Nous sommes très heureux de voir que vous aimez notre plateforme ! En même temps, vous avez atteint la limite d'utilisation... Inscrivez-vous maintenant pour continuer.

Besluit van de Waalse Regering tot wijziging van het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 14 november 1991 betreffende de grondwaterwinningen, de waterwinnings-, de voorkomings- en de toezichtgebieden en de kunstmatige aanvulling van de grondwaterlagen.

Date :
09-03-1995
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
7 pages
Section :
Législation
Source :
Numac 1995027268

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
Artikel 1 § 1. In de titel van het besluit wordt de term "Executieve" door de term "Regering" vervangen.
  § 2. In artikel 1, 1°, worden, na de termen "water dat tot drinkwater kan verwerkt worden", de termen "gewijzigd bij het decreet van 23 december 1993" toegevoegd.
  In artikel 1, 4°, worden de woorden "dat tot drinkwater kan verwerkt worden" geschrapt.
  In artikel 1, 10°, wordt de term " niveau " door de term "dak" vervangen.
  § 3. Artikel 1 wordt als volgt aangevuld :
  14° "stoffen vermeld op lijst I of II" : alle stoffen die op lijst I of II van bijlage II bij dit besluit voorkomen;
  15° " toegelaten maximale concentratie" de concentratie bepaald in bijlage I bij het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 20 juli 1989 betreffende de kwaliteit van het leidingwater, hetgeen voor pesticiden en aanverwante produkten neerkomt op :
  0,1 g/l per afzonderlijke stof;
  0,5 g/l in totaal.
  16° "pesticiden":
  insekticiden :
  persistente organische chloorverbindingen, organische fosforverbindingen, carbamaten, herbiciden, fungiciden, regulators voor plantengroei.
  17° "houder" : houder van de in artikel 2 van het decreet bedoelde waterwinningsvergunning.
  18° "lozing" : het lozen van stoffen en materies in het grondwater, met of zonder sijpeling in de grond of de ondergrond.

Artikel 2 Artikel 9 van het besluit wordt aangevuld met een als volgt luidende § 3 : "§ 3. Voor waterwinningen gelegen in een steengroeve in werking stemmen de grenzen van het waterwingebied overeen met die van de waterwinning.".

Artikel 3 In de artikelen 11, § 3, en 13, § 1, van het besluit worden, na de termen "bestendige deputatie van de provincieraad", de termen "provinciale directie Ruimtelijke Ordening, Stedebouw en Patrimonium van het Ministerie van het Waalse Gewest" ingevoegd.

Artikel 4 Na artikel 15 van het besluit worden de hoofdstukken VI en VII ingevoegd. Ze bevatten de volgende bepalingen : " HOOFDSTUK VI. - Beschermingsmaatregelen.

Artikel 16 Niettegenstaande de bijzondere voorwaarden die de Regering wegens specifieke omstandigheden kan opleggen, zijn de algemene voorwaarden van dit hoofdstuk van toepassing op de door haar omschreven gebieden.

Sectie IE 1. Waterwingebieden

Artikel 17 Daar waar het waterwingebied toegankelijk is, plaatst de houder van een waterwinningsvergunning van categorie B of C een omheining, een dichte heg of elke andere omsluiting om derden de toegang te ontzeggen en elke lozing in het gebied te voorkomen.
  De niet-gebouwde delen van het waterwingebied worden zo ingericht dat elke besmetting wordt voorkomen; het gebruik van pesticiden is er verboden.
  Bij de toegangswegen tot het waterwingebied worden zichtbare borden geplaatst met leesbare informatie over de aard van de winning, de identiteit van de houder en de bij ongeval bereikbare diensten.

Sectie IE 2. Voorkomingsgebieden

  Ondersectie 1. - Dichtbijgelegen voorkomingsgebieden.

