Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval .

Date :
29-12-1972
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
15 pages
Section :
Législation
Source :
Numac 1972122950

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
Artikel 1 De Verdragsluitende Partijen streven er afzonderlijk en gezamenlijk naar alle bronnen van verontreiniging van het mariene milieu effektief onder kontrole te houden en zij verbinden er zich in het bijzonder toe alle mogelijke maatregelen te nemen ter voorkoming van verontreiniging van de zee door het storten van afval en andere stoffen die de gezondheid van de mens in gevaar kunnen brengen, schade kunnen berokkenen aan de biologische bronnen, aan de in de zee voorkomende fauna en flora, een aantasting kunnen vormen van de mogelijkheden tot recreatie of een ander rechtmatig gebruik van de zee kunnen hinderen.

Artikel 2 De Verdragsluitende Partijen nemen, overeenkomstig de hierna volgende Artikelen, zowel afzonderlijk, al naar gelang van hun wetenschappelijke, technische en economische mogelijkheden, als gezamenlijk alle passende maatregelen ter voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten en zij harmoniseren hun beleid in dit opzicht.

Artikel 3 In dit Verdrag : 1. a) betekent " storten " :
  i. het zich op zee opzettelijk ontdoen van afval en andere stoffen vanuit schepen of luchtvaartuigen, of vanaf platforms of andere bouwwerken in zee;
  ii. het in zee tot zinken brengen van schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere bouwwerken in zee.
  b) wordt onder " storten " niet begrepen :
  i. het zich op zee ontdoen van afval of andere stoffen behorende bij of afkomstig van de normale exploitatie van schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere bouwwerken in zee en van hun uitrusting, uitgezonderd afval en andere stoffen die worden vervoerd door of overgeladen op schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere bouwwerken in zee, gebruikt om zich van deze stoffen te ontdoen, of stoffen die afkomstig zijn van de verwerking van dergelijk afval of andere stoffen aan boord van deze schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere bouwwerken;
  ii. het deponeren van stoffen met een ander doel dan er zich enkel en alleen van te ontdoen mits dit niet strijdig is met het voorwerp van dit Verdrag.
  c) valt het zich ontdoen van afval of andere stoffen, rechtstreeks of onrechtstreeks afkomstig van de exploitatie, de ontginning en de verwerking op zee van mineralen die zich in de zeebodem bevinden, niet onder de bepalingen van dit Verdrag.
  2. Betekent " schepen en luchtvaartuigen " vaartuigen die zich op het water, in het water of in de lucht voortbewegen, ongeacht hun type.
  Hieronder zijn mede begrepen luchtkussenvaartuigen, drijvende voorwerpen, al dan niet met eigen voortstuwing.
  3. Betekent " zee " alle mariene wateren met uitzondering van de binnenwateren van de Staten.
  4. Betekent " afval en andere stoffen " materialen en substanties, van gelijk welke aard, vorm of type.
  5. Betekent " bijzondere vergunning " de toelating die voor ieder afzonderlijk geval wordt verleend op een van tevoren ingediende aanvraag, overeenkomstig de bepalingen voorzien in de Bijlagen II en III.
  6. Betekent " algemene vergunning " de toelating die van tevoren wordt verleend overeenkomstig de bepalingen voorzien in Bijlage III.
  7. Betekent " Organisatie " de instelling die door de Verdragsluitende Partijen wordt overeenkomstig de bepalingen van Artikel XIV paragraaf 2.

Artikel 4 1. Overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag verbiedt elke Verdragsluitende Partij het storten van alle afval of andere stoffen in welke vorm en onder welke omstandigheden dan ook, met inachtneming van de hierna volgende bepalingen :
  a) het storten van alle afval of andere stoffen genoemd in Bijlage I is verboden;
  b) voor het storten van afval of andere stoffen genoemd in Bijlage II, moet voorafgaandelijk een bijzondere vergunning verleend worden;
  c) voor het storten van alle andere afval en stoffen moet voorafgaandelijk een algemene vergunning verleend worden.
  2. Geen enkele vergunning zal verleend worden, zonder dat een nauwkeurig onderzoek is ingesteld naar alle factoren genoemd in Bijlage III, met inbegrip van een voorafgaand onderzoek van de karakteristieken van de stortplaats overeenkomstig sekties B en C van genoemde Bijlage.
  3. Geen enkele bepaling van dit Verdrag mag worden uitgelegd als beletsel voor een Verdragsluitende Partij om wat haar betreft, het storten van afval en stoffen welke niet in Bijlage I zijn genoemd te verbieden. Genoemde Partij stelt de Organisatie in kennis van dergelijke verbodsmaatregelen.

Artikel 5 1. De bepalingen van artikel IV zijn niet van toepassing wanneer het noodzakelijk is mensenlevens te beschermen of de veiligheid van schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere bouwwerken in zee te verzekeren ingeval van overmacht ten gevolge van noodweer of in alle andere gevallen waarbij mensenlevens in gevaar zijn of een direkte bedreiging bestaat voor schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere bouwwerken in zee, mits het storten de enige oplossing blijkt te zijn om de dreiging af te wenden en deze naar alle waarschijnlijkheid minder schade veroorzaakt dan wanneer niet gestort wordt. Het storten moet dan zodanig uitgevoerd worden dat de gevaren voor het menselijk leven en voor de in zee voorkomende fauna en flora tot een minimum beperkt blijven. De Organisatie dient onverwijld van het storten in kennis te worden gesteld.
  2. Een Verdragsluitende Partij mag, in afwijking van artikel IV, paragraaf 1, letter a, een bijzondere vergunning verlenen in noodgevallen die voor de menselijke gezondheid onaanvaardbare risico's inhouden en waarvoor geen andere oplossing mogelijk is.
  Alvorens hiertoe over te gaan, raadpleegt de Partij elk ander land of andere landen die hierdoor betrokken zouden kunnen zijn, alsmede de Organisatie die, na raadpleging van de andere Partijen en de betrokken internationale instellingen de Partij zo spoedig mogelijk de meest geschikte werkwijzen aanbeveelt, overeenkomstig de bepalingen van artikel XIV. De Partij volgt deze aanbevelingen zoveel mogelijk op, in funktie van de beschikbare tijd waarbinnen de nodige maatregelen moeten getroffen worden, en rekening houdend met de algemene verplichting het veroorzaken van schade aan het mariene milieu te vermijden; zij stelt de Organisatie in kennis van de door haar genomen maatregelen. De Partijen verbinden er zich toe elkaar in dergelijke situaties onderling bijstand te verlenen.
  3. Een Verdragsluitende Partij kan bij de bekrachtiging van of bij de toetreding tot dit Verdrag, of later, van haar in paragraaf 2 bedoelde rechten afzien.

