. De nieuw geplaatste gebruikstoestellen worden vóór hun ingebruikname getest door een bevoegde technicus, die de goede werking ervan nagaat.
  9.2.6 Melding, waarschuwing en alarm
  Jaarlijks worden de elektrische meldings-, waarschuwings- en alarminstallaties, met uitzondering van de gewone telefoonlijnen, alsook de elektrische waarschuwingstoestellen, gecontroleerd door een externe dienst voor technische controles.
  9.2.7 Branddetectie
  De algemene automatische branddetectie wordt jaarlijks gecontroleerd. Daarbij wordt minstens de autonomie en de goede werking door een externe dienst voor technische controles gecheckt. Het onderhoud moet worden uitgevoerd door een bevoegde technicus.
  De autonome branddetectoren worden minstens driemaandelijks door de exploitant getest op hun goede werking.
  9.2.8 Brandbestrijdingsmiddelen
  De exploitant draagt er zorg voor dat de brandbestrijdingsmiddelen jaarlijks gecontroleerd en onderhouden worden door een bevoegde technicus.
  9.2.9 Filters en kokers van dampkappen
  De exploitant draagt er zorg voor dat de filters en kokers van de dampkappen periodiek onderhouden worden. De dampkappen en -afvoeren moeten minstens jaarlijks door een bevoegd persoon worden gecontroleerd.
  9.2.10 Deuren en verluchtingsopeningen
  De exploitant draagt er zorg voor dat de deuren, luiken en verluchtingsopeningen, vermeld in de specifieke brandveiligheidsnormen, jaarlijks gecontroleerd en onderhouden worden.
  HOOFDSTUK 10. - Uitbatingsvoorschriften
  10.1 Algemeen
  Behalve wat vermeld is in de specifieke brandveiligheidsnormen, neemt de exploitant alle nodige maatregelen om de personen die in de inrichting aanwezig zijn, te beschermen tegen brand, paniek en ontploffingen.
  De permanente maatregelen die in dat opzicht door de exploitant genomen worden, zullen in een huishoudelijk reglement vermeld worden. Periodiek en minstens jaarlijks vestigt de exploitant de aandacht van het personeel op die bepalingen in het huishoudelijk reglement. Naar aanleiding van de opmerkingen in de processen-verbaal van de periodieke controles moeten zo snel mogelijk aangepaste verbeteringen worden doorgevoerd.
  10.2 Veiligheidsvoorzieningen
  De exploitant moet zorgen voor de goede werking van alle veiligheidsvoorzieningen zoals de goede werking van zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren, de veiligheidsverlichting, de branddetectie, de bruikbaarheid van de evacuatiewegen, de trappen en ladders, en de brandbestrijdingsmiddelen.
  10.3 Kooktoestellen en maaltijdverwarmers
  Kooktoestellen en maaltijdverwarmers staan ver genoeg verwijderd of geïsoleerd van alle ontvlambare materialen.
  Er mogen geen verplaatsbare toestellen, gevoed met brandstoffen, in de inrichting geplaatst of gebruikt worden, tenzij in verplaatsbare toestellen met brandstofhoeveelheden van maximaal 3 kg of 1 liter ter bereiding van speciale gerechten in een keuken of restaurant.
  De reserverecipiënten of lege recipiënten worden in openlucht of in een daartoe ingerichte ruimte opgeslagen. Die ruimte bevat geen andere brandbare stoffen en is voorzien van een verluchting boven- en onderaan.
  10.4 Voorlichting van personeel en gasten over brandpreventie
  10.4.1
  Met behoud van de toepassing van de bepalingen van artikelen 52.10 en 52.12 van het ARAB vestigt de exploitant de aandacht van de personeelsleden op het gevaar bij brand in de inrichting. Zij worden onder meer op de hoogte gebracht van de ingezette middelen voor :
  1° de detectie, de melding, de waarschuwing en het alarm;
  2° de te nemen schikkingen om de veiligheid van de personen te verzekeren;
  3° het bestaan van brandbestrijdingsmiddelen.
  De exploitant en sommige personeelsleden die speciaal zijn aangewezen wegens de permanente beschikbaarheid en de aard van hun functie, worden met de werking van de brandbestrijdingsmiddelen vertrouwd gemaakt en ontvangen onderricht over de gebruiksvoorwaarden.
  10.4.2
  De exploitant organiseert jaarlijks praktische oefeningen die tot doel hebben de personeelsleden te onderrichten over hun gedrag bij brand.
  10.5 Gasinstallaties
  De onontbeerlijke voorzorgen zijn genomen om gaslekken te voorkomen.
  De aanwezigheid van verplaatsbare recipiënten voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen is verboden in de lokalen van de kelderverdiepingen en in die waarvan de bodem aan alle zijden lager is dan de omringende bodem van het gebouw, behalve voor toevallige werkzaamheden.
  De verplaatsbare recipiënten voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen die niet in gebruik zijn, en de recipiënten waarvan verondersteld wordt dat ze leeg zijn, moeten opgeslagen zijn in de openlucht of in een doelmatig verlucht en speciaal voor dat gebruik bestemd lokaal.
  10.6 Opslagplaatsen voor brandstoffen
  Iedere opslagplaats van vloeibare brandstoffen of van vloeibaar gemaakte petroleumgassen is ingericht buiten de lokalen die voor de gasten toegankelijk zijn.
  10.7 Andere maatregelen
  10.7.1
  De exploitant zorgt ervoor dat onbevoegde personen geen toegang hebben tot de technische lokalen en doorgangen. Dat verbod wordt op alle nuttige plaatsen aangeduid.
  10.7.2
  De toegang tot de ondergrondse parkeerplaatsen is verboden voor voertuigen die met een lpg-installatie zijn uitgerust. Dat verbod wordt bij de ingang van de parking aangegeven.
  10.7.3
  De omgeving van de plaatsen waar zich toestellen bevinden voor melding, waarschuwing en alarm of waar apparaten voor brandbestrijding aangebracht zijn, blijft steeds vrij, zodat de toestellen in kwestie zonder vertraging gebruikt kunnen worden.
  HOOFDSTUK 11. - Samenvattende tabel van de periodiciteit van de controles op de technische uitrusting en veiligheidsuitrusting
  11.
  De technische uitrusting en veiligheidsuitrusting van de inrichting wordt in goede staat gehouden. De exploitant laat op zijn verantwoordelijkheid periodiek die uitrusting door bevoegde personen onderhouden en controleren op basis van de onderstaande tabel.
  

  
VOORWERP NORM UITVOERDER PERIODICITEIT
Goederen- en keukenlift 9.2.1 EDTC driemaandelijks
Personenlift 9.2.1 EDTC drie- of zesmaandelijks (onderhoudscontract niet/wel via gecertificeerde firma)
Hoogspanning 9.2.2 EDTC jaarlijks
Laagspanning 9.2.2 EDTC vijfjaarlijks
Veiligheidsverlichting (werking, autonomie) 9.2.3 BP driemaandelijks
Gasleidingen en -toestellen, vaste LPG-tanks (dichtheidscontrole) 9.2.5 EDTC of BT driejaarlijks
Automatische gasdetectie/brandstofafsluiters (indien aanwezig : goede werking)   EDTC jaarlijks
Verwarmings- en luchtbehandelingstoestellen (goede werking) inclusief conformiteit afvoer rookgassen en aanvoer verse lucht voor toestellen met open verbranding 9.2.4 BT jaarlijks
Schoorsteen en rookkanalen (toestellen op vloeibare/vaste brandstof) 9.2.4 BT jaarlijks
Melding-, waarschuwings- en alarminstallatie (autonomie, goede werking) 9.2.6 EDTC jaarlijks
Algemene automatische branddetectie (conformiteit, autonomie, goede werking) inclusief bbzs brandwerende deuren en luiken, rookevacuatiekoepels 9.2.7 EDTC jaarlijks
Autonome branddetectoren 9.2.7 BP driemaandelijks
Filters en kokers van dampkappen 9.2.9 BP jaarlijks
Draagbare brandblustoestellen (goede werking) en axiaal gevoede muurhaspels indien aanwezig 9.2.8 BT jaarlijks
(Zs) brandwerende deuren en luiken, blusmiddelen, evacuatiewegen, trappen, ladders enzovoort (goede staat, bruikbaarheid) 10.2 BP tijdens de uitbating



  
EDTC : externe dienst voor technische controles
BP : bevoegde persoon : persoon die al dan niet tot het eigen personeel behoort (zie artikel 28 van het ARAB) of de exploitant zelf, op voorwaarde dat hij voldoende kennis van de toestellen heeft
BT : bevoegde technicus : persoon of organisatie met de nodige kennis, het nodige materiaal, de nodige erkenning enzovoort om dergelijke controles te doen (bijvoorbeeld gasdichtheid : gehabiliteerde installateur; verwarming : erkende technicus enzovoort)
zs : zelfsluitend
bbzs : bij brand zelfsluitend

