Koninklijk besluit houdende toepassing van de bepalingen van artikel 29 van de wet van 12 juli 1957 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor bedienden .
- Section :
- Législation
- Source :
- Numac 1958030502
Texte original :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Artikel 1 Het bedrag van het krachtens de wet van 12 juli 1957 toegekend rustpensioen wordt binnen navermelde grenzen verminderd voor de gerechtigden die een vervroegde uitbetaling van de ouderdomsrente, verworven door wettelijke in het raam van de wet van 18 juni 1930 verrichte stortingen hebben ontvangen, of voor hen die een gedeelte van de gekapitaliseerde waarde er van hebben afgekocht;
1° wanneer het bedrag van de rente, welke hun zou toegekend geweest zijn op 65 jaar voor de mannen en op 60 jaar voor de vrouwen, indien zij geen vervroegde uitbetaling zouden ontvangen hebben of niet een gedeelte er van afgekocht, lager is dan het bedrag der theoretische rente, voorzien in de bij het koninklijk besluit van 30 juli 1957 gevoegde tabel, dan is de vermindering van het bedrag van het pensioen gelijk aan het verschil tussen het bedrag van de volgens het geval op 65 jaar of op 60 jaar verworven rente en het bedrag van de vóór de vervroegde uitbetaling of de afkoping werkelijk toegekende rente.
2° wanneer het bedrag van de rente welke hun zou toegekend geweest zijn op 65 jaar voor de mannen en op 60 jaar voor de vrouwen, indien zij geen vervroegde uitbetaling zouden ontvangen hebben of niet een gedeelte er van hadden afgekocht, hoger is dan het bedrag der theoretische rente, voorzien in de bij het koninklijk besluit van 30 juli 1957 gevoegde table, dan is de vermindering van het bedrag van het pensioen gelijk aan het verschil tussen dit laatste bedrag en het bedrag van de vóór de vervroegde uitbetaling of de afkoping werkelijk toegekende rente.
Artikel 2 Het bedrag van het overlevingspensioen toegekend krachtens de wet van 12 juli 1957, wordt verminderd binnen navermelde grenzen voor de gerechtigden die een gedeelte van de gekapitaliseerde waarde van de in het raam van de wet van 18 juni 1930 verworven weduwrente of waarvan de echtgenoot een vervroegde uitbetaling van de ouderdomsrente had ontvangen of een gedeelte van de gekapitaliseerde overlevingsrente had afgekocht;
1° wanneer het bedrag van de weduwrente welke hun zou toegekend geweest zijn, indien zij niet een deel van de gekapitaliseerde waarde er van hadden afgekocht of indien de echtgenoot geen vervroegde uitbetaling van de ouderdomsrente had ontvangen of een gedeelte van de gekapitaliseerde waarde van de overlevingsrente had afgekocht, lager is dan het bedrag van de theoretische rente voorzien in de bij het koninklijk besluit van 30 juli 1957 gevoegde tabel, dan is de vermindering van het bedrag van het pensioen gelijk aan het verschil tussen het bedrag van de vóór de vervroegde uitbetaling of de afkoping berekende weduwrente en het bedrag van de rente welke hun ingevolge deze vervroegde uitbetaling of deze afkoping werkelijk werd toegekend.
2° wanneer het bedrag van de weduwrente welke hun zou toegekend geweest zijn indien zij niet een deel van de gekapitaliseerde waarde er van hadden afgekocht of indien de echtgenoot geen vervroegde uitbetaling van een ouderdomsrente had ontvangen of een gedeelte van de gekapitaliseerde waarde van de overlevingsrente had afgekocht, hoger is dan het bedrag van de theoretische rente voorzien in de bij het koninklijk besluit van 30 juli 1957 gevoegde tabel, dan is de vermindering van het bedrag van het pensioen gelijk aan het verschil tussen het bedrag van de theoretische rente en het bedrag dat hun ingevolge deze vervroegde uitbetaling of deze afkoping werkelijk werd toegekend.
Artikel 3 De bepalingen van de artikelen 2 en 3 van dit besluit, zijn niet van toepassing op de gevallen waarvan sprake in artikel 6, lid 3, van de wet van 12 juli 1957, alsmede op de gevallen der weduwen wier echtgenoot ongehuwd, weduwnaar of uit den echt gescheiden was op het ogenblik van het ingaan van het recht op zijn ouderdomsrente en een gedeelte van de gekapitaliseerde waarde van de hypothetische overlevingsrente in persoonlijke bijkomende rente heeft omgezet.
Artikel 4 Het bedrag van het rust- of overlevingspensioen, aan gerechtigden, luidens de wet van 12 juli 1957 toegekend en berekend volgens de jaren tewerkstelling in organismen of ondernemingen die krachtens de bepalingen van artikel 1, 3°, van de wet van 18 juni 1930, een afwijking van de verzekeringsplicht hebben bekomen, wordt verminderd met het bedrag van de theoretische subrogatierente voorzien in de bij het koninklijk besluit van 30 juli 1957 gevoegde tabel, in verhouding tot het aantal jaren tewerkstelling in deze organismen of ondernemingen.
Deze bepaling is eveneens van toepassing op de bedienden die te werk gesteld geweest zijn door organismen of ondernemingen welke, aangezien zij niet beoogd werden door de bepalingen van voormeld artikel 1, 3°, de bij de wet van 18 juni 1930 voorziene stortingen op rekening van hun bedienden bij erkende organismen niet hebben verricht.