Artikel 6 1. Iedere Verdragsluitende Partij wijst één of meer overheden aan die bevoegd zijn voor :
  a) het verlenen van bijzondere vergunningen die voorafgaand aan de storting vereist zijn voor de in Bijlage II genoemde stoffen en in de in artikel V, paragraaf 2 omschreven omstandigheden;
  b) het verlenen van algemene vergunningen die voorafgaand aan de storting van alle andere stoffen vereist zijn;
  c) het registreren van de aard en de hoeveelheden van alle stoffen waarvan het storten vergund werd, alsook van de plaats, de datum en de wijze van storten;
  d) het afzonderlijk of in samenwerking met andere Partijen en de bevoegde internationale instellingen toezien op de toestand van de zee ten behoeve van de uitvoering van dit Verdrag.
  2. De bevoegde overheid of overheden van een Verdragsluitende Partij zullen de voorafgaande algemene of bijzondere vergunningen verlenen overeenkomstig de bepalingen van de hierboven genoemde paragraaf 1, voor de te storten stoffen :
  a) die geladen worden op haar grondgebied;
  b) die geladen worden door een schip of een luchtvaartuig dat op haar grondgebied staat ingeschreven of dat haar vlag voert, wanneer het laden plaatsvindt op het grondgebied van een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag.
  3. Bij het verlenen van de hierboven onder paragraaf 1, leden a en b voorziene vergunningen handelt de bevoegde overheid of handelen de bevoegde overheden overeenkomstig de bepalingen van Bijlage III en overeenkomstig de aanvullende kriteria, maatregelen en voorwaarden die zij ter zake gegrond achten.
  4. Iedere Verdragsluitende Partij deelt rechtstreeks of door tussenkomst van een bij regionale overeenkomst ingesteld secretariaat, aan de Organisatie en in voorkomend geval aan andere Partijen, de in de leden c en d van hogergenoemde paragraaf 1 bedoelde inlichtingen mede, evenals de kriteria, maatregelen en voorwaarden die zij aanneemt overeenkomstig de bepalingen van hogergenoemde paragraaf 3. De te volgen procedure en de aard van deze mededelingen worden in onderling overleg door de Partijen geregeld.

Artikel 7 1. Iedere Verdragsluitende Partij past de voor de uitvoering van dit Verdrag vereiste maatregelen toe op alle :
  a) schepen en luchtvaartuigen die op haar grondgebied staan ingeschreven of die haar vlag voeren;
  b) schepen en luchtvaartuigen die op haar grondgebied of in haar territoriale wateren stoffen laden die gestort moeten worden;
  c) schepen, luchtvaartuigen en vaste of drijvende platforms die onder haar rechtsmacht vallen en waarvan verondersteld wordt dat zij stortingsoperaties uitvoeren.
  2. Iedere Verdragsluitende Partij neemt binnen haar grondgebied de geëigende maatregelen ter voorkoming en bestraffing van handelingen die in strijd zijn met de bepalingen van dit Verdrag.
  3. De Verdragsluitende Partijen komen overeen samen te werken bij het opstellen van procedures voor de daadwerkelijke toepassing van dit Verdrag, in het bijzonder in volle zee, met inbegrip van procedures voor het melden van schepen en luchtvaartuigen die waargenomen worden terwijl ze stortingsoperaties uitvoeren die in strijd zijn met de bepalingen van dit Verdrag.
  4. Dit Verdrag is niet van toepassing op schepen en luchtvaartuigen die de door het internationaal recht toegekende immuniteit van Staten genieten. Iedere Partij ziet er evenwel op toe dat, door het nemen van gepaste maatregelen, dergelijke schepen en luchtvaartuigen die zij in bezit of in gebruik heeft, gebruikt worden overeenkomstig de doelstellingen van dit Verdrag; zij licht de Organisatie hierover ook in.
  5. Geen enkele bepaling van dit Verdrag tast het recht van iedere Partij aan, om, overeenkomstig de beginselen van het internationaal recht, andere maatregelen te nemen ter voorkoming van storten in zee.

Artikel 8 Ten einde de doelstellingen van dit Verdrag te bevorderen, stellen de Verdragsluitende Partijen die een gemeenschappelijk belang hebben bij de bescherming van het mariene milieu in een bepaald geografisch gebied, alles in het werk om, rekening houdend met regionale karakteristieken, regionale overeenkomsten te sluiten die verenigbaar zijn met dit Verdrag, met het oog op het voorkomen van de verontreiniging, in het bijzonder deze die te wijten is aan het storten. De Partijen bij dit Verdrag streven er naar om te handelen in overeenstemming met de doelstellingen en de bepalingen van deze regionale overeenkomsten die hun worden medegedeeld door de Organisatie. De Verdragsluitende Partijen streven er naar samen te werken met de Partijen bij de regionale overeenkomsten met het oog op het harmoniseren van procedures die door de Partijen bij de verschillende verdragen moeten gevolgd worden. Bijzondere aandacht zal besteed worden aan de samenwerking op het gebied van het toezicht en het wetenschappelijk onderzoek.

Artikel 9 De Verdragsluitende Partijen vergemakkelijken, door de samenwerking binnen de Organisatie en andere internationale instellingen de bijstand aan de Partijen die daarom verzoeken, voor wat betreft :
  a) het opleiden van wetenschappelijk en technisch personeel;
  b) het leveren van de nodige uitrusting en middelen voor het onderzoek en het toezicht;
  c) het vernietigen en verwerken van afval en alle andere maatregelen ter voorkoming of vermindering van de verontreiniging die te wijten is aan het storten;
  bij voorkeur ten overstaan van de betrokken landen, aldus handelend in de zin van de doelstellingen van dit Verdrag.

Artikel 10 In overeenstemming met de beginselen van het internationaal recht betreffende de aansprakelijkheid van Staten inzake de schade aan het milieu van andere Staten of aan iedere andere sector van het milieu, die veroorzaakt wordt door het storten van afval of iedere andere stof, zullen de Verdragsluitende Partijen procedures ontwikkelen voor het vaststellen van de aansprakelijkheden en het regelen van geschillen met betrekking tot het storten.

Artikel 11 Ieder geschil tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen betreffende de interpretatie of de toepassing van dit Verdrag wordt, wanneer dit niet door onderhandeling of op een andere wijze kan geregeld worden, bij overeenstemming tussen de bij het geschil betrokken partijen voorgelegd aan het Internationaal Gerechtshof of wordt, op verzoek van een van hen, onderworpen aan arbitrage. De procedure voor de arbitrage zal in overeenstemming zijn met de regels vermeld in het Bijvoegsel bij dit Verdrag, tenzij de bij het geschil betrokken Partijen er anders over beschikken.