Artikel 18 In het voorkomingsgebied zijn verboden : 1° het gebruik of het lozen van produkten of materies die stoffen van lijst I of II bevatten, of elke andere handeling die aanleiding kan geven tot het lozen van deze stoffen.
  Toegelaten zijn evenwel :
  het gebruik van bij luchtdruk gasvormige koolwaterstoffen;
  het gebruik van vloeibare koolwaterstoffen, oliën en smeermiddelen bestemd voor de werking van motorvoertuigen die vanwege hun activiteit in het dichtbijgelegen voorkomingsgebied moeten komen;
  het gebruik van stoffen van lijst I of II, voor zover zij opgeslagen worden op of boven ondoorlatende oppervlakten voorzien van een opvangsysteem dat elke lozing uitsluit.
  het huishoudelijke gebruik van vloeibare koolwaterstoffen, oliën en smeermiddelen of produkten die dergelijke stoffen bevatten en die bewaard worden in waterdichte ontvangers en opgeslagen worden op ondoorlatende oppervlakten voorzien van een opvangsysteem dat elke lozing uitsluit.
  Lucht- of kelderontvangers met een volume van meer dan 500 liter worden geplaatst in waterdichte retentiekommen waarvan de capaciteit voldoende is om elke vloeibare lozing te voorkomen.
  Ingegraven ontvangers zijn voorzien van een dubbelhulsel waarvan de waterdichtheid gecontroleerd kan worden om zich ervan te vergewissen dat elke lozing uitgesloten is;
  2° de gecontroleerde stortplaatsen bedoeld in het decreet van 5 juli 1985 betreffende de afvalstoffen;
  3° de opslag van meststoffen en pesticiden;
  4° verliesputten en de ondergrondse verspreiding van huishoudelijke effluenten;
  5° opslaginstallaties voor produkten waarvan de natuurlijke afbraak het grondwater dreigt te verontreinigen;
  6° kampeer-, sport- en ontspanningsterreinen;
  7° drinkbakken;
  8° vergaarkommen die niet waterdicht zijn;
  9° oppervlakten voor het parkeren van meer dan vijf motorvoertuigen;
  10° de al dan niet permanent gebruikte circuits of terreinen bedoeld in het koninklijk besluit van 10 juni 1976 houdende maatregelen tot inrichting van wedstrijden, test- en oefenritten met motorvoertuigen.

Artikel 19 In het dichtbijgelegen voorkomingsgebied is het verboden : 1° nieuwe kerkhoven aan te leggen;
  2° nieuwe overdekte omheinde dierenruimten te bouwen, met name stallen en kennels. De dierenruimten die reeds gebruikt worden op de datum van inwerkingtreding van het besluit tot bepaling van een dichtbijgelegen voorkomingsgebied, moeten beschikken over een ondoorlatende bodem en over een opvangsysteem dat elke lozing uitsluit.

