OVEREENKOMST INZAKE DE BESCHERMING VAN HET CULTUREEL EN NATUURLIJK ERFGOED VAN DE WERELD.

Date :
16-11-1972
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
11 pages
Section :
Législation
Source :
Numac 1972111651

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
Hoofdstuk 1. Omschrijving van het begrip cultureel en natuurlijk erfgoed

Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst worden als " cultureel erfgoed " beschouwd :
  - monumenten : werken van architectuur, van monumentale beeldhouw- of schilderkunst, onderdelen of structuren van archeologische aard, inscripties, grotwoningen en groepen van onderdelen die van uitzonderlijke universele waarde zijn uit historisch, artistiek of wetenschappelijk oogpunt;
  - groepen van gebouwen : groepen van afzonderlijke of tot een geheel samengevoegde gebouwen die uit hoofde van hun architectuur, hun homogeniteit of hun eenheid met het landschap uit historisch, artistiek of wetenschappelijk oogpunt van uitzonderlijke universele waarde zijn;
  - streken : werken van de mens of werken voortgekomen uit het samenspel van natuur en mens, benevens gebieden die archeologische vindplaatsen omvatten en die van uitzonderlijke universele waarde zijn uit historisch, esthetisch, etnologisch of antropologisch oogpunt.

Artikel 2 Voor de toepassing van deze Overeenkomst worden als " natuurlijk erfgoed " beschouwd :
  - door de natuur gevormde monumenten bestaande uit fysische en biologische formaties of groepen daarvan die uit esthetisch of wetenschappelijk oogpunt van uitzonderlijke waarde zijn;
  - geologische en fysiografische formaties en strikt begrensde zones, de habitat vormende van bedreigde dier- en plantsoorten die uit een oogpunt van wetenschap of natuurbehoud van uitzonderlijke universele waarde zijn;
  - strikt begrensde natuurlijke streken of zones die uit een oogpunt van wetenschap, natuurbehoud of natuurlijke schoonheid van uitzonderlijke universele waarde zijn.

Artikel 3 Elke Staat die partij is bij deze Overeenkomst heeft het recht tot het vaststellen en omschrijven van de verschillende in de artikelen 1 en 2 bedoelde en op zijn grondgebied gelegen goederen.

Hoofdstuk 2. Nationale en internationale bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed

Artikel 4 Elke Staat die partij is bij deze Overeenkomst erkent dat in eerste instantie op hem de verplichting rust de identificatie, de bescherming, het behoud, het toegankelijk maken en het overdragen aan komende generaties van het op zijn grondgebied liggende en in de artikelen 1 en 2 bedoelde cultureel erfgoed en natuurlijk erfgoed te waarborgen. Hij dient zich daartoe tot het uiterste in te spannen voor zover zijn eigen hulpbronnen dat toelaten en, waar zulks ter zake dienende is, met gebruikmaking van internationale bijstand en samenwerking, welke hij zou kunnen verkrijgen, in het bijzonder op financieel, artistiek, wetenschappelijk en technisch gebied.

Artikel 5 Ten einde te waarborgen dat doeltreffende en daadwerkelijke maatregelen worden genomen voor de bescherming, het behoud en het toegankelijk maken van het op zijn grondgebied gelegen cultureel en natuurlijk erfgoed dient elke Staat die partij is deze Overeenkomst zoveel mogelijk en voor zover de situatie in bij het land zulks toelaat te streven naar :
  (a) het vaststellen van een algemeen beleid, gericht op het aan het cultureel en natuurlijk erfgoed geven van een functie in het leven van de gemeenschap, en naar het integreren van de bescherming van dat erfgoed in de programma's voor algemene planning;
  (b) het instellen op zijn grondgebied van een of meer diensten - voor zover zij nog niet bestaan - voor de bescherming, het behoud en het toegankelijk maken van het cultureel en natuurlijk erfgoed, voorzien van deskundig personeel en beschikkende over de middelen ter uitvoering van hun taak;
  (c) het doen verrichten van wetenschappelijke en technische studies en research en het doen uitwerken van de operationele methoden die de Staat in staat zullen stellen het hoofd te bieden aan gevaren die zijn cultureel en natuurlijk erfgoed bedreigen;
  (d) het nemen van ter zake dienende wettelijke, wetenschappelijke, technische, bestuurlijke en financiële maatregelen die nodig zijn voor de identificatie, de bescherming, het behoud, het toegankelijk maken van en het geven van een nieuwe bestemming van dit erfgoed; en
  (e) het bevorderen van de oprichting of de ontwikkeling van nationale en regionale centra voor opleiding in de bescherming, het behoud en het toegankelijk maken van het cultureel en natuurlijk erfgoed en het aanmoedigen van het wetenschappelijk onderzoek op dit gebied.