Artikel 12 De Verdragsluitende Partijen verbinden er zich toe, in het kader van de bevoegde gespecialiseerde organisaties en andere internationale instellingen, het nemen van maatregelen te bevorderen ter bescherming van het mariene milieu tegen verontreiniging die veroorzaakt wordt door :
  a) koolwaterstoffen met inbegrip van olieprodukten en hun residuen;
  b) andere schadelijke of gevaarlijke stoffen die vervoerd worden door schepen voor andere doeleinden dan het storten;
  c) afval afkomstig van de exploitatie van schepen, luchtvaartuigen, platforms en andere bouwwerken in zee;
  d) verontreinigende radioactieve stoffen van gelijk welke oorsprong, ook van schepen;
  e) stoffen die bestemd zijn voor het voeren van chemische en biologische oorlog;
  f) afval of andere stoffen die rechtstreeks of onrechtstreeks afkomstig zijn van de exploitatie, de ontginning en de bewerking op zee van mineralen uit de zeebodem.
  De Partijen zullen er binnen de geëigende internationale organisatie, tevens naar streven dat voor de seinen die zullen worden aangenomen door de voor het storten gebruikte schepen een kode wordt vastgelegd.

Artikel 13 Geen enkele bepaling van dit Verdrag doet afbreuk aan het kodificeren en de ontwikkeling van het zeerecht door de Zeerechtconferentie van de Verenigde Naties, bijeengeroepen krachtens Resolutie 2750C (XXV) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, noch aan de huidige of toekomstige vorderingen en standpunten van elke Staat met betrekking tot het zeerecht en de aard en de omvang van de rechtsmacht van de kuststaat en van de vlaggestaat.
  De Verdragsluitende Partijen komen overeen elkaar te raadplegen tijdens een vergadering die door de Organisatie zal worden bijeengeroepen na de Zeerechtconferentie en uiterlijk in 1976 om de aard en de omvang van de rechten en de plichten van een kuststaat te bepalen voor wat betreft de toepassing van de bepalingen van het Verdrag in een gebied dat aan zijn kusten grenst.

Artikel 14 1. De Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland roept, als Depotregering, een vergadering van de Verdragsluitende Partijen bijeen uiterlijk drie maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag, ten einde organisatorische vraagstukken te regelen.
  2. De Verdragsluitende Partijen duiden een bevoegde Organisatie aan die bestaat op het ogenblik waarop de in de vorige paragraaf bedoelde vergadering wordt gehouden en die belast zal worden met het secretariaat met betrekking tot dit Verdrag. Iedere Partij bij dit Verdrag die geen lid is van bedoelde Organisatie draagt op een passende wijze bij in de kosten die de Organisatie maakt bij de uitvoering van deze werkzaamheden.
  3. De werkzaamheden van het secretariaat van de Organisatie bestaan in het bijzonder uit :
  a) het bijeenroepen van consultatieve vergaderingen van de Verdragsluitende Partijen ten minste eens om de twee jaar en van speciale vergaderingen van de Partijen telkens wanneer twee derden der Partijen hierom verzoeken;
  b) het, in overleg met de Verdragsluitende Partijen en de bevoegde internationale instellingen, voorbereiden van en helpen aan het opstellen en het uitvoeren van de in paragraaf 4 lid e), van dit artikel genoemde procedures;
  c) het onderzoek van de vragen om informatie en van de inlichtingen afkomstig van de Verdragsluitende Partijen, het overleg met deze Partijen en met de bevoegde internationale instellingen en het doen van aanbevelingen aan de Partijen inzake vraagstukken die verband houden met dit Verdrag, zonder dat zij er uitdrukkelijk bij worden bedoeld;
  d) het aan de betrokken Partijen mededelen van alle kennisgevingen die de Organisatie heeft ontvangen overeenkomstig de bepalingen van de Artikelen IV, paragraaf 3, V paragrafen 1 en 2, VI paragraaf 4, XV, XX en XXI.
  Vóór het aanduiden van de Organisatie worden deze werkzaamheden, in voorkomend geval, verricht door één van de Depotregeringen, in onderhavig geval de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.
  4. Tijdens de consultatieve of speciale vergaderingen onderwerpen de Verdragsluitende Partijen de uitvoering van dit Verdrag aan een doorlopend onderzoek en kunnen zij in het bijzonder :
  a) dit Verdrag, zijn Bijlagen en zijn Bijvoegsel herzien en wijzigingen aannemen overeenkomstig de bepalingen van Artikel XV;
  b) de bevoegde wetenschappelijke instelling of instellingen uitnodigen om samen te werken met de Partijen of de Organisatie en hen te adviseren over ieder wetenschappelijk of technisch aspect, dat verband houdt met dit Verdrag en in het bijzonder met de inhoud van de Bijlagen;
  c) de krachtens Artikel VI paragraaf 4 opgestelde verslagen ontvangen en bestuderen;
  d) de samenwerking bevorderen met en tussen de regionale organisaties, die betrokken zijn bij het voorkomen van de verontreiniging van de zee;
  e) in overleg met de bevoegde internationale instellingen de in Artikel V, paragraaf 2, bedoelde procedures uitwerken of aanvaarden, met inbegrip van de basiskriteria voor het bepalen van uitzonderlijke gevallen en noodgevallen, evenals de procedures voor het uitbrengen van een konsultatief advies en voor het zich op veilige wijze ontdoen van de stoffen in dergelijke gevallen, met inbegrip van het aanwijzen van geschikte stortplaatsen, en aanbevelingen in die zin formuleren;
  f) iedere eventueel noodzakelijke aanvullende maatregel bestuderen.
  5. Tijdens hun eerste consultatieve vergadering stellen de Partijen het nodige huishoudelijk reglement vast.

