Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk wat betreft de tarifering (1)
- Section :
- Législation
- Source :
- Numac 2015205662
- Auteur :
- Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid En Sociaal Overleg
Texte original :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, artikel 4, § 1, genummerd bij de wet van 7 april 1999 en gewijzigd bij de wet van 10 januari 2007 en artikel 40, § 3, gewijzigd bij de wet van 27 november 2015;
Gelet op het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk;
Gelet op het koninklijk besluit van 24 april 2014 tot wijziging van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk wat betreft de tarifering;
Gelet op het advies nr. 184bis van de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het werk gegeven op 13 juli 2015;
Gelet op advies nr. 58.068/1 van de Raad van State, gegeven op 21 september 2015, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van de Minister van Werk,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Afdeling IIbis van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 20 februari 2002 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 11 juli 2002 en 28 mei 2003, dat de artikelen 13bis tot 13duodecies bevat, wordt vervangen als volgt :
« AFDELING II/1 - VERPLICHTE FORFAITAIRE MINIMUMBIJDRAGEN UIT HOOFDE VAN DE PRESTATIES VAN DE EXTERNE DIENSTEN
Art. 13/1. Deze afdeling is van toepassing op de werkgevers en de daarmee gelijkgestelde personen, bedoeld in artikel 2 van de wet, alsook op de externe diensten waarop zij een beroep doen in toepassing van de artikelen 8 tot 11 van het koninklijk besluit betreffende de interne dienst.
Art. 13/2. § 1. De werkgever is jaarlijks aan de externe dienst een forfaitaire minimumbijdrage per werknemer verschuldigd waarvan het bedrag wordt bepaald door de tariefgroep waartoe de werkgever behoort op grond van zijn hoofdactiviteit, zoals bepaald in bijlage 1.
§ 2. De forfaitaire minimumbijdrage bedoeld in § 1 bedraagt:
1° 41,50 euro in tariefgroep 1;
2° 60,50 euro in tariefgroep 2;
3° 75,50 euro in tariefgroep 3;
4° 95,50 euro in tariefgroep 4;
5° 112,00 euro in tariefgroep 5.
In afwijking van het eerste lid, bedraagt de forfaitaire minimumbijdrage voor werkgevers die maximum vijf werknemers tewerkstellen op 30 november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de bijdrage is verschuldigd:
1° 35,50 euro in tariefgroep 1;
2° 51,50 euro in tariefgroep 2;
3° 64,00 euro in tariefgroep 3;
4° 81,00 euro in tariefgroep 4;
5° 95,00 euro in tariefgroep 5.
§ 3. De werkgever is de forfaitaire minimumbijdrage verschuldigd voor een werknemer die gedurende een volledig kalenderjaar bij hem is geregistreerd via Dimona, of, bij ontstentenis hiervan, is ingeschreven in een document of register dat op een vergelijkbare wijze het personeelsbestand weergeeft.
Voor een werknemer die geen volledig kalenderjaar is geregistreerd bij de werkgever, is deze werkgever een twaalfde van de forfaitaire minimumbijdrage verschuldigd per kalendermaand waarin de werknemer ten minste één dag bij hem is geregistreerd. Indien er voor deze werknemer een individuele prestatie wordt geleverd, is de forfaitaire minimumbijdrage in haar geheel verschuldigd.