Artikel 6
  1. Onder volledige eerbiediging van de soevereiniteit der Staten op wier grondgebied het in de artikelen 1 en 2 bedoelde cultureel en natuurlijk erfgoed is gelegen en onverminderd de eigendomsrechten ontleend aan de binnenlandse wetgeving, erkennen de Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst dat een zodanig erfgoed een erfgoed is van de gehele wereld, tot welks bescherming de gehele internationale gemeenschap verplicht is samen te werken.
  2. In overeenstemming met de bepalingen van deze Overeenkomst nemen de Staten die daarbij partij zijn op zich hulp te bieden bij de identificatie, de bescherming, het behoud en het toegankelijk maken van het in het tweede en vierde lid van artikel 11 bedoelde cultureel en natuurlijk erfgoed, indien de Staat op wiens grondgebied het is gelegen, zulks verzoekt.
  3. Elke Staat die partij is bij deze Overeenkomst neemt op zich geen enkele opzettelijke maatregel te treffen die direct of indirect schade zou kunnen toebrengen aan het in de artikelen 1 en 2 bedoelde cultureel en natuurlijk erfgoed dat gelegen is op het grondgebied van andere Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst.

Artikel 7 Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder internationale bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld verstaan het instellen van een systeem voor internationale samenwerking en bijstand, gericht op het geven van steun aan Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst in hun pogingen tot behoud en identificatie van dat erfgoed.

Hoofdstuk 3. Intergouvernementele commissie voor de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld

Artikel 8
  1. Binnen het kader van de Organisatie voor de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur wordt hierbij een Intergouvernementele commissie voor de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van uitzonderlijke universele waarde opgericht (hierna te noemen de " Commissie voor het Werelderfgoed ". Zij wordt samengesteld uit 15 Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst gekozen door Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst en bijeen zijn gekomen in een algemene vergadering tijdens de gewone zitting van de Algemene Vergadering van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur. Het aantal Staten dat lid is van de Commissie zal tot 21 worden verhoogd met ingang van de datum van de gewone zitting van de Algemene Vergadering volgende op de inwerkingtreding van deze Overeenkomst voor ten minste 40 Staten.
  2. De verkiezing van de leden van de Commissie dient een evenwichtige vertegenwoordiging van de verschillende gebieden en culturen in de wereld te waarborgen.
  3. De vergaderingen van de Commissie kunnen worden bijgewoond, in een adviserende hoedanigheid, door een vertegenwoordiger van het Internationaal Centrum voor de Studie tot het behoud en de restauratie van culturele goederen (Centrum van Rome), een vertegenwoordiger van de Internationale Raad voor Monumenten en Landschappen (ICOMOS) en een vertegenwoordiger van de Internationale Unie voor behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen (IUCN) waaraan op verzoek van de Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst, bijeenkomende in een algemene vergadering tijdens de gewone zittingen van de Algemene Vergadering van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, vertegenwoordigers van andere intergouvernemente of niet-gouvernementele organisaties met soortgelijke doelstellingen kunnen worden toegevoegd.

