Koninklijk besluit tot vaststelling van de werking en de procedures van de Raden voor opleiding en de Hoge Raad voor opleiding van de leden van de openbare hulpdiensten

Date :
07-07-2017
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
3 pages
Section :
Législation
Source :
Numac 2017030889
Auteur :
Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid, artikel 175/8, ingevoegd door de wet van 17 mei 2017, artikel 9;
Gelet op het koninklijk besluit van 18 november 2015 betreffende de opleiding van de leden van de openbare hulpdiensten;
Gelet op het koninklijk besluit van 4 april 2003 tot instelling van een Hoge Raad voor de opleiding voor de openbare brandweerdiensten en twee supra-provinciale opleidingsraden voor de openbare brandweerdiensten;
Gelet op het ministerieel besluit van 25 maart 2009 houdende delegatie van bevoegdheid inzake de toekenning van gelijkstellingen en vrijstellingen voor cursussen of examens betreffende de opleiding van de openbare brandweerdiensten;
Gelet op het ministerieel besluit van 3 oktober 2003 tot benoeming van de leden van de Hoge Raad voor de opleiding voor de openbare brandweerdiensten;
Gelet op het ministerieel besluit van 9 december 2003 tot benoeming van de leden van de Franstalige en Duitstalige supraprovinciale raad en van de leden van de Nederlandstalige supra-provinciale raad;
Gelet op het ministerieel besluit van 8 januari 2004 tot benoeming van de leden van de programmeringscommissie voor de brandweeropleiding;
Gelet op het ministerieel besluit van 8 januari 2004 tot benoeming van de leden van de commissie voor gelijkstelling en vrijstelling inzake brandweeropleiding;
Gelet op het ministerieel besluit van 10 maart 2004 tot bepaling van het bedrag van het presentiegeld toegekend aan de leden van sommige organen, opgericht bij het koninklijk besluit van 4 april 2003 tot instelling van een Hoge Raad voor de opleiding voor de openbare brandweerdiensten en twee supra-provinciale opleidingsraden voor de openbare brandweerdiensten;
Gelet op de ministeriële omzendbrief van 7 mei 2004 betreffende de aanvragen tot vrijstelling van cursussen en examen in het kader van de opleiding van de leden van de brandweerdiensten en de aanvragen tot gelijkstelling van brevet van de leden van de brandweerdiensten.
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 10 februari 2016;
Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting, gegeven op 18 maart 2016;
Gelet op het advies met nummer 61.607/2 van de Raad van State, gegeven op 26 juni 2017, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op de voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
1° Opleidingscentrum: een opleidingscentrum voor de civiele veiligheid bedoeld in artikel 175/1 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid;
2° Leden van de openbare hulpdiensten: de leden van de hulpverleningszones en de leden van de operationele eenheden van de Civiele Bescherming;
3° Kenniscentrum: het Federaal Kenniscentrum voor de civiele veiligheid zoals bedoeld in artikel 175 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid;
4° Zonecommandant: de zonecommandant bedoeld in artikel 109 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid of het bevoegde orgaan van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp;
5° De persoon die de opleiding binnen de zone coördineert: de persoon die binnen de hulpverleningszone verantwoordelijk is voor de taken vermeld onder punt 15 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 25 april 2014 betreffende de minimale administratieve en operationele functies die de hulpverleningszones moet oprichten.
Art. 2. De Gouverneur of de Hoge Ambtenaar zit de Raad voor opleiding voor. De overige leden van de Raad worden voorgedragen door:
1° de zonecommandant, voor het lid bedoeld in artikel 175/3, 2° van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid;
2° de zonecommandanten van de hulpverleningszones binnen de provincie die hierover gezamenlijk beslissen voor de leden bedoeld in artikel 175/3, 3° van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid;
3° de directeur van het opleidingscentrum, voor het lid bedoeld in artikel 175/3, 5° van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid.
Art. 3. De Raad voor opleiding vergadert zoveel als nodig en minstens één keer per jaar.
De Raad voor opleiding stelt een huishoudelijk reglement op.
De Raad voor opleiding kan deskundigen uitnodigen wanneer hij dit nodig acht.
Art. 4. De leden van de Hoge Raad voor opleiding worden benoemd door de Minister. Zij worden voorgedragen door:
1° de voorzitters van de Raden voor opleiding, voor de leden bedoeld in artikel 175/6, 3° van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid;
2° de voorzitter van de Raad voor opleiding van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, voor het lid in artikel 175/6, 4° van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid;
3° de voorzitters van de Raden voor opleiding, die hierover gezamenlijk beslissen, voor de leden bedoeld in artikel 175/6, 5° en 10° van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid;
4° de directeur-generaal van de Algemene Directie Civiele Veiligheid, voor de leden bedoeld in artikel 175/6, 6°, 7°, 8° en 11° van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid.