]20

Artikel N4Bijlage 4. - [21 Specifieke brandveiligheidsnormen van toepassing op die toeristische logies overeenkomstig de tabel in bijlage 1 bij dit besluit
  HOOFDSTUK 1. - Algemeen
  1.1 Doel
  De specifieke brandveiligheidsnormen in deze bijlage hebben tot doel :
  1° het ontstaan, de ontwikkeling en de voortplanting van brand te voorkomen;
  2° de veiligheid van de aanwezigen te waarborgen;
  3° het ingrijpen van de brandweer preventief te vergemakkelijken.
  1.2 Toepassingsgebied
  Deze bepalingen zijn niet van toepassing op het gedeelte van het gebouw dat bewoond wordt door derden, door de eigenaar of door de exploitant. Ze zijn evenmin van toepassing op gedeelten van het gebouw die niet functioneel gerelateerd zijn aan de exploitatie van het toeristische logies.
  1.3 Terminologie
  Bijlage 1 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen, zoals gewijzigd, is van toepassing.
  De inrichtingen worden ingedeeld in drie categorieën :
  1° categorie 1 : inrichtingen waarvan een of meer verhuureenheden gelegen zijn op de eerste, tweede of derde bovengrondse bouwlaag, met inbegrip van het laagste evacuatieniveau;
  2° categorie 2 : inrichtingen waarvan een of meer verhuureenheden gelegen zijn hoger dan de derde bovengrondse bouwlaag, maar op minder dan 25 m hoogte;
  3° categorie 3 : inrichtingen waarvan de verhuureenheden gelegen zijn op 25 m hoogte of hoger.
  1.4 Reactie van de materialen bij brand
  De proefmethoden, vermeld in bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen, zoals gewijzigd, zijn van toepassing.
  1.5 Automatische branddetectie
  Vanaf 2025 dienen alle toeristische logiezen over een algemene automatische branddetectie die beantwoordt aan de norm 7.6.4 te beschikken.
  HOOFDSTUK 2. - Inplanting en toegangswegen
  2.1 Inplanting
  Het gebouw moet van nevenliggende constructies afgescheiden worden door wanden die in metselwerk of beton gebouwd zijn of die een brandwerendheid hebben van minstens EI 60.
  Als onderscheiden gebouwen van het gebouwencomplex met elkaar verbonden zijn door overdekte doorgangen, zijn hun openingen voorzien van zelfsluitende deuren of bij brand zelfsluitende deuren met een brandwerendheid EI1 30.
  Het gedeelte van het gebouw dat bewoond wordt door derden, door de eigenaar of door de exploitant en de gedeelten van het gebouw die niet functioneel gerelateerd zijn aan de exploitatie van het toeristische logies, zijn van de exploitante afgescheiden door :
  1° wanden met een brandwerendheid EI 60;
  2° zelfsluitende deuren met een brandwerendheid EI1 30.
  2.2 Toegangswegen
  De toegangswegen worden bepaald in overleg met de bevoegde brandweerdienst.
  De inrichting is steeds bereikbaar voor de brandweervoertuigen. In de nabijheid van de inrichting is de opstelling en de bediening van het materiaal voor brandbestrijding en redding gemakkelijk uitvoerbaar.
  HOOFDSTUK 3. - Compartimentering en evacuatie
  3.1
  Iedere bouwlaag die geen normaal evacuatieniveau is, vormt een of meer compartimenten. De oppervlakte van een compartiment is kleiner dan 1 250 m2. De lengte van een compartiment is de afstand tussen de twee punten van het compartiment die het verst van elkaar verwijderd zijn. De afstand bedraagt niet meer dan 75 m.
  De volgende afwijkingen zijn toegestaan :
  1° de bovenvermelde bepalingen gelden niet voor parkeerruimten;
  2° een compartiment kan gevormd worden door twee opeenvolgende verdiepingen met binnentrapverbindingen - duplex - als de gecumuleerde oppervlakte van die twee verdiepingen niet groter is dan 700 m2;
  3° de benedenverdieping en de eerste verdieping (of tussenverdieping) kunnen eveneens een compartiment vormen, op voorwaarde dat het totale volume niet groter is dan 10 000 m3.
  3.2
  De evacuatiewegen worden oordeelkundig verdeeld over het gebouw en moeten een snelle en gemakkelijke ontruiming van de personen toelaten.
  Ieder compartiment heeft minstens twee evacuatiemogelijkheden in geval van brand.
  De eerste evacuatiemogelijkheid bestaat uit de normale uitgang.
  Aanvaardbare oplossingen per verhuureenheid voor de tweede evacuatiemogelijkheid zijn :
  1° voor de inrichting van categorie 1 :
  a) een tweede binnentrap;
  b) een buitentrap;
  c) een al of niet uitklapbare buitenladder;
  d) een opengaand raam, als de vloer van de verhuureenheid zich lager dan 3 m boven de begane grond bevindt;
  2° voor de inrichtingen van de categorie 2 en categorie 3 :
  a) een tweede binnentrap;
  b) een buitentrap.
  De af te leggen weg mag niet langer zijn dan 35 m tot de eerste evacuatiemogelijkheid en 60 m tot de tweede evacuatiemogelijkheid. De lengte van de doodlopende delen van de evacuatiewegen bedraagt niet meer dan 15 m.
  3.3
  De evacuatiewegen zijn veilig aangelegd, duidelijk gesignaleerd en worden vrij en bruikbaar gehouden zonder versperringen.
  De evacuatiewegen moeten zo worden aangelegd en verdeeld dat ze steeds onafhankelijk blijven van elkaar. Een evacuatieweg blijft bruikbaar als een andere evacuatieweg onbruikbaar wordt. Buiten komen ze uit op een straat of op een vrije ruimte die voldoende groot is om zich van het gebouw te kunnen verwijderen en het snel en veilig te kunnen ontruimen.
  HOOFDSTUK 4. - Voorschriften voor sommige bouwelementen
  4.1 Doorvoeringen door wanden
  Doorvoeringen dwars door wanden van leidingen voor fluïda of voor elektriciteit en de uitzetvoegen mogen de vereiste weerstand tegen brand van de bouwelementen niet nadelig beïnvloeden.
  4.2 Structurele elementen
  De constructieve elementen die de stabiliteit van het gebouw verzekeren, zoals kolommen, dragende wanden, hoofdbalken en vloeren, en andere essentiële delen die de draagconstructie van het gebouw vormen, zijn gebouwd in metselwerk of beton, of hebben :
  1° een brandwerendheid REI 30 voor inrichtingen van categorie 1;
  2° een brandwerendheid REI 60 voor inrichtingen van categorie 2 en categorie 3.
  Als aan die eisen niet wordt voldaan, wordt de inrichting uitgerust met een algemene automatische branddetectie.
  Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de constructieve elementen van het dakwerk.
  4.3 Verticale wanden
  De verticale binnenwanden die de verhuureenheden begrenzen, hebben minstens een brandwerendheid EI 30 of zijn gebouwd in metselwerk of beton. Deze bepaling is niet van toepassing op de deuren.
  Als aan het bovenstaande voorschrift niet voldaan is, wordt de inrichting uitgerust met een algemene automatische branddetectie.
  4.4 Plafonds en valse plafonds
  In de evacuatiewegen van de inrichtingen van categorie 3 hebben de valse plafonds bij brand een stabiliteit van dertig minuten. Als aan het bovenstaande voorschrift niet voldaan is, wordt de inrichting uitgerust met een algemene automatische branddetectie.
  HOOFDSTUK 5. - Voorschriften voor de constructie van compartimenten en evacuatievoorzieningen
  5.1 Compartimenten
  De wanden tussen de compartimenten zijn gebouwd in metselwerk of beton, of hebben minstens :
  1° een brandwerendheid EI 30 voor inrichtingen van categorie 1;
  2° een brandwerendheid EI 60 voor inrichtingen van categorie 2 en categorie 3.
  Voor de verbinding tussen twee compartimenten zijn alleen zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren met een brandwerendheid EI1 30 toegestaan. Als aan de bovenstaande voorschriften niet voldaan is, wordt de inrichting uitgerust met een algemene automatische branddetectie.
  5.2 Binnentrappenhuizen
  5.2.1
  Iedere binnentrap in een inrichting van categorie 2 en categorie 3 wordt ommuurd. Voor de inrichtingen van categorie 2 mogen de muren en de toegangsdeuren van de verhuureenheden per bouwlaag de ommuring vormen.
  De binnenwanden van de trappenhuizen zijn gebouwd uit metselwerk of beton, of hebben :
  1° een brandwerendheid EI 30 voor inrichtingen van categorie 2;
  2° een brandwerendheid EI 60 voor inrichtingen van categorie 3.
  De trappenhuizen zijn toegankelijk :
  1° voor inrichtingen van categorie 2 : via massieve houten deuren, deuren met gewapend glas of deuren met een brandwerendheid EI1 30;
  2° voor inrichtingen van categorie 3 : via deuren met een brandwerendheid EI1 30.
  Boven aan ieder trappenhuis bevindt zich een horizontale, verticale of hellende verluchtingsopening die uitmondt in openlucht en die een doorsnede heeft van minstens :
  1° 0,50 m2 voor inrichtingen van categorie 2;
  2° 1 m2 voor inrichtingen van categorie 3.
  Het openen gebeurt door de brandweer met behulp van een manueel te bedienen systeem, dat goed zichtbaar op het evacuatieniveau geplaatst wordt.
  5.2.2 Nieuw te bouwen binnentrappen
  Eventueel nieuw te bouwen trappen zijn langs beide zijden voorzien van een stevig vastgehechte leuning, die zo mogelijk doorloopt op de bordessen. Hun nuttige breedte is minstens 0,80 m. Voor trappen met een nuttige breedte van minder dan 1,20 m, is één leuning voldoende.
  De maximale hellingshoek is 37°. De treden mogen van het verdreven type zijn op voorwaarde dat de aantreden op de looplijn een breedte hebben van 24 cm.
  5.2.3 Nieuw te bouwen buitentrappen
  Nieuw te bouwen buitentrappen zijn langs beide kanten voorzien van een stevig vastgehechte leuning. Hun nuttige breedte is minstens 0,80 m. De treden van de buitentrappen zijn antislip en de maximale hellingshoek is 45°.
  5.3 Buitenladders
  De buitenladders zijn stevig bevestigd. Bij gebruik van opklapbare ladders moet hun aanwezigheid en gebruikswijze duidelijk worden gesignaleerd.
  5.4 Breedte van traparmen, overlopen en sassen
  5.4.1
  De breedte van de traparmen, de overlopen en de sassen bedraagt minstens 0,80 m. Voor de gebouwen waarvan de bouwvergunning dateert van voor 1 juni 1972, is een breedte vanaf 0,70 m toegestaan.
  5.4.2
  Voor de inrichtingen van categorie 2 en categorie 3 moeten de trappen een totale breedte hebben die minstens gelijk is, in centimeters, aan het aantal personen die ze moeten gebruiken om de uitgang van het gebouw te bereiken, vermenigvuldigd met 1,25 als ze omlaag moeten gaan naar de uitgang, en vermenigvuldigd met 2 als ze omhoog moeten gaan naar de uitgang.
  Het berekenen van de breedte van de trappen moet gesteund zijn op de vaststelling dat, bij het verlaten van het gebouw, alle personen van een verdieping samen zich bij die van de naburige verdieping voegen en dat die verdieping al ontruimd is als zij er aankomen.
  Onder die personen worden niet alleen het personeel van de inrichting verstaan, maar ook de bezoekers, de gasten en de andere personen die de trappen, evacuatiewegen, uitgangen en wegen die naar de uitgangen leiden, moeten gebruiken.
  Als niet bij benadering vastgesteld kan worden hoeveel personen het gebouw tegelijk moeten kunnen evacueren, stelt de exploitant dat aantal op eigen verantwoordelijkheid vast.
  5.5 Evacuatiewegen
  5.5.1
  De breedte van de evacuatiewegen, de uitgangen en de wegen die ernaartoe leiden is minstens 0,80 m. Voor de gebouwen waarvan de bouwvergunning dateert van voor 1 juni 1972, is voor de deuren een breedte van 0,70 m toegestaan.
  5.5.2
  De binnenwanden van de evacuatiewegen hebben :
  1° een brandwerendheid EI 30 voor inrichtingen van categorie 1. Als aan die eisen niet wordt voldaan, wordt de inrichting uitgerust met een algemene automatische branddetectie;
  2° een brandwerendheid EI 60 voor inrichtingen van categorie 2 en categorie 3.
  5.5.3