Artikel 20 In het dichtbijgelegen gebied : 1° mogen de lozingen en de afvoer van afvalwater of gezuiverd water slechts in waterdichte riolen, afvoerleidingen of geulen plaatshebben;
  2° moeten de leidingen voor produkten of materies die stoffen van lijst I of II bevatten, waterdicht zijn; de kans op een toevallig springen ervan moet tot een minimum worden herleid;
  3° worden de opslagplaatsen voor afvalstoffen of de installaties voor de verwijdering of de valorisatie van de afvalstoffen bedoeld in het decreet van 5 juli 1985 betreffende de afvalstoffen aan de volgende regels onderworpen :
  a) zij worden opgericht op ondoorlatende grond;
  b) zij worden voorzien van een opvangsysteem dat elke lozing voorkomt;
  4° worden de opslagplaatsen voor dierlijke meststoffen als mest, aalt of gier, en opslagplaatsen voor inkuilingsprodukten die vloeibare lozingen kunnen veroorzaken, aan de volgende regels onderworpen:
  a) zij mogen alleen produkten opslaan van landbouwbedrijven die geheel of gedeeltelijk binnen de grenzen van het voorkomingsgebied gelegen zijn;
  b) de stoffen worden opgeslagen in waterdichte tanks of ontvangers of op plaatsen waar de grond ondoorlatend is;
  c) de opslagplaatsen zijn uitgerust met een opvangsysteem dat elke vloeibare lozing uitsluit;
  5° mogen de verspreidingen van dierlijke meststoffen, van produkten die voor landbouwdoeleinden verspreid mogen worden, en van stikstofkunstmeststoffen de in bijlage III vermelde maximumdosissen niet overschrijden;
  6° mogen de verspreidingen van pesticiden de op de verpakkingen vermelde dosissen niet overschrijden, overeenkomstig de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt en het besluit van 5 juni 1975 betreffende het bewaren, het verkopen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen en fytofarmaceutische produkten.
  Als de Minister vaststelt dat de concentratie actieve stoffen die pesticiden bevatten, in het ontvangende water hoger is dan :
  80% van de voor het drinkwater toegelaten maximale concentratie, m.b.t. de waarde die per afzonderlijke stof is vastgesteld, of dan 80% van de voor het drinkwater toegelaten maximale concentratie, m.b.t. de waarde die voor het geheel van de stoffen is vastgesteld, neemt hij de gepaste maatregelen om sommige landbouw- en huishoudelijke praktijken te wijzigen en zelfs de verspreiding van pesticiden te verbieden;
  7° weggedeelten die het doorkruisen, voorzien van waterdichte geulen voor de opvang van alle in geloosd kunnen worden;
  8° wanneer putten, boringen, uithollingen of grondwerken die op meer dan 3 meter onder de grondoppervlakte worden uitgevoerd, onderworpen zijn aan een voor advies of toestemming aan het Bestuur van Ruimtelijke ordening, Stedebouw en Patrimonium moet voorgelegd, wint dit laatste tijdens het onderzoek van de aanvraag het advies van de houder in.
  Deze formaliteit wordt geëist wanneer voornoemde werken, in de dichtbijgelegen voorkomingsgebieden van de winningen van mineraal, thermaal en koolzuurhoudend water, een diepte van meer dan 2 meter worden uitgevoerd. Indien het advies niet gegeven wordt binnen de maand vanaf dag van kennisgeving van de aanvraag, wordt het gunstig geacht te zijn.

  Ondersectie 2. - Afgelegen voorkomingsgebieden.

Artikel 21 In het afgelegen voorkomingsgebied zijn verboden : 1° de gecontroleerde stortplaatsen bedoeld in het decreet van 5 juli 1985 betreffende de afvalstoffen, met uitzondering van de gecontroleerde stortplaatsen van klasse 3, zoals bepaald bij artikel 32, § 1, van het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 23 juli 1987 betreffende de gecontroleerde stortplaatsen;
  2° de verliesputten.

Artikel 22 In het afgelegen voorkomingsgebied is de aanleg verboden van : 1° nieuwe kerkhoven;
  2° nieuwe kampeerterreinen;
  3° de al dan niet permanent gebruikte circuits of terreinen bedoeld in het koninklijk besluit van 10 juni 1976 houdende maatregelen tot inrichting van wedstrijden, test- en oefenritten met motorvoertuigen;
  4° nieuwe terreinen bestemd voor het parkeren van meer dan 5 motorvoertuigen.