Artikel 9
  1. De zittingsperiode van Staten die lid zijn van de Commissie voor het Werelderfgoed loopt van het einde van de gewone zitting van de Algemene Vergadering tijdens welke zij zijn gekozen tot en met het einde van de derde daarop volgende gewone zitting.
  2. De zittingsperiode van een derde van de tijdens de eerste verkiezing aangewezen leden eindigt evenwel aan het slot van de eerste gewone zitting van de Algemene Vergadering volgende op die waarin zij werden gekozen; de zittingsperiode van een ander derde van de op hetzelfde tijdstip aangewezen leden eindigt aan het slot van de tweede gewone zitting van de Algemene Vergadering volgende op die waarin zij werden gekozen. De namen van deze leden worden door middel van loting aangewezen door de Voorzitter van de Algemene Vergadering van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur na de eerste verkiezing.
  3. Staten die lid zijn van de Commissie wijzen als hun vertegenwoordigers personen aan die deskundig zijn op het gebied van het cultureel en natuurlijk erfgoed.

Artikel 10
  1. De Commissie voor het Werelderfgoed stelt haar eigen huishoudelijk reglement vast.
  2. De Commissie kan te allen tijde overheidsorganisaties of particuliere organisaties of personen uitnodigen deel te nemen aan haar vergaderingen ten einde hen te raadplegen over bijzondere vraagstukken.
  3. De Commissie kan voor zover zij dit voor de uitvoering van haar taak nodig acht, raadgevende organen in het leven roepen.

Artikel 11
  1. Elke Staat die partij is bij deze Overeenkomst legt, voor zover zulks hem mogelijk is, aan de Commissie voor het Werelderfgoed een inventaris over van de goederen die deel uitmaken van het cultureel en natuurlijk erfgoed, gelegen op het grondgebied en in aanmerking komend voor plaatsing op de in het tweede lid van dit artikel bedoelde lijst. Deze inventaris, die niet als uitputtend wordt beschouwd, dient documentatie te omvatten omtrent de ligging en de betekenis van het desbetreffend goed.
  2. Op basis van de overeenkomstig het eerste lid door de Staten overgelegde inventarissen zal de Commissie voor het Werelderfgoed een lijst opstellen, bijhouden en publiceren, onder de titel " Lijst van het Werelderfgoed ", van de goederen die deel uitmaken van het cultureel en natuurlijk erfgoed als omschreven in de artikelen 1 en 2 van deze Overeenkomst, die zij volgens door haar opgestelde normen als van uitzonderlijke universele waarde beschouwt. Ten minste om de twee jaar wordt een bijgewerkte lijst verspreid.
  3. Voor het opnemen van een goed in de " Lijst van het Werelderfgoed " is de toestemming van de betrokken Staat vereist. Het opnemen van een goed dat is gelegen op een grondgebied, waarover meer dan een Staat soevereiniteit of rechtsmacht meent te bezitten, doet op geen enkele wijze afbreuk aan de rechten van de partijen in het geschil.
  4. De Commissie zal, wanneer de omstandigheden zulks vereisen, onder de titel " Lijst van bedreigd Werelderfgoed " een lijst opstellen, bijhouden en publiceren van op de Lijst van het Werelderfgoed voorkomende goederen voor welker behoud omvangrijke werken noodzakelijk zijn en waarvoor krachtens de bepalingen van deze Overeenkomst bijstand is gevraagd. Deze lijst dient een raming van de kosten der uit te voeren werken te omvatten. Op deze lijst mogen slechts onderdelen van het cultureel en natuurlijk erfgoed voorkomen die worden bedreigd door ernstige en duidelijk omschreven gevaren, zoals het gevaar van verdwijning door een steeds sneller verval, plannen voor grote openbare of particuliere werken, projecten voor stadsuitbreiding of ontwikkeling van het toerisme, vernietiging veroorzaakt door wijziging in gebruik of eigendom van de grond, grote veranderingen tengevolge van onbekende oorzaken, onbeheerd laten om welke reden dan ook, dreigende of reeds uitgebroken gewapende conflicten natuurrampen en andere rampen, grote branden, aardbevingen, grondverschuivingen, vulkanische uitbarstingen, wijzigingen in het waterniveau, overstromingen, vloedgolven. De Commissie kan in geval van dringende noodzaak op elk tijdstip overgaan tot een nieuwe inschrijving op de Lijst van bedreigd Werelderfgoed en deze inschrijving onmiddellijk bekendmaken.
  5. De Commissie omschrijft de normen op grond waarvan een goed dat behoort tot het cultureel en natuurlijk erfgoed kan worden opgenomen in een van de in het tweede en vierde lid van dit artikel bedoelde lijsten.
  6. Alvorens een aanvraag tot inschrijving op een van de beide in het tweede en vierde lid van dit artikel bedoelde lijsten te weigeren, raadpleegt de Commissie de Staat die partij is bij deze Overeenkomst en op wiens grondgebied het desbetreffende onderdeel van het cultureel en natuurlijk erfgoed is gelegen.
  7. Met instemming van de betrokken Staten coördineert en bevordert de Commissie de studies en het onderzoek die nodig zijn voor de opstelling van de in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde lijsten.