  De deuren in de evacuatiewegen die twee uitgangen verbinden, moeten in beide richtingen opendraaien.
  Draaideuren en draaipaaltjes, zelfs als ze in de binnengelegen evacuatiewegen geplaatst zijn, zijn alleen toegestaan als aanvulling van de gewone deuren en doorgangen.
  Voor zover dat mogelijk is, gaan de deuren in de evacuatiewegen open in de evacuatierichting.
  5.6 Signalisatie
  5.6.1
  Aan iedere bouwlaag wordt een volgnummer toegekend, met inachtneming van de volgende regels :
  1° de nummers vormen een ononderbroken reeks;
  2° het normale evacuatieniveau draagt het nummer 0;
  3° de bouwlagen die onder het normale evacuatieniveau liggen, dragen een negatief nummer;
  4° de bouwlagen die boven het normale evacuatieniveau liggen, dragen een positief nummer.
  5.6.2
  Het volgnummer van iedere bouwlaag wordt duidelijk leesbaar aangegeven op de volgende plaatsen :
  1° op de binnen- en buitenwand van de bordessen en van de trappen of trappenhuizen;
  2° in de liftkooi of buiten de liftkooi, op voorwaarde dat het nummer duidelijk leesbaar is vanuit de liftkooi, telkens als die stilstaat.
  5.6.3
  De uitgang en nooduitgang, en de richting naar die uitgangen moet worden aangeduid overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 17 juni 1997 betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalisatie op het werk, zoals gewijzigd.
  5.6.4
  De deuren die in geval van brand niet door de gasten gebruikt mogen worden, worden gesloten gehouden en zijn voorzien van een duidelijk leesbare vermelding " geen uitgang " en een verbodsteken.
  5.6.5
  Langs de evacuatiewegen mogen geen spiegels worden aangebracht op plaatsen waar de gasten zich daardoor zouden kunnen vergissen in de richting naar de trappen en de uitgangen.
  HOOFDSTUK 6. - Constructievoorschriften voor sommige lokalen en technische ruimten
  6.1 Stookplaatsen
  De muren, de wanden, de vloeren en de zolderingen van de stookplaatsen hebben minstens een brandwerendheid EI 60 of zijn gebouwd uit metselwerk of beton.
  Als er gebruik wordt gemaakt van vloeibare of gasvormige brandstoffen, moet iedere verbinding tussen de stookplaats en het gebouw, en tussen de stookplaats en de brandstofopslagplaats, afgesloten zijn door een deur met een brandwerendheid EI1 30. Die deuren zijn zelfsluitend. Ze zijn niet voorzien van een toestel dat het mogelijk maakt ze in geopende stand vast te zetten. Het is in alle omstandigheden verboden ze in open stand te houden.
  De stookplaatsen moeten behoorlijk verlucht worden.
  6.2 Parkeergarages
  De wanden tussen de parkeergarages en de rest van het gebouw voldoen aan de voorschriften van 5.1.
  6.3 Keukens en restaurants
  De keukens en de combinaties keuken-restaurant, uitgerust met kook-, braad-, bak- of frituurinstallaties, zijn begrensd door wanden die gebouwd zijn in metselwerk of beton, of die een brandwerendheid hebben van :
  1° EI 30 voor inrichtingen van categorie 1;
  2° EI 60 voor inrichtingen van categorie 2 en categorie 3.
  Deuren die erin aangebracht zijn, bezitten een brandwerendheid EI1 30 en zijn zelfsluitend of bij brand zelfsluitend.
  HOOFDSTUK 7. - Uitrusting van de gebouwen
  7.1 Liften en goederenliften
  Het geheel van de liften en goederenliften die bestaan uit één of meer schachten, is begrensd door wanden in metselwerk of beton, of die een brandwerendheid hebben van :
  1° EI 30 voor inrichtingen van categorie 1;
  2° EI 60 voor inrichtingen van categorie 2 en categorie 3.
  Er wordt een uitzondering gemaakt voor de voorzijde van de liftbordessen en de wanden die deel uitmaken van de gevel.
  De liftbordesvoorzijde, de deuren inbegrepen, hebben een brandwerendheid E 30.
  7.2 Lift met prioritaire oproep
  Iedere inrichting van categorie 3 wordt bediend door een lift met prioritaire oproep. Die lift geeft uit op een evacuatieniveau dat gemakkelijk toegankelijk is voor de brandweer. Als verschillende liftengroepen eenzelfde compartiment bedienen, dan bezit iedere liftgroep een prioritaire lift.
  Aan die vereiste is voldaan :
  1° als een lift vanaf dit evacuatieniveau alle bovenliggende verdiepingen bedient;
  2° als verschillende liften vanaf dit evacuatieniveau een gedeelte van de bovenliggende verdiepingen bedienen, op voorwaarde dat het geheel van de liften met prioritaire oproep de toegang tot alle compartimenten van het gebouw mogelijk maakt.
  Op het liftbordes van het evacuatieniveau is een brandweerschakelaar aangebracht, waarmee de voorkeursgroep kan worden gegeven.
  Met de brandweerschakelaar moet de liftkooi snel kunnen worden opgeroepen na aankomst op het evacuatieniveau, zonder buitenoproepen te beantwoorden. De brandweerschakelaar moet in een kastje zijn aangebracht dat voorzien is van een ruitje met het opschrift " brandweer ".
  Behalve de omstandigheden die hun specifieke gebruik noodzakelijk maken, worden de liften met prioritaire oproep normaal gebruikt.
  7.3 Elektrische installatie voor drijfkracht, verlichting en signalisatie
  7.3.1
  Alleen elektrische verlichting is toegestaan.
  7.3.2
  Het vermogen van de autonome stroombronnen is voldoende om alle veiligheidsinstallaties zoals de veiligheidsverlichting, de rookevacuatiekoepels en de installaties voor melding, waarschuwing, alarm en detectie te voeden. Voor de inrichtingen van categorie 3 is het vermogen ook voldoende voor de machines van de liften met prioritaire oproep.
  Zodra de normale voeding van het net uitvalt, verzekeren de autonome stroombron of stroombronnen automatisch en binnen dertig seconden de werking van de installaties gedurende een uur.
  7.3.3 Veiligheidsverlichting
  De evacuatiewegen, de evacuatieterrassen, de overlopen van de trappenhuizen, de liftkooien, de zalen of lokalen die toegankelijk zijn voor het publiek, de lokalen waarin de autonome stroombronnen of de pompen voor de blusinstallaties opgesteld zijn, de stookafdelingen en de voornaamste borden zijn voorzien van een veiligheidsverlichting met een horizontale verlichtingssterkte van minstens 1 lux ter hoogte van de grond of van de traptreden, in de as van de evacuatieweg. Op plaatsen van de evacuatieweg waar een gevaarlijke toestand bestaat, bedraagt de minimale horizontale verlichtingssterkte 5 lux. Die gevaarlijke plaatsen kunnen bijvoorbeeld zijn : een richtingsverandering, een kruising, een overgang naar trappen of onvoorziene hoogteverschillen in het loopvlak.
  De veiligheidsverlichting mag gevoed worden door de normale stroombron, maar als die uitvalt, moet de veiligheidsverlichting door een of meer autonome stroombronnen worden gevoed.
  Autonome verlichtingstoestellen die aangesloten zijn op de kring die de normale verlichting voedt, mogen eveneens gebruikt worden, voor zover ze alle waarborgen voor een goede werking bieden.
  7.4 Verwarmingstoestellen
  7.4.1
  De verwarmingstoestellen moeten in die mate opgevat en opgesteld zijn dat ze voldoende veiligheidswaarborgen bieden, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden.
  7.4.2
  De verwarmingstoestellen moeten gebruiksklaar worden gehouden, verbonden zijn met een goed trekkende schoorsteen en zo zijn gemaakt dat een volledige en regelmatige afvoer van de verbrandingsgassen verzekerd is.
  7.4.3
  De schoorstenen en rookgangen van de verwarmingstoestellen moeten gebouwd zijn uit onbrandbare materialen en behoorlijk onderhouden worden.
  7.4.4
  De warmtegeneratoren, de schoorstenen en de rookgangen moeten op een voldoende afstand van brandbare stoffen en materialen opgesteld zijn, of er in die mate van afgezonderd zijn, dat brandgevaar voorkomen wordt.
  7.4.5
  De warmtegeneratoren met automatisch aansteekmechanisme die vloeibare of een gasvormige brandstof gebruiken, moeten in die mate uitgerust zijn, dat de brandstoftoevoer automatisch afgesneden wordt in de volgende gevallen :
  1° bij het al dan niet automatisch stilvallen van de brander;
  2° zodra de vlam toevallig uitdooft;
  3° zodra er oververhitting of overdruk in de wisselaar voorkomt;
  4° in geval van onderbreking van elektrische stroom, voor de warmtegeneratoren die vloeibare brandstoffen gebruiken.
  7.4.6
  De verwarmingsinstallaties met warme lucht moeten aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° de temperatuur van de lucht mag op de verdelingspunten niet hoger dan 80 ° C bedragen;
  2° de aanvoerkanalen van warme lucht moeten volledig uit onbrandbare materialen vervaardigd zijn.
  7.4.7
  In de verhuureenheden zijn elektrische verwarmingstoestellen toegestaan met uitzondering van de toestellen die een zichtbaar elektrische weerstand bevatten. Individuele verwarmingstoestellen van het verbrandingstype zijn verboden.
  7.5 Gastoevoerleidingen
  Als het gebouw, waarin het toeristische logies ligt, een algemene gastoevoerleiding bezit, dan moet daarop minstens één handbediende afsluitkraan aangebracht zijn. De afsluitkraan wordt geplaatst bij het begin van de leiding in het gebouw en op een behoorlijk aangeduide plaats.
  7.6 Melding, waarschuwing, alarm en brandbestrijdingsmiddelen
  7.6.1 Toestellen voor melding, waarschuwing, alarm en brandbestrijding
  Alle inrichtingen zijn uitgerust met installaties voor melding, waarschuwing, alarm en brandbestrijding. De exploitant raadpleegt de bevoegde brandweerdienst voor het bepalen van die uitrusting.
  Het aantal en het type toestellen worden bepaald door het brandrisico. De toestellen worden in voldoende aantal geplaatst en oordeelkundig gespreid, zodat ze ieder punt van de instelling kunnen bedienen.
  De handbediende toestellen moeten gemakkelijk bereikbaar, oordeelkundig geplaatst en degelijk aangeduid zijn. Ze zijn zo geplaatst dat ze de circulatie niet hinderen en niet beschadigd en omver gestoten kunnen worden. De eventueel buiten geplaatste toestellen worden tegen alle weersomstandigheden beschut.
  7.6.2 Brandmelding
  Ieder toestel dat de verbinding tot stand kan brengen door menselijke interventie, is voorzien van een bericht over zijn bestemming en gebruiksaanwijzing.
  Als het om een telefoontoestel gaat, dan vermeldt het bericht welk oproepnummer moet worden gevormd om de bevoegde brandweerdienst te waarschuwen, behalve als de verbinding rechtstreeks of automatisch wordt gerealiseerd. In dat laatste geval, en onafgezien van wat voorafgaat, moet de melding van ontdekking of detectie van brand onmiddellijk aan de brandweer bevestigd kunnen worden door middel van een telefoontoestel.
  7.6.3 Waarschuwing en alarm
  De waarschuwings- en alarmseinen of -berichten kunnen door alle betrokken personen opgevangen worden en mogen niet met elkaar noch met andere seinen kunnen worden verward.
  In de inrichtingen van categorie 3 veroorzaakt de inwerkingtreding van het alarm de achtereenvolgende terugkeer van de liftkooien van de niet-prioritaire liften naar het evacuatieniveau en het stopzetten op dat niveau.
  7.6.4 Algemene automatische branddetectie
  Als de specifieke brandveiligheidsnormen de automatische branddetectie eist, bestaat die uit een aantal branddetectoren en een centrale.
  De detectoren worden geplaatst in de verhuureenheden, de evacuatieruimten, de technische lokalen, de bureaus, de lokalen die voor het publiek toegankelijk zijn, de keukens en de bergplaatsen die deel uitmaken van het toeristische logies.
  De detectoren worden aangepast aan het brandrisico.
  Nachtverblijven en evacuatiewegen moeten beveiligd worden met rookdetectoren.