Artikel 15 1. a) Tijdens de vergaderingen van de Verdragsluitende Partijen, bijeengeroepen krachtens de bepalingen van Artikel XIV, worden de wijzigingen aan dit Verdrag en aan zijn Bijvoegsel aangenomen met een meerderheid van twee derde van de aanwezige Partijen. Een wijziging treedt in werking voor de Partijen die daaraan hun goedkeuring gehecht hebben, op de zestigste dag nadat twee derden van de Partijen een akte van goedkeuring van de wijziging hebben neergelegd bij de Organisatie. Vervolgens wordt de wijziging van kracht voor iedere andere Partij de dertigste dag die volgt op het neerleggen van haar akte van goedkeuring van genoemde wijziging.
  b) De Organisatie licht alle Partijen in over ieder overeenkomstig de bepalingen van Artikel XIV ingediend verzoek tot het houden van een speciale vergadering en over iedere tijdens de vergaderingen van de Partijen aanvaarde wijziging, evenals over de datum waarop dergelijke wijzigingen in werking treden voor iedere Partij.
  2. De wijzigingen aan de bijlagen zullen gesteund zijn op wetenschappelijke of technische overwegingen. De wijzigingen aan de bijlagen die zijn aanvaard met een meerderheid van twee derde van de Partijen, aanwezig op een overeenkomstig de bepalingen van Artikel XIV bijeengeroepen vergadering, worden onmiddellijk van kracht voor iedere Verdragsluitende Partij op het ogenblik waarop zij de Organisatie van haar goedkeuring in kennis stelt en zij worden voor alle andere Partijen van kracht honderd dagen na de aanvaarding ervan door de vergadering, behalve voor deze die vóór het verstrijken van de termijn van honderd dagen hebben verklaard, op dat ogenblik de wijziging niet te kunnen aanvaarden. De Partijen streven ernaar, zo spoedig mogelijk nadat een wijziging door de vergadering is aanvaard, de Organisatie ervan in kennis te stellen dat zij de wijziging hebben goedgekeurd. Iedere Partij kan op ieder ogenblik een verklaring van bezwaar vervangen door een verklaring van goedkeuring en de wijziging waartegen voordien bezwaar bestond, wordt dan van kracht voor die Partij.
  3. Iedere goedkeuring of verklaring van bezwaar bedoeld in dit artikel geschiedt door het neerleggen van een akte bij de Organisatie. De Organisatie meldt de ontvangst van deze akten aan alle Verdragsluitende Partijen.
  4. Vóór het aanduiden van de Organisatie worden de haar door dit Verdrag toevertrouwde administratieve taken tijdelijk uitgevoerd door de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland als één van de depotregeringen van dit Verdrag.

Artikel 16 Dit Verdrag staat van 29 december 1972 tot 31 december 1973 te Londen, Mexico, Moskou en Washington open voor ondertekening door iedere Staat.

Artikel 17 Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging dienen te worden neergelegd bij de Regeringen van de Verenigde Staten van Amerika, Mexico, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Unie van Socialistische Sovjet-Republieken.

Artikel 18 Na 31 december 1973 kan iedere Staat tot dit Verdrag toetreden. De akten van toetreding dienen te worden neergelegd bij de Regeringen van de Verenigde Staten van Amerika, Mexico, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Unie van Socialistische Sovjet-Republieken.

Artikel 19 1. Dit Verdrag treedt in werking op de dertigste dag volgend op de datum van neerlegging van de vijftiende akte van bekrachtiging of van toetreding.
  2. Voor elke Verdragsluitende Partij die dit Verdrag zal bekrachtigen of ertoe zal toetreden na het neerleggen van de vijftiende akte van bekrachtiging of van toetreding, zal dit Verdrag in werking treden op de dertigste dag na het neerleggen door die Partij van haar akte van bekrachtiging of van toetreding.

Artikel 20 De depotregeringen stellen de Verdragsluitende Partijen in kennis van :
  a) de ondertekeningen van dit Verdrag en de neerlegging van de akten van bekrachtiging, van toetreding en van opzegging overeenkomstig de artikelen XVI, XVII, XVIII en XXI, en
  b) de datum waarop dit Verdrag in werking treedt in toepassing van artikel XIX.

Artikel 21 Iedere Verdragsluitende Partij kan dit Verdrag opzeggen door zes maanden van tevoren hiervan schriftelijk kennis te geven aan één van de depotregeringen, die hiervan alle Partijen onmiddellijk in kennis stelt.
  Het originele exemplaar van dit Verdrag, waarvan de Engelse, Spaanse, Franse en Russische tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt neergelegd bij de Regeringen van de Verenigde Staten van Amerika, Mexico, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Unie van Socialistische Sovjet-Republieken, die daarvan aan alle Staten voor eensluidend verklaarde afschriften toesturen.
  

Artikel N1 Bijlage 1 :
  1. Organische halogeenverbindingen.
  2. Kwik en zijn verbindingen.
  3. Cadmium en zijn verbindingen.
  4. Niet afbreekbare plasticstoffen en andere niet afbreekbare synthetische stoffen, bijvoorbeeld netten en touwwerken, die kunnen drijven op of zweven in de zee en aldus materiële hinder vormen voor de visserij, de scheepvaart of ander rechtmatig gebruik van de zee.
  5. Ruwe olie en zijn afvalstoffen, de geraffineerde olieprodukten, de residuen van de petroleumdistillatie, evenals de mengsels die deze produkten bevatten, aan boord geladen om te worden gestort.
  6. Hoog radioaktief afval en andere hoog radioaktieve stoffen, die door de ter zake bevoegde internationale organisatie op dit ogenblik de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, bepaald zijn als ongeschikt om in zee te worden gestort omwille van hun invloed op de menselijke gezondheid, om biologische of om andere redenen.
  7. Stoffen die, ongeacht de vorm (vast, vloeibaar, half-vloeibaar, gas of levend), zijn vervaardigd voor het voeren van biologische en chemische oorlog.
  8. De paragrafen 1 tot 7 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op stoffen die in zee snel onschadelijk worden gemaakt door fysische, chemische of biologische processen, op voorwaarde dat zij :
  i. de smaak van eetbare zeeorganismen niet aantasten, of
  ii. geen gevaar vormen voor het leven van mens en huisdier.
  Bij twijfel omtrent de onschadelijkheid van een stof, doet de betrokken Partij beroep op de konsultatieve procedure die voorzien is in Artikel XIV.
  9. Deze Bijlage is niet van toepassing op afval en andere stoffen, zoals rioolslib en baggerspecie, die sporen bevatten van verontreiniging door de in de paragrafen 1 tot 5 hierboven bepaalde stoffen. Het storten van dit afval is, al naar gelang, onderworpen aan de bepalingen van de Bijlage II en III.
  10. De paragrafen 1 en 5 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het vernietigen, door verbranding op zee van afval en andere stoffen genoemd in deze paragrafen. Voor het verbranden op zee van deze afval of andere stoffen is het nodig dat voorafgaandelijk een bijzondere vergunning wordt bekomen. Bij het afleveren van bijzondere vergunningen voor het verbranden passen de Verdragsluitende Partijen de Voorschriften toe betreffende het toezicht op de verbranding op zee van afval en andere stoffen, die vermeld zijn in het Addendum bij deze Bijlage (dat een integrerend deel uitmaakt van deze Bijlage) en houden ten volle rekening met de technische richtlijnen betreffende het toezicht op de verbranding op zee van afval en andere stoffen, die door de Verdragsluitende Partijen in onderling overleg zijn aangenomen.

