Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 88 van de programmawet van 24 december 2002.
- Section :
- Législation
- Source :
- Numac 2003022353
Texte original :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Hoofdstuk 1. Definities
Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit dient te worden begrepen onder :
1°" samengeordende wetten " : de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders;
2° " Minister " : de Minister van Sociale Zaken;
3° " Dienst " : de Bestuursdirectie van de uitkeringen aan personen met een handicap bij de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid;
4° " Medische Dienst " de medische dienst van de Bestuursdirectie van de uitkeringen aan personen met een handicap bij de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid;
5° " instelling " : de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers, de kinderbijslagfondsen, erkend of opgericht krachtens de samengeordende wetten, het Rijk, de Gemeenschappen en de Gewesten, en de openbare instellingen bedoeld in artikel 3, 2° van de samengeordende wetten, die in uitvoering van artikel 18 van de samengeordende wetten gehouden zijn zelf kinderbijslag uit te betalen voor hun personeel;
6° " koninklijk besluit van 3 mei 1991 " : het koninklijk besluit van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 96 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen.
Hoofdstuk 2. [ [1 Overgangsregeling ten aanzien van de kinderen geboren uiterlijk op 31 december 1992]1 - Uitvoering van de artikelen 47, § 1, 56septies, § 1, en 63, § 1, van de samengeordende wetten.] <KB 2007-01-29/58, Art. 3, 003; En vigueur : 01-01-2007>
Artikel 2 De lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind, bedoeld in de artikelen 56septies, § 1 en 63, § 1, van de samengeordende wetten, en de zelfredzaamheid van het kind, bedoeld in artikel 47, § 1, van dezelfde wetten worden vastgesteld overeenkomstig de regels bepaald in de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991.
Artikel 3 § 1. Ten behoeve van het kind dat bedoeld is in artikel 63, § 1, van de samengeordende wetten en getroffen is door een overeenkomstig de regels van artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 vastgestelde lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 %, worden de bedragen bedoeld in artikel 40 of 50bis van dezelfde wetten verhoogd met de bijslag bedoeld in artikel 47, § 1, van dezelfde wetten, onder de voorwaarden bepaald in artikel 12 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991.
§ 2. De bijslag bedoeld in § 1 wordt op de wijze zoals bepaald in artikel 4 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 toegekend naargelang de graad van zelfredzaamheid.
Artikel 4 Het kind, dat bedoeld is in artikel 56septies, § 1, van de samengeordende wetten en getroffen is door een bij toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 vastgestelde lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 %, is rechthebbend op kinderbijslag voor zichzelf volgens de voorwaarden, de regels en de bedragen bepaald in artikel 13 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991.
Artikel 5 Voor de toepassing van artikel 63, § 1, van de samengeordende wetten moet het kind getroffen zijn door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 %, vastgesteld overeenkomstig de regels bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991. Deze ongeschiktheid moet een aanvang genomen hebben vooraleer het kind wegens het bereiken van de bij artikel 62 van dezelfde wetten bepaalde leeftijdsgrens heeft opgehouden rechtgevend te zijn op kinderbijslag.
Artikel 5BIS [1 Dit hoofdstuk is alleen van toepassing op kinderen waarvoor een beslissing voorafgaand aan 1 mei 2009 ingevolge een aanvraag ingediend voor deze datum of voortvloeiend uit een ambtshalve herziening waarvan de uitwerking begonnen is voor dezelfde datum, uitwerking heeft op 1 mei 2009. Bij de eerste herziening na 30 april 2009 ingevolge een aanvraag tot herziening of ambtshalve herziening is :
a) voor de periode tot 30 april 2009, dit hoofdstuk van toepassing;
b) voor de periode na 30 april 2009 hoofdstuk III, afdeling I, van dit besluit van toepassing.]1
Hoofdstuk 3. [ [1..]1 - Uitvoering van de artikelen 47, § 2, 56septies, §§ 2 en 3, en 63, §§ 2 en 3, van de samengeordende wetten.] <KB 2007-01-29/58, Art. 4, 003; En vigueur : 01-01-2007>
Sectie 1. Uitvoering van de artikelen 47, § 2, eerste lid, 56septies, § 2 en 63, § 2 van de samengeordende wetten
Artikel 6 § 1. De gevolgen van de aandoening van het kind, bedoeld in de artikelen 47, § 2, 56septies, § 2 en 63, § 2 van de samengeordende wetten, bestaan uit de hiernavolgende pijlers :
1° pijler 1 behelst de gevolgen van de aandoening op het vlak van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind;
2° pijler 2 behelst de gevolgen van de aandoening op het vlak van de activiteit en de participatie van het kind;
3° pijler 3 behelst de gevolgen van de aandoening voor de familiale omgeving van het kind.
§ 2. De gevolgen bedoeld in § 1 worden vastgesteld aan de hand van de als bijlage 1 bij dit besluit gevoegde medisch-sociale schaal.
1° In pijler 1 worden, naargelang het percentage lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind, vastgesteld overeenkomstig artikel 7, op de volgende wijze punten toegekend :
lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid
- 0 % tot 24 % : 0 punten
- 25 % tot 49 % : 1 punt
- 50 % tot 65 % : 2 punten
- 66 % tot 79 % : 4 punten
- 80 % tot 100 % : 6 punten
2° Pijler 2 bestaat uit de hiernavolgende functionele categorieën, die desgevallend onderverdeeld zijn in subcategorieën en waaraan punten worden toegekend volgens graduele criteria :
a. leren, opleiding en sociale integratie;
b. communicatie;
c. mobiliteit en verplaatsing;
d. zelfverzorging.
Voor de totalisatie van de punten in pijler 2 wordt het hoogste aantal punten, toegekend binnen elk van de vier functionele categorieën, samengeteld. Voor deze pijler bedraagt het maximum aantal punten 12.
3° Pijler 3 bestaat uit de hiernavolgende categorieën, die desgevallend onderverdeeld zijn in subcategorieën en waaraan punten worden toegekend volgens graduele criteria :
a. opvolging van de behandeling thuis;
b. verplaatsing voor medisch toezicht en behandeling;
c. aanpassing van het leefmilieu en leefwijze.
Voor de totalisatie van de punten in pijler 3 wordt het hoogste aantal punten, toegekend binnen elk van de drie categorieën, samengeteld en wordt het aldus berekende aantal punten vermenigvuldigd met twee. Voor deze pijler bedraagt het maximum aantal punten, na vermenigvuldiging met twee, 18.
4° Het eindresultaat van de vaststelling van de gevolgen van de aandoening wordt bekomen door samentelling van de getotaliseerde punten van elke pijler en bedraagt maximaal 36 punten.
§ 3. Voor de toepassing van de artikelen 56septies, § 2 en 63, § 2 worden de gevolgen van de aandoening van het kind in aanmerking genomen indien het kind als eindresultaat, bedoeld in § 2, 4°, minimum 6 punten behaalt of indien het kind in pijler 1,bedoeld in § 2, 1°, minimum 4 punten behaalt.
Artikel 7 § 1. De vaststelling van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind, bedoeld in artikel 6, gebeurt :
1° aan de hand van de " Lijst van pediatrische aandoeningen " opgenomen als bijlage 2 bij dit besluit;
2° aan de hand van de " Officiële Belgische Schaal ter bepaling van de graad van invaliditeit ", goedgekeurd bij Regentbesluit van 12 februari 1946, met uitzondering van het voorwoord.
De onder 1° bedoelde Lijst bevat een limitatieve opsomming van aandoeningen. De Koning kan ze aanvullen.
De onder 2° bedoelde Schaal wordt aangewend voor alle aandoeningen of functies die niet in de Lijst zijn opgenomen, alsook voor die aandoeningen van de Lijst die verwijzen naar een artikel van deze Schaal.
Bij de evaluatie heeft de Lijst voorrang op het gebruik van de Schaal. Dit betekent dat de criteria en de ongeschiktheidpercentages die sommige nummers van de Lijst vermelden, imperatief moeten opgevolgd worden.
§ 2. Voor het gebruik van de Lijst en de Schaal, bedoeld in § 1, gelden de volgende regels :
1° In geval van meervoudige ongeschiktheid wordt het globale ongeschiktheidpercentage berekend op de volgende wijze. In het geval waarbij geen enkele van de gedeeltelijke aandoeningen een totale ongeschiktheid met zich meebrengt, wordt het ongeschiktheidpercentage volledig toegekend voor de zwaarste aandoening en voor elk van de bijkomende aandoeningen wordt het proportioneel berekend volgens de overblijvende geschiktheid. De verscheidene aandoeningen worden daartoe gerangschikt in dalend orde van het werkelijk ongeschiktheidpercentage. Deze berekeningswijze wordt slechts toegepast wanneer de gedeeltelijke aandoeningen verschillende ledematen of functies aantasten.
2° Een rationele ramingswijze wordt toegepast indien één lidmaat of functie aangetast is door verschillende ongeschiktheden en wanneer de berekening bedoeld in 1° tot een hoger percentage leidt dan het totale verlies van het betrokken lidmaat of de functie : het ongeschiktheidpercentage kan het percentage voorzien voor het totaal verlies van het desbetreffende lidmaat of functie nooit overschrijden.
3° De Lijst en de Schaal zijn bindend of indicatief naargelang zij een vast percentage aanduiden dan wel ruimte laten bij de evaluatie. Nochtans blijven zij in dit laatste geval bindend voor de minimale en maximale percentages.
Artikel 8 § 1. Ten behoeve van het kind bedoeld in artikel 63, § 2, van de samengeordende wetten, dat een aandoening heeft die gevolgen heeft zoals bedoeld in artikel 6, § 3, worden de bedragen bedoeld in artikel 40 of 50bis van de samengeordende wetten verhoogd met de bijslag bedoeld in artikel 47, § 2, van dezelfde wetten, onder de voorwaarden bepaald in artikel 12 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991.
Voor de toepassing van het eerste lid moeten de in artikel 12, 2°,van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 vermelde woorden " de in artikel 2 vermelde lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid moet een aanvang genomen hebben " gelezen worden als " de gevolgen van de aandoening zoals bedoeld in artikel 6, § 3 van het huidige besluit moeten een aanvang genomen hebben ".
§ 2. De bijslag bedoeld in artikel 47, § 2, van de samengeordende wetten, wordt toegekend naargelang de ernst van de gevolgen van de aandoening.
Indien het kind als eindresultaat bedoeld in artikel 6, § 2, 4° minimum 6 punten behaalt, worden de volgende bedragen toegekend :
- (79,91 EUR) indien het kind minimum 6 punten en maximum 8 punten behaalt; <KB 2006-05-03/36, Art. 2, 002; En vigueur : 01-05-2006>
- (186,47 EUR) indien het kind minimum 9 punten en maximum 11 punten behaalt; <KB 2006-05-03/36, Art. 2, 002; En vigueur : 01-05-2006>
- (307,81 EUR) indien het kind minimum 12 punten en maximum 14 punten behaalt; <KB 2006-05-03/36, Art. 2, 002; En vigueur : 01-05-2006>
- 350 EUR indien het kind minimum 15 punten en maximum 17 punten behaalt;
- 375 EUR indien het kind minimum 18 punten en maximum 20 punten behaalt;
- 400 EUR indien het kind meer dan 20 punten behaalt.
In afwijking van het tweede lid, wordt het bedrag van 60 EUR (...) toegekend indien het kind minimum 4 punten behaalt in pijler 1 bedoeld in artikel 6, § 2, 1°. <KB 2006-05-03/36, Art. 2, 002; En vigueur : 01-05-2006>
(In afwijking van het tweede en het derde lid, wordt het bedrag van 307,81 EUR eveneens toegekend indien het kind minimum 4 punten behaalt in pijler 1 bedoeld in artikel 6, § 2, 1° en bovendien minimum 6 punten en maximum 11 punten behaalt als eindresultaat bedoeld in artikel 6, § 2, 4°.) <KB 2006-05-03/36, Art. 2, 002; En vigueur : 01-05-2006>
Artikel 9 Het kind bedoeld in artikel 56septies, § 2, van de samengeordende wetten, dat een aandoening heeft die gevolgen heeft zoals bedoeld in artikel 6, § 3, is rechthebbend op kinderbijslag voor zichzelf volgens de voorwaarden, de regels en de bedragen bepaald in artikel 13 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991.
Voor de toepassing van het eerste lid dienen de in artikel 13, § 3, van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 vermelde woorden " De in § 1 bedoelde lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid moet een aanvang genomen hebben " gelezen te worden als " De gevolgen van de aandoening zoals bedoeld in artikel 6, § 3, van dit besluit moeten een aanvang genomen hebben ".
Artikel 10 Voor de toepassing van artikel 63, § 2, van de samengeordende wetten moet het kind een aandoening hebben die gevolgen heeft zoals bedoeld in artikel 6, § 3. Deze gevolgen moeten een aanvang genomen hebben vooraleer het kind wegens het bereiken van de bij artikel 62 van dezelfde wetten bepaalde leeftijdsgrens heeft opgehouden rechtgevend te zijn op kinderbijslag.
Artikel 10BIS [1 Deze afdeling is van toepassing onverminderd de bepalingen van hoofdstuk II.]1
Sectie 2. (Uitwerking van de nieuwe beslissingen) <KB 2007-01-29/58, Art. 5, 003; En vigueur : 01-01-2007>
Artikel 11Voor de toepassing van deze afdeling dient te worden begrepen onder :
1° " de [1 oude regeling]1 " : de artikelen 47, § 1, 56septies, § 1 en 63, § 1, van de samengeordende wetten en hoofdstuk II van dit besluit;
2° " de [2 nieuwe regeling]2 " : de (47, § 2, eerste lid), 56septies, § 2 en 63, § 2, van de samengeordende wetten en hoofdstuk III, afdeling I, van dit besluit; <KB 2007-01-29/58, Art. 6, 003; En vigueur : 01-01-2007>
3° " de dubbele evaluatie " : de vaststelling van enerzijds de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid en de graad van zelfredzaamheid, bedoeld in hoofdstuk II van dit besluit, en anderzijds de gevolgen van de aandoening, bedoeld in hoofdstuk III, afdeling I, van dit besluit, voor eenzelfde periode;
4° " de geneesheer " : de geneesheer bedoeld in artikel 20, eerste lid;
5° " voordeliger " : indien de toepassing van de [1 oude regeling]1 de toekenning van een hoger bedrag meebrengt voor het kind dan het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van de [2 nieuwe regeling]2 of indien enkel de toepassing van de [1 oude regeling]1 een recht tot stand [brengt] voor het kind. <KB 2007-01-29/58, Art. 6, 003; En vigueur : 01-01-2007>
Onderafdeling I. - Kinderen geboren na 31 december 1992 en uiterlijk op 1 januari 1996. <Ingevoegd bij KB 2007-01-29/58, Art. 7; En vigueur : 01-01-2007>
Artikel 11BIS<Ingevoegd bij KB 2007-01-29/58, Art. 7; En vigueur : 01-01-2007> Voor de nieuwe aanvragen die ingediend worden vanaf 1 januari 2007 en voor de aanvragen en ambtshalve herzieningen die volgen op de nieuwe aanvraag moet voor de periode vanaf 1 mei 2003 toepassing gemaakt worden van de [1 nieuwe regeling]1. Wat de periode vóór 1 mei 2003 betreft, wordt toepassing gemaakt van de regels die bedoeld zijn in de artikelen 2, 3, 4, 12, 13 en 14 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991.
Met " nieuwe aanvragen " wordt bedoeld, de aanvragen die ingediend worden na 31 december 2006 op een datum dat er geen uitwerking is van een vorige beslissing ingevolge een aanvraag ingediend vóór 1 januari 2007 of voortvloeiend uit een ambtshalve herziening waarvan de uitwerking begonnen is vóór 1 januari 2007.
Artikel 11TER <Ingevoegd bij KB 2007-01-29/58, Art. 7; En vigueur : 01-01-2007> Indien een medische beslissing, ingevolge een aanvraag ingediend vóór 1 januari 2007 of voortvloeiend uit een ambtshalve herziening waarvan de uitwerking begonnen is vóór 1 januari 2007, aanleiding geeft tot een herzieningsaanvraag, verricht de geneesheer :
a) voor de periode vóór 1 mei 2003 een evaluatie van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid en de graad van zelfredzaamheid, bedoeld in hoofdstuk II van dit besluit;
b) voor de periode vanaf 1 mei 2003 een evaluatie van de gevolgen van de aandoening, bedoeld in hoofdstuk III, afdeling I, van dit besluit.
Telkens op grond van deze evaluaties een hoger bedrag kan worden toegekend, betaalt de instelling het verschil.
Artikel 11QUATER[1 Indien een medische beslissing, ingevolge een aanvraag ingediend voor 1 januari 2007 of voortvloeiend uit een ambtshalve herziening waarvan de uitwerking begonnen is voor 1 januari 2007, aanleiding geeft tot een ambtshalve herziening die ten vroegste uitwerking heeft op 1 januari 2007, verricht de geneesheer een evaluatie, in afwijking van artikel 23, vierde lid met een terugwerkende kracht van vijf jaar, welke ingaat de eerste dag van het trimester in de loop waarvan deze medische beslissing ten einde loopt. Deze evaluatie wordt verricht :
a) overeenkomstig de oude regeling voor de periode voor 1 mei 2003;
b) overeenkomstig de nieuwe regeling voor de periode vanaf 1 mei 2003.
Telkens een hoger bedrag kan worden toegekend, betaalt de instelling het verschil.
Op de latere ambtshalve herzieningen is artikel 23, vierde lid van toepassing.]1
Onderafdeling II. - Kinderen geboren na 1 januari 1996. Uitvoering van de artikelen 47, § 2, vijfde lid, 56septies, § 3, en 63, § 3, van de samengeordende wetten. <Ingevoegd bij KB 2007-01-29/58, Art. 8; En vigueur : 01-01-2007>
Artikel 12Voor de toepassing van de artikelen 47, § 2, vijfde lid, 56septies, § 3 en 63, § 3, van de samengeordende wetten geniet het kind dat geboren is na 1 januari 1996 de kinderbijslag bedoeld in de artikelen 56septies en 63 van dezelfde wetten en de bijslag bedoeld in artikel 47, § 1, van dezelfde wetten, bij toepassing van de [1 oude regeling, onder de voorwaarden bepaald in deze onderafdeling]1.
Artikel 13Voor de nieuwe aanvragen die ingediend worden vanaf 1 mei 2003 voor de kinderen geboren na 1 januari 1996 en voor de aanvragen en ambtshalve herzieningen die volgen op de nieuwe aanvraag moet voor de periode vanaf 1 mei 2003 toepassing gemaakt worden van de [1 nieuwe regeling]1. Wat de periode vóór 1 mei 2003 betreft wordt toepassing gemaakt van de regels die bedoeld zijn in de artikelen 2, 3, 4, 12, 13 en 14 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991.
Met " nieuwe aanvragen " wordt bedoeld, de aanvragen die ingediend worden na 30 april 2003 op een datum dat er geen uitwerking is van een vorige beslissing ingevolge een aanvraag ingediend vóór 1 mei 2003 of voortvloeiend uit een ambtshalve herziening waarvan de uitwerking begonnen is vóór 1 mei 2003, voorzover deze aanvragen niet bedoeld zijn in artikel 15, § 3, of niet resulteren in een in artikel 17, eerste lid, bedoelde beslissing waarvoor toepassing gemaakt wordt van artikel 15, § 3. Indien evenwel door een gerechtelijke uitspraak, die betrekking heeft op een beslissing ingevolge een aanvraag ingediend vóór 1 mei 2003 of voortvloeiend uit een ambtshalve herziening waarvan de uitwerking begonnen is vóór 1 mei 2003, een beslissing tot stand komt met uitwerking voor de periode waarin de datum van de aanvraag ingediend na 30 april 2003 valt, wordt deze laatste aanvraag niet beschouwd als een nieuwe aanvraag. In dit geval is artikel 16 van toepassing.
Artikel 14
§ 1. Indien een medische beslissing aangaande een kind geboren na 1 januari 1996 en ingevolge een aanvraag ingediend vóór 1 mei 2003 of voortvloeiend uit een ambtshalve herziening waarvan de uitwerking begonnen is vóór 1 mei 2003, aanleiding geeft tot een ambtshalve herziening die ten vroegste op 1 mei 2003 uitwerking heeft, wordt toepassing gemaakt van de bepalingen van dit artikel voor deze laatste ambtshalve herziening.
§ 2. Voor de in § 1 bedoelde laatste ambtshalve herziening verricht de geneesheer de dubbele evaluatie voor wat de periode vanaf de dag na de einddatum van de geldigheid van de medische beslissing bedoeld in § 1 betreft.