Art. 13/3. § 1. De werkgever van groep C of D, die in zijn interne dienst niet beschikt over een preventieadviseur die met vrucht een aanvullende vorming niveau I of II heeft beëindigd zoals bepaald in artikel 22 van het koninklijk besluit betreffende de interne dienst, heeft in ruil voor de forfaitaire minimumbijdrage recht op de volgende algemene prestaties :
1° het actief meewerken aan het opstarten, uitvoeren en updaten van de risicoanalyse;
2° het voorstellen van de preventiemaatregelen die moeten worden genomen op basis van de risicoanalyse op het niveau van de organisatie in haar geheel, op het niveau van elke groep van werkposten of functies en op het niveau van het individu, zoals voorzien in de artikelen 8 en 9 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
3° met uitzondering van de bijkomende handelingen bedoeld in artikel 28, § 2 van het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers, het uitvoeren van de volgende preventieve handelingen in het kader van het gezondheidstoezicht die voorbehouden zijn aan de afdeling belast met het medisch toezicht :
a) de voorafgaande en periodieke gezondheidsbeoordelingen;
b) de spontane raadplegingen;
c) de onderzoeken bij werkhervatting;
d) de bezoeken voorafgaand aan de werkhervatting;
e) het voortgezet gezondheidstoezicht;
f) de onderzoeken in het kader van de moederschapsbescherming, zoals bedoeld in artikel 9 van het koninklijk besluit van 2 mei 1995 inzake moederschapsbescherming;
4° het organiseren van een inzagerecht in het gezondheidsdossier, zoals bedoeld in artikel 91 van het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers, binnen een termijn van vijf werkdagen te rekenen vanaf de ontvangst door de externe dienst van het verzoek tot inzage;
5° het meewerken aan de analyse, in voorkomend geval aangevuld met een bevraging of een ander instrument, en het voorstellen van preventiemaatregelen inzake beeldschermwerk, zoals bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 betreffende het werken met beeldschermapparatuur;
6° het meewerken aan de opleiding in verband met voedselhygiëne en aan de analyse van de risico's inzake contact met voedingswaren, zoals bedoeld in afdeling V/II van het koninklijk besluit van 4 augustus 1996 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's bij blootstelling aan biologische agentia op het werk;
7° het bijwonen van de vergaderingen van het Comité overeenkomstig artikel 25, eerste lid, 3° van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende de opdrachten en de werking van de Comités voor preventie en bescherming op het werk;
8° met een maximum van vijf prestatie-uren preventieadviseur, het verlenen van bijstand naar aanleiding van een ernstig arbeidsongeval zoals bedoeld in artikel 94bis van de wet, van zodra de externe dienst hiervan kennis heeft, meer bepaald:
a) het voorstellen van bewarende maatregelen, zoals bedoeld in artikel 94septies, § 2 van de wet;
b) het uitvoeren van de onderzoeken van ernstige arbeidsongevallen;
9° het uitvoeren van de opdrachten van de preventieadviseur psychosociale aspecten die voortvloeien uit de behandeling van de individuele vraag tot informele of formele psychosociale interventie van de werknemer in toepassing van hoofdstuk Vbis van de wet, met uitzondering van de prestaties in het kader van de formele psychosociale interventie die volgen op de mededeling van de identiteit van de verzoeker aan de werkgever;
10° het verrichten van een onderzoek van de arbeidsplaatsen en van de werkposten, nodig voor het uitvoeren van de in dit artikel vermelde prestaties;
11° het onder de verantwoordelijkheid van de preventieadviseur afleveren, binnen vijf jaar na de datum van aansluiting, van een gemotiveerd beleidsadvies over het preventiebeleid van de werkgever, waarvan de inhoud en de modaliteiten worden bepaald in bijlage 2, en dat op geregelde tijdstippen, en minstens driejaarlijks, wordt geactualiseerd;
12° het online beschikbaar houden van een inventaris van de bij de werkgever uitgevoerde prestaties, zoals bedoeld in de artikelen 29 en 30.
De externe dienst wordt geacht de prestaties bedoeld in het eerste lid, 1° en 2° te hebben geleverd indien ze een gestandaardiseerde werkwijze hanteert die :
a) voor één of meerdere sectoren of voor bepaalde functies werd ontwikkeld, en door de sociale partners van de betrokken sector werd goedgekeurd, en vervolgens aan de Algemene Directie Humanisering van de Arbeid van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg werd gemeld;
b) resulteert in een instrument dat toelaat ten minste de resultaten van de risicoanalyse, de te nemen preventiemaatregelen, de vereiste kwalificaties en opleiding en de verplichtingen inzake gezondheidstoezicht vast te stellen op het niveau van de organisatie in haar geheel en op het niveau van elke groep van werkposten of functies;
c) bijdraagt tot het opstellen van het beleidsadvies;
d) minstens driejaarlijks wordt geactualiseerd of aangevuld, evenals bij belangrijke wijzigingen aan functies of werkposten waarvan de werkgever de externe dienst op de hoogte brengt;
e) indien nodig wordt aangevuld met een benadering tot op het niveau van het individu.