Artikel 12 De omstandigheid dat een goed behorend tot het cultureel en natuurlijk erfgoed niet is opgenomen in een van de beide in het tweede en vierde lid van artikel 11 bedoelde lijsten mag in genen dele zo worden uitgelegd als zou het geen uitzonderlijke universele waarde hebben om andere redenen dan die welke voortvloeien uit het opnemen in deze lijsten.

Artikel 13
  1. De Commissie voor het Werelderfgoed ontvangt en bestudeert verzoeken om internationale bijstand, gedaan door Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst, met betrekking tot goederen die deel uitmaken van op hun grondgebied gelegen cultureel en natuurlijk erfgoed en zijn opgenomen in de in het tweede en vierde lid van artikel 11 bedoelde lijsten of daarvoor in aanmerking komen. Het doel van deze verzoeken kan zijn de bescherming, het behoud en het toegankelijk maken van zodanige goederen te waarborgen of daaraan een nieuwe bestemming te geven.
  2. Verzoeken om internationale bijstand op grond van het eerste lid van dit artikel kunnen ook betrekking hebben op de identificatie van culturele en natuurlijke goederen als omschreven in de artikelen 1 en 2, indien een voorlopig onderzoek gerede gronden verschaft tot voortzetting daarvan.
  3. De Commissie beslist over de te nemen maatregelen ten aanzien van deze verzoeken, bepaalt in voorkomende gevallen de aard en de omvang van haar bijstand en machtigt tot het sluiten uit haar naam van de noodzakelijke overeenkomsten met de betrokken regering.
  4. De Commissie bepaalt in welke rangorde de werkzaamheden worden verricht. Zij houdt hierbij rekening met het respectieve belang van de te beschermen goederen voor het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld, met de noodzaak internationale bijstand te verschaffen ten behoeve van goederen die het meest kenmerkend zijn voor de natuurlijke omgeving of voor de talenten en de geschiedenis van de volken der wereld, met de urgentie van de uit te voeren werken, met de omvang van de middelen van de Staten op wier grondgebied de bedreigde goederen zijn gelegen en in het bijzonder met de mate waarin zij de redding van die goederen door eigen middelen zouden kunnen waarborgen.
  5. De Commissie stelt een lijst op van de goederen waarvoor deze internationale bijstand is verschaft en publiceert en verspreidt deze.
  6. De Commissie besluit over het gebruik van de middelen van het krachtens het bepaalde in artikel 15 van deze Overeenkomst gestichte Fonds. Zij tracht wegen te vinden ten einde deze middelen te vermeerderen en neemt daartoe alle ter zake dienende maatregelen.
  7. De Commissie werkt samen met internationale en nationale, gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties die soortgelijke doelen als die van deze Overeenkomst nastreven. Voor de uitvoering van haar programma's en projecten kan de Commissie een beroep doen op die organisaties en met name op het Internationaal Centrum voor de Studie tot het behoud en de restauratie van culturele goederen (Centrum van Rome), de Internationale Raad voor Monumenten en Landschappen (ICOMOS) en de natuurlijke hulpbronnen (IUCN), alsmede op overheidsorganen en particuliere organen en personen.
  8. De besluiten van de Commissie worden genomen met een meerderheid van twee derden van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen. Het quorum wordt gevormd door de meerderheid van de leden van de Commissie.