Artikel 23 In het afgelegen voorkomingsgebied : 1° worden vloeistoffen die stoffen van lijst I of II bevatten, alsmede vloeibare koolwaterstoffen, oliën en smeermiddelen opgenomen in waterdichte ontvangers, geplaatst op ondoorlaatbare oppervlakten die voorzien zijn van een opvangsysteem dat elke vloeibare lozing uitsluit, onverminderd andere striktere reglementaire bepalingen en met uitzondering van elektrische transformatoren waarvan het hulsel een vloeistof van lijst I of II bevat, mits zodanig te zijn uitgerust dat het gevaar voor een hulselbreuk tot een minimum is herleid.
  De lucht- of kelderontvangers van vloeibare koolwaterstoffen, met een volume van meer dan 500 liter, worden geplaatst in waterdichte retentiekommen die een voldoende capaciteit hebben om elke vloeibare lozing te voorkomen.
  De ingegraven ontvangers van vloeibare koolwaterstoffen zijn voorzien van een dubbelhulsel waarvan de waterdichtheid gecontroleerd kan worden om zich ervan te vergewissen dat elke lozing uitgesloten is;
  2° moeten de leidingen voor produkten of materies die stoffen van lijst I of II bevatten, waterdicht zijn; het gevaar voor een toevallig springen ervan moet tot een minimum herleid worden;
  3° worden de opslagplaatsen voor afvalstoffen of de installaties voor de verwijdering of valorisatie van afvalstoffen bedoeld in het decreet van 5 juli 1985 betreffende de afvalstoffen aan de volgende regels onderworpen :
  a) zij worden opgericht op ondoorlatende gronden;
  b) zij worden voorzien van een opvangsysteem dat elke lozing voorkomt;
  4° worden :
  dierlijke meststoffen als mest, aalt, gier;
  meststoffen en pesticiden;
  en inkuilingsprodukten waaruit vloeibare lozingen kunnen voortkomen, in waterdichte tanks of ontvangers opgeslagen of worden de ervoor oppervlakten opgericht. De opslagplaatsen zijn voorzien van een opvangsysteem elke vloeibare uitsluit;
  5° moeten de overdekte omheinde dierenruimten, met name stallen en kennels, beschikken over een ondoorlatende bodem en over een opvangsysteem dat elke lozing uitsluit;
  6° mogen de verspreidingen van dierlijke meststoffen, van produkten die voor landbouwdoeleinden verspreid mogen worden, en van stikstofkunstmeststoffen de in bijlage III vermelde maximumdosissen niet overschrijden;
  7° mogen de verspreidingen van pesticiden de op de verpakkingen vermelde dosissen niet overschrijden, overeenkomstig de wet van 11 juli 1969 betreffende de en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt, en het besluit van 5 juni 1975 betreffende het bewaren, het verkopen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen en fytofarmaceutische produkten.
  Als de Minister vaststelt dat de concentratie actieve stoffen die pesticiden bevatten, in het ontvangende water hoger is dan :
  80% van de voor het drinkwater toegelaten maximale concentratie; m.b.t. de waarde die per afzonderlijke stof is vastgesteld, of dan 80% van de voor het drinkwater toegelaten maximale concentratie, m.b.t. de waarde die voor het geheel van de stoffen is vastgesteld, neemt hij de gepaste maatregelen om sommige landbouw- en huishoudelijke praktijken te wijzigen en zelfs de verspreiding van pesticiden te verbieden;
  8° wanneer putten, boringen, uithollingen of grondwerken die op meer dan 5 meter onder de grondoppervlakte worden uitgevoerd, onderworpen zijn aan een voor advies of toestemming aan het Bestuur van Ruimtelijke ordening, Stedebouw en Patrimonium moet voorgelegd, wint dit laatste tijdens het onderzoek van de aanvraag het advies van de houder in.
  Deze formaliteit wordt geëist wanneer voornoemde werken, in de dichtbijgelegen voorkomingsgebieden van de winningen van mineraal, thermaal en koolzuurhoudend water, op een diepte van meer dan 3 meter worden uitgevoerd. Indien het advies niet gegeven wordt binnen de maand vanaf de dag van kennisgeving van de aanvraag, wordt het gunstig geacht te zijn.

Artikel 24 Voor de toepassing van dit hoofdstuk zijn de overeenkomstig artikel 2 van de wet van 1 augustus 1924 omtrent de bescherming der minerale of thermale wateren vastgestelde beschermingsomtrekken gelijkgesteld met de afgelegen voorkomingsgebieden.