  De centrale is aangepast aan de detectoren en minstens uitgerust met :
  1° een optisch signaal dat de inbedrijfstelling van de installatie aanduidt;
  2° een akoestisch waarschuwingssignaal;
  3° een optisch waarschuwingssignaal dat toelaat de plaats waar de brand ontstaan is, te lokaliseren. Dat lokaliseren moet minstens mogelijk zijn per verdieping;
  4° een akoestisch en optisch storingssignaal dat verschilt van het waarschuwingssignaal bij brand.
  De centrale wordt gevoed door het openbare elektriciteitsnet en wordt beveiligd met afzonderlijke zekeringen. In geval het openbare elektriciteitsnet uitvalt, zorgt een secundaire stroombron automatisch voor de voeding van de installatie.
  7.6.5 Brandbestrijdingsmiddelen
  De blusinrichtingen bestaan uit al dan niet automatische toestellen of installaties. De snelblussers en muurhaspels dienen voor de eerste interventie, dat wil zeggen dat ze hoofdzakelijk bestemd zijn om gebruikt te worden door het personeel en de bewoners.
  Blustoestellen en muurhaspels worden bepaald door de aard en de omvang van het gevaar en beantwoorden aan de geldende normen.
  Muurhaspels met axiale voeding en de muurhydranten worden gegroepeerd en hebben een gemeenschappelijke watertoevoer.
  Hun aantal wordt zo bepaald dat er minstens één muurhaspel met axiale voeding per compartiment is geplaatst op maximaal 20 m of 30 m afstand van ieder punt, naargelang van het type muurhaspel.
  Voor de plaatsing van muurhaspels en muurhydranten raadpleegt de exploitant de bevoegde brandweerdienst.
  De bluswaterbevoorrading moet voldoende zijn en wordt vastgesteld in overleg met de bevoegde brandweerdienst.
  HOOFDSTUK 8. - Bekleding en wandversiering
  8.1
  In een bestaand toeristisch logies moeten bekleding en wandversiering van die aard zijn dat ze niet tot brandvoortplanting en rookontwikkeling kunnen bijdragen. Het gaat daarbij om de vloerbekleding, de wandbekleding en -versiering, en de plafondbekleding en -versiering.
  8.2
  De minimale eisen waaraan de bekleding en de wandversiering moeten voldoen, zijn :
  1° voor de vloerbekleding : klasse M3 (gemiddeld ontvlambaar) en klasse 3 (matige vlamuitbreiding) of klasse A3;
  2° voor de wandbekleding : klasse M2 (moeilijk ontvlambaar) of klasse 2 (trage vlamuitbreiding) of klasse A2;
  3° voor de plafondbekleding : klasse M1 (niet ontvlambaar) of klasse 1 (zeer trage vlamuitbreiding) of klasse A1.
  HOOFDSTUK 9. - Onderhoud en controles
  9.1 Algemeen
  9.1.1
  De technische uitvoering van de inrichting wordt in goede staat gehouden.
  De exploitant laat op zijn verantwoordelijkheid die uitrusting periodiek door bevoegde personen controleren.
  9.1.2
  De exploitant zorgt ervoor dat de nodige keuringen, onderzoeken en controles uitgevoerd worden. De data van de controles, de vaststellingen die tijdens die controles werden gedaan en de instructies voor het personeel, worden in een logboek geschreven. Dat logboek wordt ter beschikking gehouden van de burgemeester of zijn afgevaardigde.
  9.2 Periodieke controles
  9.2.1 Liften en goederenliften
  Goederenliften worden gekeurd en onderzocht op de wijze, voorgeschreven in titel II, hoofdstuk I, afdeling II, van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming (ARAB).
  Personenliften worden gekeurd en onderzocht zoals voorgeschreven in het koninklijk besluit van 9 maart 2003.
  9.2.2 Elektrische installaties voor drijfkracht, verlichting, signalisatie en veiligheidsverlichting
  De elektrische installaties voor drijfkracht, verlichting, signalisatie en veiligheidsverlichting beantwoorden, naargelang van het geval, aan de voorschriften van titel III, hoofdstuk I, afdeling I, van het ARAB (inclusief de arbeidsmiddelenrichtlijn), of aan de voorschriften van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (AREI).
  9.2.3 Veiligheidsverlichting
  De veiligheidsverlichting wordt jaarlijks door een externe dienst voor technische controles gecontroleerd op de goede werking, autonomie en lichtsterkte. Daarnaast voorziet de exploitant in een eigen driemaandelijkse controle van de goede werking.
  9.2.4 Installaties voor verwarming en klimaatregeling
  Met behoud van de toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit van 21 oktober 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste en vloeibare brandstoffen, zoals gewijzigd, worden jaarlijks de installaties voor centrale verwarming en centrale klimaatregeling door een bevoegde technicus gecontroleerd.
  De afvoerkanalen voor rook- en verbrandingsgassen worden steeds in goede staat gehouden.
  9.2.5 Installaties, gevoed met brandbaar gas
  Met behoud van de toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit van 21 oktober 1968 betreffende opslagplaatsen voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste, ongekoelde houders, zoals gewijzigd, worden de installaties die met brandbaar gas gevoed worden, onderzocht vóór de inbedrijfstelling van een nieuwe of gedeeltelijk vernieuwde installatie, volgens de voorschriften van de Belgische normen en regels van goede praktijk.
  De bovengenoemde controles worden uitgevoerd door een daartoe uitgerust organisme of door een bevoegd technicus. De resultaten ervan worden in een proces-verbaal opgetekend. De nieuw geplaatste gebruikstoestellen worden vóór hun ingebruikname getest door een bevoegde technicus, die de goede werking ervan nagaat.
  9.2.6 Melding, waarschuwing en alarm
  Jaarlijks worden de elektrische meldings-, waarschuwings- en alarminstallaties, met uitzondering van de gewone telefoonlijnen, alsook de elektrische waarschuwingstoestellen, door een externe dienst voor technische controles gecontroleerd.
  9.2.7 Algemene automatische branddetectie
  De installatie voor algemene automatische branddetectie wordt jaarlijks gecontroleerd. Daarbij worden minstens de autonomie en de goede werking door een externe dienst voor technische controles gecheckt. Het onderhoud moet door een bevoegde technicus worden uitgevoerd.
  9.2.8 Brandbestrijdingsmiddelen
  De exploitant draagt er zorg voor dat de brandbestrijdingsmiddelen jaarlijks gecontroleerd en onderhouden worden door een bevoegde technicus.
  9.2.9 Filters en kokers van dampkappen
  De exploitant draagt er zorg voor dat de filters en kokers van de dampkappen periodiek onderhouden worden. De dampkappen en -afvoeren moeten minstens jaarlijks door een bevoegde technicus worden gecontroleerd.
  9.2.10.Deuren en verluchtingsopeningen
  De exploitant draagt er zorg voor dat de deuren, luiken en verluchtingsopeningen, vermeld in de specifieke brandveiligheidsnormen, jaarlijks gecontroleerd en onderhouden worden.
  HOOFDSTUK 10. - Uitbatingsvoorschriften
  10.1 Algemeen
  Behalve wat vermeld is in de specifieke brandveiligheidsnormen, neemt de exploitant alle nodige maatregelen om de personen die in de inrichting aanwezig zijn, te beschermen tegen brand, paniek en ontploffingen.
  De permanente maatregelen die in dat opzicht door de exploitant genomen worden, zullen in een huishoudelijk reglement vermeld worden. Periodiek en minstens jaarlijks vestigt de exploitant de aandacht van het personeel op die bepalingen in het huishoudelijk reglement. Naar aanleiding van de opmerkingen in de processen-verbaal van de periodieke controles moeten zo snel mogelijk aangepaste verbeteringen worden doorgevoerd. Het verhelpen van een vastgestelde inbreuk wordt gestaafd aan de hand van een extra controle door een externe dienst voor technische controles.
  10.2 Veiligheidsvoorzieningen
  De exploitant moet zorgen voor de goede werking van alle veiligheidsvoorzieningen, zoals de goede werking van de zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren, de veiligheidsverlichting, de branddetectie, de bruikbaarheid van de evacuatiewegen, de trappen en ladders en de brandbestrijdingsmiddelen.
  10.3 Kooktoestellen en maaltijdverwarmers
  Kooktoestellen en maaltijdverwarmers staan ver genoeg verwijderd of geïsoleerd van alle ontvlambare materialen.
  Er mogen geen verplaatsbare toestellen, gevoed met brandstoffen, in de inrichting geplaatst of gebruikt worden, tenzij in verplaatsbare toestellen met brandstofhoeveelheden van maximaal 3 kg of 1 liter voor de bereiding van speciale gerechten in de keuken of het restaurant.
  De reserverecipiënten of lege recipiënten worden in openlucht of in een daartoe ingerichte ruimte opgeslagen. Die ruimte bevat geen andere brandbare stoffen en is voorzien van een verluchting boven- en onderaan.
  10.4 Voorlichting van personeel en gasten over brandpreventie
  10.4.1
  Met behoud van de toepassing van de bepalingen van artikelen 52.10 en 52.12 van het ARAB vestigt de exploitant de aandacht van de personeelsleden op het gevaar bij brand in de inrichting. Zij worden onder meer op de hoogte gebracht van de ingezette middelen voor :
  1° de detectie, de melding, de waarschuwing en het alarm;
  2° de te nemen schikkingen om de veiligheid van de personen te verzekeren;
  3° het bestaan van brandbestrijdingsmiddelen.
  De exploitant en sommige personeelsleden die speciaal zijn aangewezen wegens hun permanente beschikbaarheid en de aard van hun functie, worden met de werking van de brandbestrijdingsmiddelen vertrouwd gemaakt en ontvangen onderricht over de gebruiksvoorwaarden.
  10.4.2
  De exploitant organiseert jaarlijks praktische oefeningen, die tot doel hebben de personeelsleden te onderrichten over hun gedrag bij brand.
  10.5 Gasinstallaties
  De onontbeerlijke voorzorgen zijn genomen om gaslekken te voorkomen.
  De aanwezigheid van verplaatsbare recipiënten voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen is verboden in de lokalen van de kelderverdiepingen en in die waarvan de bodem aan alle zijden lager is dan de omringende bodem van het gebouw, behalve voor toevallige werkzaamheden.
  De verplaatsbare recipiënten voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen die niet in gebruik zijn en de recipiënten waarvan verondersteld wordt dat ze leeg zijn, moeten opgeslagen zijn in openlucht of in een doelmatig verlucht en speciaal voor dat gebruik bestemd lokaal.
  10.6 Opslagplaatsen voor brandstoffen
  Iedere opslagplaats van vloeibare brandstoffen of van vloeibaar gemaakte petroleumgassen is ingericht buiten de lokalen die voor de gasten toegankelijk zijn.
  10.7 Andere maatregelen
  10.7.1
  De exploitant zorgt ervoor dat onbevoegde personen geen toegang hebben tot de technische lokalen en doorgangen. Dat verbod wordt op alle nuttige plaatsen aangeduid.
  10.7.2
  De toegang tot de ondergrondse parkeerplaatsen is verboden voor voertuigen die met een lpg-installatie zijn uitgerust. Dat verbod wordt bij de ingang van de parking aangegeven.
  10.7.3
  De omgeving van de plaatsen waar zich toestellen bevinden voor melding, waarschuwing en alarm, of waar apparaten voor brandbestrijding aangebracht zijn, blijft steeds vrij, zodat de toestellen in kwestie zonder vertraging kunnen worden gebruikt.
  HOOFDSTUK 11. - Samenvattende tabel van de periodiciteit van de controles op de technische uitrusting en veiligheidsuitrusting
  11
  De technische uitrusting en veiligheidsuitrusting van de inrichting wordt in goede staat gehouden. De exploitant laat op zijn verantwoordelijkheid periodiek die uitrusting door bevoegde personen onderhouden en controleren op basis van de onderstaande tabel.
  

