We zijn erg blij om te zien dat u van ons platform houdt! Op hetzelfde moment, hebt u de limiet van gebruik bereikt... Schrijf u nu in om door te gaan.
Nous sommes très heureux de voir que vous aimez notre plateforme ! En même temps, vous avez atteint la limite d'utilisation... Inscrivez-vous maintenant pour continuer.

Verordening nr. 974/98 van de Raad van 3 mei 1998 over de invoering van de euro.

Date :
03-05-1998
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
3 pages
Section :
Législation
Source :
Numac 1998009409

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
Paart 1. Definities

Artikel 1 Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
  - "deelnemende lidstaten": België, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Finland;
  - "rechtsinstrumenten": wettelijke en reglementaire bepalingen, bestuursakten, rechterlijke uitspraken, contracten, eenzijdige rechtsakten, betaalmiddelen anders dan bankbiljetten en muntstukken, alsmede andere instrumenten die rechtsgevolgen hebben;
  - "omrekeningskoers": de onherroepelijk vastgestelde omrekeningskoers die door de Raad overeenkomstig artikel 109 L, lid 4, eerste zin, van het Verdrag voor de munteenheid van elke deelnemende lidstaat wordt aangenomen;
  - "euro-eenheid": de munteenheid als bedoeld in artikel 2, tweede zin;
  - "nationale munteenheden": de munteenheden van de deelnemende lidstaten, zoals deze munteenheden op de dag vóór de aanvang van de derde fase van de Economische en Monetaire Unie gedefinieerd zijn;
  - "overgangsperiode": de periode die ingaat op 1 januari 1999 en eindigt op 31 december 2001;
  - "wijziging van de muntaanduiding": het wijzigen van de munteenheid waarin het bedrag van een uitstaande schuld luidt van een nationale munteenheid in de euro-eenheid als omschreven in artikel 2, waarbij deze handeling evenwel niet leidt tot wijziging van enige andere schuldvoorwaarde, welke aangelegenheden aan het geldende nationale recht is onderworpen.

Paart 2. Vervanging van de munteenheden van de deelnemende lidstaten door de euro

Artikel 2 Met ingang van 1 januari 1999 is de euro de munteenheid van de deelnemende lidstaten. De rekeneenheid is één euro. Eén euro is verdeeld in honderd cent.

Artikel 3 De munteenheid van elke deelnemende lidstaat wordt tegen de omrekeningskoers vervangen door de euro.

Artikel 4 De euro is de rekeneenheid van de Europese Centrale Bank (ECB) en van de centrale banken van de deelnemende lidstaten.

Paart 3. Overgangsbepalingen

Artikel 5 De artikelen 6 tot en met 9 zijn tijdens de overgangsperiode van toepassing.

Artikel 6 1. De euro wordt ook, overeenkomstig de omrekeningskoersen, onderverdeeld in de nationale munteenheden. Onderverdelingen van de nationale munteenheden blijven gehandhaafd. Onder voorbehoud van de bepalingen van deze verordening blijft de monetaire wetgeving van de deelnemende lidstaten van toepassing.
  2. Als in een rechtsinstrument wordt verwezen naar de nationale munteenheid, is deze verwijzing geldig als ware het een verwijzing naar de euro-eenheid overeenkomstig de omrekeningskoersen.

Artikel 7 De vervanging van de munteenheid van elke deelnemende lidstaat door de euro heeft als zodanig niet tot gevolg dat de muntaanduiding in rechtsinstrumenten die op de dag van de vervanging bestaan, wordt gewijzigd.