Sectie IE 3. Toezichtsgebieden

Artikel 25 In het toezichtsgebied : 1° mogen de verspreidingen van dierlijke meststoffen, van produkten die voor landbouwdoeleinden verspreid mogen worden, en van stikstofhoudende meststoffen de in bijlage III bedoelde maximumdosissen niet overschrijden;
  2° als de Minister vaststelt dat de overeenkomstig de artikelen 20, 6°, en 23, 7°, getroffen restrictieve maatregelen onvoldoende zijn, kan hij, voor het gehele toezichtsgebied of een gedeelte ervan, maatregelen van dezelfde aard nemen.

Hoofdstuk 7. Maatregelen betreffende bepaalde steengroeven

Artikel 26 Hoofdstuk VI is niet van toepassing op steengroeven in werking. Wanneer een grondwaterwingebied van categorie B of C zich in een steengroeve in werking bevindt of wanneer een steengroeve in werking zich in een voorkomingsgebied bevindt :
  1° mogen de werktuigen die in de steengroeve gebruikt worden, geen koolwaterstoflekken vertonen; in voorkomend geval worden zij onmiddellijk voor herstelling weggebracht;
  2° mogen enkel de voor de exploitatie van de steengroeve gebruikte produkten zich in de groeve bevinden;
  3° moeten de produkten die de kwaliteit van de grondwaterlaag kunnen aantasten, hetzij opgeslagen worden in waterdichte retentiekommen met een omvang die minstens gelijk is aan de gehele omvang van de in elke kom bewaarde tanks, hetzij opgeborgen worden in vatten of ontvangers die zelf opgeslagen zijn op een ondoorlatende oppervlakte voorzien van een opvangsysteem dat elke lozing uitsluit;
  4° zijn verliesputten verboden in het voorkomingsgebied. Huishoudelijk en sanitair afvalwater wordt hetzij uit de steengroeve en het voorkomingsgebied via waterdichte leidingen afgevoerd, hetzij ter plaatse in waterdichte vatten of ontvangers opgeslagen, en door erkende putjesscheppers afgevoerd."

Artikel 5 Hoofdstuk VI wordt hoofdstuk VIII. Artikel 17 wordt opgeheven. Artikel 16 wordt vervangen door een als volgt luidend artikel 27 : "Art. 27. § 1. De artikelen 17 en 21 tot 25 van dit besluit zijn van toepassing in de beschermingsomtrekken vastgesteld overeenkomstig de wet van 1 augustus 1924 omtrent de bescherming der minerale of thermale wateren.
  § 2. Artikel 17 treedt in werking binnen het jaar dat volgt op de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.
  § 3. Artikel 18, 1°, 3°, 5°,6°,7°, 9° en 10°, is van toepassing op de bestaande werken, constructies en installaties binnen het jaar na de omschrijving van het dichtbijgelegen voorkomingsgebied.
  Artikel 18, 2° en 8°, is van toepassing op de bestaande werken, constructies en installaties binnen vier jaar na de omschrijving van het dichtbijgelegen voorkomingsgebied.
  Behalve de in de alinea's 1 en 2 van deze paragraaf bedoelde hypothesen wordt artikel 18, 1° tot 10°, van toepassing zodra het dichtbijgelegen voorkomingsgebied omschreven is.
  § 4. Artikel 20, 2°, 3° en 4°, is van toepassing op de bestaande werken, constructies en installaties binnen het jaar na de omschrijving van het dichtbijgelegen voorkomingsgebied.
  Artikel 20, 1° en 7°, is van toepassing op de bestaande werken, constructies en installaties binnen twee jaar na de omschrijving van het dichtbijgelegen voorkomingsgebied.
  Behalve de in de alinea's 1 en 2 van deze paragraaf bedoelde hypothesen is artikel 20, 1°, 2°, 3°, 4° en 7°, van toepassing zodra het voorkomingsgebied omschreven is.
  De artikelen 19 en 20, 5°, 6° en 8°, zijn van toepassing zodra het dichtbijgelegen voorkomingsgebied omschreven is.
  § 5. De artikelen 21, 1° en 23, 1°, 2° en 4°, zijn van toepassing op de bestaande werken, constructies en installaties binnen vier jaar na de omschrijving van het afgelegen voorkomingsgebied.
  De artikelen 21, 2° en 23, 3°, zijn van toepassing op de bestaande werken, constructies en installaties binnen twee jaar na de omschrijving van het dichtbijgelegen voorkomingsgebied.
  Behalve de in de alinea' s 1 en 2 van deze paragraaf bedoelde hypothesen, zijn de artikelen 21 en 23 van toepassing zodra het afgelegen voorkomingsgebied omschreven is.
  De artikelen 22 en 23, 6°, 7° en 8°, zijn van toepassing zodra het afgelegen voorkomingsgebied omschreven is.
  § 6. Artikel 25 is van toepassing zodra het toezichtsgebied omschreven is.
  § 7 Artikel 26, 3° en 4°, tweede alinea, is van toepassing binnen het jaar na de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.