Artikel 14
  1. De Commissie voor het Werelderfgoed wordt bijgestaan door een secretariaat dat wordt benoemd door de Directeur-Generaal van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur.
  2. De Directeur-Generaal van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur stelt de documentatie en de agenda voor de vergaderingen van de Commissie op, daarbij zoveel mogelijk gebruik makend van de diensten van het Internationaal Centrum voor de studie tot het behoud en de restauratie van culturele goederen (Centrum van Rome), de Internationale Raad voor Monumenten en Landschappen (ICOMOS) en de Internationale Unie voor behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen (IUCN) op de onderscheiden gebieden waar zij bevoegd en bekwaam zijn, en is verantwoordelijk voor de uitvoering van haar besluiten.

Hoofdstuk 4. Fonds voor de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld

Artikel 15
  1. Er wordt een fonds in het leven geroepen voor de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed dat van uitzonderlijke universele waarde is, genaamd " Fonds voor het Werelderfgoed ".
  2. Het Fonds wordt opgericht als beheersfonds overeenkomstig de bepalingen van de Financiële Reglementen van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur.
  3. De middelen van het Fonds bestaan uit :
  (a) verplichte en vrijwillige bijdragen van Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst;
  (b) bijdragen, giften of legaten die gedaan kunnen worden door :
  (i) andere Staten,
  (ii) de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en cultuur, andere organisaties van de Verenigde Naties, in het bijzonder het Ontwikkelingsprogramma der Verenigde Naties, of andere intergouvernementele organisaties,
  (iii) overheidsorganen of particuliere organen of personen;
  (c) rente opgebracht door de middelen van het Fonds;
  (d) gelden verkregen uit collectes en opbrengsten van ten behoeve van het Fonds georganiseerde manifestaties; en
  (e) alle andere middelen welke zijn toegestaan krachtens de door de Commissie voor het Werelderfgoed opgestelde reglementen van het Fonds.
  4. De bijdragen aan het Fonds en andere vormen van aan de Commissie ter beschikking gestelde bijstand kunnen slechts worden gebruikt voor door de Commissie te omschrijven doeleinden. De Commissie kan bijdragen ontvangen die slechts voor een bepaald programma of project mogen worden gebruikt, op voorwaarde dat de Commissie een besluit heeft genomen over de uitvoering van een zodanig programma of project. Aan bijdragen verstrekt aan het Fonds mogen geen politieke voorwaarden worden verbonden.

Artikel 16
  1. Onverminderd eventuele aanvullende vrijwillige bijdragen nemen de Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst op zich regelmatig om de twee jaar aan het Fonds voor het Werelderfgoed bijdragen te betalen waarvan het bedrag, in de vorm van een uniform, voor alle Staten geldend percentage, zal worden bepaald door de algemene vergadering van de Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst tijdens de zittingen van de Algemene Vergadering van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur. Voor dit besluit van de algemene vergadering is een meerderheid vereist van de Staten partij bij deze Overeenkomst die aanwezig zijn en een stem uitbrengen en die geen verklaring hebben afgelegd als bedoeld in het tweede lid van dit artikel. In geen geval mag de verplichte bijdrage van de Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst meer bedragen dan 1 % van de bijdrage aan de Gewone Begroting van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur.
  2. Elke in artikel 31 of 32 van deze Overeenkomst bedoelde Staat kan evenwel op het tijdstip van de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding verklaren dat hij zich niet gebonden acht door het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.
  3. Een Staat die partij is bij deze Overeenkomst en die de in het tweede lid van dit artikel bedoelde verklaring heeft afgelegd, kan deze verklaring te allen tijde herroepen door middel van een kennisgeving gericht tot de Directeur-Generaal van de organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur. De intrekking van de verklaring wordt evenwel ten aanzien van de door de Staat verschuldigde verplichte bijdrage van kracht voor de datum van de eerstvolgende algemene vergadering van de Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst.
  4. Ten einde de Commissie in staat te stellen de uitvoering van de werken op doeltreffende wijze voor te bereiden, dienen de bijdragen van de Staten die partij zijn bij deze overeenkomst en die de in het tweede lid van dit artikel bedoelde verklaring hebben afgelegd, regelmatig te worden betaald, ten minste om de twee jaar, en niet minder te zijn dan de bijdragen die zij zouden hebben betaald indien zij gebonden waren geweest door het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.
  5. Een Staat die partij is bij deze Overeenkomst en die achterstallig is met de betaling van zijn verplichte of vrijwillige bijdrage over het lopende en het onmiddellijk daaraan voorafgaande kalenderjaar is niet verkiesbaar tot lid van de Commissie voor het Werelderfgoed, hoewel deze bepaling niet van toepassing is op de eerste verkiezing. De zittingsperiode van een zodanige Staat die reeds lid is van de Commissie eindigt op het tijdstip der verkiezingen, bedoeld in het eerste lid van artikel 8 van deze Overeenkomst.