  
VOORWERP NORM UITVOERDER PERIODICITEIT
Goederen- en keukenlift 9.2.1 EDTC driemaandelijks
Personenlift 9.2.1 EDTC drie- of zesmaandelijks (onderhoudscontract niet/wel via gecertificeerde firma)
Hoogspanning 9.2.2 EDTC jaarlijks
Laagspanning 9.2.2 EDTC vijfjaarlijks
Veiligheidsverlichting (lichtsterkte, autonomie) 9.2.3 EDTC jaarlijks
Gasleidingen en -toestellen, vaste LPG-tanks (dichtheidscontrole) 9.2.5 EDTC of BT driejaarlijks
Automatische gasdetectie/brandstofafsluiters (indien aanwezig : goede werking)   EDTC jaarlijks
Verwarmings- en luchtbehandelingstoestellen (goede werking) inclusief conformiteit afvoer rookgassen en aanvoer verse lucht voor toestellen met open verbranding 9.2.4 BT jaarlijks
Schoorsteen en rookkanalen (toestellen op vloeibare/vaste brandstof) 9.2.4 BT jaarlijks
Melding-, waarschuwings- en alarminstallatie (autonomie, goede werking) 9.2.6 EDTC jaarlijks
Algemene automatische branddetectie (conformiteit, autonomie, goede werking) inclusief bbzs brandwerende deuren en luiken, rookevacuatiekoepels 9.2.7 EDTC jaarlijks
Filters en kokers van dampkappen 9.2.9 BT jaarlijks
Draagbare brandblustoestellen (goede werking) 9.2.8 BT jaarlijks
Muurhaspels en -hydranten (indien aanwezig : goede werking) 9.2.8 BT jaarlijks
Veiligheidsverlichting (goede werking) 10.2 BP driemaandelijks
Brandwerende deuren en luiken, blusmiddelen, evacuatiewegen, trappen, ladders enzovoort (goede staat, bruikbaarheid) 10.2 BP tijdens de uitbating