§ 2. Voor de werkgever van groep A, B of C die in zijn interne dienst beschikt over een preventieadviseur die met vrucht een aanvullende vorming niveau I of II heeft beëindigd zoals bepaald in artikel 22 van het koninklijk besluit betreffende de interne dienst, wordt de forfaitaire minimumbijdrage omgezet in preventie-eenheden zoals bepaald in artikel 13/4, die bij voorrang worden besteed aan de volgende prestaties :
a) de preventieve handelingen in het kader van het gezondheidstoezicht, evenals het organiseren van het inzagerecht in het gezondheidsdossier, zoals bedoeld in § 1, 3° en 4°;
b) het uitvoeren van de opdrachten van de preventieadviseur psychosociale aspecten, tenzij de werkgever binnen zijn interne dienst voor preventie en bescherming op het werk beschikt over een preventieadviseur psychosociale aspecten;
Indien er preventie-eenheden overblijven na het uitvoeren van de prestaties bedoeld in het eerste lid, kunnen deze preventie-eenheden door de werkgever, in overleg met de externe dienst, worden opgenomen onder de vorm van andere prestaties die rechtstreeks verband houden met het preventiebeleid van de onderneming. De overblijvende preventie-eenheden zijn overdraagbaar.
Indien er onvoldoende preventie-eenheden zijn om de in het eerste lid bedoelde prestaties te kunnen leveren, garandeert de externe dienst niettemin dat deze prestaties worden uitgevoerd; in dat geval worden deze prestaties afzonderlijk aangerekend.
§ 3. De werkgever die binnen de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk beschikt over een departement belast met het medisch toezicht, is aan de externe dienst een bijdrage verschuldigd die overeenstemt met de prestaties die uitdrukkelijk en gedetailleerd worden vermeld in de overeenkomst gesloten met toepassing van artikel 13, eerste lid, 1° en 2°.
Art. 13/4. § 1. Een preventie-eenheid bedraagt 150 euro.
Preventie-eenheden kunnen door de werkgever worden opgenomen door middel van prestaties door het personeel van de externe dienst zoals bepaald in § 2, of door omzetting van de kostprijs van de prestaties zoals bedoeld in artikel 13/5.
§ 2. De werkgever kan de preventie-eenheden opnemen door middel van prestaties vanwege de externe dienst met toepassing van de volgende wegingsfactoren, die rekening houden met de gemiddelde kostprijs per door het personeel van een externe dienst gepresteerd uur, bruto uurloonkost, extralegale voordelen en overheadkosten inbegrepen :
a) 1 preventie-eenheid per gepresteerd uur door een preventieadviseur deskundig op het gebied van arbeidsveiligheid, zoals bedoeld in artikel 22, § 1, eerste lid, 1°;
b) 1,25 preventie-eenheden per gepresteerd uur door een preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, zoals bedoeld in artikel 22, § 1, eerste lid, 2°;
c) 1 preventie-eenheid per gepresteerd uur door een preventieadviseur deskundig op het gebied van de ergonomie, zoals bedoeld in artikel 22, § 1, eerste lid, 3°;
d) 1 preventie-eenheid per gepresteerd uur door een preventieadviseur deskundig op het gebied van arbeidshygiëne, zoals bedoeld in artikel 22, § 1, eerste lid, 4°;
e) 1 preventie-eenheid per gepresteerd uur door een preventieadviseur deskundig op het gebied van psychosociale aspecten van de arbeid, zoals bedoeld in artikel 22, § 1, eerste lid, 5°;
f) 0,75 preventie-eenheden per gepresteerd uur door een persoon die de preventieadviseur bijstaat en die met vrucht een erkende aanvullende vorming tot preventieadviseur van ten minste niveau II beëindigd heeft;
g) 0,75 preventie-eenheden per gepresteerd uur door een verpleegkundige die de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer bijstaat.
