Ministeriële circulaire met betrekking tot de gerechtelijke jeugdbescherming.Wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, zoals gewijzigd door de wet van 2 februari 1994 en de wetten van 30 juni 1994 .
- Section :
- Législation
- Source :
- Numac 1995801610
Texte original :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Artikel IKELSGEWIJZE BESPREKING
Artikel M1 1. Artikel 36bis : De bevoegdheid inzake het wegverkeer.
Aan artikel 36bis werden slechts een beperkt aantal wijzigingen aangebracht.
1.1. Opdat de wet zonder onderscheid van toepassing zou zijn op Belgen en vreemdelingen en iedere verwijzing naar het persoonlijk statuut zou worden vermeden werden in het eerste lid de woorden "minderjarigen die meer dan 16 jaar" vervangen door de woorden "personen ouder dan 16 jaar en beneden 18 jaar". (1)
Om dezelfde redenen werden in het laatste lid de woorden "bedoelde minderjarigen" vervangen door de woorden "bedoelde personen".
1.2. Gelet op de nieuwe wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen werden in het eerste lid, 3° de woorden "de wet van 1 juli 1956" vervangen door de woorden "de wet van 21 november 1989". (2)
1.3. In het tweede lid werd de eerste zin "De debatten voor die gerechten hebben in raadkamer plaats" weggelaten. In de tweede zin werden de woorden "Indien eruit.." vervangen door de woorden "Indien uit de debatten voor die gerechten...". Hierdoor valt de verplichting weg om voor de in dit artikel omschreven verkeersmisdrijven, die gepleegd werden door personen tussen 16 jaar en 18 jaar, de debatten in raadkamer te houden bij de behandeling door de gerechten bevoegd op grond van het gemene recht.
Het nadeel van de debatten in raadkamer in geval van samenhang met vervolgingen ten aanzien van meerderjarigen werd reeds meerdere malen onderstreept. (3) Hetzelfde nadeel deed zich voor wanneer zowel voor als na de leeftijd van 18 jaar strafbare feiten werden gepleegd. Tenslotte werd in de Kamer erop gewezen dat de openbaarheid van de debatten, in de gevallen voorzien bij voormeld artikel 36bis, weinig nadeel zal berokkenen aan de jongere. Het werd uitzonderlijk geacht dat tijdens het onderzoek van die zaken persoonlijkheidselementen aan bod komen. (4)
Artikel M2 2. Artikel 37 : De maatregelen die door de jeugdrechtbanken kunnen worden genomen
Door de wet van 2 februari 1994 werden een aantal terminologische wijzigingen aangebracht. In paragraaf 2 en paragraaf 3, 2° werden de woorden "volle leeftijd" telkens vervangen door de woorden "leeftijd". In dezelfde paragraaf 2 werd in punt 4 van de Nederlandse tekst het woord "instanties" vervangen door het woord "overheden". In paragraaf 3, lid 2, 1° werd de Nederlandse tekst verbeterd om mogelijke misverstanden te voorkomen. (5) Enkel voor de vordering van het openbaar ministerie is vereist dat de "betrokkene blijk geeft van aanhoudend wangedrag of zich gevaarlijk gedraagt". In paragraaf 3, lid 2, 2° van de Nederlandse tekst werden eenvoudigweg de woorden "als misdrijf omschreven feit" gewijzigd in "als misdrijf gekwalificeerd feit".
2.1. In paragraaf 2, 4° werden de woorden "aan de groep Rijksgestichten voor observatie en opvoeding onder toezicht" vervangen door "aan een openbare instelling voor observatie en opvoeding onder toezicht of aan de groep openbare instellingen voor observatie en opvoeding onder toezicht". (6) Deze wetswijziging was noodzakelijk omdat, ingevolge de communautarisering het Rijk geen instellingen voor observatie en opvoeding onder toezicht meer organiseert. Dit is een bevoegdheid van de gemeenschappen.
Met het oog op de naleving van zowel het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 28 maart 1990 als het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 heeft voortaan de jeugdrechter - of de jeugdrechtbank - de keuze om, naargelang de betrokken gemeenschap, de betrokkenen toe te vertrouwen, aan een openbare instelling voor observatie en opvoeding onder toezicht of aan de groep openbare instellingen voor observatie en opvoeding onder toezicht. De wetgever heeft hierbij rekening gehouden met verschillen in uitvoering van rechterlijke beslissingen naargelang de organisatie van die instellingen door de respectievelijke gemeenschapsinstanties. (7)
2.2. Aan paragraaf 2, 4° werd toegevoegd "Behoudens in zeer uitzonderlijke omstandigheden staan de openbare instellingen voor observatie en opvoeding onder toezicht alleen open voor de jongeren boven de 12 jaar". (8)
Door de Minister werd in de Senaat benadrukt dat bij het beoordelen van de uitzonderlijke omstandigheden niet zozeer rekening zal worden gehouden met de ernst van de feiten dan wel met de sociaal-psychologische toestand van de betrokkene. Beslist werd in de wet uitdrukkelijk te bepalen dat een plaatsing, in een openbare inrichting van jongeren beneden de 12 jaar slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden mag gebeuren. De jeugdrechters zullen in elk geval afzonderlijk de passende beslissing nemen. Hoewel de niet-naleving van voormelde bepaling geen aanleiding geeft tot een sanctie, wordt zodoende de wil van de wetgever duidelijk bepaald ten opzichte van de rechtbanken. (9)
2.3. Aan paragraaf 3 werd een derde lid toegevoegd waarbij aan de jeugdkamers van de hoven van beroep de verplichting wordt opgelegd om, ingeval van hoger beroep tegen de vonnissen waarvan sprake in paragraaf 3, 1° en 2°, "onverwijld" uitspraak te doen. Deze bepaling kadert in één van de hoofddoelstellingen van de wet, nl. het versterken van de procedurele waarborgen voor de jeugdgerechten. (10)
In tegenstelling tot hetgeen wordt bepaald in andere artikelen (o.m. de artikelen 52ter, 52quater en 53) wordt in deze bepaling geen specifieke termijn vastgelegd binnen dewelke in graad van hoger beroep uitspraak moet worden gedaan. Volgens de tekst van de wet moet dit "onverwijld" ("d'urgence") gebeuren. Dit betekent voor de commissie voor de Justitie van de Senaat dat minstens de termijnen van het kortgeding moeten worden gerespecteerd. (11)
Zoals de wetsbepaling het uitdrukkelijk vermeldt, heeft het beroep geen schorsende werking.
2.4. In hetzelfde lid van paragraaf 3 wordt vervolgens bepaald : "De vonnissen en arresten uitgesproken met toepassing van dit artikel zijn niet vatbaar voor verzet.". Deze bepaling is ingegeven door de bezorgdheid om dilatoire procedures te vermijden. (12)
2.5. Luidens het eerste lid van paragraaf 4 is de berisping thans ook toepasselijk op personen die op het tijdstip van het vonnis de leeftijd van 18 jaar hebben overschreden. (13)
Luidens het tweede lid van paragraaf 4 worden deze meerderjarigen met minderjarigen gelijkgesteld voor de toepassing van hoofdstuk IV van titel II en van artikel 80. Zodoende heeft de wetgever willen vermijden dat in dit hoofdstuk betrefende de rechtsplegingsregels, bijzondere bepalingen zouden moeten opgenomen worden voor de personen die de leeftijd van 18 jaar bereikt hebben op het ogenblik van de behandeling voor de jeugdrechtbank. (14)
Gelet op het niet-repressieve karakter van de procedure wordt de bescherming van artikel 80 eveneens uitgebreid tot die meerderjarigen. (15)
2.7. Wat de toepassing van deze maatregelen in het kader van de voorbereidende rechtspleging betreft wordt aandacht gevraagd voor de toelichting bij artikel 52 en volgende.
Artikel M3 3. Artikel 38 : De uithandengeving.
Aan dit artikel, dat samen met artikel 50 dient gelezen te worden, werden niet onbelangrijke wijzigingen aangebracht.
Vooreerst werden een aantal terminologische wijzigingen aangebracht. Zoals in artikel 36bis werd in het eerste lid het woord "minderjarige" vervangen door "persoon" en zoals in artikel 37 paragraaf 3, 2° werden de woorden "als misdrijf omschreven feit" vervangen door "als misdrijf gekwalificeerd feit". Ook werd het woord "volle" in verband met de leeftijd van 16 jaar, weggelaten en werden de woorden "het bevoegde gerecht" vervangen door de woorden "het gerecht bevoegd krachtens het gemeen recht".
3.1. In de Senaat werd het amendement van de regering aangenomen, dat in het eerste lid in fine de woorden "als daartoe grond bestaat" herstelt. Het openbaar ministerie mag inderdaad niet verplicht worden om de minderjarige na een uithandengeving voor de strafrechtbank te vervolgen. Het beschikt over een ruimere waaier van mogelijkheden dan alleen de strafvervolging, zo bijvoorbeld de minnelijke schikking, de pretoriaanse probatie, de bemiddeling in strafzaken en het seponeren.
Tenslotte werd in de Senaat vooropgesteld dat het principe van de scheiding der machten verbiedt dat een rechtbank vervolgingen zou bevelen (onverminderd de uitzondering van artikel 343 van het Gerechtelijk Wetboek voor het hof van beroep). (16)
3.2. In tweede lid wordt de mogelijkheid van een uithandengeving voorzien indien de betrokkene op het tijdstip van het vonnis de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Aldus valt elke twijfel weg omtrent de vraag of de jeugdrechtbank de zaak nog uit handen kan geven voor feiten die werden gepleegd voor de leeftijd van 18 jaar door een jongere die deze leetijd overschreden heeft op het ogenblik van het vonnis. (17) (18)
3.3. In dit geval wordt derhalve dezelfde regeling voorzien als vermeld in artikel 37, paragraaf 4, voor wat betreft de maatregel van berisping. Ook voor de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk IV van titel II alsmede van artikel 80 van de wet gebeurt de gelijkstelling met een minderjarige.
3.4. Het laatste lid is eveneens nieuw. Eens de zaak uit handen is gegeven wordt iedere persoon, die de dag na zijn definitieve veroordeling door het bevoegde gerecht, een nieuw als misdrijf gekwalificeerd feit pleegt onderworpen aan de rechtsmacht van de gewone rechter.
De wetgever heeft daardoor beslist dat vanaf het ogenblik dat de jeugdrechtbank geoordeeld heeft dat elke opvoedende maatregel ongeschikt is, het niet aangewezen is op deze beoordeling terug te komen naar aanleiding van latere feiten.
Deze wijziging kadert in de in het regeerakkoord aangekondigde specifieke oplossingen om de delinquentie van minderjarigen aan te pakken, onder meer via een versoepeling van de regels inzake het uit handen geven. (19)
In de Senaat werd er ook op gewezen dat de uithandengeving nog altijd aan de strafrechter toelaat een waaier van maatregelen te nemen die niet noodzakelijk een geldboete of een gevangenisstraf moeten zijn. (20)
Op de opmerking in de Senaat dat het kan gebeuren dat iemand wiens zaak kort na zijn 16 jaar voor zware feiten uit handen wordt gegeven, zich volledig geïntegreerd voelt en dan op 17 jaar een klein feit pleegt, waardoor hij automatisch voor de gewone rechtbank moet verschijnen antwoordde de Minister dat het de procureur des Koning is die daarover beslist. (21) De opportuniteit van een rechtsvervolging zal moeten worden onderzocht.
De woorden die in het ontwerp voorkwamen namelijk "tot uit handen geven definitief is geworden", werden in het derde lid vervangen door "na zijn definitieve veroordeling door het bevoegde gerecht". (22) Deze verbetering kwam tot stand op advies van het Hof van cassatie. Indien de betrokkene na het uit handen geven wordt vrijgesproken of een buitenvervolgingstelling wordt uitgesproken, rees de vraag of men zich daarop kon steunen om te beslissen dat de uithandengeving definitief was. Het Hof van Cassatie vond deze bepaling bekritiseerbaar en was van oordeel dat het uit handen geven minstens aanleiding moest hebben gegeven tot een definitief geworden veroordeling. (23)
Niettegenstaande de vaststelling dat in de voorbereidende werken geen omschrijving wordt gegeven van wat moet verstaan worden onder "definitieve veroordeling" wordt hiermede bedoeld een in kracht van gewijsde gegane veroordeling.
Artikel M4 4. Artikelen 39 en 40 : Terbeschikkingstelling van de regering.
4.1. Artikel 39 bepaalt dat indien de krachtens artikel 37 genomen maatregel zijn uitwerking mist, hetzij wegens het voortdurend wangedrag, hetzij wegens gevaarlijke gedragingen van de minderjarige, deze laatste ter beschikking van de regering kan worden gesteld. Dit artikel wordt door artikel 4 van de wet van 2 februari 1994 aangevuld met het volgende lid : "Deze bepaling is niet van toepassing op de personen die een als misdrijf gekwalificeerd feit hebben gepleegd."
Deze nieuwe westbepaling strekt ertoe te voorkomen dat beslissingen worden getroffen, die arbitraire vrijheidsbeperkingen tot gevolg zouden kunnen hebben. (24)
Thans kan, met betrekking tot minderjarigen die een als misdrijf gekwalificeerd feit hebben gepleegd, de beslissing inzake terbeschikkingstelling van de regering ook niet meer genomen worden door de jeugdrechtbanken zoals reeds het geval is voor niet-delinquente minderjarigen die onderworpen zijn aan de wetgevingen van de Vlaamse, de Franse en de Duitstalige Gemeenschappen.
Er moet evenwel rekening worden gehouden met de overgangsbepaling van artikel 34 van de wet van 2 februari 1994. Daarin is gesteld dat terbeschikkingstellingen van de regering die voor de inwerkingtreding vna artikel 4 van dezelfde wet zijn uitgesproken, ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf gekwalificeerd feit hebben gepleegd, uiterlijk worden gehandhaafd tot op de dag dat deze personen de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt.
4.2. Net als artikel 39 van de wet van 8 april 1965 wordt artikel 41 aangevuld met een bepaling waarin voorzien wordt dat dit artikel met van toepassing is op personen die en als misdrijf gekwalificeerd feit hebben gepleegd.
In verband met artikel 41, dat de practische modaliteiten van de terbeschikkingstelling van de regering vastgesteld bij artikel 39 regelt, verwijzen wij naar het commentaar gemaakt naar aanleiding van de behandeling van dit artikel.
Artikel M5 5. Artikel 42 : Toezicht door de jeugdrechtbank
In het tweede lid van artikel 42 worden de woorden "het comité voor jeugdbescherming (25) of een afgevaardigde bij de jeugdbescherming" vervangen door de woorden "de bevoegde sociale dienst". Het betreft hier een formele wijziging wegens de overdracht van bevoegdheden inzake jeugdbescherming naar de gemeenschappen.
De "service de Protection judiciaire" is de bevoegde sociale dienst voor de Franse Gemeenschap (artikelen 51 en 62, paragraaf 7 van het decreet van 4 maart 1991).
In de Vlaamse Gemeenschap werd artikel 42 gedeeltelijk opgeheven. (26) Het toezicht over minderjarigen die een als misdrijf gekwalificeerd feit hebben gepleegd, wordt uitgeoefend door de sociale dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbank.
Voor de Duitse Gemeenschap wordt voorzien in een dienst "Sozialdienst beim Jugendgericht".
Artikel M6 6. Artikel 44 : Territoriale bevoegdheid
Dit artikel betreft de territoriale bevoegdheid. Het bepaalt de criteria ervan, voorziet in een straf indien de verplichting om onverwijld de wijziging van verblijfplaats aan de jeugdrechtbank mede te delen niet wordt nageleefd en regelt de gevolgen van de wijziging van verblijfplaats op het stuk van de bevoegdheid.
6.1. Bevoegdheidscriteria : beginselen.
6.1.1. Gevallen waarin een zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig wordt gemaakt vooraleer de betrokkene de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.
6.1.1.1. Algemeen bevoegdheidsbeginsel
De territoriale bevoegdheid van de jeugdrechtbank wordt bepaald op grond van de verblijfplaats van de ouders, voogden of degenen die de persoon beneden de 18 jaar onder hun bewaring hebben, onverminderd de artikelen 350, 353 en 367, paragraaf 2 van het Burgerlijk Wetboek, die in afzonderlijke bevoegdheidscriteria voorzien. Deze 3 artikelen hebben respectievelijk betrekking op de adoptie, de uitspraak van adoptie en de herroeping van de adoptie.
Om een duidelijk onderscheid te maken tussen de gevallen bedoeld in het eerste lid en die bedoeld in het derde lid werden de woorden "de minderjarige" vervangen door de woorden "de persoon beneden de achttien jaar" en "de betrokkene die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt". Het gebruik van deze woorden voorkomt elke discussie betreffende het persoonlijk statuut van de betrokkene en de gevolgen ervan wat de leeftijd van de meerderjarigheid betreft.
6.1.1.2. Subsidiaire bevoegdheidsbeginselen
Het nieuwe tweede lid werd in artikel 44 ingevoegd (27) om de territoriale bevoegdheid van de jeugdrechtbank te regelen wanneer de ouders, voogden of degenen die de persoon beneden de 18 jaar onder hun bewaring hebben, geen verblijfplaats in België hebben of wanneer deze verblijfplaats niet gekend is of niet vaststaat. Dit is, ingevolge de talrijke migraties die onze samenleving kenmerkt, meer en meer het geval.
In dit geval wordt voorzien in 3 subsidiaire bevoegdheidsbeginselen : de plaats waar de betrokkene het als misdrijf gekwalificeerd feit heeft gepleegd, de plaats waar de persoon beneden de 18 jaar wordt aangetroffen, of de plaats waar de betrokkene verblijft of waar de inrichting gevestigd is aan dewelke hij werd toevertrouwd.
6.1.2. Gevallen waarin de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig wordt gemaakt nadat de betrokkene de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt
Het nieuwe derde lid van artikel 44 houdt rekening met het gegeven dat er na de meerderjarigheid geen sprake meer is van een voogd of ouder die de bewaring heeft. (28)
Krachtens dit nieuwe lid is, wanneer de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig wordt gemaakt nadat betrokkene de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, de jeugdrechtbank bevoegd van de plaats waar deze persoon zijn verblijfplaats heeft, of indien deze onbekend is of niet vaststaat, van de plaats waar het als misdrijf gekwalificeerd feit werd gepleegd.
6.2. Bevoegdheidscriteria : uitzonderingen
Net als het vroegere tweede lid van artikel 44 van de wet van 8 april 1965 bevat het nieuwe vierde lid uitzonderingen op de hiervoren omschreven regels inzake territoriale bevoegdheid.
Het zijn de volgende :
6.2.1. Bevoegdheid van de jeugdrechter, van de verblijfplaats van de persoon die een verzoek tot ontvoogding indient (artikel 477 B.W.) of een verzoek tot schrapping van bepaalde vermeldingen in het strafregister overeenkomstig de wet van 8 april 1965 (artikel 63, vijfde lid).
6.2.2. Bevoegdheid van de jeugdrechter van het rechtsgebied waar de familieraad heeft vergaderd, ingeval de ouders van de geadopteerde verzoeken dat het kind terug onder hun ouderlijk gezag wordt geplaatst bij overlijden van één of van beide adopterende echtgenoten (artikel 361, pragraaf 3 B.W.), om te voorzien in de voogdij bij herroeping van adoptie (artikel 367, paragraaf 7 B.W.), naar aanleiding van de uitspraak van de ontvoogding met instemming van de familieraad (artikel 478 B.W.) of in geval van verzoek om over de ontvoogding te beraadslagen (artikel 479 B.W.)
De tekst die het oude punt 1° van het tweede lid vervangt, bevat geen verwijzingen meer naar de artikelen 373 en 374 B.W. In dit gevallen geldt het algemeen beginsel dat vervat is in het eerste lid. Dit houdt in dat de territoriale bevoegdheid wordt bepaald door de verblijfplaats van de ouders, voogden of de personen die een persoon beneden de 18 jaar onder hun bewaring hebben. Zodoende werd er rekening gehouden met de wijziging van de artikel van het burgerlijk wetboek door de wet van 31 maart 1987 op de afstamming die ertoe strekt te voorkomen dat de zaak aanhangig wordt gemaakt bij verschillende rechtbanken naar gelang van de verblijfplaats van de ene of van de andere ouder wanneer die in verschillende arrondissementen verblijven. (29)
6.3. De verplichting onverwijld kennis te geven van een verandering van verblijfplaats
Het nieuwe vijfde lid is praktisch identiek aan het oude derde lid dat de ouders, voogden of degenen die een persoon beneden de 18 jaar onder hun bewaring hebben er toe verplichtte elke verandering van verblijfplaats onverwijld mede te delen aan de jeugdrechtbank.
Nieuw is, dat de niet-naleving van deze verplichting trafbaar wordt met een geldboete van één frank tot vijfentwintig frank. Deze overtreding valt onder de bevoegdheid van de politierechtbank.
6.4. De gevolgen van een verandering van verblijfplaats
Het nieuwe zesde en het nieuwe zevende lid van artikel 44 komen letterlijk overeen met het oude vierde en ijfde lid van voornoemd artikel.
De verandering van verblijfplaats naar een ander arrondissement heeft voor gevolg dat de zaak wordt onttrokken aan de jeugdrechtbank waarbij ze eerst aanhangig werd gemaakt en verwezen wordt naar de jeugdrechtbank van het arrondissement waar de nieuwe verblijfplaats gelegen is.
De rechtbank waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, blijft evenwel bevoegd om ten gronde uitspraak te doen in geval van verandering van verblijfplaats tijdens het geding.
Artikel M7 7. Artikel 45 : Akte van rechtsingang
7.1. Het eerste punt werd gewijzigd wegens de nieuwe nummering van de artikelen in het Burgerlijk Wetboek en wegens de vervanging van de commissies van openbare onderstand door openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Tevens werd rekening gehouden met het nieuwe artikel 145 van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 8 van de wet van 19 januari 1990 tot verlaging van de leeftijd van burgerlijke meerderjarigheid tot 18 jaar. Dit artikel laat een minderjarige toe, zelf bij de jeugdrechtbank een verzoekschrift in te dienen met het oog op het aangaan van een huwelijk voor de leeftijd van 18 jaar, indien de ouders niet in het huwelijk instemmen.
7.2. Punt 2, b, werd gewijzigd wegens de nieue mogelijkheid voor het openbaar ministerie om de jeugdrechtbank te vatten met het oog op een uithandengeving (artikel 38), alvorens het gerechtelijk onderzoek is afgesloten (artikel 49, vijfde lid).
7.3. Het nieuwe punt 2, c, houdt rekening met de mogelijkheid die de artikelen 37, paragraaf 3, eerste lid, aan de "minderjarige" nu bieden om bij verzoekschrift verlenging te vragen van de maatregelen nadat hij de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.
Deze bepaling biedt aan de partijen bedoeld in artikel 60, tweede lid, eveneens de mogelijkheid om zich bij verzoekschrift zelf tot de rechtbank te wenden, ten einde de herziening van de maatregelen te vragen, zonder gebonden te zijn door een initiatief van het openbaar ministerie.
Artikel M8 8. Artikel 46 : Dagvaarding of waarschuwing vanwege het openbaar ministerie
Het eerste lid is onveranderd en bepaalt aan wie de dagvaarding op verzoek van het openbaar ministerie of de waarschuwing van het openbaar ministerie wordt gericht.