De instelling past de [2 oude regeling]2 op voorwaarde dat de toepassing van [2 deze regeling]2 op de dag na de einddatum van de geldigheid van de medische beslissing bedoeld in § 1 voordeliger is voor het kind dan de toepassing van de [1 nieuwe regeling]1. De instelling mag evenwel de [2 oude regeling]2 slechts toepassen gedurende maximaal 3 jaar te rekenen vanaf de dag na de einddatum van de geldigheid van de medische beslissing bedoeld in § 1.
§ 3. In afwijking van artikel 23, derde lid, heeft de ambtshalve herziening bedoeld in § 2, eerste lid, een retroactieve werking van drie jaar, te rekenen vanaf de einddatum van de medische beslissing bedoeld in § 1, zonder dat deze ambtshalve herziening uitwerking mag hebben vóór 1 mei 2003. Voor de retroactieve periode doet de geneesheer enkel de vaststelling bedoeld in artikel 6 en past de instelling de [3 nieuwe regeling toe]3 indien de toepassing ervan een hoger bedrag oplevert voor het kind dan het bedrag dat het kind reeds genoot, en dit telkens dit het geval is tijdens deze periode. <KB 2007-01-29/58, Art. 12, 003; En vigueur : 01-01-2007>
Artikel 15
§ 1. Voor de medische beslissingen, die genomen worden na de medische beslissing voortvloeiend uit de ambtshalve herziening bedoeld in artikel 14, § 2, eerste lid, wordt toepassing gemaakt van de bepalingen van dit artikel.
§ 2. Indien de medische beslissing bedoeld in § 1 een beslissing is voortvloeiend uit een ambtshalve herziening, heeft deze beslissing uitwerking vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de einddatum van de geldigheid van de vorige beslissing valt.
De geneesheer verricht de dubbele evaluatie, op voorwaarde dat sinds de dag volgend op de einddatum van de geldigheid van de beslissing bedoeld in artikel 14, § 1, geen toepassing gemaakt is van de [2 nieuwe regeling]2. Indien voormelde voorwaarde vervuld is, past de instelling de [3 oude regeling toe]3, op voorwaarde dat de toepassing ervan op de dag na de einddatum van de vorige beslissing voordeliger is dan de toepassing van de [2 nieuwe regeling]2.
De instelling mag evenwel de [1 oude regeling]1 slechts toepassen gedurende maximaal 3 jaar te rekenen vanaf de dag na de einddatum van de geldigheid van de medische beslissing bedoeld in artikel 14, § 1.
§ 3. Indien de medische beslissing bedoeld in § 1 een beslissing is ingevolge een aanvraag tot herziening gelden de volgende regels voor deze beslissing.
1° Indien de beslissing betrekking heeft op een periode vóór 1 mei 2003 doet de geneesheer voor deze periode de vaststellingen die bedoeld zijn in de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 en past de instelling de regels toe die bepaald zijn in de artikelen 4, 12, 13 en 14 van hetzelfde besluit. Telkens op grond van de laatste vaststelling een hoger bedrag kan worden toegekend betaalt de instelling het verschil.
2° Voor de periode die ten vroegste op 1 mei 2003 aanvangt en eindigt op de dag voorafgaand aan de datum van de aanvraag verricht de geneesheer de dubbele evaluatie, op voorwaarde dat sinds de dag volgend op de einddatum van de geldigheid van de beslissing bedoeld in artikel 14, § 1, geen toepassing gemaakt is van de [2 nieuwe regeling]2. Telkens op grond van deze dubbele evaluatie een hoger bedrag kan worden toegekend betaalt de instelling het verschil.
3° Voor de periode vanaf de datum van de aanvraag verricht de geneesheer de dubbele evaluatie, op voorwaarde dat sinds de dag volgend op de einddatum van de geldigheid van de beslissing bedoeld in artikel 14, § 1, geen toepassing gemaakt is van de [2 nieuwe regeling]2. Indien voormelde voorwaarde vervuld is past de instelling [3 de oude regeling toe]3, op voorwaarde dat de toepassing ervan op de datum van de aanvraag voordeliger is dan de toepassing van de [2 nieuwe regeling]2.
4° De instelling mag evenwel de [1 oude regeling]1 slechts toepassen gedurende maximaal 3 jaar te rekenen vanaf de dag na de einddatum van de geldigheid van de medische beslissing bedoeld in artikel 14, § 1.
Artikel 16Indien de ambtshalve herziening bedoeld in artikel 14, § 2, eerste lid, niet plaatsvindt omdat zij voorafgegaan is door een aanvraag tot herziening, die ingediend is na 30 april 2003 en die zelf aanleiding geeft tot een medische beslissing, gelden de volgende regels met betrekking tot deze beslissing.
1° Indien de medische beslissing ingevolge de aanvraag betrekking heeft op een periode vóór 1 mei 2003 wordt toepassing gemaakt van artikel 15, § 3, 1°.
2° Voor de periode die ten vroegste op 1 mei 2003 aanvangt en eindigt op de dag voorafgaand aan de datum van de aanvraag verricht de geneesheer de dubbele evaluatie. Telkens op grond van deze dubbele evaluatie een hoger bedrag kan worden toegekend, betaalt de instelling het verschil.
3° Voor de periode vanaf de datum van de aanvraag verricht de geneesheer de dubbele evaluatie. De instelling past [3 de oude regeling toe]3, op voorwaarde dat op de datum van de aanvraag de toepassing ervan voordeliger is dan de toepassing van de [2 nieuwe regeling]2.
4° De instelling mag evenwel de [1 oude regeling]1 slechts toepassen gedurende maximaal 3 jaar te rekenen vanaf de dag na de einddatum van de geldigheid van de medische beslissing bedoeld in artikel 14, § 1.
Artikel 17 Voor de medische beslissingen die genomen worden na de medische beslissing bedoeld in artikel 16, wordt toepassing gemaakt van artikel 15, §§ 2 en 3.
Voor de toepassing van het eerste lid dienen de woorden vermeld in artikel 15, § 2, tweede lid en § 3, 2° et 3° " sinds de dag volgend op de einddatum van de beslissing bedoeld in artikel 14, § 1 " gelezen te worden als " sinds de datum van de aanvraag tot herziening bedoeld in artikel 16, eerste lid ".
Artikel 18Indien er op 1 mei 2003 een uitwerking is van een medische beslissing ingevolge een aanvraag vóór 1 mei 2003 of voortvloeiend uit een ambtshalve herziening waarvan de uitwerking begonnen is vóór 1 mei 2003 en deze beslissing uitwerking heeft totdat [het kind geboren uiterlijk op 31 december 1992] de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt, wordt toepassing gemaakt van artikel 16 indien een aanvraag tot herziening van deze beslissing ingediend wordt na 30 april 2003. Nochtans kan toepassing gemaakt worden van de [1 oude regeling]1 totdat het kind de leeftijd van 21 jaar bereikt heeft. <KB 2007-01-29/58, Art. 14, 003; En vigueur : 01-01-2007>
Onderafdeling III. - [1 Kinderen geboren uiterlijk op 31 december 1992]1
Artikel 18BIS [1 Voor de nieuwe aanvragen en aanvragen tot herziening die ingediend worden vanaf 1 mei 2009, is :
a) voor de periode voor 1 mei 2009 de oude regeling van toepassing;
b) voor de periode vanaf 1 mei 2009 de nieuwe regeling van toepassing.
Indien een medische beslissing ingevolge een aanvraag ingediend vóór 1 mei 2009 of voortvloeiend uit een ambtshalve herziening waarvan de uitwerking begonnen is vóór 1 mei 2009, aanleiding geeft tot een ambtshalve herziening die ten vroegste op 1 mei 2009 uitwerking heeft, heeft deze laatste ambtshalve herziening, in afwijking van artikel 23, vierde lid een terugwerkende kracht van vijf jaar, welke ingaat de eerste dag van het trimester in de loop waarvan deze medische beslissing ten einde loopt. Op deze ambtshalve herziening is :
a) de oude regeling van toepassing voor de periode voor 1 mei 2009;
b) de nieuwe regeling van toepassing voor de periode vanaf 1 mei 2009.
Telkens naar aanleiding van een aanvraag tot herziening of een ambtshalve herziening retroactief een hoger bedrag kan worden toegekend, betaalt de instelling het verschil.
Op de latere ambtshalve herzieningen is artikel 23, vierde lid van toepassing.]1
Hoofdstuk 4. De procedure
Artikel 19De aanvragen om kinderbijslag bedoeld in de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten worden ingediend bij de bevoegde instelling.
[1 De instelling onderzoekt of alle toekenningsvoorwaarden, met uitzondering van deze betreffende de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid en de gevolgen van de aandoening, vervuld zijn.
In bevestigend geval zendt de instelling het aanvraagformulier en het inlichtingenformulier, waarvan de modellen vastgesteld zijn door de Dienst, aan de aanvrager.
In afwijking van het derde lid zendt de instelling, die zich daartoe in de materiële mogelijkheid bevindt, de aanvraag aan de Dienst onder de vorm van een elektronische mededeling waarvan het model is vastgesteld door dezelfde Dienst.
In het geval bedoeld in het vierde lid zendt de Dienst dit inlichtingenformulier aan de aanvrager. ]1
De aanvrager zendt deze behoorlijk ingevulde formulieren naar de instelling of de Dienst. Hij kan hieraan reeds medische of sociale verslagen toevoegen.
Artikel 20 De lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid, bedoeld in de artikelen 56septies, § 1, en 63, § 1, van de samengeordende wetten, de graad van zelfredzaamheid, bedoeld in artikel 47, § 1, van dezelfde wetten en de gevolgen van de aandoening, bedoeld in de artikelen 56septies, § 2, en 63, § 2, van dezelfde wetten, worden vastgesteld hetzij door een geneesheer van de Dienst, hetzij door een geneesheer aangewezen door de Minister.
De geneesheren-directeur van de Medische Dienst zijn belast met het toezicht op de geneesheren, voor wat de door hen uitgevoerde onderzoeken bedoeld in artikel 21 betreft.
De geneesheer leeft de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt na bij het uitvoeren van de onderzoeken bedoeld in het tweede lid.
Artikel 21 § 1. De geneesheer vordert van de aanvrager de medische, sociale en andere verslagen die noodzakelijk worden geacht.
De geneesheer zal voor het nemen van een beslissing, naast zijn eigen medische vaststellingen, rekening houden met de medische, sociale en andere verslagen die hem overgemaakt zijn. Daarnaast zal hij zich steunen op gesprekken met het kind en met de personen die de toestand van het kind kennen.
Indien de aanvrager de gevraagde documenten of informatie niet toezendt binnen de 30 dagen stuurt de geneesheer een herinneringsschrijven.
§ 2. Teneinde de onderzoeken te kunnen verrichten wordt aan de ouders of de wettelijke vertegenwoordiger van het kind een oproeping gestuurd. Indien zij nalaten zich voor het onderzoek aan te melden wordt een tweede oproeping gestuurd. Indien er ondanks de tweede oproeping geen gevolg aan wordt gegeven, wordt een beslissing genomen op grond van elementen waarover de geneesheer beschikt.
Indien de geneesheer niet over voldoende elementen beschikt om in het dossier een beslissing te kunnen nemen, zal hij dit mededelen aan de instelling. Deze laatste beslist dat er geen recht is op kinderbijslag in het raam van de artikelen 56septies en 63 van de samengeordende wetten of op de bijslag bedoeld in artikel 47 van dezelfde wetten.
Indien het kind zich om medische redenen niet kan verplaatsen wordt het onderzoek ter plaatse verricht.
De ouders of de wettelijke vertegenwoordiger van het kind, en het kind hebben het recht om zich bij de onderzoeken bedoeld in dit artikel te laten bijstaan door een vertrouwenspersoon, bedoeld in de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.
§ 3. Het resultaat van de vaststelling, bedoeld in artikel 20, eerste lid, wordt medegedeeld aan de Dienst binnen de negentig dagen volgend op de ontvangst door de bevoegde geneesheer van de in artikel 19 bedoelde aanvraag.
Artikel 21BIS <ingevoegd bij KB 2007-04-27/A9, Art. 2, En vigueur : 01-09-2007> In afwijking van artikel 21, §§ 1 en 2, mag de geneesheer zijn onderzoek verrichten op grond van stukken indien hij van oordeel is dat hij beschikt over voldoende informatie om een gefundeerde beslissing te nemen.
Deze bijzondere procedure is beperkt tot aanvragen bedoeld in artikel 19 en aanvragen tot herziening bedoeld in artikel 22.
Deze bijzondere procedure kan niet meermaals na elkaar worden toegepast.
Om in aanmerking te kunnen komen voor deze bijzondere procedure dient de aandoening op korte termijn de levensprognose te bedreigen. Bovendien moet aan één van de volgende voorwaarden zijn voldaan:
a) de zware behandeling heeft gevolgen voor de immuniteit;
b) er is een belangrijke chirurgische ingreep in de loop van de zes maanden na de geboorte of een ongeval;
c) er is een hospitalisering of posttraumatische revalidatie in een instelling gedurende minstens zes maanden;
d) het kind geniet palliatieve verzorging.
De beslissing geldt tot maximaal een jaar na de datum van de aanvraag.
Deze bijzondere procedure is slechts mogelijk in de mate dat de aanvrager zich er niet heeft tegen verzet in het deel A (psychosociale en familiale gegevens) van het inlichtingenformulier.
Artikel 22De gerechtigden op kinderbijslag krachtens de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten kunnen een aanvraag tot herziening indienen bij de bevoegde instelling.
De aanvraag tot herziening brengt een nieuwe evaluatie mee van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid en de zelfredzaamheid van het kind, of van de gevolgen van de aandoening van het kind.
De gegevens die aangebracht worden op het (deel B (medische gegevens) van het inlichtingenformulier) zijn maximum 30 dagen vóór de toezending van de formulieren bedoeld in artikel 19, tweede lid, door de aanvrager aan de instelling of de Dienst, opgesteld. Het medisch formulier vermeldt de aard van de verandering van de aandoening en de gevolgen voor het kind en het gezin. <KB 2007-04-27/A9, Art. 3, 004; En vigueur : 01-09-2007>
[1 De herziening kan ook worden verricht op verzoek van de geneesheer, inzonderheid op basis van nieuwe inlichtingen die worden medegedeeld door de bevoegde kinderbijslaginstelling. De inschrijving als werkzoekende overeenkomstig artikel 62, § 5, van de samengeordende wetten mag op zich geen aanleiding geven tot een herziening.
Telkens ten gevolge van de herziening uitgevoerd kachtens dit artikel een hoger bedrag kan worden toegekend, betaalt de instelling het verschil.]1
Artikel 23Een ambtshalve herziening vindt plaats ingeval een medische beslissing voor een bepaalde duur genomen werd.
[1 De procedure van ambtshalve herziening wordt ingeleid door de Dienst.
Indien evenwel de kinderbijslag wordt toegekend bij toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen, wordt in afwijking van het tweede lid de procedure van ambtshalve herziening ingeleid door de bevoegde instelling ten laatste 150 dagen voor de einddatum van de geldigheid van de medische beslissing.]1
De beslissing die voortvloeit uit de ambtshalve herziening heeft uitwerking vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de einddatum van de geldigheid valt.
Artikel 24 Onverminderd artikel 22, derde en vierde lid, worden de aanvragen tot herziening bedoeld in artikel 22 onderzocht overeenkomstig de (bepalingen van de artikelen 19, 20, 21 en 21bis). <KB 2007-04-27/A9, Art. 4, 004; En vigueur : 01-09-2007>
Artikel 24BIS <ingevoegd bij KB 2007-04-27/A9, Art. 5; En vigueur : 01-09-2007> De ambtshalve herzieningen bedoeld in artikel 23 worden onderzocht overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 20 en 21, §§ 1 en 2.
Hoofdstuk 5. Overgangsen slotbepalingen
Artikel 25 De aanvraag voor een kind geboren na 1 januari 1996 die ingediend wordt in de loop van de maand april 2003 dient te worden beschouwd als een aanvraag ingediend op 1 mei 2003. Bijgevolg is artikel 16, 1°, 3° en 4° van toepassing.
Artikel 26 De artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten, respectievelijk vervangen door de artikelen 85, 86 en 87 van de programmawet (I) van 24 december 2002, treden in werking op 1 mei 2003
Artikel 27 Het koninklijk besluit van 3 mei 1991 wordt opgeheven.
In afwijking van het eerste lid, blijven de artikelen 16, 17, 18 en 19 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 nochtans van toepassing evenals de artikelen van voormeld besluit waarnaar verwezen wordt in dit besluit en in het koninklijk besluit van 28 augustus 1991 tot uitvoering van de artikelen 20, §§ 2 en 3, 26 en 35 van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen en van artikel 23 van het koninklijk besluit van 21 februari 1991 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen.
In afwijking van het eerste lid, blijft het koninklijk besluit van 3 mei 1991 nochtans van toepassing op :
1° de aanvragen bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, en 9 van voormeld besluit, die vóór 1 mei 2003 ingediend zijn doch met betrekking tot dewelke de beslissing van de instelling omtrent het recht op kinderbijslag nog niet genomen is op 30 april 2003;
2° op de ambtshalve herzieningen na een medische beslissing waarvan de einddatum van de geldigheidsduur uiterlijk op 31 maart 2003 valt, waarvoor de beslissing van de instelling omtrent het recht op kinderbijslag nog niet genomen is op 30 april 2003.
Artikel 28 Dit besluit treedt in werking op 1 mei 2003.
Artikel 29 Na verloop van twee jaar stelt de Minister een evaluatieverslag op. Hij legt dit voor aan de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap.
Artikel 30 Onze Minister van Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te 28 maart 2003.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken,
F. VANDENBROUCKE
BIJLAGEN.
Artikel N1 Bijlage 1. Medisch-sociale schaal.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 23-04-2003, p. 25564-25583.)
<Gewijzigd bij : >
<KB 2006-05-03/36, Art. 3; En vigueur : 01-05-2006>
Artikel N2
Bijlage 2. - Lijst van de pediatrische aandoeningen bedoeld in artikel 7, § 1, 1°, om te worden gebruikt bij de vaststelling van de gevolgen van de aandoening bedoeld in de artikelen 47, § 2, 56septies, § 2 en 63,§ 2, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders.
DEEL I : BEENDEREN en GEWRICHTEN
1. Gespleten verhemelte
Het eerste levensjaar (0 tot 12 maand) :
Art. 9 - 10 : voor de fysiologische letsels van de beenderen en de weke delen
Art. 28ter : indien de voornaamste esthetische correctie-ingrepen nog niet zijn uitgevoerd;
Bij de herziening op de leeftijd van 1 jaar = evaluatie volgens de functionele gevolgen :
Art. 12 b) : indien er een opening van het verhemelte blijft voortbestaan;
in dit artikel zijn de spraak- en slikstoornissen inbegrepen;
Art. 548 a) : indien er een spraakstoornis aanwezig is zonder opening van het verhemelte = evaluatie volgens de leeftijd en de revalidatie;
Art. 758 : indien broos, adherent litteken / Art. 28 ter is niet toepasbaar
Gespleten lip of spleet van lip- en tandenboog
Art. 758 : indien broze, adherente littekens / Art. 28 ter is niet toepasbaar
2. Micrognathie
Art. 23 a) : occlusie-afwijkingen
De functionele gevolgen (vb.weerslag op het gewicht of de ademhaling) te evalueren volgens de overeenkomstige artikelen van de OBSI.
3. Scoliose of zware Kyfose
Art. 29-30-31 : rationele raming van de gevolgen van de behandeling (met gips/korset/fixatie-materiaal, ...).op de ongeschiktheid; Deze artikelen kunnen niet gebruikt worden als supplement bij Art. 32.
4. Luxatie / Dysplasie van de heup
Necrose van de femurkop ( Legg-Perthes, traumatische, infectieuse, tumorale, ...)
Art. 210 a) : unilateraal, behandeld met spalken of een immobilisatie van minder dan 6 maanden;
Art. 210 b) : bilateraal of unilateraal maar tenminste 6 maanden immobilisatie in een rolstoel.
5. Klompvoet
Art. 300 : te evalueren volgens het klinisch beeld met verwijzing naar Art. 297 voor een klompvoet met een conservatieve behandeling (gips / spalken / kiné / kinetec en/of percutane interventie)
met verwijzing naar Art. 298 voor een zware en verstijfde klompvoet die benevens een conservatieve behandeling meerdere heelkundige ingrepen noodzakelijk maakt.
In geval van bilaterale klompvoet is een rationele schatting aangewezen op basis van het onderzoek van elke voet afzonderlijk en volgens de hierboven beschreven criteria.
6. Agenesie / Amputaties - partieel of totaal - van de ledematen
Te evalueren volgens de overeenkomstige artikelen van de O.B.S.I.