Artikel 17 De Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst overwegen of bevorderen het in het leven roepen van nationale door de overheid en door particulieren opgerichte stichtingen of verenigingen, die ten doel hebben het doen van schenkingen aan te moedigen ten behoeve van de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed als omschreven in de artikelen 1 en 2 van deze Overeenkomst.

Artikel 18 De Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst verlenen hun medewerking aan internationale campagnes ter bijeenroeping van gelden, georganiseerd ten behoeve van het Fonds voor het Werelderfgoed onder de auspiciën van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur. Zij verlenen te dien einde faciliteiten voor geldinzamelingen door de in het derde lid van artikel 15 genoemde organisaties.

Hoofdstuk 5. Voorwaarden en regelingen inzake internationale bijstand

Artikel 19 Een Staat die partij is bij deze Overeenkomst kan internationale bijstand vragen ten behoeve van goederen op zijn grondgebied die deel uitmaken van het cultureel en natuurlijk erfgoed van uitzonderlijke universele waarde. Tezamen met zijn verzoek legt die Staat de in artikel 21 bedoelde informatie en documentatie voor die hij in zijn bezit heeft ten einde de Commissie in staat te stellen een besluit te nemen.

Artikel 20 Behoudens het bepaalde in het tweede lid van artikel 13, letter (c) van artikel 22 en artikel 23 kan de in deze Overeenkomst bedoelde internationale bijstand alleen maar worden verleend aan van het cultureel en natuurlijk erfgoed deel uitmakende goederen ten aanzien waarvan de Commissie voor het Werelderfgoed heeft besloten of kan besluiten tot opneming in een van de in het eerste en vierde lid van artikel 11 bedoelde lijsten.

Artikel 21
  1. De Commissie voor het Werelderfgoed bepaalt de procedure voor het onderzoek van de bij haar ingediende aanvragen om internationale bijstand en geeft een nauwkeurige omschrijving van de elementen welke daarin moeten zijn opgenomen, te weten een beschrijving van de beoogde operatie, de noodzakelijke werkzaamheden, een raming van de daaraan verbonden kosten, de mate van urgentie en de redenen waarom de middelen van de verzoekende Staat hem niet toestaan zelf het toaal der uitgaven te bestrijden. De verzoeken dienen zo mogelijk te worden gestaafd door rapporten van deskundigen.
  2. Aan verzoeken naar aanleiding van natuurrampen of andere rampen dient wegens de urgentie van de daarmee gepaard gaande werkzaamheden de hoogste prioriteit te worden gegeven door de Commissie, die voor dergelijke gevallen dient te kunnen beschikken over een reservefonds.
  3. Alvorens tot een beslissing te komen verricht de Commissie de studies en wint zij de adviezen in, die zij noodzakelijk acht.