8.1. Er wordt een tweede lid toegevoegd om tegemoet te komen aan de gevallen waarbij de rechtsvervolging op grond van artikel 36, 4° wordt ingesteld nadat de minderjarige meerderjarig is geworden.
Vermits er dan een einde is gekomen aan het ouderlijk gezag, moet de dagvaarding of de waarschuwing alleen worden gericht aan de jongere enan de personen die voor zijn meerderjarigheid burgerlijk aansprakelijk waren. (30)
Hiermede worden de personen bedoeld waarvan sprake is in artikel 1384, tweede led van het Burgerlijk Wetboek, namelijk de vader en de moeder, met uitzondering van enige andere persoon.
8.2. Het nieuwe derde lid van dit artikel schaft de verlenging af van de dagvaardingstermijnen wegens de territoriale afstand, als door artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek wordt bepaald. (31)
Dit lid bevat een verwijzing naar artikel 184, derde lid van het Wetboek van Strafvordering dat de termijn tot 3 dagen verkort "wanneer de verdachte of één van de verdachten zich in voorlopige hechtenis bevindt". Deze verwijzing heeft in de praktijk weinig weerslag aangezien de wet op de voorlopige hechtenis niet van toepassing is op minderjarigen, behalve in geval van uithandengeving. De enig denkbare hypothese is dan ook deze waarbij de jongere onder aanhoudingsmandaat werd geplaatst na een voorlopig uitvoerbaar verklaard vonnis tot uithandengeving en hij tegen deze beslissing een verhaalmiddel aanwendt waarna hij voor de jeugdkamer van het hof van beroep verschijnt.
Artikel M9 9. Artikel 48 : Mededeling van stukken en samenhang
Dit artikel heeft betrekking op de mededeling van de stukken op de problemen op het vlak van de samenhang wanneer de minderjarige een als misdrijf gekwalificeerd feit heeft gepleegd samen met personen die niet aan de rechtsmacht van de jeugdrechtbank zijn onderworpen.
9.1. Mededeling van stukken
De eerste paragraaf betreft de rechtsplegingen ten aanzien van de ouders (eerste afdeling van hoofdstuk III van titel II).
9.1.1. Met het oog op de bescherming van het privé-leven van elke ouder afzonderlijk, maar ook ter bescherming van vertrouwelijke gegevens die de maatschappelijk werkers zouden kunnen verzamelen, bepaalt de tekst niet alleen dat ten aanzien van elke ouder een afzonderlijke rechtspleging moet worden gevoerd maar tevens dat de zogenaamde persoonlijkheidsdossiers gescheiden moeten blijven van de andere procedurestukken en dat deze in geen geval aan de andere partijen mogen worden medegedeeld.
Deze bepaling is van toepassing, zowel tijdens de voorbereidende rechtspleging als tijdens de procedure ten gronde.
9.1.2. Zoals in het derde lid is bepaald kan het openbaar ministerie echter alleen tijdens de duur van de voorbereidende rechtspleging weigeren deze stukken aan de partijen mede te delen indien het van oordeel is dat dit de belangen van de betrokken personen kan schaden. Het betreft hier een toepassing van een algemeen principe dat vervat is in artikel 125 van het Algemeen Reglement op de gerechtskosten in strafzaken. Daarin is gesteld dat het de procureur-generaal toekomt machtiging te verlenen om stukken van criminele, correctionele zaken, politie- en tuchtzaken mede te delen.
9.2. Samenhang
9.2.1. De tweede paragraaf van het nieuwe artikel 48 heeft betrekking op de samenhang in procedures ten aanzien van minderjarigen (afdeling 2 van hoofdstuk III van titel II). Het woord "minderjarigen"werd vervangen door de woorden "personen beneden de achttien jaar". Tevens is bepaald dat de vervolgingen ten aanzien van personen beneden de 18 jaar en personen die niet aan de rechtsmacht van de jeugdrechtbank zijn onderworpen, worden gesplitst zodra dit zonder nadeel voor het vooronderzoek of voor het gerechtelijk onderzoek kan geschieden. Dit gebeurt reeds in de praktijk.
9.2.2. Zoals voorheen is in het tweede lid bepaald dat, na de uithandengeving, de vervolging ten aanzien van een persoon beneden de 18 jaar kan worden samengevoegd met de vervolging ten aanzien van de persoon die niet aan de rechtsmacht van de jeugdrechtbank is onderworpen.
Artikel M10 10. Artikel 49 : Tussenkomst van de onderzoeksrechter
Eerst en vooral moet er aan herinnerd worden dat alleen in uitzonderlijke omstandigheden en in geval van volstrekte noodzaak een onderzoeksrechter door een vordering van het openbaar ministerie kan worden gevat of ambtshalve kan optreden in geval van ontdekking op heterdaad.
De tussenkomst van de onderzoeksrechter is meestal vereist omdat de zaak dringend is, omdat er samenhang bestaat met het dossier ten laste van meerderjarigen of omdat moet worden overgegaan tot daden van onderzoek die uitsluitend tot de bevoegdheid van die magistraat behoren.
10.1. Voorlopige maatregelen genomen door de onderzoeksrechter
Het nieuwe tweede lid van artikel 49 bepaalt dat in spoedeisende gevallen de onderzoeksrechter ten aanzien van de persoon beneden de 18 jaar één van de in de artikelen 52 en 53 bedoelde voorlopige maatregelen van bewaring kan nemen.
In dit geval geeft hij daarvan gelijktijdig en schriftelijk bericht aan de jeugdrechter, die dan zijn bevoegdheden uitoefent en binnen 2 werkdagen uitspraak doet overeenkomstig de artikelen 52ter en 52quater.
Wanneer de jeugdrechter de beslissing tot plaatsing in een gesloten opvoedingsafdeling of in een huis van arrest bevestigt, mogen beide maatregelen samen niet langer duren dan de termijnen bepaald respectievelijk in de artikelen 52quater en 53. (32)
10.2. Regeling van de procedure
10.2.1. Artikel 49, derde lid, bepaalt dat als het gerechtelijk onderzoek is beëindigd, de onderzoeksrechter, op vordering van het openbaar ministerie, een beschikking tot buitenvervolgingstelling of een beschikking tot verwijzing naar de jeugdrechtbank neemt.
10.2.2. Het openbaar ministerie en de burgerlijke partij kunnen hoger beroep instellen tegen de beschikkingen tot buitenvervolgingstelling die de onderzoeksrechter neemt op grond van artikel 49, derde lid. Over dergelijke beroepen moet worden beslist door de kamer van inbeschuldigingstelling. (33)
10.2.3. Het nieuwe derde lid vult artikel 49 aan met een bepaling waardoor de beschikking door de onderzoeksrechter pas kan worden uitgesproken na een tegensprekelijk debat tussen de partijen.
Voorafgaandelijk moeten de persoon beneden de 18 jaar, de vader en de moeder, alsook de burgerlijke partijen kennis hebben kunnen nemen van het dossier met betrekking tot de feiten. Dit dossier wordt ten minste 48 uren voor het debat ter griffie neergelegd.
Het debat heeft plaats met gesloten deuren in het kabinet van de onderzoeksrechter. (34)
10.3. Uithandengeving voor het einde van het onderzoek
10.3.1. Artikel 49 wordt aangevuld met een nieuw vierde lid op grond waarvan het openbaar ministerie de jeugdrechtbank kan vorderen de zaak overeenkomstig artikel 38 uit handen te geven vooraleer de in artikel 49, derde lid, bedoelde beschikking van de onderzoeksrechter wordt genomen aangezien de jeugdrechtbank vonnist in de staat van de procedure, zelfs indien het gerechtelijk onderzoek niet is beeindigd.
De Minister van Justitie heeft de invoering van deze bepaling verantwoord door te stellen dat het voor de jeugdrechtbank niet steeds noodzakelijk is de afsluiting van het gerechtelijk onderzoek af te wachten om ervan overtuigd te zijn dat een jeugdbeschermingsmaatregel al dan niet geschikt is, gelet op de persoonlijkheid en de eventuele antecedenten van de minderjarige, inzonderheid wanneer het een recidivist betreft.
10.3.2. Deze bepaling laat evenwel niet toe dat wordt afgeweken van de in de artikelen 38 en 50, paragraaf 2, bepaalde voorwaarden voor uithandengeving.
De jeugdrechter kan, inzonderheid betreffende de feiten, bijkomende informatie vragen indien hij van oordeel is dat de zaak niet in staat van wijzen is. (35)
10.3.3. Indien de jeugdrechterbank op de vordering tot uithandengeving ingaat, dient de onderzoeksrechter bij het afsluiten van zijn onderzoek niet meer de in artikel 49, derde lid, bedoelde beschikking te nemen maar een beschikking tot mededeling. (36)
De wetgever streeft ernaar de procedure niet te vertragen. Hij is immers van oordeel dat een beslissing tot uithandengeving gedurende het gerechtelijk onderzoek, dat veel tijd in beslag kan nemen, de rechtsingang bespoedigt en niet vooruit loopt op de schuldvraag. (37)
Deze nieuwe bepaling beoogt een vermindering van de gemiddelde duur van de voorlopige bewaringsmaatregelen die ten uitvoer worden gelegd in deopenbare instellingen voor observatie en opvoeding onder toezicht. Hierbij werd rekening gehouden met het beperkt aantal beschikbare plaatsen in deze instellingen. (38)
Artikel M11 11. Artikel 50 : De onderzoeksmaatregelen. (39)
In paragraaf 1, eerste lid van de Nederlandse tekst komen slechts 2 terminologische wijzigingen voor namelijk de vervanging van de woorden "alle navorsingen" door "het onderzoek" en de woorden "die dienstig zijn" door "dat nodig is".
Als gevolg van de communautarisering werden in het tweede lid van dezelfde paragraaf de woorden "van een afgevaardigde bij de jeugdbescherming" vervangen door de woorden "van de bevoegde sociale dienst". Deze diensten ressorteren onder de bevoegdheid van de gemeenschappen. Tevens werd de zinsnede "... dat eventueel de inlichtingen bevat die door bemiddeling van het jeugdbeschermingscomité zijn ingewonnen" weggelaten. (40)
11.1. Het derde lid van de eerste paragraaf is volledig nieuw. (41) Hierin wordt het principe gesteld dat de jeugdrechtbank, indien zij een maatschappelijk onderzoek doet verrichten door de bevoegde sociale dienst, haar beslissing eerst kan nemen of wijzigen, na kennis te hebben genomen van het advies van die dienst. Deze regel geldt niet voor spoedeisende gevallen of wanneer dit advies haar niet bereikt binnen de door haar bepaalde termijn, die niet meer dan 75 dagen mag bedragen. (42) Iedere vertraging in de procedure die de rechten en de belangen van de minderjarigen in het gedrang kan brengen moet worden vermeden. Vandaar de bepaling van een redelijke maximumtermijn. Uiteraard staat het de jeugdrechter vrij een kortere termijn op te leggen. (43) Hierbij zal rekening worden gehouden met de mogelijkheden van de bevoegde sociale diensten.
Er wordt, wat het begin van de termijn van 75 dagen betreft, aandacht gevraagd voor de overgangsbepaling van artikel 100bis (zie infra).
11.2. In het laatste lid van de eerste paragraaf wordt de regel bevestigd dat een uithandengeving overeenkomstig artikel 38 eerst mogelijk is na een maatschappelijk en een medisch-psychologisch onderzoek.
De woorden "Buiten het geval waarin een als overtreding omschreven feit krachtens artikel 36, 4° bijde jeugdrechtbank is aanhangig gemaakt, kan zij..." werden in dit lid vervangen door "Onverminderd artikel 36bis, kan de jeugdrechtbank...".
Ter herinnering : in artikel 36bis worden de gevallen en voorwaarden opgesomd waarin personen ouder dan 16 en beneden 18 jaar wegens de daarin opgesomde misdrijven rechtstreeks door de gewone strafgerechten kunnen berecht worden.
Artikel 50 beantwoordt aan één van de doelstellingen van de wetgever namelijk de versterking van de procedurewaarborgen voor de jeugdgerechten. (44) Er werd ook op gewezen dat de beslissing tot uithandengeving uitzonderlijk moet blijven. (45)
11.3. Paragraaf 2 is volledig nieuw en versoepelt het uit handen geven in een aantal gevallen.
In het oorspronkelijke ontwerp was alleen de mogelijkheid bedoeld die in punt 1° is voorzien. (46)
De gevallen vermeld in punten 2° en 3° zijn het gevolg van een amendement van de regering. De toename van de jeugdcriminaliteit op het stuk van diefstallen en vandalisme, vaak in bendes gepleegd, met gebruik van geweld en zelfs geawapend, waarbij daarenboven hoofdzakelijk in het openbaar, op straat, tegenover particulieren en in grote mate tegenover weerloze vrouwelijke slachtoffers werd opgetreden, werd als verantwoording voor deze versoepeling van de uithandengeving gegeven. Indien uit het herhaald wangedrag van de minderjarige blijkt dat het hulpverlenend model in het kader van de wet op de jeugdbescherming niet meer haalbaar is,dient men zich tot de gewone rechtbanken te wenden.
De punten 2° en 3° zijn tenslotte een delicaat compromis geworden dat in de Kamer werd bereikt tussen degenen die volledig gekant waren tegen enige vorm van uithandengeving zonder over een medisch-sociaal rapport te beschikken en de regering die aanvankelijk een verplicht uit handen geven binnen de 15 dagen, ingeval men te maken heeft met een herhaling van zware misdrijven, had voorgesteld. (47)
11.3.1. Overeenkomstig punt 1° is er geen medisch-psychologisch onderzoeksverslag vereist wanneer de jeugdrechtbank vaststelt dat de betrokkene zich aan dit onderzoek onttrekt of weigert zich eraan te onderwerpen. Uiteraard blijft het maatschappelijk verslag onontbeerlijk.
Deze nieuwe mogelijkheid dient strikt te worden geïnterpreteerd. Er kan enkel gebruik van worden gemaakt wanneer de betrokkene zelf verantwoordelijk is voor de niet-uitvoering van het onderzoek (weigering, voortvluchtig). (48) De jeugdrechtbank moet deze feitelijkheid vaststellen en de minderjarige erop wijzen, wat deze laatste dan weer de mogelijkheid geeft om zich te verdedigen. (49)
11.3.2. Overeenkomstig punt 2° is er noch een medisch-psychologisch noch een maatschappelijk onderzoek vereist indien er al een vonnis bestaat dat in een maatregel voorziet ten aanzien van een persoon beneden de 18 jaar die één of meer feiten heeft gepleegd als bedoeld in de artikelen 323, 373 tot 378, 392 tot 394, 401 en 468 tot 476 van het Strafwetboek nadat hij de leeftijd van 16 jaar had bereikt en hij opnieuw wordt vervolgd omdat hij na die eerste "veroordeling" door de jeugdrechtbank opnieuw één of meer van voornoemde feiten heeft gepleegd.
De voor deze vorm van uithandengeving voorziene procedure impliceert een vordering van het openbaar ministerie tot uithandengeving en een rechterlijke uitspraak van de jeugdrechtbank "uiterlijk 15 dagen na de dagvaarding". Ook moeten de stukken van de vorige procedure bij die van de nieuwe procedure worden gevoegd.
Deze versoepeling van de procedure van uithandengeving is enkel mogelijk mits volgende voorwaarden samen zijn vervuld :
11.3.2.1. de minderjarige moet ten volle 16 jaar oud zijn;
11.3.2.2. de minderjarige moet een eerste "veroordeling" wegens één of meer van volgende als misdrijven gekwalificeerde feiten hebben opgelopen : vereniging met het oogmerk om een aanslag te plegen op personen of op eigendommen (artikel 323); aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging en verkrachting (artikelen 373 tot 378); doodslag en moord (artikelen 392 tot 394); opzettelijke slagen of verwondingen zonder het oogmerk om te doden die toch de dood veroorzaken (artikel 401); diefstallen door middel van geweld of bedreiging en afpersing (artikelen 468 tot 476).
Met de term "veroordeling" wordt vanzelfsprekend de uitspraak van de jeugdrechtbank bedoeld. Dit is de maatregel opgelegd aan de betrokken minderjarige. (50)
11.3.2.3. de minderjarige pleegt andermaal één van de hierboven opgesomde feiten;
11.3.2.4. de jeugdrechtbank moet uiterlijk binnen de 15 dagen na de dagvaarding door het openbaar ministerie uitspraak doen. Het betreft een termijn van orde en toezicht. De voorbereidende werkzaamheden bepalen dat : "In deze periode van 15 dagen zal, zo nodig wanneer er geen andere mogelijkheden zijn, artikel 53 van de wet van 1965 kunnen worden aangewend. Het is om deze bijkomende vorm van vrijheidsberoving op grond van artikel 53 zo kort mogelijk te houden dat de beslissing om uit handen te geven zeer snel moet kunnen getroffen worden, zodat een onderzoeksrechter spoedig over de hechtenis kan beslissen, indien ze gewettigd voorkomt, waarbij de minderjarige alle waarborgen van de wet van 20 juli 1990 op de voorlopige hechtenis gegarandeerd worden". (51)
Deze aanvullende regeling is noodzakelijk ter bescherming van de maatschappij voor de uitzonderlijke gevallen waarin jongeren zich schuldig maken aan een zware misdaad en een gevaar vormen voor de openbare veiligheid. Het is aangeweze hen onmiddellijk voor de strafrechtbank te brengen zodat het normbesef niet verder vervaagt.
11.3.3. Luidens punt 3° doet de jeugdrechtbank onder dezelfde voorwaarden als in punt 2° uitspraak over de vordering tot uithandengeving ten opzichte van een persoon die een als misdaad gekwalificeerd feit heeft gepleegd waarop een straf staat die hoger ligt dan 20 jaar dwangarbeid, nadat hij de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt en die eerst wordt vervolgd nadat hij de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.
Op het als misdaad gekwalificeerd feit moet een straf hoger dan 20 jaar dwangarbeid staan, d.w.z. de doodstraf, levenslange dwangarbeid of het geval voorzien bij aritkel 62, in fine, Sw.
Wanneer in paragraaf 2, 3° wordt gesteld dat de jeugdrechtbank "onder dezelfde voorwaarden" uitspraak doet over de vordering tot uithandengeving van het openbaar ministerie wordt hiermede bedoeld dat dit dient te gebeuren "uiterlijk 15 dagen na de dagvaarding" (zie punt 2°). Deze zinsnede houdt vanzelfsprekend niet in dat de betrokken minderjarige reeds een eerste "veroordeling"wegens dezelfde als misdaden gekwalificeerde feiten moet hebbenopgelopen waarop een straf hoger dan 20 jaar dwangarbeid staat. Punt 3° vormt inderdaad een afzonderlijke bepaling naast onder meer de punten 1° en 2°. Alleen de formele voorwaarden waaronder de uitspraak moet verleend worden zijn dezelfde.
Ook hier is de termijn van 15 dagen binnen de welke de jeugdrechtbank uitspraak moet doen slechts een "termijn van orde". Het overschrijden ervan brengt geen nietigheid met zich.
Artikel M12 12. De oproeping.
12.1. De van een zaak gevatte jeugdrechtbank kan, te allen tijde de betrokkene, zijn ouders, voogden of degenen die hem onder hun bewaring hebben, oproepen.
Door te verwijzen naar artikel 156 van het Wetboek van Strafvordering en naar artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek wordt er vooreerst aan herinnerd dat minderjarigen niet onder eed mogen worden gehoord. (52)
Er moet evenwel worden opgemerkt dat artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek het verbod om onder ede te worden gehoord, beperkt tot minderjarigen beneden de volle leeftijd van vijftien jaar, en dat in artikel 156 van het Wetboek van Strafvordering is bepaald, dat het horen van personen, die in voornoemd artikel zijn bedoeld, geen nietigheid kan teweegbrengen wanneer het openbaar ministerie, de burgerlijke partij noch de beklaagde zich hiertegen hebben verzet. (53)
Op grond van de gewijzigde tekst kan de jeugdrechtbank overigens niet alleen dejongere, zijn ouders,voogden of personen die hem onder hun bewaring heben, oproepen ten einde gehoord te worden, maar tevens iedere andere persoon wanneer zij zulks nuttig acht. Vroeger was het reeds gebruikelijk dat de rechtbank ieder persoon kon oproepen die betreffende de minderjarige en zijn milieu inlichtingen kon verstrekken.
12.2. Er is voorzien dat wanneer voornoemde personen bewaarders zijn van het beroepsgeheim, artikel 458 Sw. moet worden nageleefd.
In de voorbereidende werkzaamheden wordt eraan herinnerd dat de leden van de sociale dienst die een gerechtelijke opdracht vervullen, de kennis van de feiten die onder het beroepsgeheim vallen, niet aan de rechter mogen ontzeggen. (54) Bedoeld worden de maatschappelijke werkers aan wie een mandaat werd gegeven. Dit zijn bijvoorbeeld leden van de sociale dienst belast met een maatschappelijk onderzoek, personeel van voorzieningen, personen die instaan voor het begeleiden in een open milieu, enzovoort.
12.3. Het tweede lid wordt op volgende punten gewijzigd :
- Artikel 145 alsook de artikelen 375, 376, 377, en 379 B.W. worden toegevoegd aan de eerder vermelde wetsbepalingen. Het opgeheven artikel 389, eerte lid B.W. wordt niet meer vermeld.
- De verwijzing naar de opgeheven artikel 4 en 5 van het Wetboek van Koophandel is geschrapt.
- In de nieuwe tekst wordt rekening gehouden met de wijzigingen in de wetgeving op de arbeidsovereenkomsten.
Artikel M13 13. Artikel 52 : Voorlopige maatregelen.
13.1. De maatregelen die voorlopig kunnen genomen worden zijn de volgende : (55)
13.1.1. Tenaanzien van een minderjarige :
13.1.1.1. hem, onder toezicht van de bevoegde sociale dienst, laten bij degenen die hem onder hun bewaring hebben (artikel 37, paragraaf 2, 2°);
13.1.1.2. hem, onder toezicht van de bevoegde sociale dienst, laten bij degenen die hem onder hun bewaring hebben gebeurlijk met naleving van een of meer voorwaarden (artikel 37 paragraaf 2, 2°);
13.1.1.3. hem uitbesteden bij een betrouwbaar persoon of plaatsen in een geschikte inrichting (artikel 37, paragraaf 2, 3°);
13.1.1.4. hem voor een bepaalde duur toevertrouwen aan een openbare instelling voor observatie en opvoeding onder toezicht of aan de groep openbare instellingen voor observatie en opvoeding onder toezicht (artikel 37, paragraaf 2, 4°);
13.1.2. Ten aanzien van een minderjarige die na de leeftijd van 17 jaar een als misdrijf gekwalificeerd feit heeft gepleegd :
13.1.2.1. hem, onder toezicht van de bevoegde sociale dienst, laten bij degene die hem onder hun bewaring hebben gebeurlijk met naleving van een of meer voorwaarden genoemd in artikel 37, paragraaf 2, 2°;
13.1.2.2. hem plaatsenovereenkomstig artikel 37 paragraaf 2, 3° en 4°, voor een bepaalde duur, uiterlijk tot de dag waarop de betrokkene de leeftijd van 20 jaar heeft bereikt (artikel 37, paragraaf 3, 2°).