Art. 13/5. Worden beschouwd als aanvulling op de prestaties bedoeld in artikel 13/3, § 1 en § 2, eerste lid, en kunnen door de externe dienst afzonderlijk aan de werkgever worden aangerekend :
1° technische handelingen in het kader van de opdrachten inzake risicobeheer en die deel uitmaken van de analyse- en expertisemethoden, inzonderheid onderzoeken, controles en metingen die een laboratoriumanalyse vergen;
2° bijkomende handelingen in het kader van de opdrachten inzake gezondheidstoezicht, inzonderheid de kosten van de analyses, radiologische onderzoeken, gerichte onderzoeken of gerichte functionele tests; deze worden aangerekend conform de erelonen die zijn opgenomen in de nomenclatuur van de gezondheidsprestaties, die is opgesteld in uitvoering van artikel 35 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkering, gecoördineerd op 14 juli 1994;
3° reële verplaatsingskosten van de preventieadviseurs en van de personen die hen bijstaan;
Art. 13/6. § 1. De volgende prestaties in het kader van de opdrachten inzake risicobeheer worden aangerekend aan 115 euro per gepresteerd uur met toepassing van de wegingsfactoren bedoeld in artikel 13/4, § 2 :
1° de prestaties die niet opgenomen zijn in artikel 13/3, § 1, bij een werkgever van groep C of D die in zijn interne dienst niet beschikt over een preventieadviseur die met vrucht een aanvullende vorming niveau I of II heeft beëindigd;
2° de prestaties die worden uitgevoerd na uitputting van de preventie-eenheden bedoeld in artikel 13/4, bij een werkgever van groep A, B of C die in zijn interne dienst beschikt over een preventieadviseur die met vrucht een aanvullende vorming niveau I of II heeft beëindigd.
§ 2. De volgende prestaties in het kader van de opdrachten inzake gezondheidstoezicht worden aangerekend aan 77,53 euro per prestatie of aan 115 euro per gepresteerd uur met toepassing van de wegingsfactoren bedoeld in artikel 13/4, § 2 :
1° de preventieve handelingen in het kader van het gezondheidstoezicht die niet zijn opgenomen in artikel 13/3, § 1, 3°, bij een werkgever van groep C of D die in zijn interne dienst niet beschikt over een preventieadviseur die met vrucht een aanvullende vorming niveau I of II heeft beëindigd;
2° de preventieve handelingen in het kader van het gezondheidstoezicht die afzonderlijk moeten worden aangerekend na uitputting van de preventie-eenheden bedoeld in artikel 13/4, bij een werkgever van groep A, B of C die in zijn interne dienst beschikt over een preventieadviseur die met vrucht een aanvullende vorming niveau I of II heeft beëindigd.
Art. 13/7. De forfaitaire minimumbijdragen worden gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de beginselen bepaald door de artikelen 2, 4, 5 en 6, 1° van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.
Artikel 4 van dezelfde wet, aangevuld met artikel 18, § 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen, voorziet dat enkel de gezuiverde gezondheidsindex in aanmerking mag worden genomen voor de sociale prestaties.
De basisspilindex bedraagt 99,04.
De bedragen in deze afdeling worden elk jaar op 1 januari aangepast aan de spilindex.
Art. 13/8. De werkgever stelt de externe dienst schriftelijk in gebreke indien deze dienst de prestaties bedoeld in artikel 13/3 niet heeft uitgevoerd. Indien de externe dienst kennelijk in gebreke blijft om zijn prestaties alsnog uit te voeren, is de werkgever de forfaitaire minimumbijdrage bedoeld in artikel 13/2 niet verschuldigd.