Artikel 26, 1°, 2° en 4°, eerste alinea, is onmiddellijk toepasselijk."

Artikel 6 De Minister van Leefmilieu, Natuurlijke Hulpbronnen en Landbouw is belast met de uitvoering van dit besluit. Namen, 9 maart 1995.
  De Minister-President van de Waalse Regering, belast met Economie, KMO's, Externe Betrekkingen en Toerisme,
  R. COLLIGNON
  De Minister van Leefmilieu, Natuurlijke Hulpbronnen en Landbouw,
  G. LUTGEN

  BIJLAGE.

Artikel N1 Bijlage II. LIJST 1. Families en groepen van stoffen. Lijst 1 omvat de afzonderlijke stoffen die de hierna vermelde van stoffen toebehoren, met uitzondering van de stoffen die, vanwege het geringe gevaar voor duurzaamheid en bioaccumulatie, ongeschikt voor lijst 1 worden geacht :
  1. Organohalogeenverbindingen en stoffen die zulke verbindingen in het watermilieu kunnen doen ontstaan
  2. Organische fosforverbindingen
  3. Organische tinverbindingen
  4. Stoffen die in het watermilieu of door aanraking ermee een carcinogene, mutagene of teratogene kracht hebben
  5. Kwik of kwikverbindingen
  6. Cadmium of cadmiumverbindingen
  7. Minerale oliën en koolwaterstoffen
  8. Cyaniden
  LIJST II. Families en groepen van stoffen. Lijst II omvat de afzonderlijke stoffen en de categorieën die de hierna vermelde families en groepen van stoffen toebehoren, en die schadelijk voor het grondwater zouden kunnen zijn.
  1. De volgende metalloïden en metalen alsook de verbindingen ervan :

    1. zink                               11. tin
    2. koper                              12. borium
    3. nikkel                             13. beryllium
    4. chroom                             14. barium
    5. lood                               15. uranium
    6. selenium                           16. vanadium
    7. arsenicum                          17. kobalt
    8. antimonium                         18. thallium
    9. molybdenium                        19. tellurium
    10. titaan                            20. zilver