13.1.3. Ten aanzien van een persoon die voor de leeftijd van 18 jaar een als misdrijf gekwalificeerd feit heeft gepleegd en die deze leeftijd overschreden heeft tijdens de rechtspleging :
De jeugdrechtbank kan de in artikel 37, paragraaf 2, 2° tot 4° voorlopige maatregelen opleggen of handhaven uiterlijk tot de betrokkene de leeftijd van20 jaar heeft bereikt.
Om elke verkeerde interpretatie van lid 3 te vermijden heeft de Minister tijdens zijn tussenkomst in de Senaat benadrukt dat de woorden "en die deze leeftijd overschreden heeft tijdens de rechtspleging" ook kunnen slaan op het aller eerste moment van de rechtspleging (56) wat wil zeggen dat een voorlopige maatregel opgelegd kan worden in de hypothese dat de minderjarige zeer kort voor het bereiken van de meerderjarigheid een feit pleegt dat pas na de meerderjarigheid wordt ontdekt. (57)
13.2. Wanneer een voorlopige maatregel van plaatsing in toepassing van artikel 37, paragraaf 2, 4° getroffen is, zowel voor als na de leeftijd van 18 jaar kunnen jeugdrechtbank en jeugdrechter de jongere vrij verkeer verbieden :
13.2.1. wegens de noodwendigheden van het opsporings- of het gerechtelijk onderzoek;
13.2.2. met personen die zij bij naam aanwijzen, zijn advocaat uitgezonderd;
13.2.3. bij gemotiveerde beslissing;
13.2.4. voor een hernieuwbare termijn van max. 30 dagen. De hernieuwing van de termijn van 30 dagen wordt enkel beperkt door het aflopen van de voorlopige maatregelen waartoe werd beslist in het kader van de voorbereidende rechtspleging bedoeld in aritkel 52, met name 6 maanden, (58)
13.2.5. het verbod bedoelt zowel briefwisseling, bezoeken als telefoongesprekken. (59)
13.3. De wet van 30 juni 1994 tot wijziging van artikel 52 heeft de mogelijkheid opgeheven om voorlopige maatregelen te nemen ten aanzien van kinderen tijdens de procedure tot ontzetting van het ouderlijk gezag (zie evenwel verder onder artikel 56).
Indien maatregelen ten aanzien van deze kinderen nodig zijn, behoren deze tot de bevoegdheid van de gemeenschapsinstanties. (60)
Artikel M14 14. Artikel 52bis : Duur van de voorbereidende rechtspleging
Door de invoeging van dit artikel wordt een einde gesteld aan de voorbereidende rechtspleging van onbepaalde duur.
14.1. De maximumduur van de voorbereidende rechtspleging is beperkt tot 6 maanden, te rekenen van de vordering van het openbaar ministerie (artikel 45, 2, a) tot aan de mededeling (einde onderzoeksmaatregelen - navorsingen) door de jeugdrechter aan het openbaar ministerie. Artikel 52quater, vierde lid vormt hierop een uitzondering (61), ingeval van verlenging van de voorlopige plaatsing in een gesloten opvoedingsafdeling onder de zeer strenge voorwaarden van dit artikel.
De termijn van 6 maanden wordt geschorst tussen de akte van hoger beroep en het arrest. Volgens de ratio legis geldt dit eveneens ingeval van voorziening in Cassatie.
Geen sanctie is voorzien bij overschrijden van deze termijn.
14.2. Ditzelfde artikel legt een verplichting op aan het openbaar ministerie na de tussenkomst van de jeugdrechter.
Het beschikt vanaf de mededeling van het dossier, slechts over een termijn van 2 maanden om te dagvaarden in die zin dat de kennisgeving van de dagvaarding binnen deze termijn dient te geschieden.
Indien niet is gedagvaard binnen de termijn 2 maanden zou dit volgens de voorbereidende werken overeenkomen met een beslissing tot seponering. (62)
Door de seponering vervalt de strafvordering echter niet vermits op dergelijke beslissing kan worden teruggekomen. De wetgever heeft alleen willen beletten, dat het openbaar ministerie zou talmen met het nemen van haar beslissing na de mededeling van het dossier door de jeugdrechter.
Deze beslissing moet snel tot uiting komen door een duidelijke handeling waaruit de wil blijkt de zaak in staat te stellen met het oog op haar behandeling ten gronde. Een al te strikte interpretatie van de termijn van 2 maanden mag ondermeer de rechten van het slachtoffer niet in het gedrang komen.
Nopens de dagvaarding kan verwezen worden naar de commentaar bij artikel 46 en meer in het bijzonder de nieuwe leden 2 (dagvaarding van meerderjarig jongeren) en 3 (dagvaardingstermijn en zijn niet verlengbaarheid in verband met de afstand - artikel 184, lid 1 W. Sv. en 55 Ger. W.).
14.3. Met betrekking tot de toepassing van dit artikel dient eveneens te worden gewezen op de overgangsbepaling bedoeld in artikel 100bis (zie infra).
Artikel M15 15. Artikel 52ter : Waarborgen in het kader van de voorbereidende rechtspleging
15.1. Horen van de jongere
In het eerste lid wordt bepaald dat in de gevallen bedoeld in artikel 52 de jongere die de leeftijd van 12 jaar bereikt heeft, voor enige maatregel wordt getroffen, door de jeugdrechter persoonlijk moet worden gehoord. De woorden "voor enige" duiden aan dat het horen zowel voor de eerste maatregel als voor de wijziging ervan geldt. (63)
Voornoemde verplichting geldt niet wanneer de jongere niet gevonden kan worden, zijn gezondheidstoestand het niet toelaat of hij weigert te verschijnen.
De wetgever heeft geen hoorplicht ten aanzien van de ouders voorzien, omdat zich in praktijk teveel situaties van hoogdringendheid voordoen. (64)
15.2. Recht op bijstand van een advocaat
Dit recht wordt geregeld door het tweede lid. Telkens de minderjarige voor de jeugdrechtbank of voor de jeugdrechter verschijnt heeft hij recht op bijstand vaneen advocaat. (65)Zo hij geen advocaat heeft wordt hij aangewezen overeenkomstig artikel 54bis.
Hij moet een onderhoud met zijn advocaat kunnen hebben alvorens hij voor de rechter verschijnt. (66)
De jeugdrechter kan een afzonderlijk onderhoud met de jongere hebben, behalve, in de aangelegenheden bedoeld in titel II, hoofdstuk III, gedurende de procedure ten gronde (artikel 45, 2.b) en tijdens de rechtspleging aanhangig gemaakt overeenkomstig artikel 45, 2.c (verzoek voorzien in artikel 37, paragraaf 3, 1 en 60).
15.3. Inhoud van de beschikking
Overeenkomstig het derde lid moet de beschikking grondig gemotiveerd zijn. Zij moet steunen op een samenvatting van de elementen die betrekking hebbenop de persoonlijkheid of het milieu van de betrokkene die de beslissing rechtvaardigen. In voorkomend geval omvat zij een samenvatting van de ten laste gelegde feiten.
Zij maakt tevens melding van het feit dat de betrokkene werd gehoord, zoniet de reden waarom dit niet gebeurde.
15.4. Kennisgave van de beschikking
Het vierde lid heeft betrekking op de kennisgeving van de beschikking. Na het verhoor wordt een afschrift ervan overhandigd aan betrokkene.
Ook wordt een afschrift overhandigd aan de vader, de moeder, de voogden of de personen die hem onder hun bewaring hebben, zo ze "ter terechtzitting" aanwezig zijn. (67) Het betreft hier het onderhoud dat de beslissing voorafgaat.
Wordt de beschikking bij verstek gewezen, dan wordt ze bij gerechtsbrief, op zorg van de griffier, ter kennis gebracht. (68)
15.5. De verhaalmiddelen tegen de beschikkingen over voorlopige maatregelen worden geregeld in het vijfde en het zesde lid.
15.5.1. Tegen de beschikking genomen ingevolge artikel 52 is geen verzet mogelijk. Enkel hoger beroep kan worden ingesteld.
15.5.2. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt 15 dagen, te rekenen vanaf de overhandiging van het afschrift van de beschikking of vanaf de dag dat de betrokkene bij gerechtsbrief, verzonden overeenkomstig de bepalingen van artikel 46 van het Gerechtelijk wetboek, "kennis heeft gekregen van dekennisgeving". (69)
Dezelfde termijn van verhaal loopt ten aanzien van het openbaar ministerie vanaf de mededeling van de beschikking of van het vonnis (vergelijk met artikel 52quater, zesde lid).
De jeugdkamer van het hof van beroep doet uitspraak uiterlijk binnen 2 maanden te rekenen van de akte van hoger beroep. Er is geen sanctie voorzien bij het overschrijden van deze termijn.
15.6. Met betrekking tot het zesde lid van artikel 52ter dient te worden gewezen op de overgangsbepaling bedoeld in artikel 100bis (zie infra).
Artikel M16 16. Artikel 52quater : Waarborgen bij de plaatsing in een gesloten opvoedingsafdeling.
16.1. Dit artikel heeft betrekking op de voorlopige maatregel van bewaring in een gesloten opvoedingsafdeling voor een termijn van hoogstens 3 maanden, éénmaal verlengbaar voor 3 maanden en daarna maandelijks.
Dit artikel vormt een uitzondering op het principe van de maximumduur van 6 maanden van de voorbereidende procedure bedoeld in artikel 52bis.
16.2. Algemene voorwaarden
16.2.1. Behoudens in zeer uitzonderlijke omstandigheden (grondig te motiveren) kan deze maatregel slechts worden toegepast voor jongeren boven de 12 jaar (70) die wegens een als misdrijf gekwalificeerd feit worden vervolgd.
16.2.2. Volgens het tweede lid kan deze beslissing enkel worden genomen indien de betrokkene blijk geeft van aanhoudend wangedrag (71), zich gevaarlijk gedraagt of indien een gerechtelijk onderzoek de maatregel vereist.
16.3. Duur
16.3.1. De duur van deze bijzondere maatregel is geregeld in het eerste lid. Een maatregel van bewaring in een gesloten opvoedingsafdeling kan slechts worden opgelegd voor een termijn van maximum 3 maanden.
16.3.2. Deze maatregel is éénmaal verlengbaar met een nieuwe termijn van maximum 3 maanden wanneer volgende bijzondere voorwaarden samen vervuld zijn :
16.3.2.1. de verlenging met 3 maanden kan pas na kennisgeving aan de rechter van het door de instelling opgestelde medisch-psychisch verslag (72);
16.3.2.2. de rechter moet bovendien de jongere en zijn raadsman horen. De rechter is niet gebonden door de inhoud van het medisch-psychisch verslag dat eventueel betwist kan worden door de verdediging. (73)
16.3.3. Hierna kan de maatregel, telkens met 1 maand, worden verlengd wanneer volgende bijzondere voorwaarden samen vervuld zijn :
16.3.3.1. een gemotiveerde beslissing is noodzakelijk;
16.3.3.2. de beslissing moet steunen op ernstige en uitzonderlijke omtandigheden die betrekking hebben op de vereisten van de openbare veiligheid of eigen zijn aan de persoonlijkheid van de betrokkene en die de handhaving van deze maatregelen noodzakelijk maken. (74)
16.3.3.3. de "betrokkene", zijn raadsman en de directeur van de instelling moeten vooraf worden gehoord.
16.4. Bijzondere verzwaring van de maatregel
De rechter of jeugdrechtbank kan, overeenkomstig het derde lid, bij gemotiveerde beslissing dezelfde jongere om dezelfde redenen als voorzien in lid 2 en voor dezelfde termijnen verbod opleggen de instelling te verlaten.
16.5. Het gebruik van de termen "(jeugd-) rechter" en "juegdrechtbank" in dit artikel is te verklaren door het feit dat in de rechtsplegingen ten gronde de jeugdrechtbank, die de zaak verdaagt, nog steeds voorlopige maatregelen kan treffen zoals de bewaring in een gesloten opvoedingsafdeling.
Van zodra de jeugdrechtbank over de zaak ten gronde heeft beslist is de bepaling niet meer van toepassing. (75)
16.6. Rechtsmiddelen
Hoger beroep tegen de beschikkingen of (tussen-) vonnissen bedoeld in artikel 52quater wordt geregeld in het zesde, zevende en achtste lid (vergelijk met artikel 52ter).
16.6.1. Hoger beroep moet worden ingesteld binnen een termijn van 48 uren. Die termijn loopt ten aanzien van het openbaar ministerie vanaf de mededeling van de beslissing en ten aanzien van de andere partijen in het geding vanaf het vervullen van de vormvereisten van artikel 52ter, vierde lid.
16.6.2. Het hoger beroep kan worden ingesteld door een verklaring aan de directeur van de instelling of diens aangestelde. Naast het zenden van een aangetekende brief is het, gelet op de korte beroepstermijn, aangewezen dat de directeur onverwijld de procureur-generaal van het hoger beroep op de hoogte brengt per telefax-bericht.
16.6.3. De jeugdkamer van het hof van beroep doet uitsprak binnen 15 werkdagen te rekenen van de akte van hoger beroep. Na deze termijn vervalt de maatregel. De termijn wordt geschorst tijdens de duur van het uitstel toegekend op verzoek van de verdediging.
16.6.4. De wet van 30 juni 1994 tot aanvulling van de artikelen 52quater en 53, derde lid, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming gewijzigd bij de wet van 2 februari 1994 en tot invoeging van een artikel 100bis in dezelfde wet bepaalt dat in het geval van artikel 52quater de termijn van dagvaarding voor het hof 3 dagen bedraagt. Deze aanvulling was noodzakelijk vermits :
- artikel 46, derde lid de gewone termijn van dagvaarding voor de jeugdrechtbanken vastlegt op 10 dagen;
- artikel 184, derde lid van het W. Sv. het niet mogelijk maakt de termijn te verkorten tot 3 dagen, aangezien de wet op de voorlopige hechtenis niet van toepassing is op de minderjarigen.
16.7. Met betrekking tot het eerste en het zevende lid van artikel 52quater geldt de overgangsbepaling bedoeld in artikel 100bis.
Artikel M17 17. Artikel 53 : Voorlopige bewaring in een huis van arrest
Het artikel 53 (oud) werd aangepast aan de vereisten van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (76) door de invoeging van bijkomende voorwaarden.
17.1. Toepassing van het artikel 53.
17.1.1. Artikel 53 kan nog slechts worden toegepast ten aanzien van "personen" die ervan verdacht worden feiten te hebben gepleegd die strafbaar zijn met een correctionele hoofdgevangenisstraf van één jaar of meer, terwijl zij op het ogenblik van die feiten de leeftijd van 14 jaar hebben bereikt.
17.1.2. Artikel 53 kan slechts éénmaal worden toegepast in de loop van eenzelfde procedure (77) afgezien van de mogelijkheid aan de jeugdrechtbank gelaten om andere voorlopige maatregelen te bevelen. (78) Nieuwe feiten, gepleegd na het toevertrouwen aan een huis van arrest, kunnen derhalve slechts, zo daartoe grond bestaat, aanleiding geven tot een nieuwe toepassing van artikel 53, nadat het openbaar ministerie, in het nieuw dossier dat het zal hebben aangelegd, maatregelen heeft gevorderd.
17.1.3. Artikel 53 is van toepassing op alle gevallen waar voorlopige maatregelen kunnen worden getroffen, dat wil zeggen ook ten aanzien van personen die intussen de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt.
17.1.4. Artikel 53 kan gecumuleerd worden met het "verbod van vrij verkeer" met de in artikel 52, lid 3 bij name aangeduide personen. (79)
17.2. Rechtsmiddelen.
17.2.1. De termijn voor het instellen van het hoger beroep tegen de beschikking bedraagt 48 uren onder dezelfde voorwaarden en modaliteiten als voorzien voor artikel 52quater (supra sub 16.6.1. en 16.6.2.).
17.2.2. De dagvaardingstermijn voor het hof bedraagt 1 dag. Deze verkorting van de termijn werd ingevoegd om de dagvaarding van de partijen in het geding toe te laten gezien de zeer korte termijn die wordt bepaald om te beslissen.
17.2.3. De jeugdkamer van het hof van beroep heeft slechts 5 werkdagen om uitspraak te verlenen te rekenen vanaf de akte van hoger beroep.
Bij het overschrijden van de termijn vervalt de maatregel. De termijn wordt geschorst tijdens de duur van het uitstel toegekend op verzoek van de verdediging. (80)
17.2.4. De procureurs des Konings dienen de procureurs-generaal onverwijld van het hoger beroep op de hoogte te brengen. Indien het hoger beroep werd ingesteld door een verklaring bij de directeur van het huis van arrest, zal deze de territoriaal bevoegde procureur-generaal terstond van dit verhaal op de hoogte brengen per telefax-bericht.
Artikel M18 18. Artikel 53bis : Opheffing van artikel 53
Artikel 53 zal worden opgeheven bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit te bepalen datum.
Het principe van deze opheffing is reeds verworven. De verwezenlijking is afhankelijk van het bestaan van voldoende openbare instellingen voor plaatsing en opvoeding onder toezicht, die met name een gesloten afdeling hebben. (81)
Artikel M19 19. Artikel 54 : Persoonlijke verschijning
De wet heeft hier enkel een terminologische aanpassing (volle adoptie) doorgevoerd die niet gebeurde door de wet van 27 april 1987 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de adoptie. (82)
Het ambt van pleitbezorger werd reeds eerder door het Gerechtelijk Wetboek afgeschaft. De verwijzing naar de pleitbezorger werd derhalve niet meer hernomen.
Artikel M20 20. Artikel 54bis : Toewijzing van een advocaat
20.1. Wanneer de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig wordt gemaakt bij toepassing van artikel 45, 2.a) of b), of bij toepassing van artikel 63ter, a) of c), geeft het openbaar ministerie hiervan onverwijld kennis aan de stafhouder van de orde van advocaten. Het openbaar ministerie verzendt deze kennisgeving gelijktijdig met de vordering, de dagvaarding of de waarschuwing.
Het doel hiervan is de stafhouder er op attent te maken dat iemand, die aan de hieronder sub 20.2. vermelde voorwaarden voldoet, recht heeft op de ambtshalve toewijzing van een advocaat.
20.2. Luidens paragraaf 1, eerste lid geldt de ambtshalve toewijzing van een advocaat voor een persoon beneden de 18 jaar die partij is in het geding en geen advocaat heeft.
De meerderjarige die voor de jeugdrechter verschijnt zou op het eerste zicht dus geen recht hebben op de ambtshalve toewijzing van een advocaat. Uit de lezing van het tweede lid van artikel 52ter kanmen afleiden dat dit wel het geval is wanneer hif voor de jeugdrechtbank verschijnt : "de betrokkene" heeft, telkens als hij voor de "jeugdrechtbank" verschijnt, recht op bijstand van een advocaat (welke aangewezen wordt overeenkomstig artikel 54bis). Alhoewel, het komt aangewezen voor deze waarborg ook aan personen boven de 18 jaar, die voor de jeugdrechter verschijnen, toe te kennen (vergelijk artikel 52ter en artikel 52).
20.3. De stafhouder of het bureau voor consultatie en verdediging gaat over tot de toewijzing uiterlijk binnen 2 werkdagen te rekenen van het bericht. Teneinde het recht op bijstand van een advocaat (artikel 52ter, tweede lid) effectief te maken voor alle jongeren, verdient het aanbeveling de stafhouder of het bureau voor consultatie en verdediging zo vlug mogelijk te verzoeken de jongeren een raadsman toe te wijzen.
20.4. Overeenkomstig paragraaf 2 zendt het openbaar ministerie aan de jeugdrechtbank waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, afschrift van het bericht van kennisgeving aan de stafhouder.
20.5. Luidens paragraaf 3 dient de stafhouder of het bureau voor consultatie en verdediging er voor te zorgen dat, ingeval van tegenstrijdige belangen, de "betrokkene" verdedigd wordt door een andere advocaat dan diegene op wie de vader, de moeder, de voogden, of de personen die hem onder hun bewaring hebben of bekleed zijn met een vorderingsrecht, beroep zouden hebben gedaan.
Artikel M21 21. Artikel 55 : Inzage van het dossier
21.1. Met het nieuwe artikel 55 wordt de partijen en hun raadslieden de mogelijkheid gegeven vanaf het ogenblik van de betekening van de dagvaarding ten gronde (in een zaak bedoeld in titel II hoofdstuk III) inzage te nemen van het dossier ter griffie. Van de neerlegging van dit dossier ter griffie wordt hen kennis gegeven.
Dit betekent dat tegelijk met de betekening van de dagvaarding het dossier ter beschikking zal zijn op de griffie. De dagvaarding zal vermelden dat er onmiddellijk inzage kan genomen worden van het dossier. De raadslieden van de partijen zullen van hun inzagerecht in kennis gesteld worden.
21.2. Overeenkomstig het tweede lid wordt nu ook de toegang tot het dossier voor partijen en hun advocaat verzekerd wanneer het openbaar ministerie een voorlopige maatregel vordert bedoeld in de artikelen 52 en 53 (vanzelfsprekend ook artikel 52quater) en voordat de jeugdrechter een beslissing met betrekking tot het opleggen van een voorlopige maatregel neemt. Uiteraard geldt dit ook gedurende de termijn voor het instellen van hoger beroep tegen de beschikkingen waarbij zulke maatregelen worden opgelegd.
21.3. Aan het principe van de beperkte mededeelbaarheid van de stukken uit het dossier is niets gewijzigd. In het derde lid werd enkel het woord "minderjarige" vervangen door het woord "betrokkene".
Artikel M22 22. Artikel 56 : Minderjarige die gedeeltelijk partij is bij de debatten in het kader van de maatregelen ten aanzien van de ouders
22.1. Het eerste lid bepaalt dat, in procedures met betrekking tot de toepassing van maatregelen ten aanzien van de ouders, de betrokken minderjarigen niet als partij in het debat worden beschouwd, behalve wanneer ten aanzien van hen voorlopige maatregelen worden genomen als voorzien in artikel 52.
22.2. De mogelijkheid om zulke maatregelen te nemen gedurende een procedure tot ontzetting van de ouderlijke macht werd opgeheven door het nieuwe vijfde lid van artikel 52, ingevoegd door de wet van 30 juni 1994.
Zoals gezegd werd in de commentaar onder 13.3. behoren deze maatregelen tot de bevoegdheid van de gemeenschapsinstanties.
De tussenkomst van de jeugdrechtbank moet gezien worden in verband met de door de decreten van de gemeenschappen voorziene hypotheses, hetzij thans artikel 22 van het decreet van de Vlaamse raad, gecoördineerd op 4 april 1990 als ook de artikelen 38 en 39 van het decreet van de Franse Gemeenschapsraad van 4 maart 1991.
22.3. In de mate dat de in artikel 30 van de wet voorziene opvoedingsbijstand niet door de bevoegde gemeenschapsoverheden afgeschaft werd, blijft artikel 56 van toepassing.
De minderjarigen zijn enkel partijen ter zake indien voorlopige maatregelen ten hunnen opzichte genomen zijn.