In geval van aanpassing van een prothese of een apparaat, evaluatie volgens Art. 321.
7. Achondroplasie
Art. 779/7 a)volgens de gestalte zie N°83
Art. 783 met verwijzing volgens de belangrijkheid van de functionele stoornissen
naar Art. 29-30-31 voor de wervelzuil
naar Art. 212 voor heupaandoeningen
naar Art. 268-269 voor knieletsels
naar Art. 296 voor voetletsels
8. Arth rogrypose.
Art. 783) : evaluatie volgens de belangrijkheid van de gewrichtsletsels
9. Osteogenesis imperfecta (Ziekte van Lobstein)
Te evalueren volgens het aantal en de aard van de breuken, de lokalisatie en het belang van de functionele gevolgen op grond van de overeenkomstige artikelen van de O.B.S.I.
10. Vitamino-resistente rachitiden
Art. 212 : voor aandoeningen van de heup
Art. 29-30-31 : voor letsels ter hoogte van de wervelzuil
Art. 477 : voor nieraandoeningen zie N°43
Art. 779/7 : bij groeiachterstand zie N°83
DEEL II : SPIEREN EN SPIERAANHECHTINGEN
11. Amyotrofie
Art. 342-342 bis : de evaluatie geschiedt analoog met de ongeschiktheden ten gevolge van een neurologisch letsel : Art. 545-546 en Art. 580 tot 605
12. Myopathie
Art. 342-342 bis : de evaluatie geschiedt door vergelijking met de analoge neurologische afwijkingen volgens Art. 545-546 en Art. 580 tot 605
DEEL III : BLOEDSOMLOOP
13. Cardiopathie : Structurele component :
Art. 345 a) 10 % : Perforatie of kneuzing van de spierwand
Art. 345 b) 20 % : Ruptuur van het septum
Art. 345 c) 20 % : Letsels van het klepapparaat
Art. 345 d) 10 % : Ritme- en/of geleidingsstoornissen
Het percentage bekomen voor de structurele component kan verhoogd worden met het percentage bekomen voor de functionele component.
14. Cardiopathie : Functionele component :
Art. 359 bis 1b 10-30 % : NYHA- klasse 2 *
Art. 359 bis 1c 30-50 % : NYHA- klasse 3 *
Art. 359 ter. 50-100 % : NYHA- klasse 4 *
Het percentage bekomen voor de functionele component kan verhoogd worden met het percentage voor de structurele component.
Bij zuigelingen met open hart chirurgie of palliatieve cardiovasculaire ingreep de eerste 3 maanden zal een ongeschiktheid van 66 %voor 6 maanden worden toegekend.
Bij zuigelingen met decompensatie (voedingsprobleem met evolutie naar dystrofie) of arteriële desaturatie (sat. < 90 %) zal een ongeschiktheid van 66 % voor 12 maanden worden toegekend.
Na deze periodes zullen de algemene criteria in acht worden genomen om te besluiten tot al of niet verlenging van de ongeschiktheid.
15. Pacemaker :
Art. 345 d) 10-20 % : Ongecompliceerde pacing
Art. 345. d) 20-50 % : Afwezigheid escape-ritme
16. Automatische intracardiale defibrillator : steeds meer dan 66 % ongeschiktheid
Art. 647 b) 20-50 % : Psychische weerslag
Art. 345 d) 20-50 % : Cardiale weerslag
17. Antistolling :
Art. 471 b) 20 %. 18. Kunstklep :
Art. 345 c) 20 % : Structureel
Functioneel : te beoordelen volgens de classificatie van NYHA*
Eventuele antistolling
bijkomend % mits toepassing van de regel van meervoudige ongeschiktheid.
19. Gedecompenseerde polyglobulie :
Art. 359 ter 80 % als bewezen hyperviscositeitssyndroom waarvoor aderlatingen noodzakelijk zijn.
Nota :
Classificatie van hartinsufficiëntie volgens de NYHA (New York Heart Association)
Klasse 1.
De hartaandoening heeft geen beperking van de lichamelijke activiteit tot gevolg. Gewoonlijk geeft het verrichten van fysieke activiteit geen aanleiding tot abnormale vermoeidheid of hartkloppingen, dyspnoe of angor.
Klasse 2.
De hartaandoening heeft een discrete beperking van de lichamelijke activiteit tot gevolg. Geen ongemak tijdens de rust, maar regelmatig brengt het verrichten van fysieke activiteit vermoeidheid,hartkloppingen, dyspnoe of angor met zich mee.
Klasse 3.
De hartaandoening heeft een uitgesproken beperking van de lichamelijke activiteit tot gevolg.
Geen ongemak tijdens de rust,maar reeds een geringe fysieke activiteit heeft vermoeidheid, hartkloppingen, dyspnoe of angor tot gevolg.
Klasse 4.
De hartaandoening maakt de zieke onbekwaam om zich te verplaatsen of om zonder ongemak fysiek actief te zijn. Tekens van hartinsufficiëntie of angor pectoris kunnen zelfs tijdens de rust aanwezig zijn. Wanneer een lichamelijke activiteit wordt ondernomen, verhoogt nog de hinder.
DEEL IV : ADEMHALINGSSTELSEL
20. Astma
Art. 381-382-383 : Er moet voldaan worden aan minimum 3 items per kolom uit de tabel :
(Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 23-04-2003, p. 25597).
21. Pneumothorax
Art. 390.
Art. 391 : volgens de aan -of afwezigheid van exsudaten
22. Bronchopulmonaire dysplasie
Art. 377 tot 380 : volgens de longfunctieproeven, zie N°20
23. Pulmonaire sarcoïdose
Longfunctieproeven te beoordelen volgens de tabel N°20
Art. 398 of 400/401 : volgens de graad van parenchymaantasting
Art. 402 : volgens eventuele bronchusverwikkelingen
24. Tuberculose-primoinfectie
Art. 400.
25. Hypoplasie van de longen
Art. 405 : longfunctieproeven te beoordelen volgens de tabel N°20
Art. 404 : bij volledig functieverlies van een long
26. Longatelectasis
Art. 405 : longfunctieproeven te beoordelen volgens de tabel N°20
Art. 404 : bij volledig functieverlies van een long
27. Congenitale pathologie van de trachea
Art. 386.
DEEL V : SPIJSVERTERINGSSTELSEL.
28. Microglossie
Art. 409 of 410 : volgens de uitgebreidheid van de letsels
29. Slikstoornissen
Art. 414.
Art. 415 a)
Art. 417 : indien sekwellen na ingreep voor een agenesie of een atresie van de slokdarm
Art. 573 : indien neurologische stoornis
30. Gastro-oesofagale reflux (Pathologische)
Te objectiveren door een ph-meting of een scintigrafie met enkelvoudige of dubbele receptor
Art. 416 a) : zonder klinische tekens
Art. 416 b) : met klinische tekens of verwikkelingen
Binnen de limieten van de percentages te evalueren volgens de artikelen :
Art. 431 en 779/7 : evolutie gestalte-gewicht zie N°83 en N°92
Art. 377-378-379 en
381-382-383 : bronchiale verwikkelingen
Art. 417 : slokdarmstoornissen
Art. 697-698-699 : sinusale verwikkelingen
31. Hernia diafragmatica
Art. 421 : indien de hernia verwikkeld is met een ectopia van andere organen of gedeelten ervan
Art. 333 : bij de hernia zonder verwikkelingen
32. Malnutritie (zuigeling)
Art. 431 : van digestieve oorsprong (ondanks aangepaste behandeling) zie N°92
33. Congenitale disacharidase deficiëntie en stoornissen van het aktief suikertransport
Art. 431 : te evalueren volgens de algemene toestand zie N°92
34. Coeliakie
Art. 431 : te evalueren volgens de algemene toestand
35. Ziekte van Hirschsprung
Art. 434 : voor letsels zonder colostomie
Art. 433 : voor de gevallen behandeld met voorlopige colostomie
36. Anale incontinentie van allerlei oorsprong (digestieve, neurologische, psychologische)
Mag slechts in aanmerking genomen worden na de sfinctermaturatie = leeftijd van 4 jaar.
Art. 438-439.
Art. 545 e)
Art. 578 c) en 580.
DEEL VI : HEMATOLOGIE.
37. Sikkelcelanemie
De verwijzing naar het hemoglobine-gehalte, de hematocriet en de globulaire telling is geen goed criterium voor de beoordeling van de ongeschiktheid bij het kind.
Zware sikkelcelanemie : Art. 458 80 - 100 %
Eén van de hiernavolgende criteria moet aanwezig zijn :
. Anemie met Hb lager dan 6 gr/100 ml;
. Acute Chest Syndroom al dan niet gepaard met een pneumonie;
. Cerebrovasculair accident;
. Priapisme;
. Aseptische heupnecrose (afzonderlijk te evalueren zie N°4);
. Ademhalingsinsufficiëntie met geobjectiveerde functionele afwijkingen.
Ernstige sikkelcelanemie : Art. 458 66 - 79 %
Twee hospitalisaties per jaar wegens vaso-occlusieve crisissen
Herhaalde vaso-occlusieve crisissen ondanks een aangepaste behandeling (Geen rekening houden met het hemoglobinegehalte)
Matige sikkelcelanemie : Art. 458 50 - 65 %
Eén hospitalisatie per jaar wegens vaso-occlusieve crisis (niet louter voor een bilan)
Pijnlijke crisissen zijn eerder zeldzaam;
Gunstige evolutie onder hydroxycarbamide;
Behandeling van de pijn in daghospitaal.
Lichte sikkelcelanemie : Art. 458 25 - 49 %
Het kind gaat goed met zijn behandeling;
Opvolging verloopt 1x per 3 maand.
38. AIDS
Zware aantasting : Art. 462 80 - 100 %
Eén van de hiernavolgende criteria moet aanwezig zijn :
. Diepe immunodeficiëntie overeenkomend met stadium III van de classificatie;
. Twee of zelfs meer hospitalisaties per jaar wegens verwikkelingen of instellen van een nieuwe behandeling;
. Continu antibioticatherapie en tritherapie;
. Nood aan parenterale voeding;
. Mislukking van de tritherapie en de proef-behandeling.
Ernstige aantasting : Art. 462 66 - 79 %
Continu tritherapie met intermitterend een antibioticakuur en/of één hospitalisatie per jaar wegens verwikkelingen;
Matige aantasting : Art. 462 50 - 65 %
Continu bitherapie zonder verergering van de algemene toestand;
Lichte aantasting : Art. 462 25 - 49 %
Seropositiviteit zonder behandeling.
39. Ernstige Immunodeficiëntie (aangeboren of verworven)
Naar analogie zich baseren op het Art. 463 : 60 - 100 %
De agranulocytose van Kostmann : de zware aangeboren leukopenie (met minder dan 1000 PN/ml ondanks de behandeling met granulocyte colony-stimulating factor) :
gedurende het eerste jaar na de transplantatie (met hospitalisaties en heelkundige ingrepen) = meer dan 80 % ongeschiktheid
vanaf het tweede jaar evaluatie volgens de functionele gevolgen zie Artikelen OBSI.
met behandeling,maar zonder klinische weerslag,meestal minder dan 66 % ongeschikt.
40. Hemofilie en Ziekte van von Willebrand
Bij de evaluatie dient rekening gehouden met de waarde van factor VIII of factor IX,
het aantal transfusies (notitieboekje), de gewrichtsletsels, de hospitalisaties, ....
Zware aantasting : Art. 471 c) 80 - 100 %
Transfusies van factor VIII of factor IX minstens 2x per week gedurende meer dan 4 maanden en met hardnekkige gewrichtsaantastingen;
Patiënten resistent aan de behandeling.
Ernstige aantasting : Art. 471 c) 66 - 79 %
Transfusies van factor VIII of factor IX 1x per week gedurende meer dan 4 maanden zonder gewichtsletsels.
Matige aantasting : Art. 471 c) 50 - 65 %
Transfusies van factor VIII of factor IX 1x per week gedurende minstens 2 maanden.
Lichte aantasting : Art. 471 c) 25 - 49 %
Transfusies van factor VIII of factor IX minder dan 1xper week en/of factor VIII of factor IX lager dan 5 %
41. Trombopathie
Ernstige aantasting : Art. 470 meer dan 66 %
Purpura met minder dan 20.000 bloedplaatjes buiten de acute fasen
Trombopathieën met herhaalde bloedingen
Matige aantasting : Art. 470 50 - 65 %
Purpura met aantal bloedplaatjes tussen 20.000 en 50.000 buiten de acute fasen
42. Thalassemia
Bij de evaluatie geen verwijzing naar het gehalte hemoglobine
Zware aantasting : Art. 458 80 - 100 %
Thalassemia major vereist hospitalisaties wegens verwikkelingen
Ernstige aantasting : Art. 458 66 - 79 %
Thalassemia major vereist transfusies om de 3 à 4 weken
Matige aantasting : Art. 458 50 - 65 %
Thalassemia major wordt behandeld met deferoxamine zonder verwikkelingen
Lichte aantasting : Art. 458 25 - 49 %
Thalassemia intermediaire vorm
DEEL VII : NIERZIEKTEN en UROLOGISCHE AANDOENINGEN
43. Nieraandoeningen
Art. 477 : te evalueren met inachtneming van de volgende regels :
a. Chronische nieraandoeningen met aantasting van de glomerulaire filtratie :
Wordt geraamd met creatinine-, inuline- of CrEDTA-klaring of volgens een erkende extrapolatie formule uitgaande van de creatinemie en rekening houdend met de leeftijd, het geslacht, de lengte, het gewicht en de pubertaire status.
(zoals de formule van Schwartz bij de vroegere serumcreatinine-bepaling).
Vanaf de leeftijd van 1 jaar :
1. Lichte nieraandoeningen (0 tot 24 %) :
Vereisen een regelmatige klinische en biologische controle zonder weerslag op het normale dagelijkse, sociale en schoolse leven. De glomerulaire filtratie is hoger dan 70 ml/minuut per 1,73 m2.
2. Matige nieraandoeningen (25 tot 65 %)
Vereisen een regelmatige klinische en biologische opvolging, een dieet of een medicamenteuze behandeling maar blijven verenigbaar met een aangepast sociaal en schools leven. De glomerulaire filtratie is tussen 70 en 30 ml/min per 1,73 m2.
3. Ernstige nieraandoeningen (66 tot 79 %) :
Chronische nierinsufficiëntie, niet gecompenseerd door dieet en behandeling, met een uitgesproken weerslag op het normale dagelijkse sociale en schoolse leven en met een glomerulaire filtratie minder dan 30 ml/min en meer dan 15 ml/min per 1,73 m2.
4. Zeer ernstige nieraandoeningen (80 tot 100 %) :
Ernstige chronische nierinsufficiëntie) met een glomerulaire filtratie kleiner dan 15 ml/min per 1,73 m2, met conservatieve behandeling of met nood aan dialyse-therapie (hemo- of peritoneale dialyse).
Vóór de leeftijd van 1 jaar spreekt men over chronische nierinsufficiëntie wanneer er gedurende 3 maanden een creatinemie (enzymatische methode) blijft bestaan van meer dan 0.4 mg/dl met een verandering (geobjectiveerd door beeldvorming of histologie) van het nierparenchym. In elk geval moeten al deze waarden, geval per geval, geïnterpreteerd worden rekening houdend met de algemene toestand van het kind, de groei, de diurese, de anemie, de ionenstoornissen of de botaantasting.
b. Niertransplantatie en chronische nieraandoeningen zonder aantasting van de glomerulaire filtratie maar met klinische symptomen (groeiachterstand, nefrotisch syndroom, arteriële hypertensie, ionenstoornissen, ....) :
1.0 tot 24 % : Vereisen een regelmatige klinische en biologische opvolging doch zonder weerslag op het normale dagelijkse, sociale en schoolse leven.
2.25 tot 65 % : Vereisen een regelmatige klinische en biologische opvolging, een dieet of een medicamenteuze behandeling OF de aanschaf van apparatuur (bloeddrukmeter, urinestrips) maar blijven verenigbaar met een aangepast sociaal en schools leven.
Hierbij ook de niertransplantatie van meer dan 12 maanden.
3.66 tot 79 % : Niet gecompenseerd door dieet en behandeling, met uitgesproken weerslag op het dagelijkse sociale en schoolse leven.
Hierbij ook de niertransplantatie van meer dan 6 maanden maar minder dan 12 maanden.
4.80 tot 100 % : Dieet en behandeling volstaan niet om de symptomen te vermijden (frequent herval, noodzaak om de behandeling regelmatig aan te passen, ongunstige evolutie, ...) Ernstige aandoening die het dagelijkse sociale en schoolse leven volledig verstoort.
Hierbij ook de niertransplantatie van minder dan 6 maanden.
De symptomen, hierboven beschreven, mogen niet afzonderlijk worden geëvalueerd maar het geheel van de symptomatologie moet beoordeeld worden.
44. Vesico-Uretrale Reflux
Art. 481 : volgens de graad van hydronefrose
Art. 477 : met nierpathologie zie N°43
45. Nierstenen
Art. 482.
46. Oxalose
Art. 477-482 : volgens de ernst van de nierletsels zie N°43
47. Functionele afwijkingen van de urinewegen(retentie of incontinentie)
Te bevestigen door paraklinische testen, indien mogelijk.
a) Lichte en intermittente functionele problemen (pollakisurie, dysurie, intermittente urinaire incontinentie, enuresis nachts of overdag) na de leeftijd van 6 jaar :
Art. 483 a)b)c) : 10 % tot 20 %
b) Intense nachtelijke pollakiurie na de leeftijd van 6 jaar (tussenpozen van 1 uur of minder) : Art. 483 d) : 40 %
c) Permanente functionele problemen : Volledige urinaire incontinentie na de leeftijd van 6 jaar Art. 483 e) : 60 % tot 100 %
d) Urinaire retentie :
- gecontroleerde urinaire retentie (tapotage) : Art. 484 b : 50 %
- urinaire sondage meermaals per dag of urinaire sonde : Art. 484 a) : 70 %
- stoma (cystostomie, ureterostomie) : Art. 487 : 70 - 80 %.
DEEL VIII : NEUROPSYCHIATRIE.
Zenuwstelsel
48. Spraakstoornis van cerebrale oorsprong en ontwikkelingsdysfasie
Art. 548 dit artikel mag niet worden gebruikt bij een intellectuele of culturele oorzaak van de spraakstoornis.
49. Stotteren in belangrijke mate
Art. 548 a)
50. Onwillekeurige bewegingen
Art. 554 d), f) : chorea,athetose en choreo-athetose
Art. 554 a), b) : krampachtige tics
eventuele uitspraakmoeilijkheden te evalueren volgens Art. 548 a)
Art. 554 c) of d) : spastische torticollis
Het syndroom van Gilles de la Tourette moet beoordeeld worden volgens de complexiteit van de tics (pirouettes/vocale tics, ..) en/of de aanwezigheid van dwanggedachten en dwanghandelingen.
51. Misvormingen van de schedel (macro- en microcefalie / craniostenose......)
Art. 555 : intracraniële overdruk
Art. 545 tot 547 : met cerebromotorische letsels
Art. 665 tot 668 : met intellectuele moeilijkheden zie N°64 - 65
52. Hydrocefalie
Art. 544 : in geval van een draineerbuis zonder verwikkelingen
Art. 555 : intracraniële overdruk
Art. 665 tot 668 : volgens het intellectueel deficit zie N°64 - 65
53. Hersenangioma (gecalcifieerd)
Art. 558 tot 561 : bij epilepsie
Art. 665 tot 668 : volgens de intellectuele weerslag zie N°64 - 65
54. Meningocoele - Myelomeningocoele - Spina bifida
Art. 579-580 : volgens de verlammingen ter hoogte van de onderste ledematen
Art. 555 : bij intracraniële overdruk
Art. 586 tot 588 : bij gevoelsstoornissen
Art. 589-590 : bij sfincterstoornissen
55. Ziekte van von Recklinghausen
Art. 665 tot 668 : volgens de intellectuele weerslag zie N°64 - 65
Art. 558 tot 561 : bij epilepsie
Art. 728 en 784 : glioom van het chiasma te evalueren volgens de gevolgen
56. Tubereuse sclerose van Bourneville
Art. 665 tot 668 : volgens de intellectuele weerslag zie N°64 - 65
Art. 558 tot 561 : voor epilepsie en flexiespasmen
Psychische Aandoeningen
57.