  
EDTC : externe dienst voor technische controles
BP : bevoegde persoon : persoon die al dan niet tot het eigen personeel behoort (zie artikel 28 van het ARAB) of de exploitant zelf, op voorwaarde dat hij voldoende kennis van de toestellen heeft
BT : bevoegde technicus : persoon of organisatie met de nodige kennis, het nodige materiaal, de nodige erkenning enzovoort om dergelijke controles te doen (bijvoorbeeld gasdichtheid : gehabiliteerde installateur; verwarming : erkende technicus enzovoort)
zs : zelfsluitend
bbzs : bij brand zelfsluitend

]21

Artikel N5Bijlage 5. - [22 Specifieke brandveiligheidsnormen van toepassing op die toeristische logies overeenkomstig de tabel in bijlage 1 bij dit besluit
  HOOFDSTUK 1. - Algemeen
  1.1 Doel
  De specifieke brandveiligheidsnormen in deze bijlage hebben tot doel :
  1° het ontstaan, de ontwikkeling en de voortplanting van brand te voorkomen;
  2° de veiligheid van de aanwezigen te waarborgen;
  3° het ingrijpen van de brandweer preventief te vergemakkelijken.
  1.2 Toepassingsgebied
  Deze bepalingen zijn niet van toepassing op het gedeelte van het gebouw dat bewoond wordt door derden, door de eigenaar of door de exploitant. Ze zijn evenmin van toepassing op gedeelten van het gebouw die niet functioneel gerelateerd zijn aan de exploitatie van het toeristisch logies.
  1.3
  Een nieuw toeristisch logies moet beantwoorden aan de toepasselijke federale basisnormen (in voorkomend geval de bepalingen en bijlagen van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen, zoals gewijzigd). Het toeristische logies in kwestie moet eveneens beantwoorden aan de aanvullende en meer specifieke bepalingen die in de onderstaande hoofdstukken in dit besluit zijn opgenomen.
  HOOFDSTUK 2. - Evacuatie van de compartimenten
  2.1
  Ieder compartiment beschikt over minstens twee evacuatiemogelijkheden die beantwoorden aan de eisen van de basisnormen voor de realisatie van de twee evacuatiemogelijkheden. Er mag geen gebruik worden gemaakt van de (auto)ladders van de brandweer maar alleen van (binnen- of buiten) trappen.
  2.2
  De evacuatiewegen zijn veilig aangelegd, duidelijk gesignaleerd en worden vrij en bruikbaar gehouden, zonder versperringen.
  De evacuatiewegen moeten zo worden aangelegd en verdeeld, dat ze steeds onafhankelijk blijven van elkaar. Een evacuatieweg blijft bruikbaar als een andere evacuatieweg onbruikbaar wordt. Buiten komen ze uit op een straat of op een vrije ruimte die voldoende groot is om zich van het gebouw te kunnen verwijderen en het snel en veilig te kunnen ontruimen.
  HOOFDSTUK 3. - Verticale binnenwanden
  3
  De verticale binnenwanden die iedere verhuureenheid afbakenen, hebben minstens een brandwerendheid EI 60. De deuren in die wanden hebben minstens een brandwerendheid EI1 30.
  Als die wanden en deuren deel uitmaken van bouwelementen waarvoor in de basisnormen een hogere brandwerendheid voorgeschreven is, moeten ze eenzelfde brandwerendheid bezitten als het bouwelement waarvan ze deel uitmaken.
  HOOFDSTUK 4. - Evacuatievoorzieningen
  4.1
  De deuren in de evacuatiewegen die twee uitgangen verbinden, moeten in beide richtingen opendraaien.
  4.2
  Schuifdeuren die niet handmatig opendraaien in geval van paniek; draaideuren en draaipaaltjes zijn alleen toegestaan als aanvulling op de gewone deuren en doorgangen. Die schuifdeuren, draaideuren en draaipaaltjes mogen in geen geval de evacuatie hinderen.
  4.3
  De deuren die in geval van brand niet door de gasten gebruikt mogen worden, worden gesloten gehouden en voorzien van een duidelijk leesbare vermelding " geen uitgang " en een verbodsteken.
  4.4
  De deuren in de evacuatiewegen gaan open in de evacuatierichting.
  4.5
  Langs de evacuatiewegen mogen geen spiegels worden aangebracht op plaatsen waar de gasten zich daardoor zouden kunnen vergissen in de richting naar de trappen en de uitgangen.
  HOOFDSTUK 5. - Uitrusting van de gebouwen
  5.1 Verwarming
  5.1.1
  Het gebruik van lokale verbrandingstoestellen in de verhuureenheden is verboden.
  5.1.2
  De verwarmingstoestellen en -installaties beantwoorden aan de geldende normen.
  5.2 Algemene automatische branddetectie
  De volledige inrichting moet uitgerust zijn met een algemene automatische branddetectie die beantwoordt aan de geldende normen. Nachtverblijven en evacuatiewegen worden beveiligd met rookdetectoren.
  HOOFDSTUK 6. - Onderhoud en controles
  6.1 Algemeen
  6.1.1
  De technische uitvoering van de inrichting wordt in goede staat gehouden.
  De exploitant laat op zijn verantwoordelijkheid periodiek die uitrusting door bevoegde personen controleren.
  6.1.2
  De exploitant zorgt ervoor dat de nodige keuringen, onderzoeken en controles uitgevoerd worden. De data van de controles en de vaststellingen die tijdens die controles werden gedaan, alsook de instructies voor het personeel, worden in een logboek geschreven. Dat logboek wordt ter beschikking gehouden van de burgemeester of zijn afgevaardigde.
  6.2 Periodieke controles
  6.2.1 Liften en goederenliften
  Goederenliften worden gekeurd en onderzocht zoals voorgeschreven in titel II, hoofdstuk I, afdeling II, van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming (ARAB).
  Personenliften worden gekeurd en onderzocht zoals voorgeschreven in het koninklijk besluit van 9 maart 2003.
  6.2.2 Elektrische installaties voor drijfkracht, verlichting, signalisatie en veiligheidsverlichting
  De elektrische installaties voor drijfkracht, verlichting en signalisatie beantwoorden, naargelang van het geval, aan de voorschriften van titel III, hoofdstuk I, afdeling I, van het ARAB (inclusief de arbeidsmiddelenrichtlijn), of aan de voorschriften van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (AREI).
  6.2.3 Veiligheidsverlichting
  De veiligheidsverlichting wordt jaarlijks door een externe dienst voor technische controles gecontroleerd op de goede werking, autonomie en lichtsterkte. Daarnaast voorziet de exploitant in een eigen driemaandelijkse controle van de goede werking.
  6.2.4 Installaties voor verwarming en klimaatregeling
  Met behoud van de toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit van 21 oktober 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste en vloeibare brandstoffen, zoals gewijzigd, worden jaarlijks de installaties voor centrale verwarming en centrale klimaatregeling gecontroleerd door een bevoegde technicus.
  De afvoerkanalen voor rook- en verbrandingsgassen worden steeds in goede staat gehouden.
  6.2.5 Installaties, gevoed met brandbaar gas
  Met behoud van de toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit van 21 oktober 1968 betreffende opslagplaatsen voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste ongekoelde houders, zoals gewijzigd, worden de installaties die met brandbaar gas worden gevoed, onderzocht, vóór de inbedrijfstelling van een nieuwe of gedeeltelijk vernieuwde installatie, volgens de voorschriften van de Belgische normen en regels van goede praktijk.
  De bovengenoemde controles worden uitgevoerd door een daartoe uitgerust organisme of door een bevoegde technicus. De resultaten ervan worden in een proces-verbaal opgetekend. De nieuw geplaatste gebruikstoestellen worden vóór hun ingebruikname getest door een bevoegde technicus, die de goede werking ervan nagaat.
  6.2.6 Melding, waarschuwing en alarm
  Jaarlijks worden de elektrische meldings-, waarschuwings- en alarminstallaties, met uitzonderling van de gewone telefoonlijnen, alsook de elektrische waarschuwingstoestellen, door een externe dienst voor technische controles gecheckt.
  6.2.7 Algemene automatische branddetectie
  De installatie voor algemene automatische branddetectie wordt jaarlijks gecontroleerd.
  Daarbij worden minstens de autonomie en de goede werking door een externe dienst voor technische controles gecheckt. Het onderhoud moet door een bevoegde technicus worden uitgevoerd.
  6.2.8 Brandbestrijdingsmiddelen
  De exploitant draagt er zorg voor dat de brandbestrijdingsmiddelen jaarlijks gecontroleerd en onderhouden worden door een bevoegde technicus.
  6.2.9 Filters en kokers van dampkappen
  De exploitant draagt er zorg voor dat de filters en kokers van de dampkappen periodiek onderhouden worden. De dampkappen en -afvoeren moeten minstens jaarlijks door een bevoegde technicus worden gecontroleerd.
  6.2.10 Deuren en verluchtingsopeningen
  De exploitant draagt er zorg voor dat de deuren, luiken en verluchtingsopeningen, vermeld in de specifieke brandveiligheidsnormen, jaarlijks gecontroleerd en onderhouden worden.
  HOOFDSTUK 7. - Uitbatingsvoorschriften
  7.1 Algemeen
  Behalve wat vermeld is in de specifieke brandveiligheidsnormen, neemt de exploitant alle nodige maatregelen om de personen die in de inrichting aanwezig zijn, te beschermen tegen brand, paniek en ontploffingen.
  De permanente maatregelen die in dat opzicht door de exploitant genomen worden, zullen in een huishoudelijk reglement vermeld worden. Periodiek en minstens jaarlijks vestigt de exploitant de aandacht van het personeel op die bepalingen in het huishoudelijk reglement. Naar aanleiding van de opmerkingen in de processen-verbaal van de periodieke controles moeten zo snel mogelijk aangepaste verbeteringen worden doorgevoerd. Het verhelpen van een vastgestelde inbreuk wordt gestaafd aan de hand van een extra controle door een externe dienst voor technische controles.
  7.2 Veiligheidsvoorzieningen
  De exploitant moet zorgen voor de goede werking van alle veiligheidsvoorzieningen, zoals de goede werking van de zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren, de veiligheidsverlichting, de branddetectie, de bruikbaarheid van de evacuatiewegen, de trappen en ladders en de brandbestrijdingsmiddelen.
  7.3 Kooktoestellen en maaltijdverwarmers
  Kooktoestellen en maaltijdverwarmers staan ver genoeg verwijderd of geïsoleerd van alle ontvlambare materialen.
  Er mogen geen verplaatsbare toestellen, gevoed met brandstoffen, in de inrichting geplaatst of gebruikt worden, tenzij in verplaatsbare toestellen met brandstofhoeveelheden van maximaal 3 kg of 1 liter voor de bereiding van speciale gerechten in de keuken of het restaurant.
  De reserverecipiënten of lege recipiënten worden in openlucht of in een daartoe ingerichte ruimte opgeslagen. Die ruimte bevat geen andere brandbare stoffen en is voorzien van een verluchting boven- en onderaan.
  7.4 Voorlichting personeel en gasten voor de brandpreventie
  7.4.1
  Met behoud van de toepassing van de bepalingen van artikelen 52.10 en 52.12 van het ARAB vestigt de exploitant de aandacht van de personeelsleden op het gevaar bij brand in de inrichting. Zij worden onder meer op de hoogte gebracht van de ingezette middelen voor :
  1° de detectie, de melding, de waarschuwing en het alarm;
  2° de te nemen schikkingen om de veiligheid van de personen te verzekeren;
  3° het bestaan van brandbestrijdingsmiddelen.
  De exploitant en sommige personeelsleden die speciaal zijn aangewezen wegens hun permanente beschikbaarheid en de aard van hun functie, worden met de werking van de brandbestrijdingsmiddelen vertrouwd gemaakt en ontvangen onderricht over de gebruiksvoorwaarden.
  7.4.2
  De exploitant organiseert jaarlijks praktische oefeningen, die tot doel hebben de personeelsleden te onderrichten over hun gedrag bij brand.
  7.5 Gasinstallaties
  De onontbeerlijke voorzorgen zijn genomen om gaslekken te voorkomen.
  De aanwezigheid van verplaatsbare recipiënten voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen is verboden in de lokalen van de kelderverdiepingen en in die waarvan de bodem aan alle zijden lager is dan de omringende bodem van het gebouw, behalve voor toevallige werkzaamheden.
  De verplaatsbare recipiënten voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen die niet in gebruik zijn, en de recipiënten waarvan verondersteld wordt dat ze leeg zijn, moeten opgeslagen zijn in openlucht of in een doelmatig verlucht en speciaal voor dat gebruik bestemd lokaal.
  7.6 Opslagplaatsen voor brandstoffen
  Iedere opslagplaats van vloeibare brandstoffen of van vloeibaar gemaakte petroleumgassen is ingericht buiten de lokalen die voor de gasten toegankelijk zijn.
  7.7 Andere maatregelen
  7.7.1
  De exploitant zorgt ervoor dat onbevoegde personen geen toegang hebben tot de technische lokalen en doorgangen. Dat verbod wordt op alle nuttige plaatsen aangeduid.
  7.7.2
  De toegang tot de ondergrondse parkeerplaatsen is verboden voor voertuigen die met een lpg-installatie zijn uitgerust. Dat verbod wordt bij de ingang van de parking aangegeven.
  7.7.3
  De omgeving van de plaatsen waar zich toestellen bevinden voor melding, waarschuwing en alarm, of waar apparaten voor brandbestrijding aangebracht zijn, blijft steeds vrij, zodat de toestellen in kwestie zonder vertraging kunnen worden gebruikt.
  HOOFDSTUK 8. - Samenvattende tabel van de periodiciteit van de controles op de technische uitrusting en veiligheidsuitrusting
  8
  De technische uitrusting en veiligheidsuitrusting van de inrichting wordt in goede staat gehouden. De exploitant laat op zijn verantwoordelijkheid periodiek die uitrusting door bevoegde personen onderhouden en controleren op basis van de onderstaande tabel.
  