In dat geval genieten de minderjarigen alle waarborgen voorzien in de procedure bij voorlopige maatregelen : ambtshalve toewijzing van een advocaat, verhoor door de jeugdrechter vooraleer een beslissing wordt genomen, verplichte bijstand van een advocaat, mededeling van de beslissing, mogelijkheid tot beroep,...
De minderjarigen zijn evenwel geen partij in het debat wanneer ten aanzien van de ouders in openbare zitting over de zaak zelf wordt geoordeeld.
22.4. De jeugdrechtbank moet de minderjarige alsdan wel oproepen, indien hij ouder is dan 12 jaar, om te worden gehoord (zie hierna artikel 56bis) in verband met aangelegenheden betreffende het gezag over zijn persoon, het beheer van zijn goederen, de uitoefening van het bezoekrecht en de aanwijzing van een toeziend voogd ingeval van ontzetting van het ouderlijk gezag.
In dat geval geniet de minderjarige niet meer de waarborgen verleend aan de partijen in het geding, zoals bijvoorbeeld : bijstand van een advocaat, toegang tot het dossier, mogelijheid tot beroep.
Artikel M23 23. Artikel 56bis : Verplichting de minderjarige in bepaalde procedures te horen
Artikel 56bis bepaalt dat de jeugdrechtbank de minderjarige die ten minste de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, moet oproepen om gehoord te worden. Die verplichting bestaat telkens wanneer in burgerlijke procedures aangelegenheden worden behandeld die betrekking hebben op het gezag over zijn persoon, het beheer van zijn goederen, de uitoefening van het bezoekrecht of de aanwijzing van de in artikel 34 bedoelde provoogd. Deze bepaling sluit aan bij artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, spijts het in het verdrag ingeschreven recht van elk kind met onderscheidingsvermogen om gehoord te worden, waarbij niet wordt gerefereerd naar de leeftijd van 12 jaar. (83)
Er moet worden onderstreept dat de rechter zijn opdracht inzake het horen van de jongere niet kan delegeren.
De rechter beslist evenwel vrij over de modaliteiten van het verhoor, inzonderheid over de plaats en het tijdstip ervan. Aan de jongere moet de mogelijkheid worden geboden zich in alle vrijheid uit te drukken of te zwijgen. Ingeval hij niet verschijnt, kan de jeugdrechtbank hem op grond van artikel 57, tweede lid, laten oproepen indien zij dit geraden acht.
Artikel M24 24. Artikel 58 : De verhaalmiddelen
Artikel 58, eerste lid moet samen worden gelezen met artikel 52 en 52ter, 52quater en 53. (84)
Vermits artikel 52ter, vijfde lid bepaalt dat de maatregelen voorzien in artikel 52 niet vatbaar zijn voor verzet, diende dit laatste artikel als uitzondering te worden voorzien op de verhaalregeling bepaald in artikel 58, eerste lid.
Vermits zowel artikel 52quater, zesde lid als artikel 53, derde lid in een afwijkende verhaaltermijn van 48 uren voorzien, diende ook dit als uitzondering te worden gesteld op de regel bepaald in artikel 58 eerste lid. De afwijkende termijn is evenwel een wettelijke termijn, aangezien artikel 62 in een dergelijke afwijking voorziet. (85)
Zoals in de toelichting bij artikel 54 werd opgemerkt, werd het ambt van pleitbezorger door het Gerechtelijk Wetboek afgeschaft.
Artikel M25 25. Artikel 60 : Herziening van de maatregelen en nieuw onderzoek na één jaar
25.1. De jeugdrechtbank en de jeugdrechter kunnen verder ten allen tijde ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie de genomen maatregel intrekken of wijzigen. Dit principe werd niet gewijzigd. Het eerste lid van artikel 60 werd enkel aangepast door de schrapping van de woorden "ter beschikkingstelling van de regering uitgezonderd" en door een aanvulling waardoor ook een herziening mogelijk wordt, op verzoek van de bevoegde instanties bedoeld in artikel 37, paragraaf 2, 4°. Het komt deze instanties toe de overheid aan te duiden die bevoegd is dit verzoek in te dienen.
25.2. Iedere bij vonnis bevolen maatregel zoals bedoeld in artikel 37, paragraaf 2, 3° of 4° (maatregel van plaatsing) moet echter overeenkomstig het derde lid opnieuw worden onderzocht voor het verstrijken van een termijn van 1 jaar te rekenen van de dag waarop de beslissing definitief is geworden, ten einde te worden bevestigd, ingetrokken of gewijzigd.
Deze procedure van nieuw jaarlijks onderzoek wordt door het openbaar ministerie ingeleid volgens de vormvereisten van artikel 45, 2, b) en c).
25.3. Wanneer de termijn van een jaar is verstreken zonder te dagvaarden, te waarschuwen of op te roepen bij gerechtsbrief, vervalt de maatregel niet. De wetgever heeft geen sanctie voorzien.
25.4. Deze nieuwe verplichting laat de rechten van de minderjarige, de vader, de moeder en diegene die de minderjarige onder hun bewaring hebben onverkort om bij verzoekschrift de intrekking of de wijziging van de maatregel aan te vragen na het verstrijken van de termijn van 1 jaar te rekenen vanaf de dag dat de beslissing definitief is geworden (tweede lid).
25.5. Het nieuwe laatste lid van artikel 60 legt de gemeenschapsoverheden op om, aan de jeugdrechtbank om het kwartaal een evaluatieverslag te sturen over de persoon die in een gesloten opveodingsafdeling werd geplaatst.
25.6. Met betrekking tot artikel 60, derde en vierde lid, dient de aandacht te worden gevestigd op de overgangsbepaling bedoeld in artikel 100bis (zie infra).
Artikel M26 26. Artikel 62 : Aard van de rechtspleging
26.1. Behoudens afwijking verwijst dit artikel, zoals voorheen, met betrekking tot de in hoofdstuk II van titel II bedoelde procedrures naar de algemene rechtsplegingsregels in burgerlijke zaken en betreffende de procedures bedoeld in hoofdstuk III van dezelfde titel naar de regels die gelden in correctionele zaken.
26.2. In verband met de bepalingen die door de bevoegde gemeenschapsinstanties zijn uitgevaardigd zijn de regels inzake burgerlijke rechtspleging vantoepassing op de homologatieprocedures vastgelegd in het nieuwe artikel 63bis, paragraaf 2, alsook op de, in het nieuwe artikel 63ter, b, omschreven gerechtelijke procedures betreffende betwisting van een maatregel die de, door deze instanties, aangewezen administratieve overheid heeft genomen. Op het ogenblik van de bekendmaking van deze omzendbrief heeft alleen de Franse Gemeenschap dergelijke bepalingen uitgevaardigd. (86)
26.3. De regels betreffende procedures in correctionele zaken zijn van toepassing op de andere bepalingen met betrekking tot de gerechtelijke jeugdbescherming die door deze gemeenschapsinstantiesworden uitgevaardigd, zij het betreffende voorlopige maatregelen, betreffende hoogdringendheid voor maatregelen ten gronde. Zo voorzien de artikelen 26, 27 en 22, 2°, van de op 4 april 1990 gecoördineerde decreten inzake bijzondere jeugdbijstand van de Vlaamse Gemeenschap in dringende of voorlopige maatregelen. Artikel 39, eerste en tweede lid van het decreet van 4 maart 1991 van de Franse Gemeenschap voorziet eveneens in dringende en voorlopige maatregelen.
Artikel M27 27. Artikel 62bis : Tenuitvoerlegging van maatregelen genomen door de gemeenschappen
Dit artikel heeft betrekking op de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen die door de gemeenschapsoverheden aan een administratieve overheid werden toevertrouwd. Dit is bijvoorbeeld voorzien in artikel 38 van het decreet van 4 maart 1991 van de Franse Gemeenschap, alsook in artikel 39 van hetzelfde decreet, voor de maatregelen die door de "conseiller de l'aide à la jeunesse" worden bewerkstelligd.
De griffier van het betrokken gerecht levert ambtshalve en kosteloos een uitgifte van de beslissing af zodra deze uitvoerbaar is geworden. Deze uitgifte moet bij een ter post aangetekende brief wordenverzonden, behalve wanneer zij op de griffie door een daartoe bevoegd ambtenaar wordt afgehaald.
Artikel M28 28. Artikel 63 : Strafregister
In artikel 63 zijn alleen wijzigingen in de nummering en de terminologie aangebracht.
Artikel M29 29. Artikel 63bis : Procedureregels die van toepassing zijn op maatregelen voorzien door de gemeenschappen.
29.1. Paragraaf 1 bepaalt dat al de in hoofdstuk IV van titel II bedoelde rechtsplegingsregels van toepassing zijn op de door de gemeenschapsinstanties uitgevaardigde bepalingen van gerechtelijke jeugdbescherming, met uitzondering van de regels betreffende de aanhangigmaking van een zaak bij de rechtbank en de dagvaarding, omschreven in de artikelen 45 lid 2, en 46. Deze aangelegenheden worden inderdaad afzonderlijk geregeld in het nieuwe artikel 63ter.
29.2. Paragraaf 2 voorziet in een bijzondere rechtspleging die reeds door de Franse Gemeenschap werd ingevoerd, voor wat de homologatie-procedure betreft, bij artikel 38, paragraaf 4, tweede lid, en 39, derde lid van haar decreet van 4 maart 1991. Deze procedure, die ertoe strekt op zeer korte termijn een wijziging van een rechterlijke beslissing door de administratieve overheid gerechtelijk te laten nagaan, is, in eerste aanleg, schriftelijk. Zij wordtingeleid bij verzoekschrift door de bevoegde administratieve overheid. Het nieuw artikel 162, 45° van het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en griffierechten is van toepassing. Het openbaar ministerie geeft advies. De beslissing wordt genomen bij kabinetsbeschikking van de jeugdrechter, zonder oproeping van de partijen. Het overschrijden van de termijn van 3 dagen waarbinnen de beslissing wordt genomen, wordt niet door nietigheid gesanctioneerd, maar het is de wens van de wetgever dat dergelijke procedures geen vertraging zouden oplopen.
Hoger beroep is het enige rechtsmiddel dat tegen de beschikking kan worden aangewend. Dit rechtsmiddel kan worden aangewend door alle partijen die blijk kunnen geven van een belang, evenals door het openbaar ministerie wanneer de openbare orde zijn tussenkomst vereist. (87)
Artikel M30 30. Artikel 63ter : Rechtsingang met betrekking tot de rechtspleging voorzien in artikel 63bis
Dit artikel regelt de wijze waarop de zaken bij de jeugdrechtbank aanhangig worden gemaakt met betrekking tot de maatregelen waarin de gemeenschapsinstanties in het kader van hun bevoegdheden hebben voorzien.
Net als artikel 45 maakt dit artikel een onderscheid tussen enerzijds het aanhangig maken van een zaak op vordering van het openbaar ministerie, wat in voorkomend geval aanleiding geeft tot beschikkingen van de jeugdrechter, en anderzijds het aanhangig maken van een zaak door middel van een verzoekschrift, door vrijwillige verschijning na waarschuwing of bij dagvaarding, wat aanleiding geeft tot het uitspreken van een vonnis.
De memorie van toelichting (88) legt de nadruk op het uitzonderlijk karakter van het aanhangig maken bij vordering door het openbaar ministerie, omdat de procedure die tot het uitspreken van een vonnis leidt de meeste waarborgen biedt en dit wegens de in acht te nemen vormvereisten, de termijnen en het tegensprekelijk karakter ervan.
De procedure met het oog op een beschikking moet worden beperkt tot de voorlopige maatregelen en tot uiterste dringende gevallen. De reeds vernoemde decretale bepalingen (89) van de Franse Gemeenschap en van de Vlaamse Gemeenschap zijn aldus restrictief en in die geest toe te passen.
De procedure bij verzoekschrift heeft betrekking op elke betwisting van maatregelen genomen door de gemeenschapsinstanties. Ten gevolge van een materiële vergissing verwijst punt b) naar de "instanties bedoeld in artikel 37, paragraaf 2" in de plaats van naar de "instanties bedoeld in artikel 37, paragraaf 2, 4°".
Overeenkomstig de wet moet in dat geval de oproeping tot de zitting, waarin het voorwerp van het verzoek moet zijn vermeld, door de griffier aan de partijen worden gericht en moet een afschrift worden overgezonden aan het openbaar ministerie.
Aangezien het beginsel van de uitdrukkelijke nietigheid vastgelegd is in het volgende lid en in dit deel van het artikel niet is vermeld, moet met betrekking tot het tegensprekelijk karakter van de beslissing het algemeen beginsel van de rechten van de verdediging in acht genomen worden.
In het laatste lid zijn de personen vermeld aan wie de dagvaarding of de met reden omklede waarschuwing moet worden gericht. Zoals reeds is bepaald in artikel 46 moeten de minderjarige die ten minste 12 jaar oud is alsook de persoon of de personen die het recht van bewaring uitoefenen, worden gedagvaard of gewaarschuwd. In dit lid wordt verder verwezen naar andere personen aan wie eventueel door de gemeenschapsinstanties een vorderingsrecht wordt toegekend. (90)
Het komt deze instanties toe op nauwkeurige wijze de personen aan te wijzen die over dit vorderingsrecht beschikken. Zo wijst aritkel 37, eerste lid van het decreet van 4 maart 1991 van de Franse Gemeenschap als personen die een betwisting voor de jeugdrechtbank kunnen brengen, degenen aan die de jongere in feite onder hun bewaring hebben. In de Vlaamse Gemeenschap werd overeenkomstig artikel 26, paragraaf 1, van de gecoördineerde decreten bijvoorbeeld een vorderingsrecht toegekend aan de sociale dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbank.
Ook hier moet aan de kosteloosheid van de procedure worden herinnerd (artikel 162, 45° van het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten).
Artikel M31 31. Artikel 63quater : Procedurewaarborgen van toepassing op voorlopige maatregelen voorzien door de gemeenschappen
Hoewel het nieuwe artikel 63bis alle regels van hoofdstuk IV van titel II toepasbaar maakt op de door de gemeenschapsinstanties uitgevaardigde bepalingen inzake gerechtelijke jeugdbescherming, maakten de verwijzingen in de artikelen 52bis, 52ter en 52quater naar artikel 52, en in dit laatste artikel naar de maatregelen omschreven in titel II, hoofdstuk III, het noodzakelijk de in voornoemde artikelen omschreven waarborgen ook uit te breiden tot de in artikel 63ter, eerste lid, a), bedoelde procedures op vordering van het openbaar ministerie. Die uitbreiding van waarborgen wordt door middel van dit artikel gerealiseerd.
Artikel M32 32. Artikel 63quinquies : Procedureregels voor de verlenging (hernieuwing) van de maatregelen voorzien door de gemeenschap
Dit artikel strekt ertoe de problemen te regelen die kunnen ontstaan door verlenging of hernieuwing van de maatregelen die genomen zijn ofwel bij beschikking, ofwel bij vonnis in het kader van de gerechtelijke jeugdbescherming ingevoerd door de gemeenschapsinstanties. Het is er op gericht dezelfde procedurele waarborgen toe te kennen aan de beslissingen tot verlenging van de maatregel als voor de oorspronkelijke beslissingen.
Artikel M33 33. Artikel 100bis : Overgangsbepalingen
Door de wet van 30 juni 1994 werd met betrekking tot de artikelen 50, paragraaf 1, derde lid, 52bis, 52ter, zesde lid, 52quater, eerste en zevende lid, 53, derde lid en 60, derde en vierde lid een overgangsbepaling ingevoegd.
Voor de zaken die hangend zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 2 februari 1994, namelijk op 27 september 1994, worden de in de hoger genoemde artikelen voorziene termijnen, berekend vanaf de eerste dag die volgt op de inwerkingtreding van genoemde wet.
De toekenning van de nieuwe waarborgen waarin deze artikelen voorzien mag inderdaad niet worden beperkt tot de nieuwe procedures. Ook op de hangende procedures zijn de nieuwe waarborgen van toepassing.
De Minister van Justitie,
M. Wathelet
Bijlage.
Artikel N (1) Kamer 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 17.
(2) Kamer - 532/5 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 25 november 1992 - blz. 2.
(3) P. Mahillon : "Protection de la jeunesse" in "Les Novelles", 1978, n° 1035, blz. 353.
(4) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 13.
(5) Hier werd de formuliering vervat in de wet van 24 december 1992 tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming rechtgezet.
(6) De Commissie voor de Justitie van de Kamer zorgde voor een nieuwe benaming nl. "openbare instellingen", Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 18.
(7) Senaat - Par. Hand. nr.110 - Zitting 8 juli 1993 - blz. 3373.
(8) Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 39 en volgende.
(9) Senaat - Parl. Hand. nr. 110 - Zitting 8 juli 1993 - blz. 3360.
(10) Kamer - 532/7 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 23 december 1992 - blz. 2.
(11) Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 38; Senaat - Parl. Hand. nr. 110 - Zitting 8 juli 1993 - blz. 3360 en volgende.
(12) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 18.
(13) Deze bepaling werd "ten overvloede" toegevoegd aangezien zij reeds sedert de wetswijziging van 24 december 1992 toepasselijk was.
In die zin werden overigens reeds herhaaldelijk gerechtelijke beslissingen gewezen. Inderdaad, door de verruiming vanhet eerste lid van artikel 37 waarbij het woord "minderjarigen" vervangen werd door het woord "personen", kan de maatregel van berisping ook ten aanzien van personen die meerderjarig zijn op het ogenblik van hun verschijning voor de jeugdrechtbank genomen worden.
(14) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 15.
(15) Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 37.
(16) Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 53.
(17) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 17.
(18) Hiermede wordt een vaste rechtsprak bevestigd. Zie o.m. Cass. 10 juni 1992, J.L.M.B., 1992, 985; Brussel 24 juni 1991, J.T., 1991, 647.
(19) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 12.
(20) Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 46.
(21) Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 47.
(22) Kamer - 532/8 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 6 januari 1993 - blz. 1.
(23) Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 45 en 46.
(24) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 18.
(25) Bedoeld wordt het jeugdbeschermingscomité.
(26) De opheffing gebeurde bij artikel 22, 4° van het decreet van 28 maart 1990, maar alleen ten aanzien van minderjarigen in een problimatische opvoedingssituatie. Laatstgenoemde bepaling werd door het Arbitragehof vernietigd (arrest 40/91 van 14 december 1991) voor zover zij betrekking heeft op minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd.
(27) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 18.
(28) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 22 en 49.
(29) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 18.
(30) Amendement nr. 48 van Mevr. Stengers, Kamer - 532/6 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 9 december 1992 - blz. 4.
(31) Amendement nr. 11 van de heren Mayeur c.s., Kamer - 532/5 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 25 november 1992 - blz. 4.
(32) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 40.
(33) Annales de Droit, Deel XXXI, 1971, blz. 153 en 155.
(34) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 21.
(35) Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 65.
(36) Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 64.
(37) Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 63.
(38) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 21.
(39) Voorheen "navorsingen" genoemd.
(40) Kamer - 532/6 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 9 december 1992 - blz. 4 en 5.
(41) Kamer - 532/6 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 9 december 1992 - blz. 4.
(42) Kamer - 532/5 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 25 november 1992 - blz. 5.
(43) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 24.
(44) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 6.
(45) Kamer - ibidem - blz. 12; Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 7.
(46) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 kjuni 1992 - blz. 39.
(47) Senaat - Parl. Hand. nr. 110 - Zitting 8 juli 1993 - blz. 3360 en 3361.
(48) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 4.
(49) Amendement nr. 13 van de heren Mayeur c.s. - Kamer - 532/5 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 25 november 1992 - blz. 5 en 6; Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 25.
(50) Tijdens de bespreking in de Senaat op 30 juni 1993 werd gewag gemaakt van het feit dat er al een "vonnis" moest bestaan dat een "maatregel" bevat t.o.v. de betrokkene wegens één of meer ernstige feiten, Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 30.
(51) Kamer - 532/5 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 25 november 1993 - blz. 15 en 16.
(52) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 23.
(53) Cass. 22 juli 1955, Pas., 1955, I, 1271; Cass. 27 september 1974, Pas., 1975, I, 115; Cass. 11 oktober 1979, Pas., 1980, I, 199.
(54) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 26.
(55) Een berisping kan niet voorlopig genomen worden.
(56) Het is het ogenblik waarop het openbaar ministerie een vordering tot het verrichten van onderzoeksmaatregelen (navorsingen) en het nemen van voorlopige maatregelen tot de jeugdrechter richt.
(57) Senaat - Parl. Hand. nr. 110 - Zitting 8 juli 1993 - blz. 3364.
(58) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 26 en 28; Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1993 - blz. 24; Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 70.
(59) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 27.
(60) Kamer - 1196/1 - 93/94 - Zitting 26 oktober 1993 - blz. 2.
Zo wordt een einde gesteld aan een onevenwicht voortkomende uit de opheffing van deze maatregelen door artikel 22, 5° van het decreet van 28 maart 1990 van de Vlaamse Raad en uit de vernietiging van artikel 62, paragraaf 9, van het decreet van 14 maart 1991 van de Raad van de Franse Gemeenschap.
(61) In feite werd door de wetgever artikel 52quater, vijfde lid bedoeld.
(62) Kamer - Parl. Hand. nr. 15 - Zitting 2 december 1993 - blz. 511.
(63) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 25.
(64) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 26.
(65) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 32. Zie verder commentaar bij artikel 54bis.
(66) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 26.
(67) Amendement nr. 78 van de regering, Kamer - 532/8 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 6 januari 1993 - blz. 3.
(68) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 26.
(69) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 34.
(70) Artikel 37, paragraaf 2, laatste lid; Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 79.
(71) Met name : hij pleegt een als misdrijf gekwalificeerd feit; Senaat - ibidem.
(72) Dit verslag is niet bindend; Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 35.
(73) Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 82.
(74) In tegenstelling tot de voorwaarden bedoeld in het eerste lid kan "het onderzoek" geen voldoende reden zijn om de termijn na de termijn van 6 maanden te verlengen, Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 85.
(75) Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 81; Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 27.
(76) Naim Bouamar, EHRM, 29 februari 1988; Kamer - 532/1 -91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 4 en 28.
(77) Dit is uit hoofde van dezelfde feiten; Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 28.
(78) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 40.
(79) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 27 en 40.
(80) De overgangsbepaling bedoeld in artikel 100bis is van toepassing.
(81) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Ziting 21 januari 1993 - blz. 39.
(82) Belgisch Staatsblad 27 mei 1987.
(83) Volgens de voorbereidende werkzaamheden moet de minderjarige die de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, door de jeugdrechtbank worden gehoord; Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 29.
(84) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 43.
(85) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 43.
(86) Het betreft de artikelen 37, 38, paragraaf 4, tweede lid en 39, derde lid van het decreet van 4 maart 1991 van de Franse Gemeenschap.
(87) Artikel 138, tweede lid Ger. W.
(88) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 32.
(89) Artikel 39, eerste en tweede lid van het decreet van 4 maart 1991 van de Franse Gemeenschap en artikel 22, 2°, 26 en 27 van de op 4 maart 1990 gecoördineerde decreten van de Vlaamse Gemeenschap.
(90) De bevoegdheid van de gemeenschappen terzake berust op het gegeven dat de toekenning van een vorderingsrecht betrekking heeft op het recht zelf en geen rechtsplegingsregel betreft (cfr. arrest van 21 januari 1993 van het Arbitragehjof, Belgisch Staatsblad 4 februari 1993, considerans B 14).