Chronisch Vermoeidheidssyndroom
Art. 646. 58. Anorexia Nervosa
Art. 649. 59. Infantiele Psychose of Schizofrenie van de adolescent
Art. 657 tot 659. In geval van bijkomend intellectueel deficit zie N°64 - 65
60. Hyperkinetisch syndroom (A.D.H.D.) en verwante gedragsstoornissen
Art. 654 en
665 tot 668 : volgens de criteria 1) of/en 2) :
1) Criteria ADHD met normaal IQ :
- stoornissen in gedrag en socialisatie : 5 - 25 %
- leerproblemen die speciale hup vragen : 5 - 25 %
2) Criteria ADHD met laag IQ : te evalueren volgens N°64 - 65 (percentage niet optellen bij 1), maar toepassen regel van meervoudige ongeschiktheid)
61. Autisme Spectrumstoornis (ASS) en verwante ontwikkelingsstoornissen
Art. 665 tot 668 : volgens de criteria 1) of/en 2) :
1) Criteria ASS met normaal IQ :
- symptomen van autisme spectrumstoornis : 0 - 45 %
(tekortkoming in het sociale contact, gedragsproblemen, stoornis in de communicatie)
- behoefte aan ondersteuning door de omgeving(verhogingspercentage) : 0 - 25 %
2) Criteria ASS met laag IQ : te evalueren volgens N°64 - 65 (percentage niet optellen bij 1), maar toepassen regel van meervoudige ongeschiktheid)
62. Toxicomanie - Drugverslaving
Art. 664.
63. Verslaving aan geneesmiddelen
Art. 664. a) : indien psychische verslaving
Art. 664. a) tot d) : indien fysieke verslaving
Oligofrenie
64. Psychomotore achterstand ( tot de leeftijd van 6 jaar).
Art. 665 tot 668 : te evalueren in functie van het klinisch onderzoek en met behulp van een gestandaardiseerde test voor de verschillende functies ( motoriek, vaardigheden en taal, niet-verbale intelligentie en socialisatie). Het resultaat wordt uitgedrukt door de vergelijking van de vastgestelde ontwikkelingsleeftijd met de kalenderleeftijd, t.t.z. het ontwikkelingsquotiënt (O.Q.)
Ontwikkelingsquotiënt Ongeschiktheidspercentage
70 - 80 5 - 24 %
60 - 69 25 - 65 %
40 - 59 66 - 79 %
39 en lager 80 - 100 %
Binnen elk interval wordt het percentage lineair berekend volgens de waarden van het O.Q.
65. Geesteszwakheid, leerstoornissen (dyspraxie, dyslexie, ...) met schoolse achterstand
(vanaf de leeftijd van 6 jaar).
Art. 665. tot 668 : te evalueren volgens de waarde van het intelligentie-quotiënt (I.Q.) bekomen met een goed gestandaardiseerde test en rekening houdende met het sociaal aanpassingsgedrag en de verworven schoolse vaardigheden :
Zwakbegaafdheid of leerstoornissen met een I.Q. tussen 70 en 5 tot 24 %
80 en een achterstand van 2-3 jaar voor de schoolse
basisvaardigheden.* +
Geesteszwakheid met een I.Q. tussen 60 en 69 of een 25 tot 65 %
achterstand van 4 jaar voor de schoolse basisvaardig-
heden.*+
Geesteszwakheid met een I.Q. lager dan 60 of een achterstand 66 tot 79 %
van 5 jaar of meer voor de schoolse basisvaardigheden.* +
Geesteszwakheid met een I.Q. lager dan 40.* 80 tot 100 %
* Binnen elk interval wordt het percentage lineair berekend volgens de waarden van het I.Q.
+ Schoolse achterstand : achterstand inzake schoolse vaardigheden (lezen,spellen, rekenen) ondanks aantoonbare, planmatige en intensieve remediëringsinspanningen of aangepast onderwijs. De achterstand wordt geëvalueerd door referen aan een normale ontwikkeling bereikt op de leeftijd van 12 jaar.
66. Chromosoomafwijkingen, genetische en metabolische ziekten die de geestesontwikkeling aantasten
(vb. trisomie 21/ 9 / 15, fragiel- X syndroom, deletie van chromosomen,, ...)
Art. 665 tot 668 : volgens de geesteszwakheid en de leeftijd zie N°64 - 65
[1 In geval van genetische of chromosoomaandoeningen waarvan de evolutie gewoonlijk nadelig is op het vlak van de motorische en geestelijke ontwikkeling zodat volgens punt 64 een ontwikkelingsquotiënt van minder dan 60 wordt vastgesteld binnen de twee eerste levensjaren, wordt de ongeschiktheid bepaald op 66 % vanaf de geboorte.]1
DEEL IX : NEUS - KEEL -en OORAANDOENINGEN.
67. Spraakstoornis gecombineerd met doofheid
De gehoordaling wordt geëvalueerd volgens N°68.
Verhogingspercentage volgens Art. 548 a) :
Tot het ontwikkelen van de spraak wordt het maximum van dit artikel toegekend;
Na het ontwikkelen van de spraak zal deze worden gewaardeerd in functie van :
- de articulatie
- de actieve spraak
- het passief begrijpen op basis van logopedische verslagen.
68. Aangeboren of verworven aandoeningen van het oor
Art. 710 - 711 : onesthetische letsels
Art. 712 : de tonale liminaire audiometrie wordt uitgevoerd met en zonder prothesen.
De ongeschiktheidsgraad is gelijk aan het rekenkundig gemiddelde van de invaliditeits- percentages op de tabel van het gemiddelde tonaal verlies voor elk van deze audiogrammen.
Art. 713 : de vocale audiometrie wordt gedaan met prothesen.
Wanneer ze onmogelijk is omwille van een onvoldoende perceptie van het woord, dient het maximum van het artikel (10pct.) te worden toegekend.
Art. 718 tot 721.
DEEL X : OFTALMOLOGISCHE AANDOENINGEN.
Voor het kind jonger dan 6 jaar moeten de testen die de oogfunctie meten niet alleen aangepast worden aan de leeftijd van het kind maar ook aan zijn psychomotore ontwikkeling.
Het commentaar van de OBSI in deel 10 n°1 C, opmerking 4) blijft geldig voor kinderen onder de 6 jaar : " De bepaling van de gezichtsscherpte zal in sommige gevallen slechts een schatting zijn, die methodisch gestaafd zal worden ". De keuze van de testen wordt dus overgelaten aan het oordeel van de specialisten in functie van de psychomotore rijpheid van het kind.
69. Visuele functies
a) Gezichtsscherpte : Art. 728
- Bij het kind dat kan spreken worden de beeldtesten of de optotypen van Snellen of de schaal van de C ringen van Landolt of de schaal van de letters of cijfers gebruikt in functie van de psychomotore evolutie van het kind. De resultaten worden omgezet in decimale eenheden van Monoyer.
- Bij het kind dat nog niet spreekt, - in het algemeen jonger dan 3 en een half jaar-, wordt de methode van de preferentiële blik enkel gebruikt wanneer de hoger beschreven methoden niet toepasbaar zijn. De resultaten worden omgezet in decimale eenheden van Monoyer met behulp van de schattingstabel voor de gezichtsscherpte.
b) Gezichtsveld : Art. 729 tot 734
Het gezichtsveld wordt enkel bepaald vanaf de leeftijd van ten volle 6 jaar of vanaf de leeftijd van een psychomotore ontwikkeling gelijk aan 6 jaar. Enkel de hemianopsie kan vóór deze leeftijd bepaald worden door de confrontatietest.
c) Licht- en kleurenzin, binoculair zicht, diplopie, interne verlammingen :
Art. 735 tot 739.
De gebruikte methoden zijn dezelfde als voor de volwassenen, maar enkel indien de leeftijd van het kind dit toelaat. Die functies worden dus geëvalueerd in functie van de leeftijd van het kind.
70. Unilateraal of Bilateraal Cataract.
Niet geopereerd cataract : Art. 728 zie N°69
Art. 729 tot 734 zie N°69. _ Geopereerd cataract : Art. 728 zie N°69
Art. 729 tot 734 zie N°69. _ Ingeval van lensimplant zijn de artikelen voor afakie niet toepasbaar (art 742 tot 745).
Een verhoging met 10 % is enkel toegelaten voor het verlies van de accommodatie.
Bij het kind met een echte afakie blijven deze artikelen van toepassing.
71. Retinale dystrofieën
Art. 728 zie N°69.
Art. 733 : het gezichtsveld bij het kind onder de 6 jaar wordt geschat volgens deze regel : Een gestandaardiseerd electroretinogram (ERG) dat minstens tweemaal wordt uitgevoerd en dat amplituden van maximum 10 %van de normale waarden vertoont, is gelijk aan een gezichtsveld beperkt tot een temporale straal van 20°.
72. Functionele amblyopie en strabisme
Strabisme op zich geeft geen aanleiding tot een ongeschiktheid behalve voor amblyopie vanaf de leeftijd van 6 jaar. Functionele amblyopie (ten gevolge van een hypermetropie, een myopie, een astigmatisme, een anisometropie) wordt ook slechts geëvalueerd vanaf de leeftijd van 6 jaar; vermits volledig reversibel in geval van vroegtijdige diagnose en behandeling.
73. Visueel deficit van cerebrale oorsprong
De schatting van de amblyopie wordt overgelaten aan de geneesheer-specialist.
74.
Geïsoleerde nystagmus.
Zonder geassocieerde aandoening : Art. 728 tot 734 en de bemerking 2 van hoofdstuk 1)C.
In geval van geassocieerde aandoeningen zijn Art. 728 tot 734 van toepassing.
DEEL XI : HUIDAANDOENINGEN.
75. Eczeem
Art. 761.
76. Ichtyosis
Art. 764 bis - 765 : te evalueren volgens de functionele hinder
77. Epidermolysis bullosa
Art. 764 bis - 765 : te evalueren volgens de functionele hinder
DEEL XII : ENDOKRIENE AANDOENINGEN
78. Hyperthyroïdie
Art. 779/1a). Art. 779/1b) : met blijvend struma en met lokale druksymptomen
Art. 779/1c) : met exoftalmie (ernstige graad, te objectiveren)
79. Hypothyroïdie
Art. 779/2a) : de eventuele geassocieerde mentale retardatie en pubertas praecox
worden beoordeeld zoals voorzien voor de respectievelijke aandoeningen.
Art. 779/3 : kropgezwel.
80. Hypoparathyroïdie
Art. 779/4a) : als stabiele toestand
Art. 779/4b) : als herhaalde tetanie niettegenstaande dagelijkse therapie
81. Hyperparathyroïdie
Art. 904 / 783 / 482 : beoordeling voor uitzonderlijke onbehandelbare vormen
82. Grote gestalte
Art. 779/6 : enkel aanrekenbaar als er functionele of psychische stoornissen aanwezig zijn en als de lengte groter is dan +3SD 10 %
+4SD 20 %
Art. 779/5 : acromegalie.
83. Kleine gestalte
Art. 779/7a) : lengte kleiner dan -4SD 50 %
Art. 779/7b) : lengte kleiner dan -3SD 30 %
Art. 779/7c) : lengte kleiner dan -2SD 10 %
Indien er geassocieerde hypotrofie bestaat, kan er een bijkomend % toegekend worden (hypotrofie zie N°92)
84. Cushing syndroom
Art. 779/8 : bot- en/of huidproblematiek
Art. 368 e) : geassocieerde arteriële hypertensie
Art. 780a) : geassocieerde diabetes mellitus
Art. 779/10b) :
iatrogene bijnierschorsinsufficiëntie 20-50 % in functie van de weerslag op de algemene toestand.
85. Hypopituïtarisme.
Art. 779/9a) : totale uitval.
Art. 779/9b) : selectieve uitval
* 10 % als enkelvoudige substitutie mogelijk is vb.
GH
* 30 % bij meervoudige substitutie zonder cortisol
* 60 % bij meervoudige substitutie inclusief cortisol
86. Bijnierschorsinsufficiëntie
Art. 779/10a) : geen residuele secretie
Art. 779/10b) : residuele secretie aanwezig
87. Diabetes mellitus :
Art. 780a) : NIDDM -> 0-20 %.
Art. 780b) : IDDM zonder verwikkelingen en zonder invloed op de normale activiteit -> 20-40 %
Art. 780c) : IDDM met invloed op de normale activiteit doch zonder verwikkelingen -> 40-60 %
Art. 780d) : IDDM leidt, _ ondanks optimale behandeling, tot
* complicaties
* frequente ernstige hypoglycemies (hospitalisatie of geassisteerde hersuikering)
* ernstige, gedocumenteerde psychologische weerslag (met de gepaste begeleiding), die de activiteit van het kind sterk beperken.
88. Diabetes insipidus
Art. 781a) : zonder behandelingsmoeilijkheden
Art. 781b) moeilijk behandelbaar euro 30-60 % (in functie van de frequentie van de hospitalisaties)
89. Hyperinsulinisme
Art. 780a) gecorrigeerde toestand
Art. 780b) stabiele toestand mits behandeling
Art. 780c) of d) : niet controleerbaar hyperinsulinisme 40-100 % (in functie van de weerslag op de algemene toestand en de hospitalisatienood)
90. Volledige gonadale insufficiëntie
Mannelijke :
Art. 493b) vanaf 13 jaar 30 % (inbegrepen is de hormonale substitutie en eventuele prothese)
Een bijkomend % volgens Art 648 a) is mogelijk vanaf 16 jaar als er sprake is van een psychische weerslag- gedocumenteerd- (met een aangepaste begeleiding)
Vrouwelijke :
Art. 513 : vanaf 11 jaar 30 % (inbegrepen is de hormonale substitutie)
Een bijkomend % volgens Art. 648 a) is mogelijk vanaf 16 jaar als er sprake is van een psychische weerslag - gedocumenteerd- (met een aangepaste begeleiding).
91. Obesitas
Enkel aanrekenbaar indien endogeen en aanwezig ondanks een ononderbroken, gepaste behandeling (dieet, medicatie, lichaamsbeweging, ...)
Art. 649a) of 779/9b) als BMI groter dan + 2SD 10 %
Art. 649b) of 779/9b) als BMI groter dan + 4SD 30 %
Art. 649c) of 779/9b) als BMI groter dan + 6SD 60 %
92. Hypotrofie
Art. 431a) als BMI kleiner dan - 2 SD 10 %
Art. 431b) als BMI kleiner dan - 3 SD 30 %
Art. 431c) als BMI kleiner dan - 4 SD 60 %
93. Sexuele ambiguïteiten
Het invaliditeitspercentage wordt verminderd na heelkundige correctie zelfs als er een ander sexueel fenotype gekozen werd.
Misvormingen vrouwelijke geslachtsorganen (vrouwelijk pseudohermafroditisme)
Art. 501a) of b) vanaf 16 jaar volgens de graad en de behandeling
Misvormingen mannelijke geslachtsorganen (mannelijk pseudohermafroditisme)
Art. 491a) : hypospadias, _ naargelang de graad :
Een meatus ter hoogte van de glans geeft het minimumpercentage;
Een meatus ter hoogte van het perineum het maximumpercentage.
Art. 491b) : ernstige misvorming van de penis waarvoor veelvuldige zware ingrepen noodzakelijk zijn, naargelang de psychologische weerslag (waarvoor in behandeling).
Circumcisie : niet aanrekenbaar.
DEEL XIII : KANKER.
94. Kwaadaardige gezwellen
Te evalueren volgens de behandelingheelkunde en/of chemotherapie en/of radiotherapie;
Art. 784 : meer dan 80 % ongeschiktheid gedurende de zwaarste behandelingsperiode
66 % tot 80 % ongeschiktheid gedurende de onderhoudsbehandeling, te evalueren op grond van de therapeutische resultaten en de algemene toestand.
Na de stopzetting van de antikankerbehandeling evaluatie van de functionele gevolgen volgens de overeenkomstige artikelen OBSI.
95. Leucemie
Art. 464 : gedurende de ernstige behandelingsperiode tot de consolidatie en bij herhaalde hospitalisaties;
Art. 463 : gedurende de onderhoudsbehandeling, te evalueren op grond van de therapeutische resultaten en de weerslag op de algemene toestand;
Na de stopzetting van de behandeling : evaluatie van de functionele gevolgen volgens de overeenkomstige artikelen OBSI.
96. Goedaardige gezwellen en Gezwellen uitsluitend chirurgisch behandeld ( zonder aanvullende behandeling bij middel van chemotherapie of radiotherapie) :
Evaluatie van de functionele hinder na de ingreep volgens de overeenkomstige artikelen van de OBSI.
DEEL XIV : METABOLE AANDOENINGEN, MULTISYSTEEMZIEKTEN en SPECIFIEKE SYNDROMEN.
97. Marfan syndroom
Art. 341 : hyperlaxiteit der ligamenten
Art. 745bis : subluxatie van de lens
Art. 366 : vasculaire letsels.
Art. 29 tot 31 : wervelzuilletsels
98. Lupus erythematosus disseminatus
Art. 349 : hartletsels.
Art. 362 b) : vasculaire letsels
Art. 389 : pleurale longletsels
Art. 783 : gewrichtsletsels.
Art. 477 : nefrologische letsels zie N°43
99. Periarteritis nodosa
Art. 349 : hartletsels.
Art. 362 b) en Art. 367 : vasculaire letsels
Art. 368 c) + bis : arteriële hypertensie
100. Ziekte van Klippel-Trenaunay hypertrofische hemiangiectasieën
Art. 374-375 : vasculaire letsels
Art. 783 : gewrichtsletsels.
101. Mucoviscidose
Art. 377 tot 380 : letsels ter hoogte van de bronchi
Art. 384-385 : bronchiectatische letsels
Art. 447 : pancreasletsels.
Art. 697 tot 699 : sinusitis
102. Galactosemie
Art. 445 : leverletsels.
Art. 477 : nierletsels zie N°43
Art. 742 : oogletsels (cataract) zie N°70
Art. 665-668 : geestesstoornissen zie N°64 - 65
103. Hepatolenticulaire degeneratie (Ziekte van Wilson)
Art. 445 : leverletsels.
Art. 554 : neurologische letsels
Art. 477 : nierletsels (Fanconi) zie N°43
Art. 665-668 : cerebrale letsels zie N°64 - 65
104. Glycogeen-opstapelingsziekten
Art. 445 : leverletsels.
Art. 646 a) : eventuele asthenie
Art. 342bis : gewrichtsletsels
Art. 355 : cardiale letsels.
Art. 665 tot 668 :
geestesstoornissen zie N°64 - 65
105. Porphyrie
Art. 445 a)-b) : leverletsels.
Art. 764 bis : huidletsels, volgens de aard der symptomen
Art. 628 tot 631 : neurologische letsels
106. Histiocytose
Art. 462 : volgens de functionele hinder en de weerslag op de algemene toestand
107. Syndroom van Alport
Art. 477 : nierletsels zie N°43
Art. 712 : gehoorstoornissen zie N°67 - 68
Art. 728 : oogletsels.
108. Leucinose
Art. 665 tot 668 : geestesstoornissen zie N°64 - 65
Art. 558-559-560 : gepaard met epilepsie
Art. 646 b) : eventuele asthenie
Art. 431 : hypotrofie zie N°92
109. Gevolgen van Prematuriteit
Art. 377 tot 380 : longletsels
Art. 431 : enteropathie / hypotrofie zie N°92
Art. 665 tot 668 : intellectuele stoornissen zie N°64 - 65
110. Prader-Willi syndroom
Art. 665 tot 668 : geestesstoornissen zie N°64 - 65
Art. 342 bis : spierhypotonie.
Art. 779 : endocriene stoornissen
111. Homocystinurie
Art. 665 tot 668 : geestesstoornissen zie N°64 - 65
Art. 745 bis : lensluxatie.
Art. 29 tot 31 : wervelzuilmisvormingen
Art. 783 : gewrichtsafwijkingen
112. Syndroom van Sturge Weber
Art. 363 : angiomatose.
Art. 728-749 : oculaire stoornissen zie N°69
Art. 558 tot 560 : epilepsie.
Art. 665 tot 668 : geestesstoornissen zie N°64 - 65
113. Sfingolipidose
Art. 665 tot 668 : geestesstoornissen zie N°64 - 65
Art. 445 a) b) : leverfunctiestoornissen
114. Phenylketonurie
Art. 665 : geestesstoornissen zie N°64 - 65
Art. 445 a) : leverstoornissen
Art. 646 a) : asthenie.
115. Congenitale fructose intolerantie
Art. 431 : hypotrofie zie N°92
Art. 445 a) : leverletsels.
Art. 477 : tubulopathie zie N°43
116. Hyperornithinemie met atrofie van de chorio-retina
Art. 723 of 728 of 733 : oogletsels
Art. 342 en 342bis : spieratrofie
Art. 445 : leverletsels.
117. Veralgemeende arthritis
Art. 783 : te evalueren volgens het aantal opstoten en de weerslag op de gewrichten en de algemene toestand.