Artikel N1A Addendum (bij bijlage 1) : Voorschriften betreffende het toezicht op de verbranding op zee van afval en andere stoffen. (NOTA : EERSTE DEEL omvattende voorschriften 1 en 2)

Artikel 1MN1 Voorschrift 1. Definities.
  Voor de toepassing van dit addendum :
  1. Wordt onder " verbrandingsinrichting op zee " verstaan een schip, een platform of een ander bouwwerk dat bestemd is voor het uitvoeren van verbrandingsoperaties op zee;
  2. Wordt onder " verbranding op zee " verstaan het opzettelijk verbranden van afval of andere stoffen in verbrandingsinrichtingen op zee met het doel deze stoffen thermisch te vernietigen. Deze definitie omvat de werkzaamheden niet die het gevolg zijn van de normale uitbating van schepen, platforms of andere bouwwerken.

Artikel 2MN1 Voorschrift 2. Toepassingsgebied.
  1. Deel II van deze voorschriften is van toepassing op de hierna genoemde afval of andere stoffen :
  a) deze genoemd in paragraaf 1 van Bijlage I;
  b) pesticiden en hun bijprodukten die niet genoemd zijn in Bijlage I.
  2. De Verdragsluitende Partijen moeten vooraf de praktische mogelijkheden nagaan om op het land beroep te doen op andere behandelings-, vernietigings- of verwijderingsmethoden of op behandelingen die de schadelijkheid van deze afval of andere stoffen verminderen, voordat een vergunning voor de verbranding op zee wordt afgeleverd overeenkomstig deze voorschriften. De verbranding op zee mag in geen geval zo worden uitgelegd dat het zoeken naar oplossingen die voor het milieu te verkiezen zijn, in het bijzonder van het op punt stellen van nieuwe technieken, ontmoedigd wordt.
  3. De verbranding op zee van afval en andere stoffen bedoeld in paragraaf 10 van Bijlage I en in paragraaf E van Bijlage II, andere dan deze bedoeld in paragraaf 1 van dit voorschrift, moet gekontroleerd en als bevredigend beoordeeld worden door de Verdragsluitende Partij die de bijzondere vergunning aflevert.
  4. Voor de verbranding op zee van afval of andere stoffen die niet genoemd zijn in de paragrafen 1 en 3 van dit voorschrift, moet een algemene vergunning verleend worden.
  5. Voor het afleveren van de vergunningen bedoeld in de paragrafen 3 en 4 van dit voorschrift moeten de Verdragsluitende Partijen rekening houden met alle bepalingen van deze voorschriften en met de technische richtlijnen betreffende het toezicht op de verbranding op zee van afval en andere stoffen die van toepassing zijn op dit afval.
  TWEEDE DEEL.

Artikel 3MN1 Voorschrift 3. Goedkeuring en inspekties van het verbrandingssysteem.
  1. Het verbrandingssysteem van elke voorziene verbrandingsinrichting op zee moet onderworpen worden aan de hierna omschreven inspekties. Overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 1 van artikel VII van het Verdrag, moet iedere Verdragsluitende Partij die voorziet een verbrandingsvergunning af te leveren, er zich van vergewissen dat de inspekties van de te gebruiken verbrandingsinrichting op zee uitgevoerd zijn en dat het verbrandingssysteem voldoet aan de bepalingen opgenomen in deze voorschriften. Indien de eerste inspektie wordt uitgevoerd onder leiding van een Verdragsluitende Partij, levert deze een bijzondere vergunning af waarin de vereiste proeven aangegeven zijn. De resultaten van iedere inspektie worden vermeld in een inspektieverslag.
  a) Een eerste inspektie moet uitgevoerd worden om na te gaan of tijdens de verbranding van afval of andere stoffen het verbrandingsrendement en het vernietigingsrendement groter zijn dan 99,9 pct.
  b) Tijdens de eerste inspektie moet de Staat onder wiens leiding de inspektie wordt uitgevoerd :
  i. de plaatsing, het type en de gebruikswijze van de toestellen voor temperatuursmeting goedkeuren;
  ii. het systeem voor gasbemonstering goedkeuren, met inbegrip van de plaatsen van monstername, de analysesystemen evenals de wijze van registratie;
  iii. er zich van vergewissen dat goedgekeurde apparatuur is opgesteld om de toevoer van afval naar de verbrandingsoven automatisch af te sluiten wanneer de temperatuur beneden een overeengekomen minimumwaarde daalt;
  iv. er zich van vergewissen dat men zich tijdens de normale verbrandingsoperaties niet kan ontdoen van afval of andere stoffen uit de verbrandingsinrichting op zee behalve door middel van de verbrandingsoven;
  v. de toestellen goedkeuren waarmee het voedingsdebiet van afval en brandstof wordt gekontroleerd en geregistreerd;
  vi. het rendement van het verbrandingssysteem verifiëren door het uitvoeren, onder kontinu en nauwgezet toezicht, van proeven aan de uitgang van de oven, op afval dat dezelfde karakteristieken vertoont als deze die men voorziet te verbranden, en waarbij het gehalte aan O2, CO, CO2, organische halogeenverbindingen en het totaal gehalte aan koolwaterstoffen worden gemeten.
  c) Het verbrandingssysteem moet ten minste om de twee jaar geïnspekteerd worden om er zich van te vergewissen dat de verbrandingsoven nog voldoet aan deze voorschriften. De tweejaarlijkse inspektie moet uitgevoerd worden op basis van een evaluatie van de werkings- en onderhoudsgegevens van de voorbije twee jaar.
  2. Na het beëindigen van de inspektie wordt door een Verdragsluitende Partij een goedkeuringscertificaat afgeleverd wanneer deze inspektie bevredigend was en geoordeeld wordt dat het verbrandingssysteem voldoet aan deze voorschriften. Een afschrift van het inspektieverslag wordt gevoegd bij het goedkeuringscertifikaat. Een goedkeuringscertifikaat dat is afgeleverd door een Verdragsluitende Partij moet door de andere Verdragsluitende Partijen erkend worden, behalve wanneer er ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat het verbrandingssysteem niet voldoet aan deze voorschriften. Een afschrift van ieder goedkeuringscertifikaat en van ieder inspektieverslag moet toegezonden worden aan de Organisatie.
  3. Na eender welke inspektie mag geen enkele belangrijke verandering worden aangebracht die de werking van het verbrandingssysteem kan beïnvloeden zonder de goedkeuring van de Verdragsluitende Partij die het goedkeuringscertifikaat heeft afgeleverd.