Artikel M1 1. Artikel 36bis : De bevoegdheid inzake het wegverkeer.
Aan artikel 36bis werden slechts een beperkt aantal wijzigingen aangebracht.
1.1. Opdat de wet zonder onderscheid van toepassing zou zijn op Belgen en vreemdelingen en iedere verwijzing naar het persoonlijk statuut zou worden vermeden werden in het eerste lid de woorden "minderjarigen die meer dan 16 jaar" vervangen door de woorden "personen ouder dan 16 jaar en beneden 18 jaar". (1)
Om dezelfde redenen werden in het laatste lid de woorden "bedoelde minderjarigen" vervangen door de woorden "bedoelde personen".
1.2. Gelet op de nieuwe wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen werden in het eerste lid, 3° de woorden "de wet van 1 juli 1956" vervangen door de woorden "de wet van 21 november 1989". (2)
1.3. In het tweede lid werd de eerste zin "De debatten voor die gerechten hebben in raadkamer plaats" weggelaten. In de tweede zin werden de woorden "Indien eruit.." vervangen door de woorden "Indien uit de debatten voor die gerechten...". Hierdoor valt de verplichting weg om voor de in dit artikel omschreven verkeersmisdrijven, die gepleegd werden door personen tussen 16 jaar en 18 jaar, de debatten in raadkamer te houden bij de behandeling door de gerechten bevoegd op grond van het gemene recht.
Het nadeel van de debatten in raadkamer in geval van samenhang met vervolgingen ten aanzien van meerderjarigen werd reeds meerdere malen onderstreept. (3) Hetzelfde nadeel deed zich voor wanneer zowel voor als na de leeftijd van 18 jaar strafbare feiten werden gepleegd. Tenslotte werd in de Kamer erop gewezen dat de openbaarheid van de debatten, in de gevallen voorzien bij voormeld artikel 36bis, weinig nadeel zal berokkenen aan de jongere. Het werd uitzonderlijk geacht dat tijdens het onderzoek van die zaken persoonlijkheidselementen aan bod komen. (4)
Artikel M2 2. Artikel 37 : De maatregelen die door de jeugdrechtbanken kunnen worden genomen
Door de wet van 2 februari 1994 werden een aantal terminologische wijzigingen aangebracht. In paragraaf 2 en paragraaf 3, 2° werden de woorden "volle leeftijd" telkens vervangen door de woorden "leeftijd". In dezelfde paragraaf 2 werd in punt 4 van de Nederlandse tekst het woord "instanties" vervangen door het woord "overheden". In paragraaf 3, lid 2, 1° werd de Nederlandse tekst verbeterd om mogelijke misverstanden te voorkomen. (5) Enkel voor de vordering van het openbaar ministerie is vereist dat de "betrokkene blijk geeft van aanhoudend wangedrag of zich gevaarlijk gedraagt". In paragraaf 3, lid 2, 2° van de Nederlandse tekst werden eenvoudigweg de woorden "als misdrijf omschreven feit" gewijzigd in "als misdrijf gekwalificeerd feit".
2.1. In paragraaf 2, 4° werden de woorden "aan de groep Rijksgestichten voor observatie en opvoeding onder toezicht" vervangen door "aan een openbare instelling voor observatie en opvoeding onder toezicht of aan de groep openbare instellingen voor observatie en opvoeding onder toezicht". (6) Deze wetswijziging was noodzakelijk omdat, ingevolge de communautarisering het Rijk geen instellingen voor observatie en opvoeding onder toezicht meer organiseert. Dit is een bevoegdheid van de gemeenschappen.
Met het oog op de naleving van zowel het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 28 maart 1990 als het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 heeft voortaan de jeugdrechter - of de jeugdrechtbank - de keuze om, naargelang de betrokken gemeenschap, de betrokkenen toe te vertrouwen, aan een openbare instelling voor observatie en opvoeding onder toezicht of aan de groep openbare instellingen voor observatie en opvoeding onder toezicht. De wetgever heeft hierbij rekening gehouden met verschillen in uitvoering van rechterlijke beslissingen naargelang de organisatie van die instellingen door de respectievelijke gemeenschapsinstanties. (7)
2.2. Aan paragraaf 2, 4° werd toegevoegd "Behoudens in zeer uitzonderlijke omstandigheden staan de openbare instellingen voor observatie en opvoeding onder toezicht alleen open voor de jongeren boven de 12 jaar". (8)
Door de Minister werd in de Senaat benadrukt dat bij het beoordelen van de uitzonderlijke omstandigheden niet zozeer rekening zal worden gehouden met de ernst van de feiten dan wel met de sociaal-psychologische toestand van de betrokkene. Beslist werd in de wet uitdrukkelijk te bepalen dat een plaatsing, in een openbare inrichting van jongeren beneden de 12 jaar slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden mag gebeuren. De jeugdrechters zullen in elk geval afzonderlijk de passende beslissing nemen. Hoewel de niet-naleving van voormelde bepaling geen aanleiding geeft tot een sanctie, wordt zodoende de wil van de wetgever duidelijk bepaald ten opzichte van de rechtbanken. (9)
2.3. Aan paragraaf 3 werd een derde lid toegevoegd waarbij aan de jeugdkamers van de hoven van beroep de verplichting wordt opgelegd om, ingeval van hoger beroep tegen de vonnissen waarvan sprake in paragraaf 3, 1° en 2°, "onverwijld" uitspraak te doen. Deze bepaling kadert in één van de hoofddoelstellingen van de wet, nl. het versterken van de procedurele waarborgen voor de jeugdgerechten. (10)
In tegenstelling tot hetgeen wordt bepaald in andere artikelen (o.m. de artikelen 52ter, 52quater en 53) wordt in deze bepaling geen specifieke termijn vastgelegd binnen dewelke in graad van hoger beroep uitspraak moet worden gedaan. Volgens de tekst van de wet moet dit "onverwijld" ("d'urgence") gebeuren. Dit betekent voor de commissie voor de Justitie van de Senaat dat minstens de termijnen van het kortgeding moeten worden gerespecteerd. (11)
Zoals de wetsbepaling het uitdrukkelijk vermeldt, heeft het beroep geen schorsende werking.
2.4. In hetzelfde lid van paragraaf 3 wordt vervolgens bepaald : "De vonnissen en arresten uitgesproken met toepassing van dit artikel zijn niet vatbaar voor verzet.". Deze bepaling is ingegeven door de bezorgdheid om dilatoire procedures te vermijden. (12)
2.5. Luidens het eerste lid van paragraaf 4 is de berisping thans ook toepasselijk op personen die op het tijdstip van het vonnis de leeftijd van 18 jaar hebben overschreden. (13)
Luidens het tweede lid van paragraaf 4 worden deze meerderjarigen met minderjarigen gelijkgesteld voor de toepassing van hoofdstuk IV van titel II en van artikel 80. Zodoende heeft de wetgever willen vermijden dat in dit hoofdstuk betrefende de rechtsplegingsregels, bijzondere bepalingen zouden moeten opgenomen worden voor de personen die de leeftijd van 18 jaar bereikt hebben op het ogenblik van de behandeling voor de jeugdrechtbank. (14)
Gelet op het niet-repressieve karakter van de procedure wordt de bescherming van artikel 80 eveneens uitgebreid tot die meerderjarigen. (15)
2.7. Wat de toepassing van deze maatregelen in het kader van de voorbereidende rechtspleging betreft wordt aandacht gevraagd voor de toelichting bij artikel 52 en volgende.
Artikel M3 3. Artikel 38 : De uithandengeving.
Aan dit artikel, dat samen met artikel 50 dient gelezen te worden, werden niet onbelangrijke wijzigingen aangebracht.
Vooreerst werden een aantal terminologische wijzigingen aangebracht. Zoals in artikel 36bis werd in het eerste lid het woord "minderjarige" vervangen door "persoon" en zoals in artikel 37 paragraaf 3, 2° werden de woorden "als misdrijf omschreven feit" vervangen door "als misdrijf gekwalificeerd feit". Ook werd het woord "volle" in verband met de leeftijd van 16 jaar, weggelaten en werden de woorden "het bevoegde gerecht" vervangen door de woorden "het gerecht bevoegd krachtens het gemeen recht".
3.1. In de Senaat werd het amendement van de regering aangenomen, dat in het eerste lid in fine de woorden "als daartoe grond bestaat" herstelt. Het openbaar ministerie mag inderdaad niet verplicht worden om de minderjarige na een uithandengeving voor de strafrechtbank te vervolgen. Het beschikt over een ruimere waaier van mogelijkheden dan alleen de strafvervolging, zo bijvoorbeld de minnelijke schikking, de pretoriaanse probatie, de bemiddeling in strafzaken en het seponeren.
Tenslotte werd in de Senaat vooropgesteld dat het principe van de scheiding der machten verbiedt dat een rechtbank vervolgingen zou bevelen (onverminderd de uitzondering van artikel 343 van het Gerechtelijk Wetboek voor het hof van beroep). (16)
3.2. In tweede lid wordt de mogelijkheid van een uithandengeving voorzien indien de betrokkene op het tijdstip van het vonnis de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Aldus valt elke twijfel weg omtrent de vraag of de jeugdrechtbank de zaak nog uit handen kan geven voor feiten die werden gepleegd voor de leeftijd van 18 jaar door een jongere die deze leetijd overschreden heeft op het ogenblik van het vonnis. (17) (18)
3.3. In dit geval wordt derhalve dezelfde regeling voorzien als vermeld in artikel 37, paragraaf 4, voor wat betreft de maatregel van berisping. Ook voor de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk IV van titel II alsmede van artikel 80 van de wet gebeurt de gelijkstelling met een minderjarige.
3.4. Het laatste lid is eveneens nieuw. Eens de zaak uit handen is gegeven wordt iedere persoon, die de dag na zijn definitieve veroordeling door het bevoegde gerecht, een nieuw als misdrijf gekwalificeerd feit pleegt onderworpen aan de rechtsmacht van de gewone rechter.
De wetgever heeft daardoor beslist dat vanaf het ogenblik dat de jeugdrechtbank geoordeeld heeft dat elke opvoedende maatregel ongeschikt is, het niet aangewezen is op deze beoordeling terug te komen naar aanleiding van latere feiten.
Deze wijziging kadert in de in het regeerakkoord aangekondigde specifieke oplossingen om de delinquentie van minderjarigen aan te pakken, onder meer via een versoepeling van de regels inzake het uit handen geven. (19)
In de Senaat werd er ook op gewezen dat de uithandengeving nog altijd aan de strafrechter toelaat een waaier van maatregelen te nemen die niet noodzakelijk een geldboete of een gevangenisstraf moeten zijn. (20)
Op de opmerking in de Senaat dat het kan gebeuren dat iemand wiens zaak kort na zijn 16 jaar voor zware feiten uit handen wordt gegeven, zich volledig geïntegreerd voelt en dan op 17 jaar een klein feit pleegt, waardoor hij automatisch voor de gewone rechtbank moet verschijnen antwoordde de Minister dat het de procureur des Koning is die daarover beslist. (21) De opportuniteit van een rechtsvervolging zal moeten worden onderzocht.
De woorden die in het ontwerp voorkwamen namelijk "tot uit handen geven definitief is geworden", werden in het derde lid vervangen door "na zijn definitieve veroordeling door het bevoegde gerecht". (22) Deze verbetering kwam tot stand op advies van het Hof van cassatie. Indien de betrokkene na het uit handen geven wordt vrijgesproken of een buitenvervolgingstelling wordt uitgesproken, rees de vraag of men zich daarop kon steunen om te beslissen dat de uithandengeving definitief was. Het Hof van Cassatie vond deze bepaling bekritiseerbaar en was van oordeel dat het uit handen geven minstens aanleiding moest hebben gegeven tot een definitief geworden veroordeling. (23)
Niettegenstaande de vaststelling dat in de voorbereidende werken geen omschrijving wordt gegeven van wat moet verstaan worden onder "definitieve veroordeling" wordt hiermede bedoeld een in kracht van gewijsde gegane veroordeling.
Artikel M4 4. Artikelen 39 en 40 : Terbeschikkingstelling van de regering.
4.1. Artikel 39 bepaalt dat indien de krachtens artikel 37 genomen maatregel zijn uitwerking mist, hetzij wegens het voortdurend wangedrag, hetzij wegens gevaarlijke gedragingen van de minderjarige, deze laatste ter beschikking van de regering kan worden gesteld. Dit artikel wordt door artikel 4 van de wet van 2 februari 1994 aangevuld met het volgende lid : "Deze bepaling is niet van toepassing op de personen die een als misdrijf gekwalificeerd feit hebben gepleegd."
Deze nieuwe westbepaling strekt ertoe te voorkomen dat beslissingen worden getroffen, die arbitraire vrijheidsbeperkingen tot gevolg zouden kunnen hebben. (24)
Thans kan, met betrekking tot minderjarigen die een als misdrijf gekwalificeerd feit hebben gepleegd, de beslissing inzake terbeschikkingstelling van de regering ook niet meer genomen worden door de jeugdrechtbanken zoals reeds het geval is voor niet-delinquente minderjarigen die onderworpen zijn aan de wetgevingen van de Vlaamse, de Franse en de Duitstalige Gemeenschappen.
Er moet evenwel rekening worden gehouden met de overgangsbepaling van artikel 34 van de wet van 2 februari 1994. Daarin is gesteld dat terbeschikkingstellingen van de regering die voor de inwerkingtreding vna artikel 4 van dezelfde wet zijn uitgesproken, ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf gekwalificeerd feit hebben gepleegd, uiterlijk worden gehandhaafd tot op de dag dat deze personen de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt.
4.2. Net als artikel 39 van de wet van 8 april 1965 wordt artikel 41 aangevuld met een bepaling waarin voorzien wordt dat dit artikel met van toepassing is op personen die en als misdrijf gekwalificeerd feit hebben gepleegd.
In verband met artikel 41, dat de practische modaliteiten van de terbeschikkingstelling van de regering vastgesteld bij artikel 39 regelt, verwijzen wij naar het commentaar gemaakt naar aanleiding van de behandeling van dit artikel.
Artikel M5 5. Artikel 42 : Toezicht door de jeugdrechtbank
In het tweede lid van artikel 42 worden de woorden "het comité voor jeugdbescherming (25) of een afgevaardigde bij de jeugdbescherming" vervangen door de woorden "de bevoegde sociale dienst". Het betreft hier een formele wijziging wegens de overdracht van bevoegdheden inzake jeugdbescherming naar de gemeenschappen.
De "service de Protection judiciaire" is de bevoegde sociale dienst voor de Franse Gemeenschap (artikelen 51 en 62, paragraaf 7 van het decreet van 4 maart 1991).
In de Vlaamse Gemeenschap werd artikel 42 gedeeltelijk opgeheven. (26) Het toezicht over minderjarigen die een als misdrijf gekwalificeerd feit hebben gepleegd, wordt uitgeoefend door de sociale dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbank.
Voor de Duitse Gemeenschap wordt voorzien in een dienst "Sozialdienst beim Jugendgericht".
Artikel M6 6. Artikel 44 : Territoriale bevoegdheid
Dit artikel betreft de territoriale bevoegdheid. Het bepaalt de criteria ervan, voorziet in een straf indien de verplichting om onverwijld de wijziging van verblijfplaats aan de jeugdrechtbank mede te delen niet wordt nageleefd en regelt de gevolgen van de wijziging van verblijfplaats op het stuk van de bevoegdheid.
6.1. Bevoegdheidscriteria : beginselen.
6.1.1. Gevallen waarin een zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig wordt gemaakt vooraleer de betrokkene de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.
6.1.1.1. Algemeen bevoegdheidsbeginsel
De territoriale bevoegdheid van de jeugdrechtbank wordt bepaald op grond van de verblijfplaats van de ouders, voogden of degenen die de persoon beneden de 18 jaar onder hun bewaring hebben, onverminderd de artikelen 350, 353 en 367, paragraaf 2 van het Burgerlijk Wetboek, die in afzonderlijke bevoegdheidscriteria voorzien. Deze 3 artikelen hebben respectievelijk betrekking op de adoptie, de uitspraak van adoptie en de herroeping van de adoptie.
Om een duidelijk onderscheid te maken tussen de gevallen bedoeld in het eerste lid en die bedoeld in het derde lid werden de woorden "de minderjarige" vervangen door de woorden "de persoon beneden de achttien jaar" en "de betrokkene die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt". Het gebruik van deze woorden voorkomt elke discussie betreffende het persoonlijk statuut van de betrokkene en de gevolgen ervan wat de leeftijd van de meerderjarigheid betreft.
6.1.1.2. Subsidiaire bevoegdheidsbeginselen
Het nieuwe tweede lid werd in artikel 44 ingevoegd (27) om de territoriale bevoegdheid van de jeugdrechtbank te regelen wanneer de ouders, voogden of degenen die de persoon beneden de 18 jaar onder hun bewaring hebben, geen verblijfplaats in België hebben of wanneer deze verblijfplaats niet gekend is of niet vaststaat. Dit is, ingevolge de talrijke migraties die onze samenleving kenmerkt, meer en meer het geval.
In dit geval wordt voorzien in 3 subsidiaire bevoegdheidsbeginselen : de plaats waar de betrokkene het als misdrijf gekwalificeerd feit heeft gepleegd, de plaats waar de persoon beneden de 18 jaar wordt aangetroffen, of de plaats waar de betrokkene verblijft of waar de inrichting gevestigd is aan dewelke hij werd toevertrouwd.
6.1.2. Gevallen waarin de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig wordt gemaakt nadat de betrokkene de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt
Het nieuwe derde lid van artikel 44 houdt rekening met het gegeven dat er na de meerderjarigheid geen sprake meer is van een voogd of ouder die de bewaring heeft. (28)
Krachtens dit nieuwe lid is, wanneer de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig wordt gemaakt nadat betrokkene de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, de jeugdrechtbank bevoegd van de plaats waar deze persoon zijn verblijfplaats heeft, of indien deze onbekend is of niet vaststaat, van de plaats waar het als misdrijf gekwalificeerd feit werd gepleegd.
6.2. Bevoegdheidscriteria : uitzonderingen
Net als het vroegere tweede lid van artikel 44 van de wet van 8 april 1965 bevat het nieuwe vierde lid uitzonderingen op de hiervoren omschreven regels inzake territoriale bevoegdheid.
Het zijn de volgende :
6.2.1. Bevoegdheid van de jeugdrechter, van de verblijfplaats van de persoon die een verzoek tot ontvoogding indient (artikel 477 B.W.) of een verzoek tot schrapping van bepaalde vermeldingen in het strafregister overeenkomstig de wet van 8 april 1965 (artikel 63, vijfde lid).
6.2.2. Bevoegdheid van de jeugdrechter van het rechtsgebied waar de familieraad heeft vergaderd, ingeval de ouders van de geadopteerde verzoeken dat het kind terug onder hun ouderlijk gezag wordt geplaatst bij overlijden van één of van beide adopterende echtgenoten (artikel 361, pragraaf 3 B.W.), om te voorzien in de voogdij bij herroeping van adoptie (artikel 367, paragraaf 7 B.W.), naar aanleiding van de uitspraak van de ontvoogding met instemming van de familieraad (artikel 478 B.W.) of in geval van verzoek om over de ontvoogding te beraadslagen (artikel 479 B.W.)
De tekst die het oude punt 1° van het tweede lid vervangt, bevat geen verwijzingen meer naar de artikelen 373 en 374 B.W. In dit gevallen geldt het algemeen beginsel dat vervat is in het eerste lid. Dit houdt in dat de territoriale bevoegdheid wordt bepaald door de verblijfplaats van de ouders, voogden of de personen die een persoon beneden de 18 jaar onder hun bewaring hebben. Zodoende werd er rekening gehouden met de wijziging van de artikel van het burgerlijk wetboek door de wet van 31 maart 1987 op de afstamming die ertoe strekt te voorkomen dat de zaak aanhangig wordt gemaakt bij verschillende rechtbanken naar gelang van de verblijfplaats van de ene of van de andere ouder wanneer die in verschillende arrondissementen verblijven. (29)
6.3. De verplichting onverwijld kennis te geven van een verandering van verblijfplaats
Het nieuwe vijfde lid is praktisch identiek aan het oude derde lid dat de ouders, voogden of degenen die een persoon beneden de 18 jaar onder hun bewaring hebben er toe verplichtte elke verandering van verblijfplaats onverwijld mede te delen aan de jeugdrechtbank.
Nieuw is, dat de niet-naleving van deze verplichting trafbaar wordt met een geldboete van één frank tot vijfentwintig frank. Deze overtreding valt onder de bevoegdheid van de politierechtbank.
6.4. De gevolgen van een verandering van verblijfplaats
Het nieuwe zesde en het nieuwe zevende lid van artikel 44 komen letterlijk overeen met het oude vierde en ijfde lid van voornoemd artikel.
De verandering van verblijfplaats naar een ander arrondissement heeft voor gevolg dat de zaak wordt onttrokken aan de jeugdrechtbank waarbij ze eerst aanhangig werd gemaakt en verwezen wordt naar de jeugdrechtbank van het arrondissement waar de nieuwe verblijfplaats gelegen is.
De rechtbank waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, blijft evenwel bevoegd om ten gronde uitspraak te doen in geval van verandering van verblijfplaats tijdens het geding.
Artikel M7 7. Artikel 45 : Akte van rechtsingang
7.1. Het eerste punt werd gewijzigd wegens de nieuwe nummering van de artikelen in het Burgerlijk Wetboek en wegens de vervanging van de commissies van openbare onderstand door openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Tevens werd rekening gehouden met het nieuwe artikel 145 van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 8 van de wet van 19 januari 1990 tot verlaging van de leeftijd van burgerlijke meerderjarigheid tot 18 jaar. Dit artikel laat een minderjarige toe, zelf bij de jeugdrechtbank een verzoekschrift in te dienen met het oog op het aangaan van een huwelijk voor de leeftijd van 18 jaar, indien de ouders niet in het huwelijk instemmen.
7.2. Punt 2, b, werd gewijzigd wegens de nieue mogelijkheid voor het openbaar ministerie om de jeugdrechtbank te vatten met het oog op een uithandengeving (artikel 38), alvorens het gerechtelijk onderzoek is afgesloten (artikel 49, vijfde lid).
7.3. Het nieuwe punt 2, c, houdt rekening met de mogelijkheid die de artikelen 37, paragraaf 3, eerste lid, aan de "minderjarige" nu bieden om bij verzoekschrift verlenging te vragen van de maatregelen nadat hij de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.
Deze bepaling biedt aan de partijen bedoeld in artikel 60, tweede lid, eveneens de mogelijkheid om zich bij verzoekschrift zelf tot de rechtbank te wenden, ten einde de herziening van de maatregelen te vragen, zonder gebonden te zijn door een initiatief van het openbaar ministerie.
Artikel M8 8. Artikel 46 : Dagvaarding of waarschuwing vanwege het openbaar ministerie
Het eerste lid is onveranderd en bepaalt aan wie de dagvaarding op verzoek van het openbaar ministerie of de waarschuwing van het openbaar ministerie wordt gericht.
8.1. Er wordt een tweede lid toegevoegd om tegemoet te komen aan de gevallen waarbij de rechtsvervolging op grond van artikel 36, 4° wordt ingesteld nadat de minderjarige meerderjarig is geworden.