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 28 maart 2003.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken,
F. VANDENBROUCKE.
----------
(1)<KB 2009-02-12/40, Art. 2, 005; Inwerkingtreding : 16-03-2009>
Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit dient te worden begrepen onder :
1°" samengeordende wetten " : de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders;
2° " Minister " : de Minister van Sociale Zaken;
3° " Dienst " : de Bestuursdirectie van de uitkeringen aan personen met een handicap bij de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid;
4° " Medische Dienst " de medische dienst van de Bestuursdirectie van de uitkeringen aan personen met een handicap bij de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid;
5° " instelling " : de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers, de kinderbijslagfondsen, erkend of opgericht krachtens de samengeordende wetten, het Rijk, de Gemeenschappen en de Gewesten, en de openbare instellingen bedoeld in artikel 3, 2° van de samengeordende wetten, die in uitvoering van artikel 18 van de samengeordende wetten gehouden zijn zelf kinderbijslag uit te betalen voor hun personeel;
6° " koninklijk besluit van 3 mei 1991 " : het koninklijk besluit van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 96 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen.
Hoofdstuk 2. [ [1 Overgangsregeling ten aanzien van de kinderen geboren uiterlijk op 31 december 1992]1 - Uitvoering van de artikelen 47, § 1, 56septies, § 1, en 63, § 1, van de samengeordende wetten.] <KB 2007-01-29/58, Art. 3, 003; En vigueur : 01-01-2007>
Artikel 2 De lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind, bedoeld in de artikelen 56septies, § 1 en 63, § 1, van de samengeordende wetten, en de zelfredzaamheid van het kind, bedoeld in artikel 47, § 1, van dezelfde wetten worden vastgesteld overeenkomstig de regels bepaald in de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991.
Artikel 3 § 1. Ten behoeve van het kind dat bedoeld is in artikel 63, § 1, van de samengeordende wetten en getroffen is door een overeenkomstig de regels van artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 vastgestelde lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 %, worden de bedragen bedoeld in artikel 40 of 50bis van dezelfde wetten verhoogd met de bijslag bedoeld in artikel 47, § 1, van dezelfde wetten, onder de voorwaarden bepaald in artikel 12 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991.
§ 2. De bijslag bedoeld in § 1 wordt op de wijze zoals bepaald in artikel 4 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 toegekend naargelang de graad van zelfredzaamheid.
Artikel 4 Het kind, dat bedoeld is in artikel 56septies, § 1, van de samengeordende wetten en getroffen is door een bij toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 vastgestelde lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 %, is rechthebbend op kinderbijslag voor zichzelf volgens de voorwaarden, de regels en de bedragen bepaald in artikel 13 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991.
Artikel 5 Voor de toepassing van artikel 63, § 1, van de samengeordende wetten moet het kind getroffen zijn door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 %, vastgesteld overeenkomstig de regels bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991. Deze ongeschiktheid moet een aanvang genomen hebben vooraleer het kind wegens het bereiken van de bij artikel 62 van dezelfde wetten bepaalde leeftijdsgrens heeft opgehouden rechtgevend te zijn op kinderbijslag.
Artikel 5BIS [1 Dit hoofdstuk is alleen van toepassing op kinderen waarvoor een beslissing voorafgaand aan 1 mei 2009 ingevolge een aanvraag ingediend voor deze datum of voortvloeiend uit een ambtshalve herziening waarvan de uitwerking begonnen is voor dezelfde datum, uitwerking heeft op 1 mei 2009. Bij de eerste herziening na 30 april 2009 ingevolge een aanvraag tot herziening of ambtshalve herziening is :
a) voor de periode tot 30 april 2009, dit hoofdstuk van toepassing;
b) voor de periode na 30 april 2009 hoofdstuk III, afdeling I, van dit besluit van toepassing.]1
Hoofdstuk 3. [ [1..]1 - Uitvoering van de artikelen 47, § 2, 56septies, §§ 2 en 3, en 63, §§ 2 en 3, van de samengeordende wetten.] <KB 2007-01-29/58, Art. 4, 003; En vigueur : 01-01-2007>
Sectie 1. Uitvoering van de artikelen 47, § 2, eerste lid, 56septies, § 2 en 63, § 2 van de samengeordende wetten
Artikel 6 § 1. De gevolgen van de aandoening van het kind, bedoeld in de artikelen 47, § 2, 56septies, § 2 en 63, § 2 van de samengeordende wetten, bestaan uit de hiernavolgende pijlers :
1° pijler 1 behelst de gevolgen van de aandoening op het vlak van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind;
2° pijler 2 behelst de gevolgen van de aandoening op het vlak van de activiteit en de participatie van het kind;
3° pijler 3 behelst de gevolgen van de aandoening voor de familiale omgeving van het kind.
§ 2. De gevolgen bedoeld in § 1 worden vastgesteld aan de hand van de als bijlage 1 bij dit besluit gevoegde medisch-sociale schaal.
1° In pijler 1 worden, naargelang het percentage lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind, vastgesteld overeenkomstig artikel 7, op de volgende wijze punten toegekend :
lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid
- 0 % tot 24 % : 0 punten
- 25 % tot 49 % : 1 punt
- 50 % tot 65 % : 2 punten
- 66 % tot 79 % : 4 punten
- 80 % tot 100 % : 6 punten
2° Pijler 2 bestaat uit de hiernavolgende functionele categorieën, die desgevallend onderverdeeld zijn in subcategorieën en waaraan punten worden toegekend volgens graduele criteria :
a. leren, opleiding en sociale integratie;
b. communicatie;
c. mobiliteit en verplaatsing;
d. zelfverzorging.
Voor de totalisatie van de punten in pijler 2 wordt het hoogste aantal punten, toegekend binnen elk van de vier functionele categorieën, samengeteld. Voor deze pijler bedraagt het maximum aantal punten 12.
3° Pijler 3 bestaat uit de hiernavolgende categorieën, die desgevallend onderverdeeld zijn in subcategorieën en waaraan punten worden toegekend volgens graduele criteria :
a. opvolging van de behandeling thuis;
b. verplaatsing voor medisch toezicht en behandeling;
c. aanpassing van het leefmilieu en leefwijze.
Voor de totalisatie van de punten in pijler 3 wordt het hoogste aantal punten, toegekend binnen elk van de drie categorieën, samengeteld en wordt het aldus berekende aantal punten vermenigvuldigd met twee. Voor deze pijler bedraagt het maximum aantal punten, na vermenigvuldiging met twee, 18.
4° Het eindresultaat van de vaststelling van de gevolgen van de aandoening wordt bekomen door samentelling van de getotaliseerde punten van elke pijler en bedraagt maximaal 36 punten.
§ 3. Voor de toepassing van de artikelen 56septies, § 2 en 63, § 2 worden de gevolgen van de aandoening van het kind in aanmerking genomen indien het kind als eindresultaat, bedoeld in § 2, 4°, minimum 6 punten behaalt of indien het kind in pijler 1,bedoeld in § 2, 1°, minimum 4 punten behaalt.
Artikel 7 § 1. De vaststelling van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind, bedoeld in artikel 6, gebeurt :
1° aan de hand van de " Lijst van pediatrische aandoeningen " opgenomen als bijlage 2 bij dit besluit;
2° aan de hand van de " Officiële Belgische Schaal ter bepaling van de graad van invaliditeit ", goedgekeurd bij Regentbesluit van 12 februari 1946, met uitzondering van het voorwoord.
De onder 1° bedoelde Lijst bevat een limitatieve opsomming van aandoeningen. De Koning kan ze aanvullen.
De onder 2° bedoelde Schaal wordt aangewend voor alle aandoeningen of functies die niet in de Lijst zijn opgenomen, alsook voor die aandoeningen van de Lijst die verwijzen naar een artikel van deze Schaal.
Bij de evaluatie heeft de Lijst voorrang op het gebruik van de Schaal. Dit betekent dat de criteria en de ongeschiktheidpercentages die sommige nummers van de Lijst vermelden, imperatief moeten opgevolgd worden.
§ 2. Voor het gebruik van de Lijst en de Schaal, bedoeld in § 1, gelden de volgende regels :
1° In geval van meervoudige ongeschiktheid wordt het globale ongeschiktheidpercentage berekend op de volgende wijze. In het geval waarbij geen enkele van de gedeeltelijke aandoeningen een totale ongeschiktheid met zich meebrengt, wordt het ongeschiktheidpercentage volledig toegekend voor de zwaarste aandoening en voor elk van de bijkomende aandoeningen wordt het proportioneel berekend volgens de overblijvende geschiktheid. De verscheidene aandoeningen worden daartoe gerangschikt in dalend orde van het werkelijk ongeschiktheidpercentage. Deze berekeningswijze wordt slechts toegepast wanneer de gedeeltelijke aandoeningen verschillende ledematen of functies aantasten.
2° Een rationele ramingswijze wordt toegepast indien één lidmaat of functie aangetast is door verschillende ongeschiktheden en wanneer de berekening bedoeld in 1° tot een hoger percentage leidt dan het totale verlies van het betrokken lidmaat of de functie : het ongeschiktheidpercentage kan het percentage voorzien voor het totaal verlies van het desbetreffende lidmaat of functie nooit overschrijden.
3° De Lijst en de Schaal zijn bindend of indicatief naargelang zij een vast percentage aanduiden dan wel ruimte laten bij de evaluatie. Nochtans blijven zij in dit laatste geval bindend voor de minimale en maximale percentages.
Artikel 8 § 1. Ten behoeve van het kind bedoeld in artikel 63, § 2, van de samengeordende wetten, dat een aandoening heeft die gevolgen heeft zoals bedoeld in artikel 6, § 3, worden de bedragen bedoeld in artikel 40 of 50bis van de samengeordende wetten verhoogd met de bijslag bedoeld in artikel 47, § 2, van dezelfde wetten, onder de voorwaarden bepaald in artikel 12 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991.
Voor de toepassing van het eerste lid moeten de in artikel 12, 2°,van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 vermelde woorden " de in artikel 2 vermelde lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid moet een aanvang genomen hebben " gelezen worden als " de gevolgen van de aandoening zoals bedoeld in artikel 6, § 3 van het huidige besluit moeten een aanvang genomen hebben ".
§ 2. De bijslag bedoeld in artikel 47, § 2, van de samengeordende wetten, wordt toegekend naargelang de ernst van de gevolgen van de aandoening.
Indien het kind als eindresultaat bedoeld in artikel 6, § 2, 4° minimum 6 punten behaalt, worden de volgende bedragen toegekend :
- (79,91 EUR) indien het kind minimum 6 punten en maximum 8 punten behaalt; <KB 2006-05-03/36, Art. 2, 002; En vigueur : 01-05-2006>
- (186,47 EUR) indien het kind minimum 9 punten en maximum 11 punten behaalt; <KB 2006-05-03/36, Art. 2, 002; En vigueur : 01-05-2006>
- (307,81 EUR) indien het kind minimum 12 punten en maximum 14 punten behaalt; <KB 2006-05-03/36, Art. 2, 002; En vigueur : 01-05-2006>
- 350 EUR indien het kind minimum 15 punten en maximum 17 punten behaalt;
- 375 EUR indien het kind minimum 18 punten en maximum 20 punten behaalt;
- 400 EUR indien het kind meer dan 20 punten behaalt.
In afwijking van het tweede lid, wordt het bedrag van 60 EUR (...) toegekend indien het kind minimum 4 punten behaalt in pijler 1 bedoeld in artikel 6, § 2, 1°. <KB 2006-05-03/36, Art. 2, 002; En vigueur : 01-05-2006>
(In afwijking van het tweede en het derde lid, wordt het bedrag van 307,81 EUR eveneens toegekend indien het kind minimum 4 punten behaalt in pijler 1 bedoeld in artikel 6, § 2, 1° en bovendien minimum 6 punten en maximum 11 punten behaalt als eindresultaat bedoeld in artikel 6, § 2, 4°.) <KB 2006-05-03/36, Art. 2, 002; En vigueur : 01-05-2006>
Artikel 9 Het kind bedoeld in artikel 56septies, § 2, van de samengeordende wetten, dat een aandoening heeft die gevolgen heeft zoals bedoeld in artikel 6, § 3, is rechthebbend op kinderbijslag voor zichzelf volgens de voorwaarden, de regels en de bedragen bepaald in artikel 13 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991.
Voor de toepassing van het eerste lid dienen de in artikel 13, § 3, van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 vermelde woorden " De in § 1 bedoelde lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid moet een aanvang genomen hebben " gelezen te worden als " De gevolgen van de aandoening zoals bedoeld in artikel 6, § 3, van dit besluit moeten een aanvang genomen hebben ".
Artikel 10 Voor de toepassing van artikel 63, § 2, van de samengeordende wetten moet het kind een aandoening hebben die gevolgen heeft zoals bedoeld in artikel 6, § 3. Deze gevolgen moeten een aanvang genomen hebben vooraleer het kind wegens het bereiken van de bij artikel 62 van dezelfde wetten bepaalde leeftijdsgrens heeft opgehouden rechtgevend te zijn op kinderbijslag.
Artikel 10BIS [1 Deze afdeling is van toepassing onverminderd de bepalingen van hoofdstuk II.]1
Sectie 2. (Uitwerking van de nieuwe beslissingen) <KB 2007-01-29/58, Art. 5, 003; En vigueur : 01-01-2007>
Artikel 11Voor de toepassing van deze afdeling dient te worden begrepen onder :
1° " de [1 oude regeling]1 " : de artikelen 47, § 1, 56septies, § 1 en 63, § 1, van de samengeordende wetten en hoofdstuk II van dit besluit;
2° " de [2 nieuwe regeling]2 " : de (47, § 2, eerste lid), 56septies, § 2 en 63, § 2, van de samengeordende wetten en hoofdstuk III, afdeling I, van dit besluit; <KB 2007-01-29/58, Art. 6, 003; En vigueur : 01-01-2007>
3° " de dubbele evaluatie " : de vaststelling van enerzijds de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid en de graad van zelfredzaamheid, bedoeld in hoofdstuk II van dit besluit, en anderzijds de gevolgen van de aandoening, bedoeld in hoofdstuk III, afdeling I, van dit besluit, voor eenzelfde periode;
4° " de geneesheer " : de geneesheer bedoeld in artikel 20, eerste lid;
5° " voordeliger " : indien de toepassing van de [1 oude regeling]1 de toekenning van een hoger bedrag meebrengt voor het kind dan het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van de [2 nieuwe regeling]2 of indien enkel de toepassing van de [1 oude regeling]1 een recht tot stand [brengt] voor het kind. <KB 2007-01-29/58, Art. 6, 003; En vigueur : 01-01-2007>
Onderafdeling I. - Kinderen geboren na 31 december 1992 en uiterlijk op 1 januari 1996. <Ingevoegd bij KB 2007-01-29/58, Art. 7; En vigueur : 01-01-2007>
Artikel 11BIS<Ingevoegd bij KB 2007-01-29/58, Art. 7; En vigueur : 01-01-2007> Voor de nieuwe aanvragen die ingediend worden vanaf 1 januari 2007 en voor de aanvragen en ambtshalve herzieningen die volgen op de nieuwe aanvraag moet voor de periode vanaf 1 mei 2003 toepassing gemaakt worden van de [1 nieuwe regeling]1. Wat de periode vóór 1 mei 2003 betreft, wordt toepassing gemaakt van de regels die bedoeld zijn in de artikelen 2, 3, 4, 12, 13 en 14 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991.
Met " nieuwe aanvragen " wordt bedoeld, de aanvragen die ingediend worden na 31 december 2006 op een datum dat er geen uitwerking is van een vorige beslissing ingevolge een aanvraag ingediend vóór 1 januari 2007 of voortvloeiend uit een ambtshalve herziening waarvan de uitwerking begonnen is vóór 1 januari 2007.
Artikel 11TER <Ingevoegd bij KB 2007-01-29/58, Art. 7; En vigueur : 01-01-2007> Indien een medische beslissing, ingevolge een aanvraag ingediend vóór 1 januari 2007 of voortvloeiend uit een ambtshalve herziening waarvan de uitwerking begonnen is vóór 1 januari 2007, aanleiding geeft tot een herzieningsaanvraag, verricht de geneesheer :
a) voor de periode vóór 1 mei 2003 een evaluatie van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid en de graad van zelfredzaamheid, bedoeld in hoofdstuk II van dit besluit;
b) voor de periode vanaf 1 mei 2003 een evaluatie van de gevolgen van de aandoening, bedoeld in hoofdstuk III, afdeling I, van dit besluit.
Telkens op grond van deze evaluaties een hoger bedrag kan worden toegekend, betaalt de instelling het verschil.
Artikel 11QUATER[1 Indien een medische beslissing, ingevolge een aanvraag ingediend voor 1 januari 2007 of voortvloeiend uit een ambtshalve herziening waarvan de uitwerking begonnen is voor 1 januari 2007, aanleiding geeft tot een ambtshalve herziening die ten vroegste uitwerking heeft op 1 januari 2007, verricht de geneesheer een evaluatie, in afwijking van artikel 23, vierde lid met een terugwerkende kracht van vijf jaar, welke ingaat de eerste dag van het trimester in de loop waarvan deze medische beslissing ten einde loopt. Deze evaluatie wordt verricht :
a) overeenkomstig de oude regeling voor de periode voor 1 mei 2003;
b) overeenkomstig de nieuwe regeling voor de periode vanaf 1 mei 2003.
Telkens een hoger bedrag kan worden toegekend, betaalt de instelling het verschil.
Op de latere ambtshalve herzieningen is artikel 23, vierde lid van toepassing.]1
Onderafdeling II. - Kinderen geboren na 1 januari 1996. Uitvoering van de artikelen 47, § 2, vijfde lid, 56septies, § 3, en 63, § 3, van de samengeordende wetten. <Ingevoegd bij KB 2007-01-29/58, Art. 8; En vigueur : 01-01-2007>
Artikel 12Voor de toepassing van de artikelen 47, § 2, vijfde lid, 56septies, § 3 en 63, § 3, van de samengeordende wetten geniet het kind dat geboren is na 1 januari 1996 de kinderbijslag bedoeld in de artikelen 56septies en 63 van dezelfde wetten en de bijslag bedoeld in artikel 47, § 1, van dezelfde wetten, bij toepassing van de [1 oude regeling, onder de voorwaarden bepaald in deze onderafdeling]1.
Artikel 13Voor de nieuwe aanvragen die ingediend worden vanaf 1 mei 2003 voor de kinderen geboren na 1 januari 1996 en voor de aanvragen en ambtshalve herzieningen die volgen op de nieuwe aanvraag moet voor de periode vanaf 1 mei 2003 toepassing gemaakt worden van de [1 nieuwe regeling]1. Wat de periode vóór 1 mei 2003 betreft wordt toepassing gemaakt van de regels die bedoeld zijn in de artikelen 2, 3, 4, 12, 13 en 14 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991.
Met " nieuwe aanvragen " wordt bedoeld, de aanvragen die ingediend worden na 30 april 2003 op een datum dat er geen uitwerking is van een vorige beslissing ingevolge een aanvraag ingediend vóór 1 mei 2003 of voortvloeiend uit een ambtshalve herziening waarvan de uitwerking begonnen is vóór 1 mei 2003, voorzover deze aanvragen niet bedoeld zijn in artikel 15, § 3, of niet resulteren in een in artikel 17, eerste lid, bedoelde beslissing waarvoor toepassing gemaakt wordt van artikel 15, § 3. Indien evenwel door een gerechtelijke uitspraak, die betrekking heeft op een beslissing ingevolge een aanvraag ingediend vóór 1 mei 2003 of voortvloeiend uit een ambtshalve herziening waarvan de uitwerking begonnen is vóór 1 mei 2003, een beslissing tot stand komt met uitwerking voor de periode waarin de datum van de aanvraag ingediend na 30 april 2003 valt, wordt deze laatste aanvraag niet beschouwd als een nieuwe aanvraag. In dit geval is artikel 16 van toepassing.
Artikel 14
§ 1. Indien een medische beslissing aangaande een kind geboren na 1 januari 1996 en ingevolge een aanvraag ingediend vóór 1 mei 2003 of voortvloeiend uit een ambtshalve herziening waarvan de uitwerking begonnen is vóór 1 mei 2003, aanleiding geeft tot een ambtshalve herziening die ten vroegste op 1 mei 2003 uitwerking heeft, wordt toepassing gemaakt van de bepalingen van dit artikel voor deze laatste ambtshalve herziening.
§ 2. Voor de in § 1 bedoelde laatste ambtshalve herziening verricht de geneesheer de dubbele evaluatie voor wat de periode vanaf de dag na de einddatum van de geldigheid van de medische beslissing bedoeld in § 1 betreft.