Een afschrift van de ingebrekestelling wordt voorgelegd aan het Adviescomité bedoeld in artikel 14, volgens de modaliteiten bepaald in het kwaliteitshandboek van de externe dienst. »
Art. 2. Artikel 29 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
« Art. 29. De externe dienst houdt voor de werkgever op elektronische wijze een inventaris bij van alle uitgevoerde prestaties, die door de werkgever te allen tijde online kan worden geraadpleegd.
Deze inventaris bevat per prestatie de volgende gegevens :
1° de datum en de duurtijd van de prestatie;
2° de naam van de persoon bedoeld in artikel 13/4, § 2 die de prestatie heeft uitgevoerd, evenals zijn deskundigheid;
3° een beschrijving van de prestatie met, in voorkomend geval, de aanduiding van de reglementaire bepaling die ze oplegt;
4° de verwijzing naar het kwaliteitshandboek;
5° de adviezen en besluiten;
6° al naargelang het geval, de eisen opgelegd door de specifieke methodes die bij het uitvoeren van de prestatie werden gebruikt;
7° voor de werkgevers bedoeld in artikel 13/3, § 2, de kostprijs uitgedrukt in preventie-eenheden zoals bedoeld in artikel 13/4, § 1, teneinde het saldo te kunnen berekenen."
Art. 3. Artikel 30 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
« Art. 30. De werkgever brengt het Comité op regelmatige tijdstippen, en telkens wanneer het Comité er om verzoekt, op de hoogte van de inhoud van de inventaris, bedoeld in artikel 29.
De met het toezicht belaste ambtenaren kunnen de inventaris inkijken telkens zij erom verzoeken. »
Art. 4. De externe diensten beschikken over een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dit besluit, voor het opstellen van het beleidsadvies bedoeld in artikel 13/3, § 1, eerste lid, 11° van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, voor de werkgevers die reeds bij hen zijn aangesloten op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 5. Vanaf de inwerkingtreding van dit besluit wordt een monitoring opgestart die betrekking heeft op de concrete toepassing van deze bepalingen door de werkgevers en de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk. De Minister kan, na advies van de Hoge Raad voor preventie en bescherming op het werk, de nadere regels betreffende deze monitoring vastleggen.
Op basis van de resultaten van de monitoring worden deze bepalingen onderworpen aan een evaluatie door de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Deze evaluatie wordt voor advies voorgelegd aan de Hoge Raad voor preventie en bescherming op het werk.
Art. 6. Het koninklijk besluit van 24 april 2014 tot wijziging van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk wat betreft de tarifering, wordt ingetrokken.
Art. 7. Op 1 januari 2016 treden in werking:
1° de wet van 27 november 2015 tot intrekking van artikel 96 van de wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carenzdag en begeleidende maatregelen en tot wijziging van artikel 40 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
2° dit besluit.
Art. 8. De minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 27 november 2015.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Werk,
K. PEETERS
_______
Nota
(1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad :
Wet van 4 augustus 1996, Belgisch Staatsblad van 18 september 1996.
Wet van 7 april 1999, Belgisch Staatsblad van 20 april 1999.
Wet van 10 januari 2007, Belgisch Staatsblad van 6 juni 2007.
Koninklijk besluit van 27 maart 1998, Belgisch Staatsblad van 31 maart 1998.
Koninklijk besluit van 24 april 2014, Belgisch Staatsblad van 23 mei 2014.