Vermits er dan een einde is gekomen aan het ouderlijk gezag, moet de dagvaarding of de waarschuwing alleen worden gericht aan de jongere enan de personen die voor zijn meerderjarigheid burgerlijk aansprakelijk waren. (30)
Hiermede worden de personen bedoeld waarvan sprake is in artikel 1384, tweede led van het Burgerlijk Wetboek, namelijk de vader en de moeder, met uitzondering van enige andere persoon.
8.2. Het nieuwe derde lid van dit artikel schaft de verlenging af van de dagvaardingstermijnen wegens de territoriale afstand, als door artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek wordt bepaald. (31)
Dit lid bevat een verwijzing naar artikel 184, derde lid van het Wetboek van Strafvordering dat de termijn tot 3 dagen verkort "wanneer de verdachte of één van de verdachten zich in voorlopige hechtenis bevindt". Deze verwijzing heeft in de praktijk weinig weerslag aangezien de wet op de voorlopige hechtenis niet van toepassing is op minderjarigen, behalve in geval van uithandengeving. De enig denkbare hypothese is dan ook deze waarbij de jongere onder aanhoudingsmandaat werd geplaatst na een voorlopig uitvoerbaar verklaard vonnis tot uithandengeving en hij tegen deze beslissing een verhaalmiddel aanwendt waarna hij voor de jeugdkamer van het hof van beroep verschijnt.
Artikel M9 9. Artikel 48 : Mededeling van stukken en samenhang
Dit artikel heeft betrekking op de mededeling van de stukken op de problemen op het vlak van de samenhang wanneer de minderjarige een als misdrijf gekwalificeerd feit heeft gepleegd samen met personen die niet aan de rechtsmacht van de jeugdrechtbank zijn onderworpen.
9.1. Mededeling van stukken
De eerste paragraaf betreft de rechtsplegingen ten aanzien van de ouders (eerste afdeling van hoofdstuk III van titel II).
9.1.1. Met het oog op de bescherming van het privé-leven van elke ouder afzonderlijk, maar ook ter bescherming van vertrouwelijke gegevens die de maatschappelijk werkers zouden kunnen verzamelen, bepaalt de tekst niet alleen dat ten aanzien van elke ouder een afzonderlijke rechtspleging moet worden gevoerd maar tevens dat de zogenaamde persoonlijkheidsdossiers gescheiden moeten blijven van de andere procedurestukken en dat deze in geen geval aan de andere partijen mogen worden medegedeeld.
Deze bepaling is van toepassing, zowel tijdens de voorbereidende rechtspleging als tijdens de procedure ten gronde.
9.1.2. Zoals in het derde lid is bepaald kan het openbaar ministerie echter alleen tijdens de duur van de voorbereidende rechtspleging weigeren deze stukken aan de partijen mede te delen indien het van oordeel is dat dit de belangen van de betrokken personen kan schaden. Het betreft hier een toepassing van een algemeen principe dat vervat is in artikel 125 van het Algemeen Reglement op de gerechtskosten in strafzaken. Daarin is gesteld dat het de procureur-generaal toekomt machtiging te verlenen om stukken van criminele, correctionele zaken, politie- en tuchtzaken mede te delen.
9.2. Samenhang
9.2.1. De tweede paragraaf van het nieuwe artikel 48 heeft betrekking op de samenhang in procedures ten aanzien van minderjarigen (afdeling 2 van hoofdstuk III van titel II). Het woord "minderjarigen"werd vervangen door de woorden "personen beneden de achttien jaar". Tevens is bepaald dat de vervolgingen ten aanzien van personen beneden de 18 jaar en personen die niet aan de rechtsmacht van de jeugdrechtbank zijn onderworpen, worden gesplitst zodra dit zonder nadeel voor het vooronderzoek of voor het gerechtelijk onderzoek kan geschieden. Dit gebeurt reeds in de praktijk.
9.2.2. Zoals voorheen is in het tweede lid bepaald dat, na de uithandengeving, de vervolging ten aanzien van een persoon beneden de 18 jaar kan worden samengevoegd met de vervolging ten aanzien van de persoon die niet aan de rechtsmacht van de jeugdrechtbank is onderworpen.
Artikel M10 10. Artikel 49 : Tussenkomst van de onderzoeksrechter
Eerst en vooral moet er aan herinnerd worden dat alleen in uitzonderlijke omstandigheden en in geval van volstrekte noodzaak een onderzoeksrechter door een vordering van het openbaar ministerie kan worden gevat of ambtshalve kan optreden in geval van ontdekking op heterdaad.
De tussenkomst van de onderzoeksrechter is meestal vereist omdat de zaak dringend is, omdat er samenhang bestaat met het dossier ten laste van meerderjarigen of omdat moet worden overgegaan tot daden van onderzoek die uitsluitend tot de bevoegdheid van die magistraat behoren.
10.1. Voorlopige maatregelen genomen door de onderzoeksrechter
Het nieuwe tweede lid van artikel 49 bepaalt dat in spoedeisende gevallen de onderzoeksrechter ten aanzien van de persoon beneden de 18 jaar één van de in de artikelen 52 en 53 bedoelde voorlopige maatregelen van bewaring kan nemen.
In dit geval geeft hij daarvan gelijktijdig en schriftelijk bericht aan de jeugdrechter, die dan zijn bevoegdheden uitoefent en binnen 2 werkdagen uitspraak doet overeenkomstig de artikelen 52ter en 52quater.
Wanneer de jeugdrechter de beslissing tot plaatsing in een gesloten opvoedingsafdeling of in een huis van arrest bevestigt, mogen beide maatregelen samen niet langer duren dan de termijnen bepaald respectievelijk in de artikelen 52quater en 53. (32)
10.2. Regeling van de procedure
10.2.1. Artikel 49, derde lid, bepaalt dat als het gerechtelijk onderzoek is beëindigd, de onderzoeksrechter, op vordering van het openbaar ministerie, een beschikking tot buitenvervolgingstelling of een beschikking tot verwijzing naar de jeugdrechtbank neemt.
10.2.2. Het openbaar ministerie en de burgerlijke partij kunnen hoger beroep instellen tegen de beschikkingen tot buitenvervolgingstelling die de onderzoeksrechter neemt op grond van artikel 49, derde lid. Over dergelijke beroepen moet worden beslist door de kamer van inbeschuldigingstelling. (33)
10.2.3. Het nieuwe derde lid vult artikel 49 aan met een bepaling waardoor de beschikking door de onderzoeksrechter pas kan worden uitgesproken na een tegensprekelijk debat tussen de partijen.
Voorafgaandelijk moeten de persoon beneden de 18 jaar, de vader en de moeder, alsook de burgerlijke partijen kennis hebben kunnen nemen van het dossier met betrekking tot de feiten. Dit dossier wordt ten minste 48 uren voor het debat ter griffie neergelegd.
Het debat heeft plaats met gesloten deuren in het kabinet van de onderzoeksrechter. (34)
10.3. Uithandengeving voor het einde van het onderzoek
10.3.1. Artikel 49 wordt aangevuld met een nieuw vierde lid op grond waarvan het openbaar ministerie de jeugdrechtbank kan vorderen de zaak overeenkomstig artikel 38 uit handen te geven vooraleer de in artikel 49, derde lid, bedoelde beschikking van de onderzoeksrechter wordt genomen aangezien de jeugdrechtbank vonnist in de staat van de procedure, zelfs indien het gerechtelijk onderzoek niet is beeindigd.
De Minister van Justitie heeft de invoering van deze bepaling verantwoord door te stellen dat het voor de jeugdrechtbank niet steeds noodzakelijk is de afsluiting van het gerechtelijk onderzoek af te wachten om ervan overtuigd te zijn dat een jeugdbeschermingsmaatregel al dan niet geschikt is, gelet op de persoonlijkheid en de eventuele antecedenten van de minderjarige, inzonderheid wanneer het een recidivist betreft.
10.3.2. Deze bepaling laat evenwel niet toe dat wordt afgeweken van de in de artikelen 38 en 50, paragraaf 2, bepaalde voorwaarden voor uithandengeving.
De jeugdrechter kan, inzonderheid betreffende de feiten, bijkomende informatie vragen indien hij van oordeel is dat de zaak niet in staat van wijzen is. (35)
10.3.3. Indien de jeugdrechterbank op de vordering tot uithandengeving ingaat, dient de onderzoeksrechter bij het afsluiten van zijn onderzoek niet meer de in artikel 49, derde lid, bedoelde beschikking te nemen maar een beschikking tot mededeling. (36)
De wetgever streeft ernaar de procedure niet te vertragen. Hij is immers van oordeel dat een beslissing tot uithandengeving gedurende het gerechtelijk onderzoek, dat veel tijd in beslag kan nemen, de rechtsingang bespoedigt en niet vooruit loopt op de schuldvraag. (37)
Deze nieuwe bepaling beoogt een vermindering van de gemiddelde duur van de voorlopige bewaringsmaatregelen die ten uitvoer worden gelegd in deopenbare instellingen voor observatie en opvoeding onder toezicht. Hierbij werd rekening gehouden met het beperkt aantal beschikbare plaatsen in deze instellingen. (38)
Artikel M11 11. Artikel 50 : De onderzoeksmaatregelen. (39)
In paragraaf 1, eerste lid van de Nederlandse tekst komen slechts 2 terminologische wijzigingen voor namelijk de vervanging van de woorden "alle navorsingen" door "het onderzoek" en de woorden "die dienstig zijn" door "dat nodig is".
Als gevolg van de communautarisering werden in het tweede lid van dezelfde paragraaf de woorden "van een afgevaardigde bij de jeugdbescherming" vervangen door de woorden "van de bevoegde sociale dienst". Deze diensten ressorteren onder de bevoegdheid van de gemeenschappen. Tevens werd de zinsnede "... dat eventueel de inlichtingen bevat die door bemiddeling van het jeugdbeschermingscomité zijn ingewonnen" weggelaten. (40)
11.1. Het derde lid van de eerste paragraaf is volledig nieuw. (41) Hierin wordt het principe gesteld dat de jeugdrechtbank, indien zij een maatschappelijk onderzoek doet verrichten door de bevoegde sociale dienst, haar beslissing eerst kan nemen of wijzigen, na kennis te hebben genomen van het advies van die dienst. Deze regel geldt niet voor spoedeisende gevallen of wanneer dit advies haar niet bereikt binnen de door haar bepaalde termijn, die niet meer dan 75 dagen mag bedragen. (42) Iedere vertraging in de procedure die de rechten en de belangen van de minderjarigen in het gedrang kan brengen moet worden vermeden. Vandaar de bepaling van een redelijke maximumtermijn. Uiteraard staat het de jeugdrechter vrij een kortere termijn op te leggen. (43) Hierbij zal rekening worden gehouden met de mogelijkheden van de bevoegde sociale diensten.
Er wordt, wat het begin van de termijn van 75 dagen betreft, aandacht gevraagd voor de overgangsbepaling van artikel 100bis (zie infra).
11.2. In het laatste lid van de eerste paragraaf wordt de regel bevestigd dat een uithandengeving overeenkomstig artikel 38 eerst mogelijk is na een maatschappelijk en een medisch-psychologisch onderzoek.
De woorden "Buiten het geval waarin een als overtreding omschreven feit krachtens artikel 36, 4° bijde jeugdrechtbank is aanhangig gemaakt, kan zij..." werden in dit lid vervangen door "Onverminderd artikel 36bis, kan de jeugdrechtbank...".
Ter herinnering : in artikel 36bis worden de gevallen en voorwaarden opgesomd waarin personen ouder dan 16 en beneden 18 jaar wegens de daarin opgesomde misdrijven rechtstreeks door de gewone strafgerechten kunnen berecht worden.
Artikel 50 beantwoordt aan één van de doelstellingen van de wetgever namelijk de versterking van de procedurewaarborgen voor de jeugdgerechten. (44) Er werd ook op gewezen dat de beslissing tot uithandengeving uitzonderlijk moet blijven. (45)
11.3. Paragraaf 2 is volledig nieuw en versoepelt het uit handen geven in een aantal gevallen.
In het oorspronkelijke ontwerp was alleen de mogelijkheid bedoeld die in punt 1° is voorzien. (46)
De gevallen vermeld in punten 2° en 3° zijn het gevolg van een amendement van de regering. De toename van de jeugdcriminaliteit op het stuk van diefstallen en vandalisme, vaak in bendes gepleegd, met gebruik van geweld en zelfs geawapend, waarbij daarenboven hoofdzakelijk in het openbaar, op straat, tegenover particulieren en in grote mate tegenover weerloze vrouwelijke slachtoffers werd opgetreden, werd als verantwoording voor deze versoepeling van de uithandengeving gegeven. Indien uit het herhaald wangedrag van de minderjarige blijkt dat het hulpverlenend model in het kader van de wet op de jeugdbescherming niet meer haalbaar is,dient men zich tot de gewone rechtbanken te wenden.
De punten 2° en 3° zijn tenslotte een delicaat compromis geworden dat in de Kamer werd bereikt tussen degenen die volledig gekant waren tegen enige vorm van uithandengeving zonder over een medisch-sociaal rapport te beschikken en de regering die aanvankelijk een verplicht uit handen geven binnen de 15 dagen, ingeval men te maken heeft met een herhaling van zware misdrijven, had voorgesteld. (47)
11.3.1. Overeenkomstig punt 1° is er geen medisch-psychologisch onderzoeksverslag vereist wanneer de jeugdrechtbank vaststelt dat de betrokkene zich aan dit onderzoek onttrekt of weigert zich eraan te onderwerpen. Uiteraard blijft het maatschappelijk verslag onontbeerlijk.
Deze nieuwe mogelijkheid dient strikt te worden geïnterpreteerd. Er kan enkel gebruik van worden gemaakt wanneer de betrokkene zelf verantwoordelijk is voor de niet-uitvoering van het onderzoek (weigering, voortvluchtig). (48) De jeugdrechtbank moet deze feitelijkheid vaststellen en de minderjarige erop wijzen, wat deze laatste dan weer de mogelijkheid geeft om zich te verdedigen. (49)
11.3.2. Overeenkomstig punt 2° is er noch een medisch-psychologisch noch een maatschappelijk onderzoek vereist indien er al een vonnis bestaat dat in een maatregel voorziet ten aanzien van een persoon beneden de 18 jaar die één of meer feiten heeft gepleegd als bedoeld in de artikelen 323, 373 tot 378, 392 tot 394, 401 en 468 tot 476 van het Strafwetboek nadat hij de leeftijd van 16 jaar had bereikt en hij opnieuw wordt vervolgd omdat hij na die eerste "veroordeling" door de jeugdrechtbank opnieuw één of meer van voornoemde feiten heeft gepleegd.
De voor deze vorm van uithandengeving voorziene procedure impliceert een vordering van het openbaar ministerie tot uithandengeving en een rechterlijke uitspraak van de jeugdrechtbank "uiterlijk 15 dagen na de dagvaarding". Ook moeten de stukken van de vorige procedure bij die van de nieuwe procedure worden gevoegd.
Deze versoepeling van de procedure van uithandengeving is enkel mogelijk mits volgende voorwaarden samen zijn vervuld :
11.3.2.1. de minderjarige moet ten volle 16 jaar oud zijn;
11.3.2.2. de minderjarige moet een eerste "veroordeling" wegens één of meer van volgende als misdrijven gekwalificeerde feiten hebben opgelopen : vereniging met het oogmerk om een aanslag te plegen op personen of op eigendommen (artikel 323); aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging en verkrachting (artikelen 373 tot 378); doodslag en moord (artikelen 392 tot 394); opzettelijke slagen of verwondingen zonder het oogmerk om te doden die toch de dood veroorzaken (artikel 401); diefstallen door middel van geweld of bedreiging en afpersing (artikelen 468 tot 476).
Met de term "veroordeling" wordt vanzelfsprekend de uitspraak van de jeugdrechtbank bedoeld. Dit is de maatregel opgelegd aan de betrokken minderjarige. (50)
11.3.2.3. de minderjarige pleegt andermaal één van de hierboven opgesomde feiten;
11.3.2.4. de jeugdrechtbank moet uiterlijk binnen de 15 dagen na de dagvaarding door het openbaar ministerie uitspraak doen. Het betreft een termijn van orde en toezicht. De voorbereidende werkzaamheden bepalen dat : "In deze periode van 15 dagen zal, zo nodig wanneer er geen andere mogelijkheden zijn, artikel 53 van de wet van 1965 kunnen worden aangewend. Het is om deze bijkomende vorm van vrijheidsberoving op grond van artikel 53 zo kort mogelijk te houden dat de beslissing om uit handen te geven zeer snel moet kunnen getroffen worden, zodat een onderzoeksrechter spoedig over de hechtenis kan beslissen, indien ze gewettigd voorkomt, waarbij de minderjarige alle waarborgen van de wet van 20 juli 1990 op de voorlopige hechtenis gegarandeerd worden". (51)
Deze aanvullende regeling is noodzakelijk ter bescherming van de maatschappij voor de uitzonderlijke gevallen waarin jongeren zich schuldig maken aan een zware misdaad en een gevaar vormen voor de openbare veiligheid. Het is aangeweze hen onmiddellijk voor de strafrechtbank te brengen zodat het normbesef niet verder vervaagt.
11.3.3. Luidens punt 3° doet de jeugdrechtbank onder dezelfde voorwaarden als in punt 2° uitspraak over de vordering tot uithandengeving ten opzichte van een persoon die een als misdaad gekwalificeerd feit heeft gepleegd waarop een straf staat die hoger ligt dan 20 jaar dwangarbeid, nadat hij de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt en die eerst wordt vervolgd nadat hij de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.
Op het als misdaad gekwalificeerd feit moet een straf hoger dan 20 jaar dwangarbeid staan, d.w.z. de doodstraf, levenslange dwangarbeid of het geval voorzien bij aritkel 62, in fine, Sw.
Wanneer in paragraaf 2, 3° wordt gesteld dat de jeugdrechtbank "onder dezelfde voorwaarden" uitspraak doet over de vordering tot uithandengeving van het openbaar ministerie wordt hiermede bedoeld dat dit dient te gebeuren "uiterlijk 15 dagen na de dagvaarding" (zie punt 2°). Deze zinsnede houdt vanzelfsprekend niet in dat de betrokken minderjarige reeds een eerste "veroordeling"wegens dezelfde als misdaden gekwalificeerde feiten moet hebbenopgelopen waarop een straf hoger dan 20 jaar dwangarbeid staat. Punt 3° vormt inderdaad een afzonderlijke bepaling naast onder meer de punten 1° en 2°. Alleen de formele voorwaarden waaronder de uitspraak moet verleend worden zijn dezelfde.
Ook hier is de termijn van 15 dagen binnen de welke de jeugdrechtbank uitspraak moet doen slechts een "termijn van orde". Het overschrijden ervan brengt geen nietigheid met zich.
Artikel M12 12. De oproeping.
12.1. De van een zaak gevatte jeugdrechtbank kan, te allen tijde de betrokkene, zijn ouders, voogden of degenen die hem onder hun bewaring hebben, oproepen.
Door te verwijzen naar artikel 156 van het Wetboek van Strafvordering en naar artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek wordt er vooreerst aan herinnerd dat minderjarigen niet onder eed mogen worden gehoord. (52)
Er moet evenwel worden opgemerkt dat artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek het verbod om onder ede te worden gehoord, beperkt tot minderjarigen beneden de volle leeftijd van vijftien jaar, en dat in artikel 156 van het Wetboek van Strafvordering is bepaald, dat het horen van personen, die in voornoemd artikel zijn bedoeld, geen nietigheid kan teweegbrengen wanneer het openbaar ministerie, de burgerlijke partij noch de beklaagde zich hiertegen hebben verzet. (53)
Op grond van de gewijzigde tekst kan de jeugdrechtbank overigens niet alleen dejongere, zijn ouders,voogden of personen die hem onder hun bewaring heben, oproepen ten einde gehoord te worden, maar tevens iedere andere persoon wanneer zij zulks nuttig acht. Vroeger was het reeds gebruikelijk dat de rechtbank ieder persoon kon oproepen die betreffende de minderjarige en zijn milieu inlichtingen kon verstrekken.
12.2. Er is voorzien dat wanneer voornoemde personen bewaarders zijn van het beroepsgeheim, artikel 458 Sw. moet worden nageleefd.
In de voorbereidende werkzaamheden wordt eraan herinnerd dat de leden van de sociale dienst die een gerechtelijke opdracht vervullen, de kennis van de feiten die onder het beroepsgeheim vallen, niet aan de rechter mogen ontzeggen. (54) Bedoeld worden de maatschappelijke werkers aan wie een mandaat werd gegeven. Dit zijn bijvoorbeeld leden van de sociale dienst belast met een maatschappelijk onderzoek, personeel van voorzieningen, personen die instaan voor het begeleiden in een open milieu, enzovoort.
12.3. Het tweede lid wordt op volgende punten gewijzigd :
- Artikel 145 alsook de artikelen 375, 376, 377, en 379 B.W. worden toegevoegd aan de eerder vermelde wetsbepalingen. Het opgeheven artikel 389, eerte lid B.W. wordt niet meer vermeld.
- De verwijzing naar de opgeheven artikel 4 en 5 van het Wetboek van Koophandel is geschrapt.
- In de nieuwe tekst wordt rekening gehouden met de wijzigingen in de wetgeving op de arbeidsovereenkomsten.
Artikel M13 13. Artikel 52 : Voorlopige maatregelen.
13.1. De maatregelen die voorlopig kunnen genomen worden zijn de volgende : (55)
13.1.1. Tenaanzien van een minderjarige :
13.1.1.1. hem, onder toezicht van de bevoegde sociale dienst, laten bij degenen die hem onder hun bewaring hebben (artikel 37, paragraaf 2, 2°);
13.1.1.2. hem, onder toezicht van de bevoegde sociale dienst, laten bij degenen die hem onder hun bewaring hebben gebeurlijk met naleving van een of meer voorwaarden (artikel 37 paragraaf 2, 2°);
13.1.1.3. hem uitbesteden bij een betrouwbaar persoon of plaatsen in een geschikte inrichting (artikel 37, paragraaf 2, 3°);
13.1.1.4. hem voor een bepaalde duur toevertrouwen aan een openbare instelling voor observatie en opvoeding onder toezicht of aan de groep openbare instellingen voor observatie en opvoeding onder toezicht (artikel 37, paragraaf 2, 4°);
13.1.2. Ten aanzien van een minderjarige die na de leeftijd van 17 jaar een als misdrijf gekwalificeerd feit heeft gepleegd :
13.1.2.1. hem, onder toezicht van de bevoegde sociale dienst, laten bij degene die hem onder hun bewaring hebben gebeurlijk met naleving van een of meer voorwaarden genoemd in artikel 37, paragraaf 2, 2°;
13.1.2.2. hem plaatsenovereenkomstig artikel 37 paragraaf 2, 3° en 4°, voor een bepaalde duur, uiterlijk tot de dag waarop de betrokkene de leeftijd van 20 jaar heeft bereikt (artikel 37, paragraaf 3, 2°).