De instelling past de [2 oude regeling]2 op voorwaarde dat de toepassing van [2 deze regeling]2 op de dag na de einddatum van de geldigheid van de medische beslissing bedoeld in § 1 voordeliger is voor het kind dan de toepassing van de [1 nieuwe regeling]1. De instelling mag evenwel de [2 oude regeling]2 slechts toepassen gedurende maximaal 3 jaar te rekenen vanaf de dag na de einddatum van de geldigheid van de medische beslissing bedoeld in § 1.
§ 3. In afwijking van artikel 23, derde lid, heeft de ambtshalve herziening bedoeld in § 2, eerste lid, een retroactieve werking van drie jaar, te rekenen vanaf de einddatum van de medische beslissing bedoeld in § 1, zonder dat deze ambtshalve herziening uitwerking mag hebben vóór 1 mei 2003. Voor de retroactieve periode doet de geneesheer enkel de vaststelling bedoeld in artikel 6 en past de instelling de [3 nieuwe regeling toe]3 indien de toepassing ervan een hoger bedrag oplevert voor het kind dan het bedrag dat het kind reeds genoot, en dit telkens dit het geval is tijdens deze periode. <KB 2007-01-29/58, Art. 12, 003; En vigueur : 01-01-2007>
Artikel 15
§ 1. Voor de medische beslissingen, die genomen worden na de medische beslissing voortvloeiend uit de ambtshalve herziening bedoeld in artikel 14, § 2, eerste lid, wordt toepassing gemaakt van de bepalingen van dit artikel.
§ 2. Indien de medische beslissing bedoeld in § 1 een beslissing is voortvloeiend uit een ambtshalve herziening, heeft deze beslissing uitwerking vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de einddatum van de geldigheid van de vorige beslissing valt.
De geneesheer verricht de dubbele evaluatie, op voorwaarde dat sinds de dag volgend op de einddatum van de geldigheid van de beslissing bedoeld in artikel 14, § 1, geen toepassing gemaakt is van de [2 nieuwe regeling]2. Indien voormelde voorwaarde vervuld is, past de instelling de [3 oude regeling toe]3, op voorwaarde dat de toepassing ervan op de dag na de einddatum van de vorige beslissing voordeliger is dan de toepassing van de [2 nieuwe regeling]2.
De instelling mag evenwel de [1 oude regeling]1 slechts toepassen gedurende maximaal 3 jaar te rekenen vanaf de dag na de einddatum van de geldigheid van de medische beslissing bedoeld in artikel 14, § 1.
§ 3. Indien de medische beslissing bedoeld in § 1 een beslissing is ingevolge een aanvraag tot herziening gelden de volgende regels voor deze beslissing.
1° Indien de beslissing betrekking heeft op een periode vóór 1 mei 2003 doet de geneesheer voor deze periode de vaststellingen die bedoeld zijn in de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 en past de instelling de regels toe die bepaald zijn in de artikelen 4, 12, 13 en 14 van hetzelfde besluit. Telkens op grond van de laatste vaststelling een hoger bedrag kan worden toegekend betaalt de instelling het verschil.
2° Voor de periode die ten vroegste op 1 mei 2003 aanvangt en eindigt op de dag voorafgaand aan de datum van de aanvraag verricht de geneesheer de dubbele evaluatie, op voorwaarde dat sinds de dag volgend op de einddatum van de geldigheid van de beslissing bedoeld in artikel 14, § 1, geen toepassing gemaakt is van de [2 nieuwe regeling]2. Telkens op grond van deze dubbele evaluatie een hoger bedrag kan worden toegekend betaalt de instelling het verschil.
3° Voor de periode vanaf de datum van de aanvraag verricht de geneesheer de dubbele evaluatie, op voorwaarde dat sinds de dag volgend op de einddatum van de geldigheid van de beslissing bedoeld in artikel 14, § 1, geen toepassing gemaakt is van de [2 nieuwe regeling]2. Indien voormelde voorwaarde vervuld is past de instelling [3 de oude regeling toe]3, op voorwaarde dat de toepassing ervan op de datum van de aanvraag voordeliger is dan de toepassing van de [2 nieuwe regeling]2.
4° De instelling mag evenwel de [1 oude regeling]1 slechts toepassen gedurende maximaal 3 jaar te rekenen vanaf de dag na de einddatum van de geldigheid van de medische beslissing bedoeld in artikel 14, § 1.
Artikel 16Indien de ambtshalve herziening bedoeld in artikel 14, § 2, eerste lid, niet plaatsvindt omdat zij voorafgegaan is door een aanvraag tot herziening, die ingediend is na 30 april 2003 en die zelf aanleiding geeft tot een medische beslissing, gelden de volgende regels met betrekking tot deze beslissing.
1° Indien de medische beslissing ingevolge de aanvraag betrekking heeft op een periode vóór 1 mei 2003 wordt toepassing gemaakt van artikel 15, § 3, 1°.
2° Voor de periode die ten vroegste op 1 mei 2003 aanvangt en eindigt op de dag voorafgaand aan de datum van de aanvraag verricht de geneesheer de dubbele evaluatie. Telkens op grond van deze dubbele evaluatie een hoger bedrag kan worden toegekend, betaalt de instelling het verschil.
3° Voor de periode vanaf de datum van de aanvraag verricht de geneesheer de dubbele evaluatie. De instelling past [3 de oude regeling toe]3, op voorwaarde dat op de datum van de aanvraag de toepassing ervan voordeliger is dan de toepassing van de [2 nieuwe regeling]2.
4° De instelling mag evenwel de [1 oude regeling]1 slechts toepassen gedurende maximaal 3 jaar te rekenen vanaf de dag na de einddatum van de geldigheid van de medische beslissing bedoeld in artikel 14, § 1.
Artikel 17 Voor de medische beslissingen die genomen worden na de medische beslissing bedoeld in artikel 16, wordt toepassing gemaakt van artikel 15, §§ 2 en 3.
Voor de toepassing van het eerste lid dienen de woorden vermeld in artikel 15, § 2, tweede lid en § 3, 2° et 3° " sinds de dag volgend op de einddatum van de beslissing bedoeld in artikel 14, § 1 " gelezen te worden als " sinds de datum van de aanvraag tot herziening bedoeld in artikel 16, eerste lid ".
Artikel 18Indien er op 1 mei 2003 een uitwerking is van een medische beslissing ingevolge een aanvraag vóór 1 mei 2003 of voortvloeiend uit een ambtshalve herziening waarvan de uitwerking begonnen is vóór 1 mei 2003 en deze beslissing uitwerking heeft totdat [het kind geboren uiterlijk op 31 december 1992] de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt, wordt toepassing gemaakt van artikel 16 indien een aanvraag tot herziening van deze beslissing ingediend wordt na 30 april 2003. Nochtans kan toepassing gemaakt worden van de [1 oude regeling]1 totdat het kind de leeftijd van 21 jaar bereikt heeft. <KB 2007-01-29/58, Art. 14, 003; En vigueur : 01-01-2007>
Onderafdeling III. - [1 Kinderen geboren uiterlijk op 31 december 1992]1
Artikel 18BIS [1 Voor de nieuwe aanvragen en aanvragen tot herziening die ingediend worden vanaf 1 mei 2009, is :
a) voor de periode voor 1 mei 2009 de oude regeling van toepassing;
b) voor de periode vanaf 1 mei 2009 de nieuwe regeling van toepassing.
Indien een medische beslissing ingevolge een aanvraag ingediend vóór 1 mei 2009 of voortvloeiend uit een ambtshalve herziening waarvan de uitwerking begonnen is vóór 1 mei 2009, aanleiding geeft tot een ambtshalve herziening die ten vroegste op 1 mei 2009 uitwerking heeft, heeft deze laatste ambtshalve herziening, in afwijking van artikel 23, vierde lid een terugwerkende kracht van vijf jaar, welke ingaat de eerste dag van het trimester in de loop waarvan deze medische beslissing ten einde loopt. Op deze ambtshalve herziening is :
a) de oude regeling van toepassing voor de periode voor 1 mei 2009;
b) de nieuwe regeling van toepassing voor de periode vanaf 1 mei 2009.
Telkens naar aanleiding van een aanvraag tot herziening of een ambtshalve herziening retroactief een hoger bedrag kan worden toegekend, betaalt de instelling het verschil.
Op de latere ambtshalve herzieningen is artikel 23, vierde lid van toepassing.]1
Hoofdstuk 4. De procedure
Artikel 19De aanvragen om kinderbijslag bedoeld in de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten worden ingediend bij de bevoegde instelling.
[1 De instelling onderzoekt of alle toekenningsvoorwaarden, met uitzondering van deze betreffende de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid en de gevolgen van de aandoening, vervuld zijn.
In bevestigend geval zendt de instelling het aanvraagformulier en het inlichtingenformulier, waarvan de modellen vastgesteld zijn door de Dienst, aan de aanvrager.
In afwijking van het derde lid zendt de instelling, die zich daartoe in de materiële mogelijkheid bevindt, de aanvraag aan de Dienst onder de vorm van een elektronische mededeling waarvan het model is vastgesteld door dezelfde Dienst.
In het geval bedoeld in het vierde lid zendt de Dienst dit inlichtingenformulier aan de aanvrager. ]1
De aanvrager zendt deze behoorlijk ingevulde formulieren naar de instelling of de Dienst. Hij kan hieraan reeds medische of sociale verslagen toevoegen.
Artikel 20 De lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid, bedoeld in de artikelen 56septies, § 1, en 63, § 1, van de samengeordende wetten, de graad van zelfredzaamheid, bedoeld in artikel 47, § 1, van dezelfde wetten en de gevolgen van de aandoening, bedoeld in de artikelen 56septies, § 2, en 63, § 2, van dezelfde wetten, worden vastgesteld hetzij door een geneesheer van de Dienst, hetzij door een geneesheer aangewezen door de Minister.
De geneesheren-directeur van de Medische Dienst zijn belast met het toezicht op de geneesheren, voor wat de door hen uitgevoerde onderzoeken bedoeld in artikel 21 betreft.
De geneesheer leeft de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt na bij het uitvoeren van de onderzoeken bedoeld in het tweede lid.
Artikel 21 § 1. De geneesheer vordert van de aanvrager de medische, sociale en andere verslagen die noodzakelijk worden geacht.
De geneesheer zal voor het nemen van een beslissing, naast zijn eigen medische vaststellingen, rekening houden met de medische, sociale en andere verslagen die hem overgemaakt zijn. Daarnaast zal hij zich steunen op gesprekken met het kind en met de personen die de toestand van het kind kennen.
Indien de aanvrager de gevraagde documenten of informatie niet toezendt binnen de 30 dagen stuurt de geneesheer een herinneringsschrijven.
§ 2. Teneinde de onderzoeken te kunnen verrichten wordt aan de ouders of de wettelijke vertegenwoordiger van het kind een oproeping gestuurd. Indien zij nalaten zich voor het onderzoek aan te melden wordt een tweede oproeping gestuurd. Indien er ondanks de tweede oproeping geen gevolg aan wordt gegeven, wordt een beslissing genomen op grond van elementen waarover de geneesheer beschikt.
Indien de geneesheer niet over voldoende elementen beschikt om in het dossier een beslissing te kunnen nemen, zal hij dit mededelen aan de instelling. Deze laatste beslist dat er geen recht is op kinderbijslag in het raam van de artikelen 56septies en 63 van de samengeordende wetten of op de bijslag bedoeld in artikel 47 van dezelfde wetten.
Indien het kind zich om medische redenen niet kan verplaatsen wordt het onderzoek ter plaatse verricht.
De ouders of de wettelijke vertegenwoordiger van het kind, en het kind hebben het recht om zich bij de onderzoeken bedoeld in dit artikel te laten bijstaan door een vertrouwenspersoon, bedoeld in de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.
§ 3. Het resultaat van de vaststelling, bedoeld in artikel 20, eerste lid, wordt medegedeeld aan de Dienst binnen de negentig dagen volgend op de ontvangst door de bevoegde geneesheer van de in artikel 19 bedoelde aanvraag.
Artikel 21BIS <ingevoegd bij KB 2007-04-27/A9, Art. 2, En vigueur : 01-09-2007> In afwijking van artikel 21, §§ 1 en 2, mag de geneesheer zijn onderzoek verrichten op grond van stukken indien hij van oordeel is dat hij beschikt over voldoende informatie om een gefundeerde beslissing te nemen.
Deze bijzondere procedure is beperkt tot aanvragen bedoeld in artikel 19 en aanvragen tot herziening bedoeld in artikel 22.
Deze bijzondere procedure kan niet meermaals na elkaar worden toegepast.
Om in aanmerking te kunnen komen voor deze bijzondere procedure dient de aandoening op korte termijn de levensprognose te bedreigen. Bovendien moet aan één van de volgende voorwaarden zijn voldaan:
a) de zware behandeling heeft gevolgen voor de immuniteit;
b) er is een belangrijke chirurgische ingreep in de loop van de zes maanden na de geboorte of een ongeval;
c) er is een hospitalisering of posttraumatische revalidatie in een instelling gedurende minstens zes maanden;
d) het kind geniet palliatieve verzorging.
De beslissing geldt tot maximaal een jaar na de datum van de aanvraag.
Deze bijzondere procedure is slechts mogelijk in de mate dat de aanvrager zich er niet heeft tegen verzet in het deel A (psychosociale en familiale gegevens) van het inlichtingenformulier.
Artikel 22De gerechtigden op kinderbijslag krachtens de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten kunnen een aanvraag tot herziening indienen bij de bevoegde instelling.
De aanvraag tot herziening brengt een nieuwe evaluatie mee van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid en de zelfredzaamheid van het kind, of van de gevolgen van de aandoening van het kind.
De gegevens die aangebracht worden op het (deel B (medische gegevens) van het inlichtingenformulier) zijn maximum 30 dagen vóór de toezending van de formulieren bedoeld in artikel 19, tweede lid, door de aanvrager aan de instelling of de Dienst, opgesteld. Het medisch formulier vermeldt de aard van de verandering van de aandoening en de gevolgen voor het kind en het gezin. <KB 2007-04-27/A9, Art. 3, 004; En vigueur : 01-09-2007>
[1 De herziening kan ook worden verricht op verzoek van de geneesheer, inzonderheid op basis van nieuwe inlichtingen die worden medegedeeld door de bevoegde kinderbijslaginstelling. De inschrijving als werkzoekende overeenkomstig artikel 62, § 5, van de samengeordende wetten mag op zich geen aanleiding geven tot een herziening.
Telkens ten gevolge van de herziening uitgevoerd kachtens dit artikel een hoger bedrag kan worden toegekend, betaalt de instelling het verschil.]1
Artikel 23Een ambtshalve herziening vindt plaats ingeval een medische beslissing voor een bepaalde duur genomen werd.
[1 De procedure van ambtshalve herziening wordt ingeleid door de Dienst.
Indien evenwel de kinderbijslag wordt toegekend bij toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen, wordt in afwijking van het tweede lid de procedure van ambtshalve herziening ingeleid door de bevoegde instelling ten laatste 150 dagen voor de einddatum van de geldigheid van de medische beslissing.]1
De beslissing die voortvloeit uit de ambtshalve herziening heeft uitwerking vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de einddatum van de geldigheid valt.
Artikel 24 Onverminderd artikel 22, derde en vierde lid, worden de aanvragen tot herziening bedoeld in artikel 22 onderzocht overeenkomstig de (bepalingen van de artikelen 19, 20, 21 en 21bis). <KB 2007-04-27/A9, Art. 4, 004; En vigueur : 01-09-2007>
Artikel 24BIS <ingevoegd bij KB 2007-04-27/A9, Art. 5; En vigueur : 01-09-2007> De ambtshalve herzieningen bedoeld in artikel 23 worden onderzocht overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 20 en 21, §§ 1 en 2.
Hoofdstuk 5. Overgangsen slotbepalingen
Artikel 25 De aanvraag voor een kind geboren na 1 januari 1996 die ingediend wordt in de loop van de maand april 2003 dient te worden beschouwd als een aanvraag ingediend op 1 mei 2003. Bijgevolg is artikel 16, 1°, 3° en 4° van toepassing.
Artikel 26 De artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten, respectievelijk vervangen door de artikelen 85, 86 en 87 van de programmawet (I) van 24 december 2002, treden in werking op 1 mei 2003
Artikel 27 Het koninklijk besluit van 3 mei 1991 wordt opgeheven.
In afwijking van het eerste lid, blijven de artikelen 16, 17, 18 en 19 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 nochtans van toepassing evenals de artikelen van voormeld besluit waarnaar verwezen wordt in dit besluit en in het koninklijk besluit van 28 augustus 1991 tot uitvoering van de artikelen 20, §§ 2 en 3, 26 en 35 van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen en van artikel 23 van het koninklijk besluit van 21 februari 1991 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen.
In afwijking van het eerste lid, blijft het koninklijk besluit van 3 mei 1991 nochtans van toepassing op :
1° de aanvragen bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, en 9 van voormeld besluit, die vóór 1 mei 2003 ingediend zijn doch met betrekking tot dewelke de beslissing van de instelling omtrent het recht op kinderbijslag nog niet genomen is op 30 april 2003;
2° op de ambtshalve herzieningen na een medische beslissing waarvan de einddatum van de geldigheidsduur uiterlijk op 31 maart 2003 valt, waarvoor de beslissing van de instelling omtrent het recht op kinderbijslag nog niet genomen is op 30 april 2003.
Artikel 28 Dit besluit treedt in werking op 1 mei 2003.
Artikel 29 Na verloop van twee jaar stelt de Minister een evaluatieverslag op. Hij legt dit voor aan de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap.
Artikel 30 Onze Minister van Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te 28 maart 2003.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken,
F. VANDENBROUCKE
BIJLAGEN.
Artikel N1 Bijlage 1. Medisch-sociale schaal.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 23-04-2003, p. 25564-25583.)
<Gewijzigd bij : >
<KB 2006-05-03/36, Art. 3; En vigueur : 01-05-2006>
Artikel N2
Bijlage 2. - Lijst van de pediatrische aandoeningen bedoeld in artikel 7, § 1, 1°, om te worden gebruikt bij de vaststelling van de gevolgen van de aandoening bedoeld in de artikelen 47, § 2, 56septies, § 2 en 63,§ 2, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders.
DEEL I : BEENDEREN en GEWRICHTEN
1. Gespleten verhemelte
Het eerste levensjaar (0 tot 12 maand) :
Art. 9 - 10 : voor de fysiologische letsels van de beenderen en de weke delen
Art. 28ter : indien de voornaamste esthetische correctie-ingrepen nog niet zijn uitgevoerd;
Bij de herziening op de leeftijd van 1 jaar = evaluatie volgens de functionele gevolgen :
Art. 12 b) : indien er een opening van het verhemelte blijft voortbestaan;
in dit artikel zijn de spraak- en slikstoornissen inbegrepen;
Art. 548 a) : indien er een spraakstoornis aanwezig is zonder opening van het verhemelte = evaluatie volgens de leeftijd en de revalidatie;
Art. 758 : indien broos, adherent litteken / Art. 28 ter is niet toepasbaar
Gespleten lip of spleet van lip- en tandenboog
Art. 758 : indien broze, adherente littekens / Art. 28 ter is niet toepasbaar
2. Micrognathie
Art. 23 a) : occlusie-afwijkingen
De functionele gevolgen (vb.weerslag op het gewicht of de ademhaling) te evalueren volgens de overeenkomstige artikelen van de OBSI.
3. Scoliose of zware Kyfose
Art. 29-30-31 : rationele raming van de gevolgen van de behandeling (met gips/korset/fixatie-materiaal, ...).op de ongeschiktheid; Deze artikelen kunnen niet gebruikt worden als supplement bij Art. 32.
4. Luxatie / Dysplasie van de heup
Necrose van de femurkop ( Legg-Perthes, traumatische, infectieuse, tumorale, ...)
Art. 210 a) : unilateraal, behandeld met spalken of een immobilisatie van minder dan 6 maanden;
Art. 210 b) : bilateraal of unilateraal maar tenminste 6 maanden immobilisatie in een rolstoel.
5. Klompvoet
Art. 300 : te evalueren volgens het klinisch beeld met verwijzing naar Art. 297 voor een klompvoet met een conservatieve behandeling (gips / spalken / kiné / kinetec en/of percutane interventie)
met verwijzing naar Art. 298 voor een zware en verstijfde klompvoet die benevens een conservatieve behandeling meerdere heelkundige ingrepen noodzakelijk maakt.
In geval van bilaterale klompvoet is een rationele schatting aangewezen op basis van het onderzoek van elke voet afzonderlijk en volgens de hierboven beschreven criteria.
6. Agenesie / Amputaties - partieel of totaal - van de ledematen
Te evalueren volgens de overeenkomstige artikelen van de O.B.S.I.
In geval van aanpassing van een prothese of een apparaat, evaluatie volgens Art. 321.