Artikel 4MN1 Voorschrift 4. Afval waarvoor bijzondere werkzaamheden vereist zijn.
  1. Wanneer een Verdragsluitende Partij eraan twijfelt of het te verbranden afval of de te verbranden andere stoffen termisch kunnen worden vernietigd, moeten er eerst op kleine schaal proeven uitgevoerd worden in een laboratorium.
  2. Wanneer een Verdragsluitende Partij voorziet de verbranding van afval of andere stoffen toe te laten, waarbij wordt getwijfeld aan hun verbrandingsrendement, moet het verbrandingssysteem onderworpen worden aan een doorlopend en nauwgezet toezicht gelijkaardig met dit voorzien bij de eerste inspektie van het verbrandingssysteem op zee. De bemonstering van deeltjes moet voorzien worden rekening houdend met de hoeveelheid vaste bestanddelen van het afval.
  3. De goedgekeurde minimum vlamtemperatuur moet deze zijn die is aangegeven in voorschrift 5, tenzij de resultaten van de proeven met de verbrandingsinrichting op zee aantonen dat het vereiste verbrandingsrendement en het vernietigingsrendement kunnen bereikt worden bij een lagere temperatuur.
  4. De resultaten van de speciale proeven voorzien in de paragrafen 1, 2 en 3 van dit voorschrift moeten vastgelegd en bij het inspektieverslag gevoegd worden. Een afschrift moet aan de Organisatie toegezonden worden.

Artikel 5MN1 Voorschrift 5. Werkingsvoorwaarden voor de verbrandingsinrichtingen op zee.
  1. De werking van het verbrandingssysteem moet nagezien worden om er zich van te vergewissen dat de verbranding van afval of andere stoffen niet kan plaatsvinden bij een vlamtemperatuur lager dan 1 250 °C, behalve onder de voorwaarden voorzien in voorschrift 4.
  2. Het verbrandingsrendement moet ten minste 99,95 +/- 0,05 pct. bedragen, berekend volgens de volgende formule :

                             C     -   C
                             CO2   -   CO
    Verbrandingsrendement  =
  3. Zwarte rook of vlammen mogen niet boven het bovenvlak van de uitgang van de oven uitkomen.
  4. De verbrandingsinrichting op zee moet steeds onverwijld kunnen antwoorden op radio-elektrische oproepen gedurende de verbrandingsoperatie.

Artikel 6MN1 Voorschrift 6. Toestellen en methode voor registratie.
  1. De verbrandingsinrichtingen op zee moeten registratietoestellen of -methoden gebruiken die goedgekeurd zijn overeenkomstig voorschrift 3. Tijdens elke verbrandingsoperatie moeten ten minste de volgende gegevens geregistreerd worden en bewaard blijven voor inspektie door de Verdragsluitende Partij die de vergunning heeft afgeleverd :
  a) de temperatuur, die doorlopend wordt gemeten met behulp van de goedgekeurde apparatuur voor temperatuursmeting;
  b) de datum en het uur van de verbranding evenals de aard van het verbrande afval;
  c) de positie van het schip, vastgesteld met geschikte navigatiemiddelen;
  d) het voedingsdebiet van afval en brandstof - voor he vloeibaar afval en de brandstof moet het voedingsdebiet kontinu geregistreerd worden; dit laatste geldt niet voor schepen die op of vóór 1 januari 1979 in gebruik waren;
  e) het gehalte aan CO en CO2 in de verbrandingsgassen;
  f) de koers en de snelheid van het schip.
  2. Afschriften van de goedkeuringscertifikaten en van de inspektieverslagen, die overeenkomstig voorschrift 3 zijn opgesteld evenals afschriften van de verbrandingsvergunningen die afgeleverd werden door een Verdragsluitende Partij voor in een verbrandingsinrichting te verbranden afval of andere stoffen moeten beschikbaar zijn in de inrichting op zee.

Artikel 7MN1 Voorschrift 7. Toezicht op de aard van het verbrand afval.
  Een aanvraag voor een vergunning voor het verbranden op zee van afval of andere stoffen moet voldoende gedetailleerde informatie over de karakteristieken van het afval of de andere stoffen omvatten zodat kan voldaan worden aan de vereisten van voorschrift 9.

Artikel 8MN1 Voorschrift 8. Verbrandingsplaatsen.
  1. De kriteria voor het kiezen van verbrandingsplaatsen worden bepaald door de overwegingen genoemd in Bijlage III bij het Verdrag, en door de volgende faktoren :
  a) de atmosferische verspreidingskarakteristieken in het gebied, in het bijzonder de windsnelheid en de windrichting, de atmosferische stabiliteit, de frekwentie van de inversies en van de mistvormingen, de types neerslag en hun hoeveelheid, de vochtigheid, ten einde vast te stellen welke invloed de uit de verbrandingsinrichting op zee vrijkomende verontreinigingen zouden kunnen hebben op de onmiddellijke omgeving, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de mogelijkheid dat verontreiniging door de atmosfeer naar kustgebieden worden gevoerd;
  b) de oceanografische verspreidingskarakteristieken in het gebied, ten einde het mogelijk effekt te schatten van in de oceaan gestorte verontreinigende stoffen, ten gevolge van de interaktie tussen de atmosferische rookpluim en het wateroppervlak;
  c) de aanwezigheid van hulpmiddelen voor de navigatie.
  2. De coördinaten van de vast aangeduide verbrandingsplaatsen moeten op ruime schaal verspreid worden en medegedeeld aan de Organisatie.

Artikel 9MN1 Voorschrift 9. Kennisgeving.
  De Verdragsluitende Partijen moeten de kennisgevingsprocedure in acht nemen die in onderling overleg door de Verdragsluitende Partijen zijn aanvaard.

Artikel N2 Bijlage II : De stoffen en materialen, waarvoor bij het storten bijzondere voorzorgsmaatregelen moeten worden getroffen, in de zin van Artikel VI, paragraaf 1, lid a worden hierna opgenoemd.
  A. Het afval dat aanzienlijke hoeveelheden van de hierna volgende stoffen bevat :
  arseen, lood, koper, zink en hun verbindingen
  organische siliciumverbindingen
  cyaniden
  fluoriden
  pesticiden en bijprodukten van pesticiden die niet bedoeld zijn in Bijlage I.
  B. Bij het afleveren van vergunningen voor het storten van grote hoeveelheden zuren en basen moet rekening gehouden worden met de mogelijke aanwezigheid in dit afval van de stoffen genoemd in paragraaf A en van de hierna volgende andere stoffen :
  beryllium, chroom, nikkel, vanadium en hun verbindingen
  C. Containers, metaalafval en ander omvangrijk afval die tot op de zeebodem kunnen zinken en een ernstige hindernis kunnen vormen voor de visserij of de scheepvaart.
  D. Radioaktief afval en andere radioaktieve stoffen niet opgenomen in Bijlage I. Bij het afleveren van vergunningen voor het storten van deze stoffen moeten de Verdragsluitende Partijen ten volle rekening houden met de aanbevelingen van de ter zake bevoegde internationale organisatie, op dit ogenblik de Internationale Organisatie voor Atoomenergie.
  E. Bij het afleveren van bijzondere vergunningen voor verbranding van stoffen en materialen genoemd in deze Bijlage, passen de Verdragsluitende Partijen de voorschriften toe betreffende het toezicht op de verbranding op zee van afval en andere stoffen die vermeld zijn in het Addendum bij Bijlage I en houden zij ten volle rekening met de technische richtlijnen betreffende het toezicht op de verbranding op zee van afval en andere stoffen die door de Verdragsluitende Partijen in onderling overleg zijn aangenomen binnen de grenzen die in deze voorschriften en richtlijnen voorzien zijn.
  F. De stoffen die, hoewel ze van nature niet toxisch zijn, schadelijk kunnen worden omwille van de gestorte hoeveelheden, of die van aard zijn om gevoelig de aantrekkelijkheid van de zee te verminderen.