Artikel 22 De door de Commissie voor het Werelderfgoed verleende bijstand kan in de volgende vormen geschieden :
  (a) het bestuderen van de artistieke, wetenschappelijke en technische problemen die zich voordoen bij de bescherming, het behoud, het toegankelijk maken van en het geven van een nieuwe bestemming aan het cultureel en natuurlijk erfgoed zoals dat is omschreven in het tweede en vierde lid van artikel 11 van deze Overeenkomst;
  (b) het voorzien in deskundigen, technici en geschoold personeel ten einde te waarborgen dat het goedgekeurde werk behoorlijk wordt uitgevoerd;
  (c) het optreden van personeel en deskundigen op alle niveaus op het gebied van de identificatie, de bescherming, het behoud, het toegankelijk maken van en het geven van een nieuwe bestemming aan het cultureel en natuurlijk erfgoed;
  (d) het verstrekken van uitrusting die de betrokken Staat niet bezit en die hij zich niet kan veschaffen;
  (e) langopende leningen tegen lage rente of renteloze leningen;
  (f) het in uitzonderlijke gevallen en om bijzondere redenen verstrekken van subsidies.

Artikel 23 De Commissie voor het Werelderfgoed kan ook internationale bijstand verlenen aan nationale en regionale centra voor de opleiding van personeel en deskundigen op alle niveaus op het gebied van de identificatie, de bescherming, het behoud, het toegankelijk maken van en het geven van een nieuwe bestemming aan het cultureel en natuurlijk erfgoed.

Artikel 24 Internationale bijstand op uitgebreide schaal dient te worden voorafgegaan door uitvoerige wetenschappelijke, economische en technische studies. Bij deze studies dient gebruik te worden gemaakt van de meest moderne technieken voor het beschermen, behouden en toegankelijk maken van en het geven van een nieuwe bestemming aan het natuurlijk en cultureel erfgoed en zij dienen verenigbaar te zijn met de doelstellingen van deze Overeenkomst. Deze studies dienen ook te zijn gericht op een rationeel gebruik van de in de betrokken Staat beschikbare middelen.

Artikel 25 Over het algemeen zal slechts een deel van de kosten der noodzakelijke werkzaamheden ten laste komen van de internationale gemeenschap. De bijdrage van de Staat die internationale bijstand geniet dient een aanmerkelijk deel te vormen van de middelen die aan elk programa of project worden besteed, tenzij zijn eigen middelen zulks niet toelaten.

Artikel 26 De Commissie voor het Werelderfgoed en de ontvangende Staat omschrijven in de tussen hen te sluiten overeenkomst de voorwaarden waarop een programma of een project waaraan krachtens de bepalingen van deze Overeenkomst internationale bijstand wordt verleend, zal worden uitgevoerd. De Staat die zodanige internationale bijstand ontvangt is verantwoordelijk voor de blijvende bescherming, het behoud en de toegankelijkheid van het aldus in stand gehouden goed, met inachtneming van de voorwaarden vervat in de overeenkomst.

Hoofdstuk 6. Opvoedkundige programma's

Artikel 27
  1. De Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst streven met alle ter zake dienende middelen en in het bijzonder door middel van opvoedkundige en voorlichtende programma's, naar een verhoging van de waardering en de eerbied van hun volken voor het in de artikelen 1 en 2 van deze Overeenkomst omschreven cultureel en natuurlijk erfgoed.
  2. Zij nemen op zich het publiek op grote schaal voor te lichten over de gevaren die dit erfgoed bedreigen en over de activiteiten die ingevolge deze Overeenkomst worden uitgevoerd.

Artikel 28 De Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst en die op grond van deze Overeenkomst internationale bijstand ontvangen dienen ter zake maatregelen te treffen voor het ter openbare kennis brengen van het belang van het goed waarvoor bijstand is ontvangen en van de door die bijstand vervulde functie.

Hoofdstuk 7. Rapporten

Artikel 29
  1. De Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst verstrekken in hun rapporten die op door haar te bepalen data en wijze worden voorgelegd aan de Algemene Vergadering van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, inlichtingen omtrent de wettelijke en estuurlijke voorzieningen die zij hebben getroffen en omtrent andere voor de toepassing van deze Overeenkomst genomen maatregelen, vergezeld van mededelingen omtrent de op dit gebied verkregen ervaring.
  2. Deze rapporten dienen ter kennis te worden gebracht van de Commissie voor het Werelderfgoed.
  3. De Commissie brengt tijdens elke gewone zitting van de Algemene Vergadering van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur verslag uit over haar werkzaamheden.

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Artikel 30 Deze Overeenkomst is opgesteld in de Arabische, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse taal, zijnde de vijf teksten gelijkelijk gezaghebbend.