  2. kiemdodende middelen en de derivaten ervan die niet voorkomen op lijst I;
  3. stoffen die een schadelijke invloed hebben op de smaak en/ of de geur van het grondwater, alsook verbindingen die zulke stoffen in het water kunnen doen ontstaan en waardoor het water ongeschikt voor menselijke consumptie zou kunnen worden;
  4. giftige of permanente organische siliciumverbindingen en stoffen die zulke verbindingen in het water kunnen doen ontstaan, met uitzondering van degene die biologisch gezien onschadelijk zijn en die zich snel in het water in onschadelijke stoffen omzetten;
  5. anorganische fosforverbindingen en elementaire fosfor;
  6. fluoriden;
  7. ammoniak, nitrieten.
  Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 9 maart 1995 tot wijziging van het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 14 november 1991 betreffende de grondwaterwinningen, de waterwinnings-, de voorkomings- en de toezichtsgebieden en de kunstmatige aanvulling van de grondwaterlagen.
  Namen, 9 maart 1995.
  De Minister-President van de Waalse Regering, belast met Economie, KMO's, Externe Betrekkingen en Toerisme,
  R. COLLIGNON
  De Minister van Leefmilieu, Natuurlijke Hulpbronnen en Landbouw,
  G. LUTGEN

Artikel N2 Bijlage II. 1. Maximale stikstofhoudende bodembemesting volgens het type bebouwde gewassen :

      Zonder toevoer van dierlijk mest of stikstof onder organische vorm
      Gewas                    Stikstof onder minerale vorm
                                   (kg per ha/jaar)
       
      Bieten                            180
      Mais                              180
      Koolzaad                          225
      Aardappels                        225
      Wintertarwe                       170
      Lentegraangewassen                100
      Wintergerst                       170
      Chicorei                           30
      Vlas                               60
      Bonen                              50
      Erwten                             30
      Spontaan braakland                  0



      Met toevoer van dierlijk mest of produkten die voor landbouwdoel-
              einden verspreid mogen worden
      Gewas            Stikstof onder         Stikstof onder
                       organische vorm        minerale vorm
                       (kg per ha/jaar)       (kg per ha/jaar)
       
      Bieten                 210                    120
      Mais                   210                    120
      Koolzaad               185                    145
      Aardappels             185                    145
      Wintertarwe                                   150
      Lentegraangewassen                             80
      Wintergerst                                   160
      Cichorei                                        0
      Vlas                                           50
      Bonen                                          40
      Erwten                                          0
      Spontaan braakland                              0


  Wanneer er mestproduktie is, kan men een jaarlijkse toevoer van 12 tot 13 t per ha en per jaar als normaal beschouwen. Deze mesttoevoer gebeurt meestal in één keer in het begin van de wisselcyclus, d.w.z. in het geheel ca. 40 t voor een driejarige wisseling, wat bij mestverspreiding met een gemiddelde toevoer van 200-210 kg/ha/3 jaar organische stikstof overeenstemt.
  Dezelfde hoeveelheid stikstof kan ook met 45 t runderaalt, 35 t varkensaalt ofwel 22 t aalt van pluimvee worden bereikt.
  2. Maximale stikstofhoudende bodembemesting op maai- of grasweiden : In weiden wordt de toevoer van een hoeveelheid dierlijk meststof overeenstemmend met ca. 200 kg/ha stikstof gevolgd door meerdere over de tijd verspreide opbrengbeurten van 40 tot 50 kg/ha minerale meststoffen, waarbij men een totale hoeveelheid van 650 kg/ha/jaar met mag overschrijden.
  3. Maximale stikstofhoudende bodembemesting op sportterreinen : Op een met graszoden belegd sportterrein mag de toevoer van stikstofhoudend mest en/of mineraal mest 200 kg/ha/jaar stikstof niet overschrijden, zelfs als deze toevoer in de tijd opgesplitst is.
  Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 9 maart 1995 tot wijziging van het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 14 november 1991 betreffende de grondwaterwinningen, de waterwinnings-, de voorkomings- en de toezichtsgebieden en de kunstmatige aanvulling van de grondwaterlagen .
  Namen, 9 maart 1995.
  De Minister-President van de Waalse Regering, belast met Economie, KMO' s, Externe Betrekkingen en Toerisme,
  R. COLLIGNON
  De Minister van Leefmilieu, Natuurlijke Hulpbronnen en Landbouw
  G. LUTGEN