Artikel N3 Bijlage III : Bij het vaststellen van de kriteria voor het afleveren van vergunningen voor het storten van stoffen overeenkomstig de bepalingen van Artikel IV, paragraaf 2, dienen inzonderheid de volgende bepalingen in acht te worden genomen.
  A. Karakteristieken en samenstelling van de stof.
  1. Totale hoeveelheid en gemiddelde samenstelling van de gestorte stof (bijvoorbeeld per jaar).
  2. Vorm, bijvoorbeeld vast, modderig, vloeibaar of gas.
  3. Fysische eigenschappen (zoals oplosbaarheid en dichtheid), chemische en biochemische eigenschappen (zoals zuurstofverbruik, voedingsstoffen) en biologische eigenschappen (zoals aanwezigheid van virussen, bacteriën, gisten, parasieten).
  4. Toxiciteit.
  5. Persistentie : fysische, chemische en biologische.
  6. Accumulatie en biologische omzetting in biologische stoffen en sedimenten.
  7. Gevoeligheid voor fysische, chemische en biochemische omzettingen en wisselwerking in het waterig milieu met andere opgeloste organische en anorganische stoffen.
  8. Kans op besmetting en andere omzettingen die de handelswaarde van de mariene bronnen (vissen, weekdieren, schaaldieren, enz.) verminderen.
  B. Karakteristieken van de stortplaats en methode van storten.
  1. Plaats (koördinaten van het stortgebied, diepte en afstand tot de kust), situering ten opzichte van andere plaatsen (zoals gebieden voor rekreatie, kuitschieten, kweken, visserij en exploiteerbare bronnen).
  2. Frequentie van afvoer van de stof (bijvoorbeeld dagelijks, wekelijks, maandelijks).
  3. In voorkomend geval verpakkings- en behandelingsmethode.
  4. Door de voorgestelde wijze van lozing bereikte initiële verdunning.
  5. Verspreidingskarakteristieken (zoals de invloed van de stromingen, van de getijden en van de wind op de horizontale verplaatsing en de verticale menging).
  6. Karakteristieken van het water (zoals temperatuur, pH, zoutgehalte, gelaagdheid, aanwijzingen van verontreiniging : inzonderheid opgeloste zuurstof (OZ), biochemisch zuurstofverbruik (BOD), chemisch zuurstofverbruik (COD), aanwezigheid van stikstof in organische of minerale vorm en in het bijzonder ammoniak, stoffen in suspensie, andere voedingsstoffen, produktiviteit).
  7. Karakteristieken van de bodem (zoals topografie, geochemische en geologische karakteristieken, biologische produktiviteit).
  8. Aanwezigheid en invloed van andere stortingen uitgevoerd in het stortgebied (bijvoorbeeld, gegevens betreffende de aanwezigheid van zware metalen en het gehalte aan organische koolstof).
  9. Bij he afleveren van een stortingsvergunning stellen de Verdragsluitende Partijen alles in het werk om na te gaan of er een wetenschappelijke basis bestaat om de gevolgen van het storten zoals omschreven in deze Bijlage te schatten, waarbij tevens rekening gehouden wordt met seizoenschommelingen.
  C. Algemene overwegingen en omstandigheden.
  1. Eventuele invloed op recreatiegebieden (zoals de aanwezigheid van drijvend of aangespoeld materiaal, troebelheid, onaangename geuren, verkleuring, schuim).
  2. Eventuele invloed op de mariene fauna en flora, de vis- en schaaldierenteelt, de visbanken en visgronden, de algenoogst en -teelt.
  3. Eventuele invloed op de andere vormen van gebruik van de zee (zoals aantasting van de kwaliteit van het water voor industrieel gebruik, onderwatercorrosie van de bouwwerken in zee, verstoring van de scheepvaart door drijvend materiaal, belemmering van de visserij en de scheepvaart te wijten aan het storten van afval of vaste voorwerpen op de zeebodem en bescherming van gebieden met een bijzonder belang voor de wetenschap en het natuurbehoud).4. Praktische mogelijkheden om op het land beroep te doen op andere methoden voor behandeling, storting of verwijdering, of op behandelingen die de schadelijkheid van de stoffen verminderen voor hun storting in zee.

Artikel N4 Bijvoegsel.

Artikel 1MN4 Artikel 1. 1. Een scheidsgerecht (hierna het " Scheidsgerecht " genoemd) wordt samengesteld wanneer een Verdragsluitende Partij hiertoe een verzoek indient bij een andere Verdragsluitende Partij in toepassing van artikel XI van het Verdrag. Het verzoek om arbitrage omvat het voorwerp van het verzoek, evenals elk bewijsstuk tot ondersteuning van de uiteenzetting van het geval.
  2. De verzoekende partij licht de Secretaris-generaal van de Organisatie in :
  i. over haar verzoek om arbitrage;
  ii. over de bepalingen van het Verdrag waarvan de interpretatie of de toepassing, volgens haar, aanleiding geven tot het geschil.
  3. De Secretaris-generaal zendt deze inlichtingen aan alle Verdragsluitende Partijen.

Artikel 2MN4 Artikel 2. 1. Het Scheidsgerecht bestaat uit een enkele scheidsman, indien de partijen bij het geschil er aldus over beslist hebben binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van het verzoek om arbitrage.
  2. Bij overlijden, ongeschiktheid of ontstentenis van de scheidsman, kunnen de partijen bij het geschil een vervanger aanstellen binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf het overlijden, de ongeschiktheid of de ontstentenis.