13.1.3. Ten aanzien van een persoon die voor de leeftijd van 18 jaar een als misdrijf gekwalificeerd feit heeft gepleegd en die deze leeftijd overschreden heeft tijdens de rechtspleging :
De jeugdrechtbank kan de in artikel 37, paragraaf 2, 2° tot 4° voorlopige maatregelen opleggen of handhaven uiterlijk tot de betrokkene de leeftijd van20 jaar heeft bereikt.
Om elke verkeerde interpretatie van lid 3 te vermijden heeft de Minister tijdens zijn tussenkomst in de Senaat benadrukt dat de woorden "en die deze leeftijd overschreden heeft tijdens de rechtspleging" ook kunnen slaan op het aller eerste moment van de rechtspleging (56) wat wil zeggen dat een voorlopige maatregel opgelegd kan worden in de hypothese dat de minderjarige zeer kort voor het bereiken van de meerderjarigheid een feit pleegt dat pas na de meerderjarigheid wordt ontdekt. (57)
13.2. Wanneer een voorlopige maatregel van plaatsing in toepassing van artikel 37, paragraaf 2, 4° getroffen is, zowel voor als na de leeftijd van 18 jaar kunnen jeugdrechtbank en jeugdrechter de jongere vrij verkeer verbieden :
13.2.1. wegens de noodwendigheden van het opsporings- of het gerechtelijk onderzoek;
13.2.2. met personen die zij bij naam aanwijzen, zijn advocaat uitgezonderd;
13.2.3. bij gemotiveerde beslissing;
13.2.4. voor een hernieuwbare termijn van max. 30 dagen. De hernieuwing van de termijn van 30 dagen wordt enkel beperkt door het aflopen van de voorlopige maatregelen waartoe werd beslist in het kader van de voorbereidende rechtspleging bedoeld in aritkel 52, met name 6 maanden, (58)
13.2.5. het verbod bedoelt zowel briefwisseling, bezoeken als telefoongesprekken. (59)
13.3. De wet van 30 juni 1994 tot wijziging van artikel 52 heeft de mogelijkheid opgeheven om voorlopige maatregelen te nemen ten aanzien van kinderen tijdens de procedure tot ontzetting van het ouderlijk gezag (zie evenwel verder onder artikel 56).
Indien maatregelen ten aanzien van deze kinderen nodig zijn, behoren deze tot de bevoegdheid van de gemeenschapsinstanties. (60)
Artikel M14 14. Artikel 52bis : Duur van de voorbereidende rechtspleging
Door de invoeging van dit artikel wordt een einde gesteld aan de voorbereidende rechtspleging van onbepaalde duur.
14.1. De maximumduur van de voorbereidende rechtspleging is beperkt tot 6 maanden, te rekenen van de vordering van het openbaar ministerie (artikel 45, 2, a) tot aan de mededeling (einde onderzoeksmaatregelen - navorsingen) door de jeugdrechter aan het openbaar ministerie. Artikel 52quater, vierde lid vormt hierop een uitzondering (61), ingeval van verlenging van de voorlopige plaatsing in een gesloten opvoedingsafdeling onder de zeer strenge voorwaarden van dit artikel.
De termijn van 6 maanden wordt geschorst tussen de akte van hoger beroep en het arrest. Volgens de ratio legis geldt dit eveneens ingeval van voorziening in Cassatie.
Geen sanctie is voorzien bij overschrijden van deze termijn.
14.2. Ditzelfde artikel legt een verplichting op aan het openbaar ministerie na de tussenkomst van de jeugdrechter.
Het beschikt vanaf de mededeling van het dossier, slechts over een termijn van 2 maanden om te dagvaarden in die zin dat de kennisgeving van de dagvaarding binnen deze termijn dient te geschieden.
Indien niet is gedagvaard binnen de termijn 2 maanden zou dit volgens de voorbereidende werken overeenkomen met een beslissing tot seponering. (62)
Door de seponering vervalt de strafvordering echter niet vermits op dergelijke beslissing kan worden teruggekomen. De wetgever heeft alleen willen beletten, dat het openbaar ministerie zou talmen met het nemen van haar beslissing na de mededeling van het dossier door de jeugdrechter.
Deze beslissing moet snel tot uiting komen door een duidelijke handeling waaruit de wil blijkt de zaak in staat te stellen met het oog op haar behandeling ten gronde. Een al te strikte interpretatie van de termijn van 2 maanden mag ondermeer de rechten van het slachtoffer niet in het gedrang komen.
Nopens de dagvaarding kan verwezen worden naar de commentaar bij artikel 46 en meer in het bijzonder de nieuwe leden 2 (dagvaarding van meerderjarig jongeren) en 3 (dagvaardingstermijn en zijn niet verlengbaarheid in verband met de afstand - artikel 184, lid 1 W. Sv. en 55 Ger. W.).
14.3. Met betrekking tot de toepassing van dit artikel dient eveneens te worden gewezen op de overgangsbepaling bedoeld in artikel 100bis (zie infra).
Artikel M15 15. Artikel 52ter : Waarborgen in het kader van de voorbereidende rechtspleging
15.1. Horen van de jongere
In het eerste lid wordt bepaald dat in de gevallen bedoeld in artikel 52 de jongere die de leeftijd van 12 jaar bereikt heeft, voor enige maatregel wordt getroffen, door de jeugdrechter persoonlijk moet worden gehoord. De woorden "voor enige" duiden aan dat het horen zowel voor de eerste maatregel als voor de wijziging ervan geldt. (63)
Voornoemde verplichting geldt niet wanneer de jongere niet gevonden kan worden, zijn gezondheidstoestand het niet toelaat of hij weigert te verschijnen.
De wetgever heeft geen hoorplicht ten aanzien van de ouders voorzien, omdat zich in praktijk teveel situaties van hoogdringendheid voordoen. (64)
15.2. Recht op bijstand van een advocaat
Dit recht wordt geregeld door het tweede lid. Telkens de minderjarige voor de jeugdrechtbank of voor de jeugdrechter verschijnt heeft hij recht op bijstand vaneen advocaat. (65)Zo hij geen advocaat heeft wordt hij aangewezen overeenkomstig artikel 54bis.
Hij moet een onderhoud met zijn advocaat kunnen hebben alvorens hij voor de rechter verschijnt. (66)
De jeugdrechter kan een afzonderlijk onderhoud met de jongere hebben, behalve, in de aangelegenheden bedoeld in titel II, hoofdstuk III, gedurende de procedure ten gronde (artikel 45, 2.b) en tijdens de rechtspleging aanhangig gemaakt overeenkomstig artikel 45, 2.c (verzoek voorzien in artikel 37, paragraaf 3, 1 en 60).
15.3. Inhoud van de beschikking
Overeenkomstig het derde lid moet de beschikking grondig gemotiveerd zijn. Zij moet steunen op een samenvatting van de elementen die betrekking hebbenop de persoonlijkheid of het milieu van de betrokkene die de beslissing rechtvaardigen. In voorkomend geval omvat zij een samenvatting van de ten laste gelegde feiten.
Zij maakt tevens melding van het feit dat de betrokkene werd gehoord, zoniet de reden waarom dit niet gebeurde.
15.4. Kennisgave van de beschikking
Het vierde lid heeft betrekking op de kennisgeving van de beschikking. Na het verhoor wordt een afschrift ervan overhandigd aan betrokkene.
Ook wordt een afschrift overhandigd aan de vader, de moeder, de voogden of de personen die hem onder hun bewaring hebben, zo ze "ter terechtzitting" aanwezig zijn. (67) Het betreft hier het onderhoud dat de beslissing voorafgaat.
Wordt de beschikking bij verstek gewezen, dan wordt ze bij gerechtsbrief, op zorg van de griffier, ter kennis gebracht. (68)
15.5. De verhaalmiddelen tegen de beschikkingen over voorlopige maatregelen worden geregeld in het vijfde en het zesde lid.
15.5.1. Tegen de beschikking genomen ingevolge artikel 52 is geen verzet mogelijk. Enkel hoger beroep kan worden ingesteld.
15.5.2. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt 15 dagen, te rekenen vanaf de overhandiging van het afschrift van de beschikking of vanaf de dag dat de betrokkene bij gerechtsbrief, verzonden overeenkomstig de bepalingen van artikel 46 van het Gerechtelijk wetboek, "kennis heeft gekregen van dekennisgeving". (69)
Dezelfde termijn van verhaal loopt ten aanzien van het openbaar ministerie vanaf de mededeling van de beschikking of van het vonnis (vergelijk met artikel 52quater, zesde lid).
De jeugdkamer van het hof van beroep doet uitspraak uiterlijk binnen 2 maanden te rekenen van de akte van hoger beroep. Er is geen sanctie voorzien bij het overschrijden van deze termijn.
15.6. Met betrekking tot het zesde lid van artikel 52ter dient te worden gewezen op de overgangsbepaling bedoeld in artikel 100bis (zie infra).
Artikel M16 16. Artikel 52quater : Waarborgen bij de plaatsing in een gesloten opvoedingsafdeling.
16.1. Dit artikel heeft betrekking op de voorlopige maatregel van bewaring in een gesloten opvoedingsafdeling voor een termijn van hoogstens 3 maanden, éénmaal verlengbaar voor 3 maanden en daarna maandelijks.
Dit artikel vormt een uitzondering op het principe van de maximumduur van 6 maanden van de voorbereidende procedure bedoeld in artikel 52bis.
16.2. Algemene voorwaarden
16.2.1. Behoudens in zeer uitzonderlijke omstandigheden (grondig te motiveren) kan deze maatregel slechts worden toegepast voor jongeren boven de 12 jaar (70) die wegens een als misdrijf gekwalificeerd feit worden vervolgd.
16.2.2. Volgens het tweede lid kan deze beslissing enkel worden genomen indien de betrokkene blijk geeft van aanhoudend wangedrag (71), zich gevaarlijk gedraagt of indien een gerechtelijk onderzoek de maatregel vereist.
16.3. Duur
16.3.1. De duur van deze bijzondere maatregel is geregeld in het eerste lid. Een maatregel van bewaring in een gesloten opvoedingsafdeling kan slechts worden opgelegd voor een termijn van maximum 3 maanden.
16.3.2. Deze maatregel is éénmaal verlengbaar met een nieuwe termijn van maximum 3 maanden wanneer volgende bijzondere voorwaarden samen vervuld zijn :
16.3.2.1. de verlenging met 3 maanden kan pas na kennisgeving aan de rechter van het door de instelling opgestelde medisch-psychisch verslag (72);
16.3.2.2. de rechter moet bovendien de jongere en zijn raadsman horen. De rechter is niet gebonden door de inhoud van het medisch-psychisch verslag dat eventueel betwist kan worden door de verdediging. (73)
16.3.3. Hierna kan de maatregel, telkens met 1 maand, worden verlengd wanneer volgende bijzondere voorwaarden samen vervuld zijn :
16.3.3.1. een gemotiveerde beslissing is noodzakelijk;
16.3.3.2. de beslissing moet steunen op ernstige en uitzonderlijke omtandigheden die betrekking hebben op de vereisten van de openbare veiligheid of eigen zijn aan de persoonlijkheid van de betrokkene en die de handhaving van deze maatregelen noodzakelijk maken. (74)
16.3.3.3. de "betrokkene", zijn raadsman en de directeur van de instelling moeten vooraf worden gehoord.
16.4. Bijzondere verzwaring van de maatregel
De rechter of jeugdrechtbank kan, overeenkomstig het derde lid, bij gemotiveerde beslissing dezelfde jongere om dezelfde redenen als voorzien in lid 2 en voor dezelfde termijnen verbod opleggen de instelling te verlaten.
16.5. Het gebruik van de termen "(jeugd-) rechter" en "juegdrechtbank" in dit artikel is te verklaren door het feit dat in de rechtsplegingen ten gronde de jeugdrechtbank, die de zaak verdaagt, nog steeds voorlopige maatregelen kan treffen zoals de bewaring in een gesloten opvoedingsafdeling.
Van zodra de jeugdrechtbank over de zaak ten gronde heeft beslist is de bepaling niet meer van toepassing. (75)
16.6. Rechtsmiddelen
Hoger beroep tegen de beschikkingen of (tussen-) vonnissen bedoeld in artikel 52quater wordt geregeld in het zesde, zevende en achtste lid (vergelijk met artikel 52ter).
16.6.1. Hoger beroep moet worden ingesteld binnen een termijn van 48 uren. Die termijn loopt ten aanzien van het openbaar ministerie vanaf de mededeling van de beslissing en ten aanzien van de andere partijen in het geding vanaf het vervullen van de vormvereisten van artikel 52ter, vierde lid.
16.6.2. Het hoger beroep kan worden ingesteld door een verklaring aan de directeur van de instelling of diens aangestelde. Naast het zenden van een aangetekende brief is het, gelet op de korte beroepstermijn, aangewezen dat de directeur onverwijld de procureur-generaal van het hoger beroep op de hoogte brengt per telefax-bericht.
16.6.3. De jeugdkamer van het hof van beroep doet uitsprak binnen 15 werkdagen te rekenen van de akte van hoger beroep. Na deze termijn vervalt de maatregel. De termijn wordt geschorst tijdens de duur van het uitstel toegekend op verzoek van de verdediging.
16.6.4. De wet van 30 juni 1994 tot aanvulling van de artikelen 52quater en 53, derde lid, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming gewijzigd bij de wet van 2 februari 1994 en tot invoeging van een artikel 100bis in dezelfde wet bepaalt dat in het geval van artikel 52quater de termijn van dagvaarding voor het hof 3 dagen bedraagt. Deze aanvulling was noodzakelijk vermits :
- artikel 46, derde lid de gewone termijn van dagvaarding voor de jeugdrechtbanken vastlegt op 10 dagen;
- artikel 184, derde lid van het W. Sv. het niet mogelijk maakt de termijn te verkorten tot 3 dagen, aangezien de wet op de voorlopige hechtenis niet van toepassing is op de minderjarigen.
16.7. Met betrekking tot het eerste en het zevende lid van artikel 52quater geldt de overgangsbepaling bedoeld in artikel 100bis.
Artikel M17 17. Artikel 53 : Voorlopige bewaring in een huis van arrest
Het artikel 53 (oud) werd aangepast aan de vereisten van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (76) door de invoeging van bijkomende voorwaarden.
17.1. Toepassing van het artikel 53.
17.1.1. Artikel 53 kan nog slechts worden toegepast ten aanzien van "personen" die ervan verdacht worden feiten te hebben gepleegd die strafbaar zijn met een correctionele hoofdgevangenisstraf van één jaar of meer, terwijl zij op het ogenblik van die feiten de leeftijd van 14 jaar hebben bereikt.
17.1.2. Artikel 53 kan slechts éénmaal worden toegepast in de loop van eenzelfde procedure (77) afgezien van de mogelijkheid aan de jeugdrechtbank gelaten om andere voorlopige maatregelen te bevelen. (78) Nieuwe feiten, gepleegd na het toevertrouwen aan een huis van arrest, kunnen derhalve slechts, zo daartoe grond bestaat, aanleiding geven tot een nieuwe toepassing van artikel 53, nadat het openbaar ministerie, in het nieuw dossier dat het zal hebben aangelegd, maatregelen heeft gevorderd.
17.1.3. Artikel 53 is van toepassing op alle gevallen waar voorlopige maatregelen kunnen worden getroffen, dat wil zeggen ook ten aanzien van personen die intussen de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt.
17.1.4. Artikel 53 kan gecumuleerd worden met het "verbod van vrij verkeer" met de in artikel 52, lid 3 bij name aangeduide personen. (79)
17.2. Rechtsmiddelen.
17.2.1. De termijn voor het instellen van het hoger beroep tegen de beschikking bedraagt 48 uren onder dezelfde voorwaarden en modaliteiten als voorzien voor artikel 52quater (supra sub 16.6.1. en 16.6.2.).
17.2.2. De dagvaardingstermijn voor het hof bedraagt 1 dag. Deze verkorting van de termijn werd ingevoegd om de dagvaarding van de partijen in het geding toe te laten gezien de zeer korte termijn die wordt bepaald om te beslissen.
17.2.3. De jeugdkamer van het hof van beroep heeft slechts 5 werkdagen om uitspraak te verlenen te rekenen vanaf de akte van hoger beroep.
Bij het overschrijden van de termijn vervalt de maatregel. De termijn wordt geschorst tijdens de duur van het uitstel toegekend op verzoek van de verdediging. (80)
17.2.4. De procureurs des Konings dienen de procureurs-generaal onverwijld van het hoger beroep op de hoogte te brengen. Indien het hoger beroep werd ingesteld door een verklaring bij de directeur van het huis van arrest, zal deze de territoriaal bevoegde procureur-generaal terstond van dit verhaal op de hoogte brengen per telefax-bericht.
Artikel M18 18. Artikel 53bis : Opheffing van artikel 53
Artikel 53 zal worden opgeheven bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit te bepalen datum.
Het principe van deze opheffing is reeds verworven. De verwezenlijking is afhankelijk van het bestaan van voldoende openbare instellingen voor plaatsing en opvoeding onder toezicht, die met name een gesloten afdeling hebben. (81)
Artikel M19 19. Artikel 54 : Persoonlijke verschijning
De wet heeft hier enkel een terminologische aanpassing (volle adoptie) doorgevoerd die niet gebeurde door de wet van 27 april 1987 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de adoptie. (82)
Het ambt van pleitbezorger werd reeds eerder door het Gerechtelijk Wetboek afgeschaft. De verwijzing naar de pleitbezorger werd derhalve niet meer hernomen.
Artikel M20 20. Artikel 54bis : Toewijzing van een advocaat
20.1. Wanneer de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig wordt gemaakt bij toepassing van artikel 45, 2.a) of b), of bij toepassing van artikel 63ter, a) of c), geeft het openbaar ministerie hiervan onverwijld kennis aan de stafhouder van de orde van advocaten. Het openbaar ministerie verzendt deze kennisgeving gelijktijdig met de vordering, de dagvaarding of de waarschuwing.
Het doel hiervan is de stafhouder er op attent te maken dat iemand, die aan de hieronder sub 20.2. vermelde voorwaarden voldoet, recht heeft op de ambtshalve toewijzing van een advocaat.
20.2. Luidens paragraaf 1, eerste lid geldt de ambtshalve toewijzing van een advocaat voor een persoon beneden de 18 jaar die partij is in het geding en geen advocaat heeft.
De meerderjarige die voor de jeugdrechter verschijnt zou op het eerste zicht dus geen recht hebben op de ambtshalve toewijzing van een advocaat. Uit de lezing van het tweede lid van artikel 52ter kanmen afleiden dat dit wel het geval is wanneer hif voor de jeugdrechtbank verschijnt : "de betrokkene" heeft, telkens als hij voor de "jeugdrechtbank" verschijnt, recht op bijstand van een advocaat (welke aangewezen wordt overeenkomstig artikel 54bis). Alhoewel, het komt aangewezen voor deze waarborg ook aan personen boven de 18 jaar, die voor de jeugdrechter verschijnen, toe te kennen (vergelijk artikel 52ter en artikel 52).
20.3. De stafhouder of het bureau voor consultatie en verdediging gaat over tot de toewijzing uiterlijk binnen 2 werkdagen te rekenen van het bericht. Teneinde het recht op bijstand van een advocaat (artikel 52ter, tweede lid) effectief te maken voor alle jongeren, verdient het aanbeveling de stafhouder of het bureau voor consultatie en verdediging zo vlug mogelijk te verzoeken de jongeren een raadsman toe te wijzen.
20.4. Overeenkomstig paragraaf 2 zendt het openbaar ministerie aan de jeugdrechtbank waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, afschrift van het bericht van kennisgeving aan de stafhouder.
20.5. Luidens paragraaf 3 dient de stafhouder of het bureau voor consultatie en verdediging er voor te zorgen dat, ingeval van tegenstrijdige belangen, de "betrokkene" verdedigd wordt door een andere advocaat dan diegene op wie de vader, de moeder, de voogden, of de personen die hem onder hun bewaring hebben of bekleed zijn met een vorderingsrecht, beroep zouden hebben gedaan.
Artikel M21 21. Artikel 55 : Inzage van het dossier
21.1. Met het nieuwe artikel 55 wordt de partijen en hun raadslieden de mogelijkheid gegeven vanaf het ogenblik van de betekening van de dagvaarding ten gronde (in een zaak bedoeld in titel II hoofdstuk III) inzage te nemen van het dossier ter griffie. Van de neerlegging van dit dossier ter griffie wordt hen kennis gegeven.
Dit betekent dat tegelijk met de betekening van de dagvaarding het dossier ter beschikking zal zijn op de griffie. De dagvaarding zal vermelden dat er onmiddellijk inzage kan genomen worden van het dossier. De raadslieden van de partijen zullen van hun inzagerecht in kennis gesteld worden.
21.2. Overeenkomstig het tweede lid wordt nu ook de toegang tot het dossier voor partijen en hun advocaat verzekerd wanneer het openbaar ministerie een voorlopige maatregel vordert bedoeld in de artikelen 52 en 53 (vanzelfsprekend ook artikel 52quater) en voordat de jeugdrechter een beslissing met betrekking tot het opleggen van een voorlopige maatregel neemt. Uiteraard geldt dit ook gedurende de termijn voor het instellen van hoger beroep tegen de beschikkingen waarbij zulke maatregelen worden opgelegd.
21.3. Aan het principe van de beperkte mededeelbaarheid van de stukken uit het dossier is niets gewijzigd. In het derde lid werd enkel het woord "minderjarige" vervangen door het woord "betrokkene".
Artikel M22 22. Artikel 56 : Minderjarige die gedeeltelijk partij is bij de debatten in het kader van de maatregelen ten aanzien van de ouders
22.1. Het eerste lid bepaalt dat, in procedures met betrekking tot de toepassing van maatregelen ten aanzien van de ouders, de betrokken minderjarigen niet als partij in het debat worden beschouwd, behalve wanneer ten aanzien van hen voorlopige maatregelen worden genomen als voorzien in artikel 52.
22.2. De mogelijkheid om zulke maatregelen te nemen gedurende een procedure tot ontzetting van de ouderlijke macht werd opgeheven door het nieuwe vijfde lid van artikel 52, ingevoegd door de wet van 30 juni 1994.
Zoals gezegd werd in de commentaar onder 13.3. behoren deze maatregelen tot de bevoegdheid van de gemeenschapsinstanties.
De tussenkomst van de jeugdrechtbank moet gezien worden in verband met de door de decreten van de gemeenschappen voorziene hypotheses, hetzij thans artikel 22 van het decreet van de Vlaamse raad, gecoördineerd op 4 april 1990 als ook de artikelen 38 en 39 van het decreet van de Franse Gemeenschapsraad van 4 maart 1991.
22.3. In de mate dat de in artikel 30 van de wet voorziene opvoedingsbijstand niet door de bevoegde gemeenschapsoverheden afgeschaft werd, blijft artikel 56 van toepassing.
De minderjarigen zijn enkel partijen ter zake indien voorlopige maatregelen ten hunnen opzichte genomen zijn.
In dat geval genieten de minderjarigen alle waarborgen voorzien in de procedure bij voorlopige maatregelen : ambtshalve toewijzing van een advocaat, verhoor door de jeugdrechter vooraleer een beslissing wordt genomen, verplichte bijstand van een advocaat, mededeling van de beslissing, mogelijkheid tot beroep,...
De minderjarigen zijn evenwel geen partij in het debat wanneer ten aanzien van de ouders in openbare zitting over de zaak zelf wordt geoordeeld.