7. Achondroplasie
Art. 779/7 a)volgens de gestalte zie N°83
Art. 783 met verwijzing volgens de belangrijkheid van de functionele stoornissen
naar Art. 29-30-31 voor de wervelzuil
naar Art. 212 voor heupaandoeningen
naar Art. 268-269 voor knieletsels
naar Art. 296 voor voetletsels
8. Arth rogrypose.
Art. 783) : evaluatie volgens de belangrijkheid van de gewrichtsletsels
9. Osteogenesis imperfecta (Ziekte van Lobstein)
Te evalueren volgens het aantal en de aard van de breuken, de lokalisatie en het belang van de functionele gevolgen op grond van de overeenkomstige artikelen van de O.B.S.I.
10. Vitamino-resistente rachitiden
Art. 212 : voor aandoeningen van de heup
Art. 29-30-31 : voor letsels ter hoogte van de wervelzuil
Art. 477 : voor nieraandoeningen zie N°43
Art. 779/7 : bij groeiachterstand zie N°83
DEEL II : SPIEREN EN SPIERAANHECHTINGEN
11. Amyotrofie
Art. 342-342 bis : de evaluatie geschiedt analoog met de ongeschiktheden ten gevolge van een neurologisch letsel : Art. 545-546 en Art. 580 tot 605
12. Myopathie
Art. 342-342 bis : de evaluatie geschiedt door vergelijking met de analoge neurologische afwijkingen volgens Art. 545-546 en Art. 580 tot 605
DEEL III : BLOEDSOMLOOP
13. Cardiopathie : Structurele component :
Art. 345 a) 10 % : Perforatie of kneuzing van de spierwand
Art. 345 b) 20 % : Ruptuur van het septum
Art. 345 c) 20 % : Letsels van het klepapparaat
Art. 345 d) 10 % : Ritme- en/of geleidingsstoornissen
Het percentage bekomen voor de structurele component kan verhoogd worden met het percentage bekomen voor de functionele component.
14. Cardiopathie : Functionele component :
Art. 359 bis 1b 10-30 % : NYHA- klasse 2 *
Art. 359 bis 1c 30-50 % : NYHA- klasse 3 *
Art. 359 ter. 50-100 % : NYHA- klasse 4 *
Het percentage bekomen voor de functionele component kan verhoogd worden met het percentage voor de structurele component.
Bij zuigelingen met open hart chirurgie of palliatieve cardiovasculaire ingreep de eerste 3 maanden zal een ongeschiktheid van 66 %voor 6 maanden worden toegekend.
Bij zuigelingen met decompensatie (voedingsprobleem met evolutie naar dystrofie) of arteriële desaturatie (sat. < 90 %) zal een ongeschiktheid van 66 % voor 12 maanden worden toegekend.
Na deze periodes zullen de algemene criteria in acht worden genomen om te besluiten tot al of niet verlenging van de ongeschiktheid.
15. Pacemaker :
Art. 345 d) 10-20 % : Ongecompliceerde pacing
Art. 345. d) 20-50 % : Afwezigheid escape-ritme
16. Automatische intracardiale defibrillator : steeds meer dan 66 % ongeschiktheid
Art. 647 b) 20-50 % : Psychische weerslag
Art. 345 d) 20-50 % : Cardiale weerslag
17. Antistolling :
Art. 471 b) 20 %. 18. Kunstklep :
Art. 345 c) 20 % : Structureel
Functioneel : te beoordelen volgens de classificatie van NYHA*
Eventuele antistolling
bijkomend % mits toepassing van de regel van meervoudige ongeschiktheid.
19. Gedecompenseerde polyglobulie :
Art. 359 ter 80 % als bewezen hyperviscositeitssyndroom waarvoor aderlatingen noodzakelijk zijn.
Nota :
Classificatie van hartinsufficiëntie volgens de NYHA (New York Heart Association)
Klasse 1.
De hartaandoening heeft geen beperking van de lichamelijke activiteit tot gevolg. Gewoonlijk geeft het verrichten van fysieke activiteit geen aanleiding tot abnormale vermoeidheid of hartkloppingen, dyspnoe of angor.
Klasse 2.
De hartaandoening heeft een discrete beperking van de lichamelijke activiteit tot gevolg. Geen ongemak tijdens de rust, maar regelmatig brengt het verrichten van fysieke activiteit vermoeidheid,hartkloppingen, dyspnoe of angor met zich mee.
Klasse 3.
De hartaandoening heeft een uitgesproken beperking van de lichamelijke activiteit tot gevolg.
Geen ongemak tijdens de rust,maar reeds een geringe fysieke activiteit heeft vermoeidheid, hartkloppingen, dyspnoe of angor tot gevolg.
Klasse 4.
De hartaandoening maakt de zieke onbekwaam om zich te verplaatsen of om zonder ongemak fysiek actief te zijn. Tekens van hartinsufficiëntie of angor pectoris kunnen zelfs tijdens de rust aanwezig zijn. Wanneer een lichamelijke activiteit wordt ondernomen, verhoogt nog de hinder.
DEEL IV : ADEMHALINGSSTELSEL
20. Astma
Art. 381-382-383 : Er moet voldaan worden aan minimum 3 items per kolom uit de tabel :
(Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 23-04-2003, p. 25597).
21. Pneumothorax
Art. 390.
Art. 391 : volgens de aan -of afwezigheid van exsudaten
22. Bronchopulmonaire dysplasie
Art. 377 tot 380 : volgens de longfunctieproeven, zie N°20
23. Pulmonaire sarcoïdose
Longfunctieproeven te beoordelen volgens de tabel N°20
Art. 398 of 400/401 : volgens de graad van parenchymaantasting
Art. 402 : volgens eventuele bronchusverwikkelingen
24. Tuberculose-primoinfectie
Art. 400.
25. Hypoplasie van de longen
Art. 405 : longfunctieproeven te beoordelen volgens de tabel N°20
Art. 404 : bij volledig functieverlies van een long
26. Longatelectasis
Art. 405 : longfunctieproeven te beoordelen volgens de tabel N°20
Art. 404 : bij volledig functieverlies van een long
27. Congenitale pathologie van de trachea
Art. 386.
DEEL V : SPIJSVERTERINGSSTELSEL.
28. Microglossie
Art. 409 of 410 : volgens de uitgebreidheid van de letsels
29. Slikstoornissen
Art. 414.
Art. 415 a)
Art. 417 : indien sekwellen na ingreep voor een agenesie of een atresie van de slokdarm
Art. 573 : indien neurologische stoornis
30. Gastro-oesofagale reflux (Pathologische)
Te objectiveren door een ph-meting of een scintigrafie met enkelvoudige of dubbele receptor
Art. 416 a) : zonder klinische tekens
Art. 416 b) : met klinische tekens of verwikkelingen
Binnen de limieten van de percentages te evalueren volgens de artikelen :
Art. 431 en 779/7 : evolutie gestalte-gewicht zie N°83 en N°92
Art. 377-378-379 en
381-382-383 : bronchiale verwikkelingen
Art. 417 : slokdarmstoornissen
Art. 697-698-699 : sinusale verwikkelingen
31. Hernia diafragmatica
Art. 421 : indien de hernia verwikkeld is met een ectopia van andere organen of gedeelten ervan
Art. 333 : bij de hernia zonder verwikkelingen
32. Malnutritie (zuigeling)
Art. 431 : van digestieve oorsprong (ondanks aangepaste behandeling) zie N°92
33. Congenitale disacharidase deficiëntie en stoornissen van het aktief suikertransport
Art. 431 : te evalueren volgens de algemene toestand zie N°92
34. Coeliakie
Art. 431 : te evalueren volgens de algemene toestand
35. Ziekte van Hirschsprung
Art. 434 : voor letsels zonder colostomie
Art. 433 : voor de gevallen behandeld met voorlopige colostomie
36. Anale incontinentie van allerlei oorsprong (digestieve, neurologische, psychologische)
Mag slechts in aanmerking genomen worden na de sfinctermaturatie = leeftijd van 4 jaar.
Art. 438-439.
Art. 545 e)
Art. 578 c) en 580.
DEEL VI : HEMATOLOGIE.
37. Sikkelcelanemie
De verwijzing naar het hemoglobine-gehalte, de hematocriet en de globulaire telling is geen goed criterium voor de beoordeling van de ongeschiktheid bij het kind.
Zware sikkelcelanemie : Art. 458 80 - 100 %
Eén van de hiernavolgende criteria moet aanwezig zijn :
. Anemie met Hb lager dan 6 gr/100 ml;
. Acute Chest Syndroom al dan niet gepaard met een pneumonie;
. Cerebrovasculair accident;
. Priapisme;
. Aseptische heupnecrose (afzonderlijk te evalueren zie N°4);
. Ademhalingsinsufficiëntie met geobjectiveerde functionele afwijkingen.
Ernstige sikkelcelanemie : Art. 458 66 - 79 %
Twee hospitalisaties per jaar wegens vaso-occlusieve crisissen
Herhaalde vaso-occlusieve crisissen ondanks een aangepaste behandeling (Geen rekening houden met het hemoglobinegehalte)
Matige sikkelcelanemie : Art. 458 50 - 65 %
Eén hospitalisatie per jaar wegens vaso-occlusieve crisis (niet louter voor een bilan)
Pijnlijke crisissen zijn eerder zeldzaam;
Gunstige evolutie onder hydroxycarbamide;
Behandeling van de pijn in daghospitaal.
Lichte sikkelcelanemie : Art. 458 25 - 49 %
Het kind gaat goed met zijn behandeling;
Opvolging verloopt 1x per 3 maand.
38. AIDS
Zware aantasting : Art. 462 80 - 100 %
Eén van de hiernavolgende criteria moet aanwezig zijn :
. Diepe immunodeficiëntie overeenkomend met stadium III van de classificatie;
. Twee of zelfs meer hospitalisaties per jaar wegens verwikkelingen of instellen van een nieuwe behandeling;
. Continu antibioticatherapie en tritherapie;
. Nood aan parenterale voeding;
. Mislukking van de tritherapie en de proef-behandeling.
Ernstige aantasting : Art. 462 66 - 79 %
Continu tritherapie met intermitterend een antibioticakuur en/of één hospitalisatie per jaar wegens verwikkelingen;
Matige aantasting : Art. 462 50 - 65 %
Continu bitherapie zonder verergering van de algemene toestand;
Lichte aantasting : Art. 462 25 - 49 %
Seropositiviteit zonder behandeling.
39. Ernstige Immunodeficiëntie (aangeboren of verworven)
Naar analogie zich baseren op het Art. 463 : 60 - 100 %
De agranulocytose van Kostmann : de zware aangeboren leukopenie (met minder dan 1000 PN/ml ondanks de behandeling met granulocyte colony-stimulating factor) :
gedurende het eerste jaar na de transplantatie (met hospitalisaties en heelkundige ingrepen) = meer dan 80 % ongeschiktheid
vanaf het tweede jaar evaluatie volgens de functionele gevolgen zie Artikelen OBSI.
met behandeling,maar zonder klinische weerslag,meestal minder dan 66 % ongeschikt.
40. Hemofilie en Ziekte van von Willebrand
Bij de evaluatie dient rekening gehouden met de waarde van factor VIII of factor IX,
het aantal transfusies (notitieboekje), de gewrichtsletsels, de hospitalisaties, ....
Zware aantasting : Art. 471 c) 80 - 100 %
Transfusies van factor VIII of factor IX minstens 2x per week gedurende meer dan 4 maanden en met hardnekkige gewrichtsaantastingen;
Patiënten resistent aan de behandeling.
Ernstige aantasting : Art. 471 c) 66 - 79 %
Transfusies van factor VIII of factor IX 1x per week gedurende meer dan 4 maanden zonder gewichtsletsels.
Matige aantasting : Art. 471 c) 50 - 65 %
Transfusies van factor VIII of factor IX 1x per week gedurende minstens 2 maanden.
Lichte aantasting : Art. 471 c) 25 - 49 %
Transfusies van factor VIII of factor IX minder dan 1xper week en/of factor VIII of factor IX lager dan 5 %
41. Trombopathie
Ernstige aantasting : Art. 470 meer dan 66 %
Purpura met minder dan 20.000 bloedplaatjes buiten de acute fasen
Trombopathieën met herhaalde bloedingen
Matige aantasting : Art. 470 50 - 65 %
Purpura met aantal bloedplaatjes tussen 20.000 en 50.000 buiten de acute fasen
42. Thalassemia
Bij de evaluatie geen verwijzing naar het gehalte hemoglobine
Zware aantasting : Art. 458 80 - 100 %
Thalassemia major vereist hospitalisaties wegens verwikkelingen
Ernstige aantasting : Art. 458 66 - 79 %
Thalassemia major vereist transfusies om de 3 à 4 weken
Matige aantasting : Art. 458 50 - 65 %
Thalassemia major wordt behandeld met deferoxamine zonder verwikkelingen
Lichte aantasting : Art. 458 25 - 49 %
Thalassemia intermediaire vorm
DEEL VII : NIERZIEKTEN en UROLOGISCHE AANDOENINGEN
43. Nieraandoeningen
Art. 477 : te evalueren met inachtneming van de volgende regels :
a. Chronische nieraandoeningen met aantasting van de glomerulaire filtratie :
Wordt geraamd met creatinine-, inuline- of CrEDTA-klaring of volgens een erkende extrapolatie formule uitgaande van de creatinemie en rekening houdend met de leeftijd, het geslacht, de lengte, het gewicht en de pubertaire status.
(zoals de formule van Schwartz bij de vroegere serumcreatinine-bepaling).
Vanaf de leeftijd van 1 jaar :
1. Lichte nieraandoeningen (0 tot 24 %) :
Vereisen een regelmatige klinische en biologische controle zonder weerslag op het normale dagelijkse, sociale en schoolse leven. De glomerulaire filtratie is hoger dan 70 ml/minuut per 1,73 m2.
2. Matige nieraandoeningen (25 tot 65 %)
Vereisen een regelmatige klinische en biologische opvolging, een dieet of een medicamenteuze behandeling maar blijven verenigbaar met een aangepast sociaal en schools leven. De glomerulaire filtratie is tussen 70 en 30 ml/min per 1,73 m2.
3. Ernstige nieraandoeningen (66 tot 79 %) :
Chronische nierinsufficiëntie, niet gecompenseerd door dieet en behandeling, met een uitgesproken weerslag op het normale dagelijkse sociale en schoolse leven en met een glomerulaire filtratie minder dan 30 ml/min en meer dan 15 ml/min per 1,73 m2.
4. Zeer ernstige nieraandoeningen (80 tot 100 %) :
Ernstige chronische nierinsufficiëntie) met een glomerulaire filtratie kleiner dan 15 ml/min per 1,73 m2, met conservatieve behandeling of met nood aan dialyse-therapie (hemo- of peritoneale dialyse).
Vóór de leeftijd van 1 jaar spreekt men over chronische nierinsufficiëntie wanneer er gedurende 3 maanden een creatinemie (enzymatische methode) blijft bestaan van meer dan 0.4 mg/dl met een verandering (geobjectiveerd door beeldvorming of histologie) van het nierparenchym. In elk geval moeten al deze waarden, geval per geval, geïnterpreteerd worden rekening houdend met de algemene toestand van het kind, de groei, de diurese, de anemie, de ionenstoornissen of de botaantasting.
b. Niertransplantatie en chronische nieraandoeningen zonder aantasting van de glomerulaire filtratie maar met klinische symptomen (groeiachterstand, nefrotisch syndroom, arteriële hypertensie, ionenstoornissen, ....) :
1.0 tot 24 % : Vereisen een regelmatige klinische en biologische opvolging doch zonder weerslag op het normale dagelijkse, sociale en schoolse leven.
2.25 tot 65 % : Vereisen een regelmatige klinische en biologische opvolging, een dieet of een medicamenteuze behandeling OF de aanschaf van apparatuur (bloeddrukmeter, urinestrips) maar blijven verenigbaar met een aangepast sociaal en schools leven.
Hierbij ook de niertransplantatie van meer dan 12 maanden.
3.66 tot 79 % : Niet gecompenseerd door dieet en behandeling, met uitgesproken weerslag op het dagelijkse sociale en schoolse leven.
Hierbij ook de niertransplantatie van meer dan 6 maanden maar minder dan 12 maanden.
4.80 tot 100 % : Dieet en behandeling volstaan niet om de symptomen te vermijden (frequent herval, noodzaak om de behandeling regelmatig aan te passen, ongunstige evolutie, ...) Ernstige aandoening die het dagelijkse sociale en schoolse leven volledig verstoort.
Hierbij ook de niertransplantatie van minder dan 6 maanden.
De symptomen, hierboven beschreven, mogen niet afzonderlijk worden geëvalueerd maar het geheel van de symptomatologie moet beoordeeld worden.
44. Vesico-Uretrale Reflux
Art. 481 : volgens de graad van hydronefrose
Art. 477 : met nierpathologie zie N°43
45. Nierstenen
Art. 482.
46. Oxalose
Art. 477-482 : volgens de ernst van de nierletsels zie N°43
47. Functionele afwijkingen van de urinewegen(retentie of incontinentie)
Te bevestigen door paraklinische testen, indien mogelijk.
a) Lichte en intermittente functionele problemen (pollakisurie, dysurie, intermittente urinaire incontinentie, enuresis nachts of overdag) na de leeftijd van 6 jaar :
Art. 483 a)b)c) : 10 % tot 20 %
b) Intense nachtelijke pollakiurie na de leeftijd van 6 jaar (tussenpozen van 1 uur of minder) : Art. 483 d) : 40 %
c) Permanente functionele problemen : Volledige urinaire incontinentie na de leeftijd van 6 jaar Art. 483 e) : 60 % tot 100 %
d) Urinaire retentie :
- gecontroleerde urinaire retentie (tapotage) : Art. 484 b : 50 %
- urinaire sondage meermaals per dag of urinaire sonde : Art. 484 a) : 70 %
- stoma (cystostomie, ureterostomie) : Art. 487 : 70 - 80 %.
DEEL VIII : NEUROPSYCHIATRIE.
Zenuwstelsel
48. Spraakstoornis van cerebrale oorsprong en ontwikkelingsdysfasie
Art. 548 dit artikel mag niet worden gebruikt bij een intellectuele of culturele oorzaak van de spraakstoornis.
49. Stotteren in belangrijke mate
Art. 548 a)
50. Onwillekeurige bewegingen
Art. 554 d), f) : chorea,athetose en choreo-athetose
Art. 554 a), b) : krampachtige tics
eventuele uitspraakmoeilijkheden te evalueren volgens Art. 548 a)
Art. 554 c) of d) : spastische torticollis
Het syndroom van Gilles de la Tourette moet beoordeeld worden volgens de complexiteit van de tics (pirouettes/vocale tics, ..) en/of de aanwezigheid van dwanggedachten en dwanghandelingen.
51. Misvormingen van de schedel (macro- en microcefalie / craniostenose......)
Art. 555 : intracraniële overdruk
Art. 545 tot 547 : met cerebromotorische letsels
Art. 665 tot 668 : met intellectuele moeilijkheden zie N°64 - 65
52. Hydrocefalie
Art. 544 : in geval van een draineerbuis zonder verwikkelingen
Art. 555 : intracraniële overdruk
Art. 665 tot 668 : volgens het intellectueel deficit zie N°64 - 65
53. Hersenangioma (gecalcifieerd)
Art. 558 tot 561 : bij epilepsie
Art. 665 tot 668 : volgens de intellectuele weerslag zie N°64 - 65
54. Meningocoele - Myelomeningocoele - Spina bifida
Art. 579-580 : volgens de verlammingen ter hoogte van de onderste ledematen
Art. 555 : bij intracraniële overdruk
Art. 586 tot 588 : bij gevoelsstoornissen
Art. 589-590 : bij sfincterstoornissen
55. Ziekte van von Recklinghausen
Art. 665 tot 668 : volgens de intellectuele weerslag zie N°64 - 65
Art. 558 tot 561 : bij epilepsie
Art. 728 en 784 : glioom van het chiasma te evalueren volgens de gevolgen
56. Tubereuse sclerose van Bourneville
Art. 665 tot 668 : volgens de intellectuele weerslag zie N°64 - 65
Art. 558 tot 561 : voor epilepsie en flexiespasmen
Psychische Aandoeningen
57.