  
VOORWERP NORM UITVOERDER PERIODICITEIT
Goederen- en keukenlift 6.2.1 EDTC driemaandelijks
Personenlift 6.2.1 EDTC drie- of zesmaandelijks (onderhoudscontract niet/wel via gecertificeerde firma)
Hoogspanning 6.2.2 EDTC jaarlijks
Laagspanning 6.2.2 EDTC vijfjaarlijks
Veiligheidsverlichting (lichtsterkte, autonomie) 6.2.3 EDTC jaarlijks
Gasleidingen en -toestellen, vaste LPG-tanks (dichtheidscontrole) 6.2.5 EDTC of BT driejaarlijks
Automatische gasdetectie/brandstofafsluiters (indien aanwezig : goede werking)   EDTC jaarlijks
Verwarmings- en luchtbehandelingstoestellen (goede werking) inclusief conformiteit afvoer rookgassen en aanvoer verse lucht voor toestellen met open verbranding 6.2.4 BT jaarlijks
Schoorsteen en rookkanalen (toestellen op vloeibare/vaste brandstof) 6.2.4 BT jaarlijks
Melding-, waarschuwings- en alarminstallatie (autonomie, goede werking) 6.2.6 EDTC jaarlijks
Algemene automatische branddetectie (conformiteit, autonomie, goede werking) inclusief bbzs brandwerende deuren en luiken, rookevacuatiekoepels 6.2.7 EDTC jaarlijks
Filters en kokers van dampkappen 6.2.9 BT jaarlijks
Draagbare brandblustoestellen (goede werking) 6.2.8 BT jaarlijks
Muurhaspels en -hydranten (indien aanwezig : minimale druk, goede werking) 6.2.8 EDTC driejaarlijks
Muurhaspels en -hydranten (indien aanwezig : goede werking) 6.2.8 BT jaarlijks
Veiligheidsverlichting (goede werking) 6.2.3. BP driemaandelijks
Brandwerende deuren en luiken, blusmiddelen, evacuatiewegen, trappen enzovoort (goede staat, bruikbaarheid)   BP tijdens de uitbating



  
EDTC : externe dienst voor technische controles
BP : bevoegde persoon : persoon die al dan niet tot het eigen personeel behoort (zie artikel 28 van het ARAB) of de exploitant zelf, op voorwaarde dat hij voldoende kennis van de toestellen heeft
BT : bevoegde technicus : persoon of organisatie met de nodige kennis, het nodige materiaal, de nodige erkenning enzovoort om dergelijke controles te doen (bijvoorbeeld gasdichtheid : gehabiliteerde installateur; verwarming : erkende technicus enzovoort)
zs : zelfsluitend
bbzs : bij brand zelfsluitend