22.4. De jeugdrechtbank moet de minderjarige alsdan wel oproepen, indien hij ouder is dan 12 jaar, om te worden gehoord (zie hierna artikel 56bis) in verband met aangelegenheden betreffende het gezag over zijn persoon, het beheer van zijn goederen, de uitoefening van het bezoekrecht en de aanwijzing van een toeziend voogd ingeval van ontzetting van het ouderlijk gezag.
In dat geval geniet de minderjarige niet meer de waarborgen verleend aan de partijen in het geding, zoals bijvoorbeeld : bijstand van een advocaat, toegang tot het dossier, mogelijheid tot beroep.
Artikel M23 23. Artikel 56bis : Verplichting de minderjarige in bepaalde procedures te horen
Artikel 56bis bepaalt dat de jeugdrechtbank de minderjarige die ten minste de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, moet oproepen om gehoord te worden. Die verplichting bestaat telkens wanneer in burgerlijke procedures aangelegenheden worden behandeld die betrekking hebben op het gezag over zijn persoon, het beheer van zijn goederen, de uitoefening van het bezoekrecht of de aanwijzing van de in artikel 34 bedoelde provoogd. Deze bepaling sluit aan bij artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, spijts het in het verdrag ingeschreven recht van elk kind met onderscheidingsvermogen om gehoord te worden, waarbij niet wordt gerefereerd naar de leeftijd van 12 jaar. (83)
Er moet worden onderstreept dat de rechter zijn opdracht inzake het horen van de jongere niet kan delegeren.
De rechter beslist evenwel vrij over de modaliteiten van het verhoor, inzonderheid over de plaats en het tijdstip ervan. Aan de jongere moet de mogelijkheid worden geboden zich in alle vrijheid uit te drukken of te zwijgen. Ingeval hij niet verschijnt, kan de jeugdrechtbank hem op grond van artikel 57, tweede lid, laten oproepen indien zij dit geraden acht.
Artikel M24 24. Artikel 58 : De verhaalmiddelen
Artikel 58, eerste lid moet samen worden gelezen met artikel 52 en 52ter, 52quater en 53. (84)
Vermits artikel 52ter, vijfde lid bepaalt dat de maatregelen voorzien in artikel 52 niet vatbaar zijn voor verzet, diende dit laatste artikel als uitzondering te worden voorzien op de verhaalregeling bepaald in artikel 58, eerste lid.
Vermits zowel artikel 52quater, zesde lid als artikel 53, derde lid in een afwijkende verhaaltermijn van 48 uren voorzien, diende ook dit als uitzondering te worden gesteld op de regel bepaald in artikel 58 eerste lid. De afwijkende termijn is evenwel een wettelijke termijn, aangezien artikel 62 in een dergelijke afwijking voorziet. (85)
Zoals in de toelichting bij artikel 54 werd opgemerkt, werd het ambt van pleitbezorger door het Gerechtelijk Wetboek afgeschaft.
Artikel M25 25. Artikel 60 : Herziening van de maatregelen en nieuw onderzoek na één jaar
25.1. De jeugdrechtbank en de jeugdrechter kunnen verder ten allen tijde ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie de genomen maatregel intrekken of wijzigen. Dit principe werd niet gewijzigd. Het eerste lid van artikel 60 werd enkel aangepast door de schrapping van de woorden "ter beschikkingstelling van de regering uitgezonderd" en door een aanvulling waardoor ook een herziening mogelijk wordt, op verzoek van de bevoegde instanties bedoeld in artikel 37, paragraaf 2, 4°. Het komt deze instanties toe de overheid aan te duiden die bevoegd is dit verzoek in te dienen.
25.2. Iedere bij vonnis bevolen maatregel zoals bedoeld in artikel 37, paragraaf 2, 3° of 4° (maatregel van plaatsing) moet echter overeenkomstig het derde lid opnieuw worden onderzocht voor het verstrijken van een termijn van 1 jaar te rekenen van de dag waarop de beslissing definitief is geworden, ten einde te worden bevestigd, ingetrokken of gewijzigd.
Deze procedure van nieuw jaarlijks onderzoek wordt door het openbaar ministerie ingeleid volgens de vormvereisten van artikel 45, 2, b) en c).
25.3. Wanneer de termijn van een jaar is verstreken zonder te dagvaarden, te waarschuwen of op te roepen bij gerechtsbrief, vervalt de maatregel niet. De wetgever heeft geen sanctie voorzien.
25.4. Deze nieuwe verplichting laat de rechten van de minderjarige, de vader, de moeder en diegene die de minderjarige onder hun bewaring hebben onverkort om bij verzoekschrift de intrekking of de wijziging van de maatregel aan te vragen na het verstrijken van de termijn van 1 jaar te rekenen vanaf de dag dat de beslissing definitief is geworden (tweede lid).
25.5. Het nieuwe laatste lid van artikel 60 legt de gemeenschapsoverheden op om, aan de jeugdrechtbank om het kwartaal een evaluatieverslag te sturen over de persoon die in een gesloten opveodingsafdeling werd geplaatst.
25.6. Met betrekking tot artikel 60, derde en vierde lid, dient de aandacht te worden gevestigd op de overgangsbepaling bedoeld in artikel 100bis (zie infra).
Artikel M26 26. Artikel 62 : Aard van de rechtspleging
26.1. Behoudens afwijking verwijst dit artikel, zoals voorheen, met betrekking tot de in hoofdstuk II van titel II bedoelde procedrures naar de algemene rechtsplegingsregels in burgerlijke zaken en betreffende de procedures bedoeld in hoofdstuk III van dezelfde titel naar de regels die gelden in correctionele zaken.
26.2. In verband met de bepalingen die door de bevoegde gemeenschapsinstanties zijn uitgevaardigd zijn de regels inzake burgerlijke rechtspleging vantoepassing op de homologatieprocedures vastgelegd in het nieuwe artikel 63bis, paragraaf 2, alsook op de, in het nieuwe artikel 63ter, b, omschreven gerechtelijke procedures betreffende betwisting van een maatregel die de, door deze instanties, aangewezen administratieve overheid heeft genomen. Op het ogenblik van de bekendmaking van deze omzendbrief heeft alleen de Franse Gemeenschap dergelijke bepalingen uitgevaardigd. (86)
26.3. De regels betreffende procedures in correctionele zaken zijn van toepassing op de andere bepalingen met betrekking tot de gerechtelijke jeugdbescherming die door deze gemeenschapsinstantiesworden uitgevaardigd, zij het betreffende voorlopige maatregelen, betreffende hoogdringendheid voor maatregelen ten gronde. Zo voorzien de artikelen 26, 27 en 22, 2°, van de op 4 april 1990 gecoördineerde decreten inzake bijzondere jeugdbijstand van de Vlaamse Gemeenschap in dringende of voorlopige maatregelen. Artikel 39, eerste en tweede lid van het decreet van 4 maart 1991 van de Franse Gemeenschap voorziet eveneens in dringende en voorlopige maatregelen.
Artikel M27 27. Artikel 62bis : Tenuitvoerlegging van maatregelen genomen door de gemeenschappen
Dit artikel heeft betrekking op de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen die door de gemeenschapsoverheden aan een administratieve overheid werden toevertrouwd. Dit is bijvoorbeeld voorzien in artikel 38 van het decreet van 4 maart 1991 van de Franse Gemeenschap, alsook in artikel 39 van hetzelfde decreet, voor de maatregelen die door de "conseiller de l'aide à la jeunesse" worden bewerkstelligd.
De griffier van het betrokken gerecht levert ambtshalve en kosteloos een uitgifte van de beslissing af zodra deze uitvoerbaar is geworden. Deze uitgifte moet bij een ter post aangetekende brief wordenverzonden, behalve wanneer zij op de griffie door een daartoe bevoegd ambtenaar wordt afgehaald.
Artikel M28 28. Artikel 63 : Strafregister
In artikel 63 zijn alleen wijzigingen in de nummering en de terminologie aangebracht.
Artikel M29 29. Artikel 63bis : Procedureregels die van toepassing zijn op maatregelen voorzien door de gemeenschappen.
29.1. Paragraaf 1 bepaalt dat al de in hoofdstuk IV van titel II bedoelde rechtsplegingsregels van toepassing zijn op de door de gemeenschapsinstanties uitgevaardigde bepalingen van gerechtelijke jeugdbescherming, met uitzondering van de regels betreffende de aanhangigmaking van een zaak bij de rechtbank en de dagvaarding, omschreven in de artikelen 45 lid 2, en 46. Deze aangelegenheden worden inderdaad afzonderlijk geregeld in het nieuwe artikel 63ter.
29.2. Paragraaf 2 voorziet in een bijzondere rechtspleging die reeds door de Franse Gemeenschap werd ingevoerd, voor wat de homologatie-procedure betreft, bij artikel 38, paragraaf 4, tweede lid, en 39, derde lid van haar decreet van 4 maart 1991. Deze procedure, die ertoe strekt op zeer korte termijn een wijziging van een rechterlijke beslissing door de administratieve overheid gerechtelijk te laten nagaan, is, in eerste aanleg, schriftelijk. Zij wordtingeleid bij verzoekschrift door de bevoegde administratieve overheid. Het nieuw artikel 162, 45° van het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en griffierechten is van toepassing. Het openbaar ministerie geeft advies. De beslissing wordt genomen bij kabinetsbeschikking van de jeugdrechter, zonder oproeping van de partijen. Het overschrijden van de termijn van 3 dagen waarbinnen de beslissing wordt genomen, wordt niet door nietigheid gesanctioneerd, maar het is de wens van de wetgever dat dergelijke procedures geen vertraging zouden oplopen.
Hoger beroep is het enige rechtsmiddel dat tegen de beschikking kan worden aangewend. Dit rechtsmiddel kan worden aangewend door alle partijen die blijk kunnen geven van een belang, evenals door het openbaar ministerie wanneer de openbare orde zijn tussenkomst vereist. (87)
Artikel M30 30. Artikel 63ter : Rechtsingang met betrekking tot de rechtspleging voorzien in artikel 63bis
Dit artikel regelt de wijze waarop de zaken bij de jeugdrechtbank aanhangig worden gemaakt met betrekking tot de maatregelen waarin de gemeenschapsinstanties in het kader van hun bevoegdheden hebben voorzien.
Net als artikel 45 maakt dit artikel een onderscheid tussen enerzijds het aanhangig maken van een zaak op vordering van het openbaar ministerie, wat in voorkomend geval aanleiding geeft tot beschikkingen van de jeugdrechter, en anderzijds het aanhangig maken van een zaak door middel van een verzoekschrift, door vrijwillige verschijning na waarschuwing of bij dagvaarding, wat aanleiding geeft tot het uitspreken van een vonnis.
De memorie van toelichting (88) legt de nadruk op het uitzonderlijk karakter van het aanhangig maken bij vordering door het openbaar ministerie, omdat de procedure die tot het uitspreken van een vonnis leidt de meeste waarborgen biedt en dit wegens de in acht te nemen vormvereisten, de termijnen en het tegensprekelijk karakter ervan.
De procedure met het oog op een beschikking moet worden beperkt tot de voorlopige maatregelen en tot uiterste dringende gevallen. De reeds vernoemde decretale bepalingen (89) van de Franse Gemeenschap en van de Vlaamse Gemeenschap zijn aldus restrictief en in die geest toe te passen.
De procedure bij verzoekschrift heeft betrekking op elke betwisting van maatregelen genomen door de gemeenschapsinstanties. Ten gevolge van een materiële vergissing verwijst punt b) naar de "instanties bedoeld in artikel 37, paragraaf 2" in de plaats van naar de "instanties bedoeld in artikel 37, paragraaf 2, 4°".
Overeenkomstig de wet moet in dat geval de oproeping tot de zitting, waarin het voorwerp van het verzoek moet zijn vermeld, door de griffier aan de partijen worden gericht en moet een afschrift worden overgezonden aan het openbaar ministerie.
Aangezien het beginsel van de uitdrukkelijke nietigheid vastgelegd is in het volgende lid en in dit deel van het artikel niet is vermeld, moet met betrekking tot het tegensprekelijk karakter van de beslissing het algemeen beginsel van de rechten van de verdediging in acht genomen worden.
In het laatste lid zijn de personen vermeld aan wie de dagvaarding of de met reden omklede waarschuwing moet worden gericht. Zoals reeds is bepaald in artikel 46 moeten de minderjarige die ten minste 12 jaar oud is alsook de persoon of de personen die het recht van bewaring uitoefenen, worden gedagvaard of gewaarschuwd. In dit lid wordt verder verwezen naar andere personen aan wie eventueel door de gemeenschapsinstanties een vorderingsrecht wordt toegekend. (90)
Het komt deze instanties toe op nauwkeurige wijze de personen aan te wijzen die over dit vorderingsrecht beschikken. Zo wijst aritkel 37, eerste lid van het decreet van 4 maart 1991 van de Franse Gemeenschap als personen die een betwisting voor de jeugdrechtbank kunnen brengen, degenen aan die de jongere in feite onder hun bewaring hebben. In de Vlaamse Gemeenschap werd overeenkomstig artikel 26, paragraaf 1, van de gecoördineerde decreten bijvoorbeeld een vorderingsrecht toegekend aan de sociale dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbank.
Ook hier moet aan de kosteloosheid van de procedure worden herinnerd (artikel 162, 45° van het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten).
Artikel M31 31. Artikel 63quater : Procedurewaarborgen van toepassing op voorlopige maatregelen voorzien door de gemeenschappen
Hoewel het nieuwe artikel 63bis alle regels van hoofdstuk IV van titel II toepasbaar maakt op de door de gemeenschapsinstanties uitgevaardigde bepalingen inzake gerechtelijke jeugdbescherming, maakten de verwijzingen in de artikelen 52bis, 52ter en 52quater naar artikel 52, en in dit laatste artikel naar de maatregelen omschreven in titel II, hoofdstuk III, het noodzakelijk de in voornoemde artikelen omschreven waarborgen ook uit te breiden tot de in artikel 63ter, eerste lid, a), bedoelde procedures op vordering van het openbaar ministerie. Die uitbreiding van waarborgen wordt door middel van dit artikel gerealiseerd.
Artikel M32 32. Artikel 63quinquies : Procedureregels voor de verlenging (hernieuwing) van de maatregelen voorzien door de gemeenschap
Dit artikel strekt ertoe de problemen te regelen die kunnen ontstaan door verlenging of hernieuwing van de maatregelen die genomen zijn ofwel bij beschikking, ofwel bij vonnis in het kader van de gerechtelijke jeugdbescherming ingevoerd door de gemeenschapsinstanties. Het is er op gericht dezelfde procedurele waarborgen toe te kennen aan de beslissingen tot verlenging van de maatregel als voor de oorspronkelijke beslissingen.
Artikel M33 33. Artikel 100bis : Overgangsbepalingen
Door de wet van 30 juni 1994 werd met betrekking tot de artikelen 50, paragraaf 1, derde lid, 52bis, 52ter, zesde lid, 52quater, eerste en zevende lid, 53, derde lid en 60, derde en vierde lid een overgangsbepaling ingevoegd.
Voor de zaken die hangend zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 2 februari 1994, namelijk op 27 september 1994, worden de in de hoger genoemde artikelen voorziene termijnen, berekend vanaf de eerste dag die volgt op de inwerkingtreding van genoemde wet.
De toekenning van de nieuwe waarborgen waarin deze artikelen voorzien mag inderdaad niet worden beperkt tot de nieuwe procedures. Ook op de hangende procedures zijn de nieuwe waarborgen van toepassing.
De Minister van Justitie,
M. Wathelet
Bijlage.
Artikel N (1) Kamer 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 17.
(2) Kamer - 532/5 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 25 november 1992 - blz. 2.
(3) P. Mahillon : "Protection de la jeunesse" in "Les Novelles", 1978, n° 1035, blz. 353.
(4) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 13.
(5) Hier werd de formuliering vervat in de wet van 24 december 1992 tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming rechtgezet.
(6) De Commissie voor de Justitie van de Kamer zorgde voor een nieuwe benaming nl. "openbare instellingen", Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 18.
(7) Senaat - Par. Hand. nr.110 - Zitting 8 juli 1993 - blz. 3373.
(8) Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 39 en volgende.
(9) Senaat - Parl. Hand. nr. 110 - Zitting 8 juli 1993 - blz. 3360.
(10) Kamer - 532/7 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 23 december 1992 - blz. 2.
(11) Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 38; Senaat - Parl. Hand. nr. 110 - Zitting 8 juli 1993 - blz. 3360 en volgende.
(12) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 18.
(13) Deze bepaling werd "ten overvloede" toegevoegd aangezien zij reeds sedert de wetswijziging van 24 december 1992 toepasselijk was.
In die zin werden overigens reeds herhaaldelijk gerechtelijke beslissingen gewezen. Inderdaad, door de verruiming vanhet eerste lid van artikel 37 waarbij het woord "minderjarigen" vervangen werd door het woord "personen", kan de maatregel van berisping ook ten aanzien van personen die meerderjarig zijn op het ogenblik van hun verschijning voor de jeugdrechtbank genomen worden.
(14) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 15.
(15) Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 37.
(16) Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 53.
(17) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 17.
(18) Hiermede wordt een vaste rechtsprak bevestigd. Zie o.m. Cass. 10 juni 1992, J.L.M.B., 1992, 985; Brussel 24 juni 1991, J.T., 1991, 647.
(19) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 12.
(20) Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 46.
(21) Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 47.
(22) Kamer - 532/8 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 6 januari 1993 - blz. 1.
(23) Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 45 en 46.
(24) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 18.
(25) Bedoeld wordt het jeugdbeschermingscomité.
(26) De opheffing gebeurde bij artikel 22, 4° van het decreet van 28 maart 1990, maar alleen ten aanzien van minderjarigen in een problimatische opvoedingssituatie. Laatstgenoemde bepaling werd door het Arbitragehof vernietigd (arrest 40/91 van 14 december 1991) voor zover zij betrekking heeft op minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd.
(27) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 18.
(28) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 22 en 49.
(29) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 18.
(30) Amendement nr. 48 van Mevr. Stengers, Kamer - 532/6 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 9 december 1992 - blz. 4.
(31) Amendement nr. 11 van de heren Mayeur c.s., Kamer - 532/5 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 25 november 1992 - blz. 4.
(32) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 40.
(33) Annales de Droit, Deel XXXI, 1971, blz. 153 en 155.
(34) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 21.
(35) Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 65.
(36) Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 64.
(37) Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 63.
(38) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 21.
(39) Voorheen "navorsingen" genoemd.
(40) Kamer - 532/6 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 9 december 1992 - blz. 4 en 5.
(41) Kamer - 532/6 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 9 december 1992 - blz. 4.
(42) Kamer - 532/5 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 25 november 1992 - blz. 5.
(43) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 24.
(44) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 6.
(45) Kamer - ibidem - blz. 12; Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 7.
(46) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 kjuni 1992 - blz. 39.
(47) Senaat - Parl. Hand. nr. 110 - Zitting 8 juli 1993 - blz. 3360 en 3361.
(48) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 4.
(49) Amendement nr. 13 van de heren Mayeur c.s. - Kamer - 532/5 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 25 november 1992 - blz. 5 en 6; Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 25.
(50) Tijdens de bespreking in de Senaat op 30 juni 1993 werd gewag gemaakt van het feit dat er al een "vonnis" moest bestaan dat een "maatregel" bevat t.o.v. de betrokkene wegens één of meer ernstige feiten, Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 30.
(51) Kamer - 532/5 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 25 november 1993 - blz. 15 en 16.
(52) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 23.
(53) Cass. 22 juli 1955, Pas., 1955, I, 1271; Cass. 27 september 1974, Pas., 1975, I, 115; Cass. 11 oktober 1979, Pas., 1980, I, 199.
(54) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 26.
(55) Een berisping kan niet voorlopig genomen worden.
(56) Het is het ogenblik waarop het openbaar ministerie een vordering tot het verrichten van onderzoeksmaatregelen (navorsingen) en het nemen van voorlopige maatregelen tot de jeugdrechter richt.
(57) Senaat - Parl. Hand. nr. 110 - Zitting 8 juli 1993 - blz. 3364.
(58) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 26 en 28; Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1993 - blz. 24; Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 70.
(59) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 27.
(60) Kamer - 1196/1 - 93/94 - Zitting 26 oktober 1993 - blz. 2.
Zo wordt een einde gesteld aan een onevenwicht voortkomende uit de opheffing van deze maatregelen door artikel 22, 5° van het decreet van 28 maart 1990 van de Vlaamse Raad en uit de vernietiging van artikel 62, paragraaf 9, van het decreet van 14 maart 1991 van de Raad van de Franse Gemeenschap.
(61) In feite werd door de wetgever artikel 52quater, vijfde lid bedoeld.
(62) Kamer - Parl. Hand. nr. 15 - Zitting 2 december 1993 - blz. 511.
(63) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 25.
(64) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 26.
(65) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 32. Zie verder commentaar bij artikel 54bis.
(66) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 26.
(67) Amendement nr. 78 van de regering, Kamer - 532/8 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 6 januari 1993 - blz. 3.
(68) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 26.
(69) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 34.
(70) Artikel 37, paragraaf 2, laatste lid; Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 79.
(71) Met name : hij pleegt een als misdrijf gekwalificeerd feit; Senaat - ibidem.
(72) Dit verslag is niet bindend; Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 35.
(73) Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 82.
(74) In tegenstelling tot de voorwaarden bedoeld in het eerste lid kan "het onderzoek" geen voldoende reden zijn om de termijn na de termijn van 6 maanden te verlengen, Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 85.
(75) Senaat - 633-2 - (1992-1993) - Zitting 30 juni 1993 - blz. 81; Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 27.
(76) Naim Bouamar, EHRM, 29 februari 1988; Kamer - 532/1 -91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 4 en 28.
(77) Dit is uit hoofde van dezelfde feiten; Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 28.
(78) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 40.
(79) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 27 en 40.
(80) De overgangsbepaling bedoeld in artikel 100bis is van toepassing.
(81) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Ziting 21 januari 1993 - blz. 39.
(82) Belgisch Staatsblad 27 mei 1987.
(83) Volgens de voorbereidende werkzaamheden moet de minderjarige die de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, door de jeugdrechtbank worden gehoord; Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 29.
(84) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 43.
(85) Kamer - 532/9 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 21 januari 1993 - blz. 43.
(86) Het betreft de artikelen 37, 38, paragraaf 4, tweede lid en 39, derde lid van het decreet van 4 maart 1991 van de Franse Gemeenschap.
(87) Artikel 138, tweede lid Ger. W.
(88) Kamer - 532/1 - 91/92 (B.Z.) - Zitting 18 juni 1992 - blz. 32.
(89) Artikel 39, eerste en tweede lid van het decreet van 4 maart 1991 van de Franse Gemeenschap en artikel 22, 2°, 26 en 27 van de op 4 maart 1990 gecoördineerde decreten van de Vlaamse Gemeenschap.
(90) De bevoegdheid van de gemeenschappen terzake berust op het gegeven dat de toekenning van een vorderingsrecht betrekking heeft op het recht zelf en geen rechtsplegingsregel betreft (cfr. arrest van 21 januari 1993 van het Arbitragehjof, Belgisch Staatsblad 4 februari 1993, considerans B 14).