BIJLAGE 1. - Indeling van de werkgevers in vijf tariefgroepen volgens hun hoofdactiviteit
| Tariefgroep | Hoofdactiviteit van de werkgever | NACE code (indicatief) |
| 1 | Uitgeverijen | 58 |
| 1 | Ontwerpen en programmeren van computerprogramma's, computerconsultancy-activiteiten en aanverwante activiteiten | 62 |
| 1 | Dienstverlenende activiteiten op het gebied van informatie | 63 |
| 1 | Financiële activiteiten en verzekeringen | 64, 65, 66 |
| 1 | Rechtskundige en boekhoudkundige dienstverlening | 69 |
| 1 | Activiteiten van hoofdkantoren; adviesbureaus op het gebied van bedrijfsbeheer | 70 |
| 1 | Reclamewezen en marktonderzoek | 73 |
| 1 | Reisbureaus, reisorganisatoren, reserveringsbureaus en aanverwante activiteiten | 79 |
| 1 | Diverse ondersteunende activiteiten ten behoeve van voorzieningen | 811 |
| 1 | Algemene reiniging van gebouwen | 8121 |
| 1 | Verplichte sociale verzekeringen, ziekenfondsen en overige instellingen van sociale zekerheid | 843 |
| 1 | Onderwijs, m.u.v. hoger onderwijs en beroepsopleiding | 85 |
| 2 | Vervaardiging van kleding | 14 |
| 2 | Productie van films en video- en televisieprogramma's, maken van geluidsopnamen en uitgeverijen van muziekopnamen | 59 |
| 2 | Programmeren en uitzenden van radio- en televisieprogramma's | 60 |
| 2 | Exploitatie van en handel in onroerend goed | 68 |
| 2 | Architecten, ingenieurs en aanverwante technische adviseurs | 711 |
| 2 | Overige gespecialiseerde wetenschappelijke en technische activiteiten | 74 |
| 2 | Terbeschikkingstelling van personeel | 78 |
| 2 | Landschapsverzorging | 813 |
| 2 | Administratieve en ondersteunende activiteiten ten behoeve van kantoren en overige zakelijke activiteiten | 82 |
| 2 | Hoger onderwijs | 854 |
| 2 | Beroepsopleiding | 85592 |
| 2 | Kunst, amusement en recreatie | 90, 91, 92, 93 |
| 2 | Verenigingen | 94 |
| 2 | Reparatie van computers en consumentenartikelen | 95 |
| 2 | Huishoudens als werkgever (van huishoudelijk personeel) | 97, 98 |
| 2 | Extraterritoriale organisaties en lichamen | 99 |
| 3 | Teelt van gewassen, veeteelt, jacht en diensten in verband met deze activiteiten | 01 |
| 3 | Prepress- en premediadiensten | 1813 |
| 3 | Binderijen en aanverwante diensten | 1814 |
| 3 | Reproductie van opgenomen media | 1820 |
| 3 | Handel in auto's en motorfietsen, en in onderdelen en accessoires van motorvoertuigen | 451, 453, 454 |
| 3 | Groothandel en handelsbemiddeling, met uitzondering van de handel in motorvoertuigen en motorfietsen | 46 |
| 3 | Detailhandel, met uitzondering van de handel in auto's en motorfietsen | 47 |
| 3 | Vervoer over water | 50 |
| 3 | Luchtvaart | 51 |
| 3 | Opslag en vervoerondersteunende activiteiten, m.u.v. vrachtbehandeling | 52 |
| 3 | Postdiensten en koeriers | 53 |
| 3 | Verschaffen van accommodatie en maaltijden | 55,56 |
| 3 | Telecommunicatie | 61 |
| 3 | Speur- en ontwikkelingswerk op wetenschappelijk gebied | 72 |
| 3 | Verhuur en lease | 77 |
| 3 | Beveiligings- en opsporingsdiensten | 80 |
| 3 | Openbaar bestuur, m.u.v. gemeenten, O.C.M.W. en onderwijs | 841 |
| 3 | Algemene overheidsdiensten, m.u.v. politie, brandweer en overige openbare orde en civiele veiligheid | 842 |
| 3 | Beschutte en sociale werkplaatsen | 88995 |
| 3 | Activiteiten van wasserettes en wassalons ten behoeve van particulieren | 96012 |
| 3 | Haar- en schoonheidsverzorging | 9602 |
| 3 | Begrafeniswezen | 9603 |