Artikel 8 1. Handelingen die moeten worden verricht op grond van rechtsinstrumenten waarin het gebruik van een nationale munteenheid bepaald is of die in een nationale munteenheid luiden, moeten in deze nationale munteenheid verricht worden. Handelingen die worden verricht op grond van rechtsinstrumenten waarin het gebruik van de euro-eenheid is bepaald of die in euro-eenheden luiden, moeten in deze munteenheid worden verricht.
  2. Partijen mogen bij overeenkomst afwijken van het bepaalde in lid 1.
  3. Niettegenstaande de bepalingen van lid 1 mag elk bedrag dat in de euro-eenheid of in de nationale munteenheid van een deelnemende lidstaat luidt en dat in deze lidstaat betaald kan worden door creditering van de rekening van de crediteur, door de debiteur in de euro-eenheid of in de betrokken nationale munteenheid betaald worden. Het bedrag wordt op de rekening van de crediteur bijgeschreven in de munteenheid waarin de rekening luidt, waarbij de eventuele omrekening wordt uitgevoerd tegen de omrekeningskoersen.
  4. Niettegenstaande de bepalingen van lid 1 mag elke deelnemende lidstaat de maatregelen nemen die noodzakelijk zijn om:
  - de muntaanduiding van uitstaande schuld die is uitgegeven door de overheidsbesturen van die lidstaat, zoals omschreven in het Europees stelsel van economische rekeningen, luidende in de nationale munteenheid van die lidstaat en uitgegeven volgens zijn nationale recht, te wijzigen in de euro-eenheid. Indien een lidstaat een dergelijke maatregel heeft genomen, mogen emittenten de muntaanduiding van in de nationale munteenheid luidende schuld wijzigen in de euro-eenheid, tenzij wijziging van de munteenheid uitdrukkelijk in de voorwaarden van het contract is uitgesloten; deze bepaling is van toepassing op schuld van de overheidsbesturen van een lidstaat alsmede op obligaties en andere vormen van in effecten belichaamde schuld die op de kapitaalmarkt verhandelbaar zijn, evenals op geldmarktinstrumenten, uitgegeven door andere debiteuren;
  - het mogelijk te maken om de rekeneenheden voor de werkingsprocedures te wijzigen van de nationale munteenheid in de euro-eenheid voor:
  a) markten voor de geregelde verhandeling, verrekening en vereffening van alle instrumenten genoemd in deel B van de bijlage van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten en van goederen;
  b) stelsels voor de geregelde uitwisseling, clearing en afrekening van betalingen.
  5. Andere bepalingen dan die van lid 4, welke het gebruik van de euro-eenheid opleggen, mogen door de deelnemende lidstaten alleen worden vastgesteld volgens een tijdschema dat in communautaire wetgeving bepaald is.
  6. Nationale wettelijke bepalingen van de deelnemende lidstaten die verrekening, compensatie of methoden met vergelijkbare gevolgen toestaan of opleggen, zijn van toepassing op monetaire verplichtingen, ongeacht de munteenheid waarin deze luiden, indien die munteenheid de euro-eenheid of een nationale munteenheid is; daarbij wordt de eventuele omrekening uitgevoerd tegen de omrekeningskoersen.

Artikel 9 Bankbiljetten en muntstukken die in een nationale munteenheid luiden, behouden vanaf de laatste dag vóór de inwerkingtreding van deze verordening binnen hun territoriale grenzen hun hoedanigheid van wettig betaalmiddel.

Paart 4. Eurobankbiljetten enmuntstukken

Artikel 10 Vanaf 1 januari 2002 brengen de ECB en de centrale banken van de deelnemende lidstaten in euro luidende bankbiljetten in omloop. Onverminderd artikel 15 zijn deze in euro luidende bankbiljetten de enige bankbiljetten die in alle betrokken lidstaten de hoedanigheid van wettig betaalmiddel hebben.

Artikel 11 Vanaf 1 januari 2002 geven de deelnemende lidstaten in euro of in cent luidende muntstukken uit, waarvan de nominale waarden en technische specificaties voldoen aan hetgeen de Raad overeenkomstig artikel 105 A, lid 2, tweede zin, van het Verdrag kan bepalen. Onverminderd artikel 15 zijn deze muntstukken de enige muntstukken die in alle betrokken lidstaten de hoedanigheid van wettig betaalmiddel hebben. Behalve de uitgevende autoriteit en personen die specifiek in de nationale wetgeving van de uitgevende lidstaat zijn aangewezen, is geen enkele partij verplicht voor één betaling meer dan vijftig muntstukken te aanvaarden.

Artikel 12 De deelnemende lidstaten zorgen voor adequate bestraffing van vervalsing en namaak van euro-bankbiljetten en -muntstukken.

Paart 5. Slotbepalingen

Artikel 13 De artikelen 14 tot en met 16 zijn vanaf het einde van de overgangsperiode van toepassing.

Artikel 14 Verwijzingen naar de nationale munteenheden in rechtsinstrumenten die aan het einde van de overgangsperiode bestaan, worden gelezen als verwijzingen naar de euro-eenheid, overeenkomstig de respectieve omrekeningskoersen. De in Verordening (EG) nr. 1103/97 vastgestelde afrondingsregels zijn van toepassing.

Artikel 15 1. Bankbiljetten en muntstukken die in een nationale munteenheid als bedoeld in artikel 6, lid 1, luiden, blijven tot uiterlijk zes maanden na het einde van de overgangsperiode binnen hun territoriale grenzen wettig betaalmiddel; de periode kan door nationale wetgeving worden bekort.
  2. Elke deelnemende lidstaat mag gedurende een periode van maximaal zes maanden na het einde van de overgangsperiode regels vaststellen voor het gebruik van bankbiljetten en munten die luiden in de nationale munteenheid als bedoeld in artikel 6, lid 1, en alle maatregelen nemen die nodig zijn om het uit de omloop nemen daarvan te vergemakkelijken.

Artikel 16 Overeenkomstig de wetten en gebruiken van de deelnemende lidstaten blijven de uitgevers van bankbiljetten en muntstukken de eerder door hen uitgegeven bankbiljetten en muntstukken aanvaarden, ter omwisseling in euro tegen de omrekeningskoers.

Paart 6. Inwerkingtreding

Artikel 17 Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1999.
  Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat, overeenkomstig het Verdrag, en onder voorbehoud van de protocollen nr. 11 en nr. 12 en van artikel 109 K, lid 1.
  Brussel, 3 mei 1998.
  Voor de Raad:
  De Voorzitter, G. BROWN.