Art. 5. De Hoge Raad vergadert zoveel als nodig en minstens één keer per jaar. Het secretariaat van de Hoge Raad wordt waargenomen door het Kenniscentrum.
De Hoge Raad stelt zijn huishoudelijk reglement op.
Art. 6. § 1. De Hoge Raad richt naar gelang van de aard van zijn opdracht de volgende werkgroepen op:
1° de werkgroep « nalezing »;
2° de werkgroep « gelijkstelling en vrijstelling ».
Deze lijst is niet limitatief.
§ 2. De werkgroep « nalezing » heeft volgende opdrachten:
1° zorgen voor het uniformeren, opstellen en actualiseren van syllabi die gebruikt worden tijdens de lessen;
2° maatregelen voorstellen aan de Hoge Raad om de inhoud van de examens die worden georganiseerd door de opleidingscentra, te uniformeren.
De werkgroep kan deskundigen uitnodigen om mee te werken aan haar activiteiten.
§ 3. De werkgroep « gelijkstelling en vrijstelling » heeft volgende opdrachten:
1° advies geven aan de Hoge Raad over de aanvragen tot gelijkstelling van diploma's, cursussen of brevetten;
2° advies geven aan de Hoge Raad over de aanvragen tot vrijstelling van lessen of examens;
3° voorstellen doen aan de Hoge Raad over gelijkstellingen of vrijstellingen inzake opleiding.
De werkgroep kan deskundigen uitnodigen om mee te werken aan haar activiteiten.
Art. 7. Per effectief lid van de Hoge Raad en de Raden voor opleiding wordt een plaatsvervanger benoemd. De plaatsvervangende leden worden benoemd volgens dezelfde procedure die voorzien is voor de effectieve leden.
Art. 8. § 1. De duur van het mandaat van de effectieve en plaatsvervangende leden van de Hoge Raad en de Raden voor opleiding, bedraagt vijf jaar. Het mandaat is hernieuwbaar.
§ 2. Het mandaat eindigt:
1° wanneer de duur ervan verstreken is;
2° in geval van ontslag;
3° wanneer het lid de hoedanigheid verliest die hem toeliet in de Hoge Raad of de Raad voor opleiding te zetelen.
Er wordt voorzien in de vervanging van het lid van wie het mandaat vóór de normale vervaldatum beëindigd is. In dit geval zal het nieuwe lid het mandaat van het lid dat hij vervangt, beëindigen.
Art. 9. De leden van de Hoge Raad, de leden van de Raden voor opleiding en de deskundigen die worden uitgenodigd, kunnen de terugbetaling van hun reiskosten verkrijgen, volgens de reglementering voor de federale rijksambtenaren. Zij worden, voor de toepassing van deze reglementering, gelijkgesteld met de federale rijksambtenaren van niveau A.
De duur van de vergaderingen van Hoge Raad en de Raden voor opleiding gelden als diensttijd voor de leden die deze vergaderingen bijwonen en de deskundigen die worden uitgenodigd indien zij behoren tot het federale personeel of het operationeel personeel van de hulpverleningszones.
Art. 10. Worden opgeheven:
1° het koninklijk besluit van 4 april 2003 tot instelling van een Hoge Raad voor de opleiding voor de openbare brandweerdiensten en twee supra-provinciale opleidingsraden voor de openbare brandweerdiensten;
2° het ministerieel besluit van 3 oktober 2003 tot benoeming van de leden van de Hoge Raad voor de opleiding voor de openbare brandweerdiensten;
3° het ministerieel besluit van 9 december 2003 tot benoeming van de leden van de Franstalige en Duitstalige supraprovinciale raad en van de leden van de Nederlandstalige supraprovinciale raad;
4° het ministerieel besluit van 8 januari 2004 tot benoeming van de leden van de programmeringscommissie voor de brandweeropleiding;
5° het ministerieel besluit van 8 januari 2004 tot benoeming van de leden van de commissie voor gelijkstelling en vrijstelling inzake brandweeropleiding;
6° het ministerieel besluit van 10 maart 2004 tot bepaling van het bedrag van het presentiegeld toegekend aan de leden van sommige organen, opgericht bij het koninklijk besluit van 4 april 2003 tot instelling van een Hoge Raad voor de opleiding voor de openbare brandweerdiensten en twee supra-provinciale opleidingsraden voor de openbare brandweerdiensten;
7° het ministerieel besluit van 25 maart 2009 houdende delegatie van bevoegdheid inzake de toekenning van gelijkstellingen en vrijstellingen voor cursussen of examens betreffende de opleiding van de openbare brandweerdiensten;
8° de ministeriële omzendbrief van 7 mei 2004 betreffende de aanvragen tot vrijstelling van cursussen en examen in het kader van de opleiding van de leden van de brandweerdiensten en de aanvragen tot gelijkstelling van brevet van de leden van de brandweerdiensten.
Art. 11. Dit besluit treedt in werking zes maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Art. 12. De minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 7 juli 2017.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. JAMBON