Artikel 31
  1. Deze Overeenkomst dient te worden bekrachtigd of aanvaard door de Lid-Staten van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur overeenkomstig hun onderscheiden constitutionele voorschriften.
  2. De akten van bekrachtiging of goedkeuring dienen te worden nedergelegd bij de Directeur-Generaal van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur.

Artikel 32
  1. Deze Overeenkomst staat open voor toetreding door alle Staten die geen lid zijn van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur en die door de Algemene Vergadering van de Organisatie daartoe worden uitgenodigd.
  2. Toetreding geschiedt door nederlegging van een akte van toetreding bij de Directeur-Generaal van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur.

Artikel 33 Deze Overeenkomst treedt in werking drie maanden na de datum van nederlegging van de twintigste akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, doch alleen ten aanzien van die Staten die hun onderscheiden akten van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding op of voor die datum hebben nedergelegd. Zij treedt ten aanzien van elke andere Staat in werking drie maanden na de datum van de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding.

Artikel 34 De volgende bepalingen zijn van toepassing op Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst en die een federale staatsvorm hebben of geen eenheidsstaat zijn :
  (a) ten aanzien van de bepalingen van deze Overeenkomst, waarvan de uitvoering valt onder de rechtsmacht van de federale of centrale wetgevende macht zijn de verplichtingen van de federale of centrale regering dezelfde als die van de Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst en die geen federale Staten zijn;
  (b) ten aanzien van de bepalingen van deze Overeenkomst waarvan de uitvoering valt onder de rechtsmacht van de afzonderlijke Staten, landen, provincies of kantons die ingevolge de constitutionele bepalingen van de federatie niet verplicht zijn tot het nemen van wetteljke maatregelen, dient de federale regering de bevoegde autoriteiten van zodanige Staten, landen, provincies of kantons in kennis te stellen van bedoelde bepalingen en hun aanvaarding aan te bevelen.

Artikel 35
  1. Elke Staat die partij is bij deze Overeenkomst kan haar opzeggen.
  2. De opzegging dient ter kennis te worden gebracht door middel van een bij de Directeur-Generaal van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur neder te leggen schriftelijke akte.
  3. De opzegging wordt van kracht twaalf maanden na de ontvangst van de akte van opzegging. Zij heeft geen invloed op de financiële verplichtingen die tot het tijdstip van de van krachtwording van de opzegging op de opzeggende Staat rusten.

Artikel 36 De Directeur-Generaal van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur geeft de Lid-staten van de Organisatie, de in artikel 32 bedoelde Staten die geen lid zijn van de organisatie, alsook de Verenigde Naties kennis van de nederlegging van alle in de artikelen 31 en 32 bedoelde akten van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding en van de in artikel 35 bedoelde opzeggingen.

Artikel 37
  1. Deze Overeenkomst kan door de Algemene Vergadering van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur worden herzien. Een zodanige herziening is evenwel alleen bindend voor de Staten die partij worden bij de Overeenkomst, houdende herziening.
  2. Indien de Algemene Vergadering een nieuwe overeenkomst aanneemt die deze Overeenkomst geheel of gedeeltelijk herziet, dan staat, tenzij de nieuwe overeenkomst anders voorziet, de onderhavige Overeenkomst niet langer open voor bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, met ingang van de datum waarp de nieuwe overeenkomst houdende herziening van kracht wordt.

Artikel 38 Overeenkomstig artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties wordt deze Overeenkomst op verzoek van de Directeur-Generaal van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur geregistreerd bij het Secretariaat der Verenigde Naties.
  Gedaan te Parijs, op 23 november 1972, in twee authentieke exemplaren, voorzien van de handtekening van de voorzitter van de zeventiende zitting van de Algemene Vergadering en van de Directeur van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, die zullen worden nedergelegd in de archieven van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur en waarvan voor eensluidend gewaarmerkte afschriften zullen worden toegezonden aan alle in de artikelen 31 en 32 bedoelde Staten, benevens aan de Organisatie der Verenigde Naties.