Artikel 3MN4 Artikel 3. 1. Indien de partijen bij een geschil geen overeenstemming bereiken over een Scheidsgerecht samengesteld zoals voorzien in artikel 2 van dit bijvoegsel, wordt het Scheidsgerecht samengesteld uit drie leden :
  i. een scheidsman benoemd door iedere partij bij het geschil;
  en
  ii. een derde scheidsman, in gezamenlijk overleg aangeduid door de eerste twee, die het voorzitterschap van het Scheidsgerecht waarneemt.
  2. Indien de voorzitter van het Scheidsgerecht niet is aangeduid binnen een termijn van dertig dagen na de aanduiding van de tweede scheidsman, leggen de partijen bij het geschil, op verzoek van één van de partijen, aan de Secretaris-generaal van de Organisatie, binnen een nieuwe termijn van dertig dagen, een in gezamenlijk overleg vastgestelde lijst van deskundigen voor. Uit deze lijst kiest de Secretaris-generaal zo spoedig mogelijk de voorzitter. Hij mag geen voorzitter kiezen die de nationaliteit heeft gehad of heeft van één van de partijen bij het geschil, tenzij de andere partij hiermee instemt.
  3. Indien een van de partijen bij het geschil binnen een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek om arbitrage, geen scheidsman heeft aangesteld zoals voorzien in lid i. van paragraaf 1 van dit artikel, mag de andere patij vragen om binnen een termijn van dertig dagen een bij gezamenlijk overleg vastgestelde lijst van deskundigen aan de Secretaris-generaal van de Organisatie voor te leggen. Uit deze lijst kiest de Secretaris-generaal zo spoedig mogelijk de voorzitter van het Scheidsgerecht. De voorzitter verzoekt vervolgens de partij die geen scheidsman heeft aangeduid, dit te doen. Indien deze partij binnen de vijftien dagen volgend op dit verzoek geen scheidsman heeft aangeduid kiest de Secretaris-generaal, op verzoek van de voorzitter, de scheidsman uit de in gezamenlijk overleg vastgestelde lijst van deskundigen.
  4. Bij overlijden, ongeschiktheid of ontstentenis van een scheidsman duidt de partij bij het geschil die deze scheidsman had aangeduid binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf het overlijden, de ongeschiktheid of de ontstentenis een vervanger aan. Indien zij dit niet doet, wordt de procedure verder gezet met de overblijvende scheidsmannen. Bij overlijden, ongeschiktheid of ontstentenis van de voorzitter, wordt zijn vervanger aangeduid zoals bepaald in lid ii van paragraaf 1, en in paragraaf 2 van dit artikel, binnen de negentig dagen na het overlijden, de ongeschiktheid of de ontstentenis.
  5. De Secretaris-generaal van de Organisatie beschikt over een lijst van scheidsmannen samengesteld uit door de Verdragsluitende Partijen aangeduide deskundigen. Elke Verdragsluitende Partij kan, voor opname in de lijst, vier personen aanduiden, die niet noodzakelijk haar nationaliteit hebben. Indien de partijen bij het geschil niet binnen de daartoe voorziene termijn een, krachtens de bepalingen van de paragrafen 2, 3 en 4 van dit artikel, in gezamenlijk overleg samengestelde lijst van deskundigen voorleggen aan de Sekretaris-generaal, kiest de Sekretaris-generaal de niet aangeduide scheidsman of scheidsmannen uit de lijst waarover hij beschikt.

Artikel 4MN4 Artikel 4. Het scheidsgerecht kan tegeneisen die rechtstreeks verbonden zijn met het voorwerp van het geschil, in overweging nemen en erover beslissen.

Artikel 5MN4 Artikel 5. Iedere partij bij het geschil draagt de kosten die verbonden zijn aan de voorbereiding van haar eigen dossier.
  De bezoldiging van de leden van het Scheidsgerecht evenals alle algemene kosten verbonden aan de arbitrage worden gelijkelijk door de partijen bij het geschil gedragen. Het Scheidsgerecht houdt een overzicht bij van al zijn uitgaven en legt een eindafrekening ervan aan de partijen voor.

Artikel 6MN4 Artikel 6. Elke Verdragsluitende Partij, waarvan een juridisch belang in het geding is, kan, na schriftelijke mededeling aan de partijen bij het geschil die deze procedure hebben ingezet, met akkoord van het Scheidsgerecht en op eigen kosten tussenkomen in de arbitrageprocedure. Elke Partij die op deze manier tussenkomt, kan bewijzen en dossiers voorleggen of zijn argumenten die tot de tussenkomst aanleiding hebben gegeven mondeling ter kennis brengen, overeenkomstig de procedures die opgesteld zijn in toepassing van artikel 7 van dit bijvoegsel, maar er wordt haar geen enkel recht met betrekking tot de samenstelling van het Scheidsgerecht toegekend.

Artikel 7MN4 Artikel 7. Het scheidsgerecht dat is samengesteld volgens dit bijvoegsel stelt zijn eigen procedureregels op.

Artikel 8MN4 Artikel 8. 1. Met uitzondering van de gevallen waar het scheidsgerecht slechts uit één scheidsman bestaat, worden de beslissingen van het scheidsgerecht genomen bij meerderheid van stemmen van zijn leden; dit geldt zowel voor zijn procedure, zijn vergaderplaats als voor alle problemen verbonden aan het geschil en die het werd voorgelegd. De afwezigheid of de onthouding van een lid van het scheidsgerecht, aangeduid door één van de partijen bij het geschil, beletten het scheidsgerecht niet om uitspraak te doen. Bij gelijkheid van stemmen is de stem van de voorzitter beslissend.
  2. De partijen bij het geschil vergemakkelijken de werkzaamheden van het scheidsgerecht; daartoe zullen de partijen, overeenkomstig hun wetgeving en met gebruik van alle beschikbare middelen :
  i. het scheidsgerecht alle nuttige documenten en informatie verschaffen;
  ii. he scheidsgerecht in staat stellen hun grondgebied te betreden, getuigen of deskundigen te horen en de plaatsen te onderzoeken.
  3. Het feit dat een partij bij het geschil zich niet schikt naar de bepalingen van paragraaf 2 van dit artikel, belet het scheidsgerecht niet uitspraak te doen of zijn vonnis te vellen.

Artikel 9MN4 Artikel 9. Het scheidsgerecht velt zijn vonnis binnen een termijn van vijf maanden te rekenen vanaf zijn samenstelling, tenzij het een verlenging van deze periode nodig acht; de nieuwe termijn mag maximum vijf maanden bedragen. Het vonnis van het scheidsgerecht is met redenen omkleed. Het is definitief en onherroepelijk en wordt medegedeeld aan de Secretaris-generaal van de Organisatie die de Verdragsluitende Partijen hiervan in kennis stelt. De partijen bij het geschil moeten er zich onverwijld naar schikken.