]22

Artikel N6Bijlage 6. - Specifieke brandveiligheidsnormen van toepassing op die toeristische logies overeenkomstig de tabel in bijlage 1 bij dit besluit
  HOOFDSTUK 1. - Algemeen
  1.1 Doel
  De specifieke brandveiligheidsnormen in deze bijlage hebben tot doel :
  1° het ontstaan, de ontwikkeling en de voortplanting van brand te voorkomen;
  2° de veiligheid van de aanwezigen te waarborgen;
  3° het ingrijpen van de brandweer preventief te vergemakkelijken.
  1.2 Terminologie
  Bijlage 1 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen, zoals gewijzigd, is van toepassing.
  [23 1.3 Controle van de niet-verplaatsbare verblijven
   De controle van de niet-verplaatsbare verblijven op een openluchtrecreatief terrein die in centraal beheer worden aangeboden, wordt uitgevoerd door de bevoegde brandweer en wordt opgenomen in het globale brandattest conform deze bijlage.]23
  HOOFDSTUK 2. - Inplanting en toegangswegen
  2.1 Inplanting
  2.1.1 Met uitzondering van een kampeerautoterrein mag een nieuw op te richten openluchtrecreatief terrein zich niet bevinden langs een bestaande autosnelweg, een ring, een weg van categorieën I en II, of langs een inrichting van klasse 1 als vermeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende milieuvergunning, als dat een brandveiligheidsrisico inhoudt voor de personen die er verblijven, tenzij de afstand tussen het terrein en die weg of inrichting meer dan 100 m bedraagt, of tenzij tussen het terrein en die weg of inrichting brandbestendige muren worden geplaatst met een brandwerendheid REI 60 en met een minimale hoogte van 2 m boven het wegniveau. Die brandbestendige muur kan vervangen worden door een verhoogde berm van 2 m hoogte, die voorzien is van beplantingen met een minimale hoogte van 1 m.
  2.1.2 De afstand van de openluchtrecreatieve verblijven op het terrein tot een scheidingsgrens moet minstens 4 m bedragen. Die tussenruimten moeten te allen tijde worden vrijgehouden van vaste constructies en ontdaan van verdroogd hoogstaand gras en verdroogde struikgewassen. Die afstand van 4 m wordt vervangen door 10 m als het terrein gelegen is in of langs een bos, en wordt vervangen door 2 m per terrein als er twee terreinen naast elkaar liggen.
  Voor zover de hierboven vermelde afstanden of het aantal toegangswegen (norm 2.2) niet in acht kunnen worden genomen, wordt de afstand van de openluchtrecreatieve verblijven op het terrein tot de scheidingsgrens en het aantal toegangswegen tot het terrein bepaald door de bevoegde brandweerdienst.
  2.1.3 Op het terrein moeten de verblijfplaatsen, de kampeerplaatsen, de toeristische kampeerplaatsen, de kampeerplaatsen voor kortkampeerders en de kampeerautoplaatsen materieel afgebakend zijn en duidelijk van elkaar onderscheiden worden door middel van een doorlopende nummering. De openluchtrecreatieve verblijven mogen per groep van ten hoogste vier bij elkaar staan. Tussen de verblijven of groepen van verblijven op een terrein moet minstens een afstand van 4 m gelaten worden, op de grond gemeten.
  2.2 Toegangswegen
  2.2.1 Het terrein moet bereikbaar zijn via minstens één toegangsweg, die beantwoordt aan de voorschriften, vermeld in punt 2.2.2. Een terrein dat in een bebost gedeelte ligt, moet via minstens één toegangsweg en één evacuatieweg of noodtoegangsweg bereikbaar zijn.
  2.2.2 Het terrein moet zo worden aangelegd, dat alle openluchtrecreatieve verblijven en parkeerplaatsen voor autovoertuigen, tot op maximaal 60 m van een berijdbare binnenweg, voor de eerste hulpwagens bereikbaar zijn. Die binnenwegen moeten aan de volgende voorwaarden beantwoorden :
  1° een minimale breedte van 3 m;
  2° de binnenwegen zijn berijdbaar in alle weersomstandigheden;
  3° de vrije hoogte moet minstens 3,5 m te bedragen;
  4° de wegen bezitten een draagvermogen in die mate dat voertuigen van minstens 15 ton er kunnen rijden en stilstaan zonder verzinken, zelfs wanneer ze het terrein vervormen.
  De wegen voor de hulpdiensten die na 1 januari 2010 zijn aangelegd, hebben een breedte en hoogte van minstens 4 m. De verharde breedte van die wegen bedraagt minstens 4 m.
  De hoofdwegen zijn voorzien van een degelijke verlichting.
  Voertuigen en aanhangwagens moeten ofwel op een daartoe aangelegd parkeerterrein ofwel op de plaatsen voor openluchtrecreatieve verblijven worden geparkeerd. Ze mogen in geen geval op toegangswegen en binnenwegen van het terrein worden geparkeerd.
  2.2.3 Uitzonderingen op de normen, vermeld in punten 2.2.1 en 2.2.2, kunnen worden toegestaan na een akkoord van de bevoegde brandweerdienst. Voor de aanleg van de wegen moet de bevoegde brandweerdienst zijn goedkeuring geven. Eventueel kunnen extra voorwaarden worden gesteld.
  2.3 De gemeenschappelijke voorzieningen op het terrein moeten beantwoorden aan de algemeen geldende reglementeringen, zoals het ARAB en het AREI.
  HOOFDSTUK 3. - Uitrusting
  3.1 Gasinstallaties op het terrein
  De gemeenschappelijke opslag en installaties van gas in flessen of tanks moeten beantwoorden aan de wettelijke voorschriften. De exploitant moet er zorg voor dragen dat de genoemde gasinstallaties alleen in gebruik worden genomen nadat aan alle wettelijke voorschriften werd voldaan. Vervolgens laat de exploitant de gemeenschappelijke installaties en opslag controleren zoals wettelijk is voorgeschreven.
  3.2 Elektrische installaties op het terrein
  De gemeenschappelijke elektrische installaties van het terrein moeten beantwoorden aan de wettelijke voorschriften.
  3.3 Kampvuren
  Kampvuren mogen alleen ontstoken worden op een grond zonder begroeiing, op een afstand van minstens 100 m van ieder verblijf of iedere bebossing.
  Als een kampvuur ontstoken wordt, moet er altijd bewaking blijven, en na verbranding moeten de vuurresten gedoofd worden, en met zand of aarde bedekt of overvloedig met water besproeid worden.
  Bij het barbecueën moet er permanente bewaking zijn en de nodige voorzorgen moeten worden genomen om brand te voorkomen. De barbecue moet zo geplaatst worden dat de andere inrichtingen op het terrein geen last van de rook hebben.
  HOOFDSTUK 4. - Brandblusmiddelen en watervoorraad
  4.1 De exploitant moet op het terrein de volgende brandblusposten installeren die bij brand ter beschikking staan van iedere toerist op het terrein.
  Er moet minstens één bluspost per groep of per groepsgedeelte van 100 verblijfplaatsen, kampeerplaatsen, toeristische kampeerplaatsen, kampeerplaatsen voor kortkampeerders of kampeerautoplaatsen zijn. De blusposten worden verspreid op het terrein opgesteld.
  De blusposten zijn minstens uitgerust met een brandweerpost in polyester, in staal of in metselwerk, beschermd tegen corrosie, en ze bevatten minstens twee poederblustoestellen van het type ABC, 9 kg, of bij voorkeur drie poederblustoestellen van het type ABC, 6 kg, die beantwoorden aan de geldende normen.
  Op het terrein moeten ofwel :
  1° alle blusposten een mobiel poederblustoestel type ABC 50 kg bevatten dat beantwoordt aan de geldende normen;
  2° ondergrondse hydranten worden aangebracht die beantwoorden aan de geldende normen en die gevoed worden door een waterverdelingsnet waarvan de leidingen een diameter hebben van minstens 50 mm, onder een druk van minstens 3 à 4 bar. Het aantal ondergrondse hydranten wordt bepaald naar rato van 1 hydrant per bluspost. Nabij het hoofdgebouw moet in dat geval een verrolbaar wagentje of aanhangwagentje voorhanden zijn dat degelijk beschermd en beveiligd is tegen misbruiken, en waarin het volgende materiaal is ondergebracht :
  a) een standpijp die beantwoordt aan de geldende normen;
  b) een verloopstuk 70/45;
  c) een hydrantensleutel;
  d) een aantal persslangen met een diameter van 45 mm met DSP-koppeling, zodat het verst gelegen verblijf vanaf een hydrant bereikt kan worden;
  e) twee straalpijpen 45/12 en een daarmee overeenstemmende DSP-koppeling.
  De brandweerposten moeten voorzien zijn van pictogrammen of van de vermelding " Brandweermateriaal " in rode letters van minstens 8 cm hoogte op een witte achtergrond. Daarnaast moeten borden met pictogrammen of met de vermelding " Brandweerpost " in rode letters van minstens 8 cm hoogte op een witte achtergrond op verschillende plaatsen op het terrein aangebracht worden, om de kortste weg naar die brandweerposten te wijzen.
  De exploitant draagt er zorg voor dat de brandbestrijdingsmiddelen jaarlijks gecontroleerd en onderhouden worden door een daartoe bevoegde technicus.
  4.2 Als het terrein niet uitgerust is met hydranten conform de norm, vermeld in punt 4.1, moet een bluswatervoorraad voorhanden zijn. Die voorraad bedraagt minstens 50 m3 en mag niet verder gelegen zijn dan 200 m van iedere plaats voor openluchtrecreatieve verblijven. Het bluswater mag eveneens gehaald worden uit een kanaal, een vijver of al dan niet gemeenschappelijke ondergrondse of bovengrondse citernes, op voorwaarde dat de watervoorraad steeds bereikbaar en bruikbaar is voor de brandweer.
  De bluswatervoorraad moet gesignaleerd worden overeenkomstig de geldende normen.
  Als de bluswatervoorraad ook voor andere doeleinden aangewend wordt, moet die automatisch aangevuld worden zodat steeds de voorgeschreven bluswatervoorraad beschikbaar blijft.
  De bluswatervoorraad is niet vereist voor plaatsen voor openluchtrecreatieve verblijven die gelegen zijn op 200 m van een hydrant, die al of niet behoort tot het openluchtrecreatief terrein.
  Voor de bluswaterbevoorrading kan de bevoegde brandweerdienst uitzonderingen toestaan.
  HOOFDSTUK 5. - Brandmelding
  Ieder openluchtrecreatief terrein, met uitzondering van een kampeerautoterrein, moet uitgerust zijn met een systeem om brand te melden. Op ieder openluchtrecreatief terrein bevindt zich een goed gesignaleerd meldingssysteem dat de verbinding die nodig is voor de melding van een brand, tot stand kan brengen via menselijke interventie. Dat meldingssysteem moet voorzien zijn van een bericht over zijn bestemming en van een gebruiksaanwijzing in het Nederlands, Frans, Duits en Engels.
  Alle maatregelen moeten worden genomen opdat het brandmeldingssysteem en de aangesloten telefoontoestellen gemakkelijk te bereiken zijn en zonder vertraging kunnen worden gebruikt.
  HOOFDSTUK 6. - Onderhoud en controle
  6.1 Behalve wat vermeld is in de specifieke brandveiligheidsnormen, neemt de exploitant alle nodige maatregelen om de personen die in de inrichting aanwezig zijn, te beschermen tegen brand, paniek en ontploffingen.
  De permanente maatregelen die in dat opzicht door de exploitant genomen worden, zullen in een huishoudelijk reglement vermeld worden.
  Dat reglement bepaalt eveneens dat de technische uitrustingen van de niet- gemeenschappelijke installaties aan de normen van goed vakmanschap moeten voldoen.
  Periodiek en minstens jaarlijks vestigt de exploitant de aandacht van de gasten en het personeel op die bepalingen in het huishoudelijk reglement. Naar aanleiding van de opmerkingen in de processen-verbaal van de periodieke controles moeten zo snel mogelijk aangepaste verbeteringen worden doorgevoerd. Het verhelpen van een vastgestelde inbreuk wordt gestaafd aan de hand van een extra controle door een externe dienst voor technische controles.
  6.2 Het materiaal waarvan sprake is in de specifieke brandveiligheidsnormen moet te allen tijde perfect worden onderhouden en regelmatig door bevoegd personeel worden gecontroleerd.
  De exploitant moet bij een eventuele controle te allen tijde de nodige documenten kunnen voorleggen waaruit blijkt dat de inspecties en nodige controles wel degelijk hebben plaatsgevonden. Op die documenten worden de data van de controles, de vastgestelde opmerkingen en het onderhoud vermeld.
  De exploitant en sommige leden van zijn personeel die speciaal aangewezen zijn vanwege de aard van hun functies of vanwege het feit dat ze voortdurend op het terrein aanwezig zijn, worden vertrouwd gemaakt met de werking van de blusapparatuur en krijgen een opleiding over de gebruiksaanwijzigingen.
  De exploitant afficheert een verklarende nota op het terrein of geeft een verklarende nota aan het personeel en de gasten. Die verklarende nota is minstens opgesteld is in het Nederlands, Frans, Duits en Engels, en er wordt in vermeld hoe het personeel en de gasten moeten handelen in geval van brand. In die nota staan de aanbevelingen die nuttig zijn voor de brandpreventie.
  De onmiddellijke omgeving van de plaatsen waar blusposten zijn geïnstalleerd, moeten steeds vrij zijn, zodat de apparaten zonder probleem en tijdverlies gebruikt kunnen worden.
  HOOFDSTUK 7. - Samenvattende tabel van de periodiciteit van de controles op de technische uitusting en veiligheidsuitrusting
  De technische uitrusting en veiligheidsuitrusting van de inrichting wordt in goede staat gehouden. De exploitant laat op zijn verantwoordelijkheid periodiek die uitrusting door bevoegde personen onderhouden en controleren op basis van de onderstaande tabel.
  

  

     
VOORWERP NORM UITVOERDER PERIODICITEIT
  
Hoogspanning (indien aanwezig) 3.2 EDTC jaarlijks
  
Laagspanning 3.2 EDTC vijfjaarlijks
  
Verlichting hoofdwegen 2.2.2 BP driemaandelijks
  
Gasleidingen en -toestellen, vaste LPG-tanks (dichtheidscontrole) 3.1 EDTC of BT driejaarlijks
  
Automatische gasdetectie/brandstofafsluiters (indien aanwezig : goede werking) 3.1 EDTC jaarlijks
  
Melding-, waarschuwings- en alarminstallatie (autonomie, goede werking) 5 EDTC jaarlijks
  
Brandblustoestellen (goede werking) 4 BT jaarlijks
  
Hydranten en bijbehorend materiaal (indien aanwezig : goede werking) 4 BP jaarlijks
  
Goede staat, bruikbaarheid van de aanwezige brandbestrijdingsmiddelen 6 BP tijdens de uitbating


  

  

     
EDTC : externe dienst voor technische controles
  BP : bevoegde persoon : persoon die al dan niet tot het eigen personeel behoort (zie artikel 28 van het ARAB) of de exploitant zelf, op voorwaarde dat hij voldoende kennis van de toestellen heeft
  
BT : bevoegde technicus : persoon of organisatie met de nodige kennis, het nodige materiaal, de nodige erkenning enzovoort om dergelijke controles te doen (bijvoorbeeld gasdichtheid : gehabiliteerde installateur; verwarming : erkende technicus enzovoort)


  ----------
  (1)<BVR 2014-05-23/07, Art. 5, 005; Inwerkingtreding : 16-08-2014>