Chronisch Vermoeidheidssyndroom
Art. 646. 58. Anorexia Nervosa
Art. 649. 59. Infantiele Psychose of Schizofrenie van de adolescent
Art. 657 tot 659. In geval van bijkomend intellectueel deficit zie N°64 - 65
60. Hyperkinetisch syndroom (A.D.H.D.) en verwante gedragsstoornissen
Art. 654 en
665 tot 668 : volgens de criteria 1) of/en 2) :
1) Criteria ADHD met normaal IQ :
- stoornissen in gedrag en socialisatie : 5 - 25 %
- leerproblemen die speciale hup vragen : 5 - 25 %
2) Criteria ADHD met laag IQ : te evalueren volgens N°64 - 65 (percentage niet optellen bij 1), maar toepassen regel van meervoudige ongeschiktheid)
61. Autisme Spectrumstoornis (ASS) en verwante ontwikkelingsstoornissen
Art. 665 tot 668 : volgens de criteria 1) of/en 2) :
1) Criteria ASS met normaal IQ :
- symptomen van autisme spectrumstoornis : 0 - 45 %
(tekortkoming in het sociale contact, gedragsproblemen, stoornis in de communicatie)
- behoefte aan ondersteuning door de omgeving(verhogingspercentage) : 0 - 25 %
2) Criteria ASS met laag IQ : te evalueren volgens N°64 - 65 (percentage niet optellen bij 1), maar toepassen regel van meervoudige ongeschiktheid)
62. Toxicomanie - Drugverslaving
Art. 664.
63. Verslaving aan geneesmiddelen
Art. 664. a) : indien psychische verslaving
Art. 664. a) tot d) : indien fysieke verslaving
Oligofrenie
64. Psychomotore achterstand ( tot de leeftijd van 6 jaar).
Art. 665 tot 668 : te evalueren in functie van het klinisch onderzoek en met behulp van een gestandaardiseerde test voor de verschillende functies ( motoriek, vaardigheden en taal, niet-verbale intelligentie en socialisatie). Het resultaat wordt uitgedrukt door de vergelijking van de vastgestelde ontwikkelingsleeftijd met de kalenderleeftijd, t.t.z. het ontwikkelingsquotiënt (O.Q.)
Ontwikkelingsquotiënt Ongeschiktheidspercentage
70 - 80 5 - 24 %
60 - 69 25 - 65 %
40 - 59 66 - 79 %
39 en lager 80 - 100 %
Binnen elk interval wordt het percentage lineair berekend volgens de waarden van het O.Q.
65. Geesteszwakheid, leerstoornissen (dyspraxie, dyslexie, ...) met schoolse achterstand
(vanaf de leeftijd van 6 jaar).
Art. 665. tot 668 : te evalueren volgens de waarde van het intelligentie-quotiënt (I.Q.) bekomen met een goed gestandaardiseerde test en rekening houdende met het sociaal aanpassingsgedrag en de verworven schoolse vaardigheden :
Zwakbegaafdheid of leerstoornissen met een I.Q. tussen 70 en 5 tot 24 %
80 en een achterstand van 2-3 jaar voor de schoolse
basisvaardigheden.* +
Geesteszwakheid met een I.Q. tussen 60 en 69 of een 25 tot 65 %
achterstand van 4 jaar voor de schoolse basisvaardig-
heden.*+
Geesteszwakheid met een I.Q. lager dan 60 of een achterstand 66 tot 79 %
van 5 jaar of meer voor de schoolse basisvaardigheden.* +
Geesteszwakheid met een I.Q. lager dan 40.* 80 tot 100 %
* Binnen elk interval wordt het percentage lineair berekend volgens de waarden van het I.Q.
+ Schoolse achterstand : achterstand inzake schoolse vaardigheden (lezen,spellen, rekenen) ondanks aantoonbare, planmatige en intensieve remediëringsinspanningen of aangepast onderwijs. De achterstand wordt geëvalueerd door referen aan een normale ontwikkeling bereikt op de leeftijd van 12 jaar.
66. Chromosoomafwijkingen, genetische en metabolische ziekten die de geestesontwikkeling aantasten
(vb. trisomie 21/ 9 / 15, fragiel- X syndroom, deletie van chromosomen,, ...)
Art. 665 tot 668 : volgens de geesteszwakheid en de leeftijd zie N°64 - 65
[1 In geval van genetische of chromosoomaandoeningen waarvan de evolutie gewoonlijk nadelig is op het vlak van de motorische en geestelijke ontwikkeling zodat volgens punt 64 een ontwikkelingsquotiënt van minder dan 60 wordt vastgesteld binnen de twee eerste levensjaren, wordt de ongeschiktheid bepaald op 66 % vanaf de geboorte.]1
DEEL IX : NEUS - KEEL -en OORAANDOENINGEN.
67. Spraakstoornis gecombineerd met doofheid
De gehoordaling wordt geëvalueerd volgens N°68.
Verhogingspercentage volgens Art. 548 a) :
Tot het ontwikkelen van de spraak wordt het maximum van dit artikel toegekend;
Na het ontwikkelen van de spraak zal deze worden gewaardeerd in functie van :
- de articulatie
- de actieve spraak
- het passief begrijpen op basis van logopedische verslagen.
68. Aangeboren of verworven aandoeningen van het oor
Art. 710 - 711 : onesthetische letsels
Art. 712 : de tonale liminaire audiometrie wordt uitgevoerd met en zonder prothesen.
De ongeschiktheidsgraad is gelijk aan het rekenkundig gemiddelde van de invaliditeits- percentages op de tabel van het gemiddelde tonaal verlies voor elk van deze audiogrammen.
Art. 713 : de vocale audiometrie wordt gedaan met prothesen.
Wanneer ze onmogelijk is omwille van een onvoldoende perceptie van het woord, dient het maximum van het artikel (10pct.) te worden toegekend.
Art. 718 tot 721.
DEEL X : OFTALMOLOGISCHE AANDOENINGEN.
Voor het kind jonger dan 6 jaar moeten de testen die de oogfunctie meten niet alleen aangepast worden aan de leeftijd van het kind maar ook aan zijn psychomotore ontwikkeling.
Het commentaar van de OBSI in deel 10 n°1 C, opmerking 4) blijft geldig voor kinderen onder de 6 jaar : " De bepaling van de gezichtsscherpte zal in sommige gevallen slechts een schatting zijn, die methodisch gestaafd zal worden ". De keuze van de testen wordt dus overgelaten aan het oordeel van de specialisten in functie van de psychomotore rijpheid van het kind.
69. Visuele functies
a) Gezichtsscherpte : Art. 728
- Bij het kind dat kan spreken worden de beeldtesten of de optotypen van Snellen of de schaal van de C ringen van Landolt of de schaal van de letters of cijfers gebruikt in functie van de psychomotore evolutie van het kind. De resultaten worden omgezet in decimale eenheden van Monoyer.
- Bij het kind dat nog niet spreekt, - in het algemeen jonger dan 3 en een half jaar-, wordt de methode van de preferentiële blik enkel gebruikt wanneer de hoger beschreven methoden niet toepasbaar zijn. De resultaten worden omgezet in decimale eenheden van Monoyer met behulp van de schattingstabel voor de gezichtsscherpte.
b) Gezichtsveld : Art. 729 tot 734
Het gezichtsveld wordt enkel bepaald vanaf de leeftijd van ten volle 6 jaar of vanaf de leeftijd van een psychomotore ontwikkeling gelijk aan 6 jaar. Enkel de hemianopsie kan vóór deze leeftijd bepaald worden door de confrontatietest.
c) Licht- en kleurenzin, binoculair zicht, diplopie, interne verlammingen :
Art. 735 tot 739.
De gebruikte methoden zijn dezelfde als voor de volwassenen, maar enkel indien de leeftijd van het kind dit toelaat. Die functies worden dus geëvalueerd in functie van de leeftijd van het kind.
70. Unilateraal of Bilateraal Cataract.
Niet geopereerd cataract : Art. 728 zie N°69
Art. 729 tot 734 zie N°69. _ Geopereerd cataract : Art. 728 zie N°69
Art. 729 tot 734 zie N°69. _ Ingeval van lensimplant zijn de artikelen voor afakie niet toepasbaar (art 742 tot 745).
Een verhoging met 10 % is enkel toegelaten voor het verlies van de accommodatie.
Bij het kind met een echte afakie blijven deze artikelen van toepassing.
71. Retinale dystrofieën
Art. 728 zie N°69.
Art. 733 : het gezichtsveld bij het kind onder de 6 jaar wordt geschat volgens deze regel : Een gestandaardiseerd electroretinogram (ERG) dat minstens tweemaal wordt uitgevoerd en dat amplituden van maximum 10 %van de normale waarden vertoont, is gelijk aan een gezichtsveld beperkt tot een temporale straal van 20°.
72. Functionele amblyopie en strabisme
Strabisme op zich geeft geen aanleiding tot een ongeschiktheid behalve voor amblyopie vanaf de leeftijd van 6 jaar. Functionele amblyopie (ten gevolge van een hypermetropie, een myopie, een astigmatisme, een anisometropie) wordt ook slechts geëvalueerd vanaf de leeftijd van 6 jaar; vermits volledig reversibel in geval van vroegtijdige diagnose en behandeling.
73. Visueel deficit van cerebrale oorsprong
De schatting van de amblyopie wordt overgelaten aan de geneesheer-specialist.
74.
Geïsoleerde nystagmus.
Zonder geassocieerde aandoening : Art. 728 tot 734 en de bemerking 2 van hoofdstuk 1)C.
In geval van geassocieerde aandoeningen zijn Art. 728 tot 734 van toepassing.
DEEL XI : HUIDAANDOENINGEN.
75. Eczeem
Art. 761.
76. Ichtyosis
Art. 764 bis - 765 : te evalueren volgens de functionele hinder
77. Epidermolysis bullosa
Art. 764 bis - 765 : te evalueren volgens de functionele hinder
DEEL XII : ENDOKRIENE AANDOENINGEN
78. Hyperthyroïdie
Art. 779/1a). Art. 779/1b) : met blijvend struma en met lokale druksymptomen
Art. 779/1c) : met exoftalmie (ernstige graad, te objectiveren)
79. Hypothyroïdie
Art. 779/2a) : de eventuele geassocieerde mentale retardatie en pubertas praecox
worden beoordeeld zoals voorzien voor de respectievelijke aandoeningen.
Art. 779/3 : kropgezwel.
80. Hypoparathyroïdie
Art. 779/4a) : als stabiele toestand
Art. 779/4b) : als herhaalde tetanie niettegenstaande dagelijkse therapie
81. Hyperparathyroïdie
Art. 904 / 783 / 482 : beoordeling voor uitzonderlijke onbehandelbare vormen
82. Grote gestalte
Art. 779/6 : enkel aanrekenbaar als er functionele of psychische stoornissen aanwezig zijn en als de lengte groter is dan +3SD 10 %
+4SD 20 %
Art. 779/5 : acromegalie.
83. Kleine gestalte
Art. 779/7a) : lengte kleiner dan -4SD 50 %
Art. 779/7b) : lengte kleiner dan -3SD 30 %
Art. 779/7c) : lengte kleiner dan -2SD 10 %
Indien er geassocieerde hypotrofie bestaat, kan er een bijkomend % toegekend worden (hypotrofie zie N°92)
84. Cushing syndroom
Art. 779/8 : bot- en/of huidproblematiek
Art. 368 e) : geassocieerde arteriële hypertensie
Art. 780a) : geassocieerde diabetes mellitus
Art. 779/10b) :
iatrogene bijnierschorsinsufficiëntie 20-50 % in functie van de weerslag op de algemene toestand.
85. Hypopituïtarisme.
Art. 779/9a) : totale uitval.
Art. 779/9b) : selectieve uitval
* 10 % als enkelvoudige substitutie mogelijk is vb.
GH
* 30 % bij meervoudige substitutie zonder cortisol
* 60 % bij meervoudige substitutie inclusief cortisol
86. Bijnierschorsinsufficiëntie
Art. 779/10a) : geen residuele secretie
Art. 779/10b) : residuele secretie aanwezig
87. Diabetes mellitus :
Art. 780a) : NIDDM -> 0-20 %.
Art. 780b) : IDDM zonder verwikkelingen en zonder invloed op de normale activiteit -> 20-40 %
Art. 780c) : IDDM met invloed op de normale activiteit doch zonder verwikkelingen -> 40-60 %
Art. 780d) : IDDM leidt, _ ondanks optimale behandeling, tot
* complicaties
* frequente ernstige hypoglycemies (hospitalisatie of geassisteerde hersuikering)
* ernstige, gedocumenteerde psychologische weerslag (met de gepaste begeleiding), die de activiteit van het kind sterk beperken.
88. Diabetes insipidus
Art. 781a) : zonder behandelingsmoeilijkheden
Art. 781b) moeilijk behandelbaar euro 30-60 % (in functie van de frequentie van de hospitalisaties)
89. Hyperinsulinisme
Art. 780a) gecorrigeerde toestand
Art. 780b) stabiele toestand mits behandeling
Art. 780c) of d) : niet controleerbaar hyperinsulinisme 40-100 % (in functie van de weerslag op de algemene toestand en de hospitalisatienood)
90. Volledige gonadale insufficiëntie
Mannelijke :
Art. 493b) vanaf 13 jaar 30 % (inbegrepen is de hormonale substitutie en eventuele prothese)
Een bijkomend % volgens Art 648 a) is mogelijk vanaf 16 jaar als er sprake is van een psychische weerslag- gedocumenteerd- (met een aangepaste begeleiding)
Vrouwelijke :
Art. 513 : vanaf 11 jaar 30 % (inbegrepen is de hormonale substitutie)
Een bijkomend % volgens Art. 648 a) is mogelijk vanaf 16 jaar als er sprake is van een psychische weerslag - gedocumenteerd- (met een aangepaste begeleiding).
91. Obesitas
Enkel aanrekenbaar indien endogeen en aanwezig ondanks een ononderbroken, gepaste behandeling (dieet, medicatie, lichaamsbeweging, ...)
Art. 649a) of 779/9b) als BMI groter dan + 2SD 10 %
Art. 649b) of 779/9b) als BMI groter dan + 4SD 30 %
Art. 649c) of 779/9b) als BMI groter dan + 6SD 60 %
92. Hypotrofie
Art. 431a) als BMI kleiner dan - 2 SD 10 %
Art. 431b) als BMI kleiner dan - 3 SD 30 %
Art. 431c) als BMI kleiner dan - 4 SD 60 %
93. Sexuele ambiguïteiten
Het invaliditeitspercentage wordt verminderd na heelkundige correctie zelfs als er een ander sexueel fenotype gekozen werd.
Misvormingen vrouwelijke geslachtsorganen (vrouwelijk pseudohermafroditisme)
Art. 501a) of b) vanaf 16 jaar volgens de graad en de behandeling
Misvormingen mannelijke geslachtsorganen (mannelijk pseudohermafroditisme)
Art. 491a) : hypospadias, _ naargelang de graad :
Een meatus ter hoogte van de glans geeft het minimumpercentage;
Een meatus ter hoogte van het perineum het maximumpercentage.
Art. 491b) : ernstige misvorming van de penis waarvoor veelvuldige zware ingrepen noodzakelijk zijn, naargelang de psychologische weerslag (waarvoor in behandeling).
Circumcisie : niet aanrekenbaar.
DEEL XIII : KANKER.
94. Kwaadaardige gezwellen
Te evalueren volgens de behandelingheelkunde en/of chemotherapie en/of radiotherapie;
Art. 784 : meer dan 80 % ongeschiktheid gedurende de zwaarste behandelingsperiode
66 % tot 80 % ongeschiktheid gedurende de onderhoudsbehandeling, te evalueren op grond van de therapeutische resultaten en de algemene toestand.
Na de stopzetting van de antikankerbehandeling evaluatie van de functionele gevolgen volgens de overeenkomstige artikelen OBSI.
95. Leucemie
Art. 464 : gedurende de ernstige behandelingsperiode tot de consolidatie en bij herhaalde hospitalisaties;
Art. 463 : gedurende de onderhoudsbehandeling, te evalueren op grond van de therapeutische resultaten en de weerslag op de algemene toestand;
Na de stopzetting van de behandeling : evaluatie van de functionele gevolgen volgens de overeenkomstige artikelen OBSI.
96. Goedaardige gezwellen en Gezwellen uitsluitend chirurgisch behandeld ( zonder aanvullende behandeling bij middel van chemotherapie of radiotherapie) :
Evaluatie van de functionele hinder na de ingreep volgens de overeenkomstige artikelen van de OBSI.
DEEL XIV : METABOLE AANDOENINGEN, MULTISYSTEEMZIEKTEN en SPECIFIEKE SYNDROMEN.
97. Marfan syndroom
Art. 341 : hyperlaxiteit der ligamenten
Art. 745bis : subluxatie van de lens
Art. 366 : vasculaire letsels.
Art. 29 tot 31 : wervelzuilletsels
98. Lupus erythematosus disseminatus
Art. 349 : hartletsels.
Art. 362 b) : vasculaire letsels
Art. 389 : pleurale longletsels
Art. 783 : gewrichtsletsels.
Art. 477 : nefrologische letsels zie N°43
99. Periarteritis nodosa
Art. 349 : hartletsels.
Art. 362 b) en Art. 367 : vasculaire letsels
Art. 368 c) + bis : arteriële hypertensie
100. Ziekte van Klippel-Trenaunay hypertrofische hemiangiectasieën
Art. 374-375 : vasculaire letsels
Art. 783 : gewrichtsletsels.
101. Mucoviscidose
Art. 377 tot 380 : letsels ter hoogte van de bronchi
Art. 384-385 : bronchiectatische letsels
Art. 447 : pancreasletsels.
Art. 697 tot 699 : sinusitis
102. Galactosemie
Art. 445 : leverletsels.
Art. 477 : nierletsels zie N°43
Art. 742 : oogletsels (cataract) zie N°70
Art. 665-668 : geestesstoornissen zie N°64 - 65
103. Hepatolenticulaire degeneratie (Ziekte van Wilson)
Art. 445 : leverletsels.
Art. 554 : neurologische letsels
Art. 477 : nierletsels (Fanconi) zie N°43
Art. 665-668 : cerebrale letsels zie N°64 - 65
104. Glycogeen-opstapelingsziekten
Art. 445 : leverletsels.
Art. 646 a) : eventuele asthenie
Art. 342bis : gewrichtsletsels
Art. 355 : cardiale letsels.
Art. 665 tot 668 :
geestesstoornissen zie N°64 - 65
105. Porphyrie
Art. 445 a)-b) : leverletsels.
Art. 764 bis : huidletsels, volgens de aard der symptomen
Art. 628 tot 631 : neurologische letsels
106. Histiocytose
Art. 462 : volgens de functionele hinder en de weerslag op de algemene toestand
107. Syndroom van Alport
Art. 477 : nierletsels zie N°43
Art. 712 : gehoorstoornissen zie N°67 - 68
Art. 728 : oogletsels.
108. Leucinose
Art. 665 tot 668 : geestesstoornissen zie N°64 - 65
Art. 558-559-560 : gepaard met epilepsie
Art. 646 b) : eventuele asthenie
Art. 431 : hypotrofie zie N°92
109. Gevolgen van Prematuriteit
Art. 377 tot 380 : longletsels
Art. 431 : enteropathie / hypotrofie zie N°92
Art. 665 tot 668 : intellectuele stoornissen zie N°64 - 65
110. Prader-Willi syndroom
Art. 665 tot 668 : geestesstoornissen zie N°64 - 65
Art. 342 bis : spierhypotonie.
Art. 779 : endocriene stoornissen
111. Homocystinurie
Art. 665 tot 668 : geestesstoornissen zie N°64 - 65
Art. 745 bis : lensluxatie.
Art. 29 tot 31 : wervelzuilmisvormingen
Art. 783 : gewrichtsafwijkingen
112. Syndroom van Sturge Weber
Art. 363 : angiomatose.
Art. 728-749 : oculaire stoornissen zie N°69
Art. 558 tot 560 : epilepsie.
Art. 665 tot 668 : geestesstoornissen zie N°64 - 65
113. Sfingolipidose
Art. 665 tot 668 : geestesstoornissen zie N°64 - 65
Art. 445 a) b) : leverfunctiestoornissen
114. Phenylketonurie
Art. 665 : geestesstoornissen zie N°64 - 65
Art. 445 a) : leverstoornissen
Art. 646 a) : asthenie.
115. Congenitale fructose intolerantie
Art. 431 : hypotrofie zie N°92
Art. 445 a) : leverletsels.
Art. 477 : tubulopathie zie N°43
116. Hyperornithinemie met atrofie van de chorio-retina
Art. 723 of 728 of 733 : oogletsels
Art. 342 en 342bis : spieratrofie
Art. 445 : leverletsels.
117. Veralgemeende arthritis
Art. 783 : te evalueren volgens het aantal opstoten en de weerslag op de gewrichten en de algemene toestand.
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 28 maart 2003.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken,
F. VANDENBROUCKE.
----------
(1)<KB 2009-02-12/40, Art. 2, 005; Inwerkingtreding : 16-03-2009>