Artikel 5 Voor de toepassing van de bepalingen van dit besluit, dient onder het woord "rente", verstaan te worden de gekapitaliseerde voordelen verworven door de wettelijke, krachtens de bepalingen van de wet van 18 juni 1930 verrichte stortingen vermeerderd met de er aan verbonden Rijksbijdrage.
Artikel 6 Onze Minister van Arbeid en Sociale Voorzorg is belast met de uitvoering van dit besluit.
1° wanneer het bedrag van de rente, welke hun zou toegekend geweest zijn op 65 jaar voor de mannen en op 60 jaar voor de vrouwen, indien zij geen vervroegde uitbetaling zouden ontvangen hebben of niet een gedeelte er van afgekocht, lager is dan het bedrag der theoretische rente, voorzien in de bij het koninklijk besluit van 30 juli 1957 gevoegde tabel, dan is de vermindering van het bedrag van het pensioen gelijk aan het verschil tussen het bedrag van de volgens het geval op 65 jaar of op 60 jaar verworven rente en het bedrag van de vóór de vervroegde uitbetaling of de afkoping werkelijk toegekende rente.
2° wanneer het bedrag van de rente welke hun zou toegekend geweest zijn op 65 jaar voor de mannen en op 60 jaar voor de vrouwen, indien zij geen vervroegde uitbetaling zouden ontvangen hebben of niet een gedeelte er van hadden afgekocht, hoger is dan het bedrag der theoretische rente, voorzien in de bij het koninklijk besluit van 30 juli 1957 gevoegde table, dan is de vermindering van het bedrag van het pensioen gelijk aan het verschil tussen dit laatste bedrag en het bedrag van de vóór de vervroegde uitbetaling of de afkoping werkelijk toegekende rente.
Artikel 2 Het bedrag van het overlevingspensioen toegekend krachtens de wet van 12 juli 1957, wordt verminderd binnen navermelde grenzen voor de gerechtigden die een gedeelte van de gekapitaliseerde waarde van de in het raam van de wet van 18 juni 1930 verworven weduwrente of waarvan de echtgenoot een vervroegde uitbetaling van de ouderdomsrente had ontvangen of een gedeelte van de gekapitaliseerde overlevingsrente had afgekocht;
1° wanneer het bedrag van de weduwrente welke hun zou toegekend geweest zijn, indien zij niet een deel van de gekapitaliseerde waarde er van hadden afgekocht of indien de echtgenoot geen vervroegde uitbetaling van de ouderdomsrente had ontvangen of een gedeelte van de gekapitaliseerde waarde van de overlevingsrente had afgekocht, lager is dan het bedrag van de theoretische rente voorzien in de bij het koninklijk besluit van 30 juli 1957 gevoegde tabel, dan is de vermindering van het bedrag van het pensioen gelijk aan het verschil tussen het bedrag van de vóór de vervroegde uitbetaling of de afkoping berekende weduwrente en het bedrag van de rente welke hun ingevolge deze vervroegde uitbetaling of deze afkoping werkelijk werd toegekend.
2° wanneer het bedrag van de weduwrente welke hun zou toegekend geweest zijn indien zij niet een deel van de gekapitaliseerde waarde er van hadden afgekocht of indien de echtgenoot geen vervroegde uitbetaling van een ouderdomsrente had ontvangen of een gedeelte van de gekapitaliseerde waarde van de overlevingsrente had afgekocht, hoger is dan het bedrag van de theoretische rente voorzien in de bij het koninklijk besluit van 30 juli 1957 gevoegde tabel, dan is de vermindering van het bedrag van het pensioen gelijk aan het verschil tussen het bedrag van de theoretische rente en het bedrag dat hun ingevolge deze vervroegde uitbetaling of deze afkoping werkelijk werd toegekend.
Artikel 3 De bepalingen van de artikelen 2 en 3 van dit besluit, zijn niet van toepassing op de gevallen waarvan sprake in artikel 6, lid 3, van de wet van 12 juli 1957, alsmede op de gevallen der weduwen wier echtgenoot ongehuwd, weduwnaar of uit den echt gescheiden was op het ogenblik van het ingaan van het recht op zijn ouderdomsrente en een gedeelte van de gekapitaliseerde waarde van de hypothetische overlevingsrente in persoonlijke bijkomende rente heeft omgezet.
Artikel 4 Het bedrag van het rust- of overlevingspensioen, aan gerechtigden, luidens de wet van 12 juli 1957 toegekend en berekend volgens de jaren tewerkstelling in organismen of ondernemingen die krachtens de bepalingen van artikel 1, 3°, van de wet van 18 juni 1930, een afwijking van de verzekeringsplicht hebben bekomen, wordt verminderd met het bedrag van de theoretische subrogatierente voorzien in de bij het koninklijk besluit van 30 juli 1957 gevoegde tabel, in verhouding tot het aantal jaren tewerkstelling in deze organismen of ondernemingen.
Deze bepaling is eveneens van toepassing op de bedienden die te werk gesteld geweest zijn door organismen of ondernemingen welke, aangezien zij niet beoogd werden door de bepalingen van voormeld artikel 1, 3°, de bij de wet van 18 juni 1930 voorziene stortingen op rekening van hun bedienden bij erkende organismen niet hebben verricht.
Artikel 5 Voor de toepassing van de bepalingen van dit besluit, dient onder het woord "rente", verstaan te worden de gekapitaliseerde voordelen verworven door de wettelijke, krachtens de bepalingen van de wet van 18 juni 1930 verrichte stortingen vermeerderd met de er aan verbonden Rijksbijdrage.
Artikel 6 Onze Minister van Arbeid en Sociale Voorzorg is belast met de uitvoering van dit besluit.