| 3 | Sauna's, solaria, baden enz. | 9604 |
| 3 | Overige persoonlijke diensten | 9609 |
| 4 | Vervaardiging van voedingsmiddelen | 10 |
| 4 | Vervaardiging van dranken | 11 |
| 4 | Vervaardiging van tabaksproducten | 12 |
| 4 | Vervaardiging van textiel | 13 |
| 4 | Vervaardiging van leer en van producten van leer | 15 |
| 4 | Houtindustrie en vervaardiging van artikelen van hout en van kurk, exclusief meubelen; vervaardiging van artikelen van riet en van vlechtwerk | 16 |
| 4 | Vervaardiging van papier en papierwaren | 17 |
| 4 | Drukkerijen | 1811, 1812 |
| 4 | Vervaardiging van farmaceutische grondstoffen en producten | 21 |
| 4 | Vervaardiging van metalen in primaire vorm | 24 |
| 4 | Vervaardiging van producten van metaal, exclusief machines en apparaten | 25 |
| 4 | Vervaardiging van informaticaproducten en van elektronische en optische producten | 26 |
| 4 | Vervaardiging van elektrische apparatuur | 27 |
| 4 | Vervaardiging van machines, apparaten en werktuigen, n.e.g. | 28 |
| 4 | Vervaardiging en assemblage van motorvoertuigen, aanhangwagens en opleggers | 29 |
| 4 | Vervaardiging van andere transportmiddelen | 30 |
| 4 | Vervaardiging van meubelen | 31 |
| 4 | Overige industrie | 32 |
| 4 | Productie en distributie van elektriciteit, gas, stoom en gekoelde lucht | 35 |
| 4 | Onderhoud en reparatie van motorvoertuigen | 452 |
| 4 | Personenvervoer te land | 493 |
| 4 | Goederenvervoer over de weg en verhuisbedrijven | 494 |
| 4 | Vervoer via pijpleidingen | 495 |
| 4 | Technische testen en toetsen | 712 |
| 4 | Veterinaire diensten | 75 |
| 4 | Industriële reiniging en overige reiniging van gebouwen | 8122 |
| 4 | Andere reinigingsactiviteiten | 8129 |
| 4 | Gemeentelijke overheid m.u.v. OCMW en onderwijs | 84114 |
| 4 | Maatschappelijke dienstverlening zonder huisvesting m.u.v. beschutte en sociale werkplaatsen | 88 |
| 4 | Activiteiten van industriële wasserijen | 96011 |
| 5 | Bosbouw en exploitatie van bossen | 02 |
| 5 | Visserij en aquacultuur | 03 |
| 5 | Winning van delfstoffen | 05, 06, 07, 08, 09 |
| 5 | Vervaardiging van cokes en van geraffineerde aardolieproducten | 19 |
| 5 | Vervaardiging van chemische producten | 20 |
| 5 | Vervaardiging van producten van rubber of kunststof | 22 |
| 5 | Vervaardiging van andere niet-metaalhoudende minerale producten | 23 |
| 5 | Reparatie en installatie van machines en apparaten | 33 |
| 5 | Distributie van water, afval- en afvalwaterbeheer en sanering | 36, 37, 38, 39 |
| 5 | Bouwnijverheid | 41, 42, 43 |
| 5 | Personenvervoer per spoor, m.u.v. personenvervoer per spoor binnen steden of voorsteden | 491 |
| 5 | Goederenvervoer per spoor | 492 |
| 5 | Vrachtbehandeling | 5224 |
| 5 | O.C.M.W. | 84115 |
| 5 | Politie, brandweer en overige openbare orde en civiele veiligheid | 8424, 8425 |
| 5 | Menselijke gezondheidszorg | 86 |
| 5 | Maatschappelijke dienstverlening met huisvesting | 87 |
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 27 november 2015 tot wijziging van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk wat betreft de tarifering.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Werk,
K. PEETERS
BIJLAGE 2. - Beleidsadvies (art. 13/3, § 1, 11°)
Inhoud van het beleidsadvies
Het aan de werkgever gerichte, gemotiveerde beleidsadvies:
- geeft een beeld van de risico's in de onderneming, gebaseerd op de risicoanalyse en op de vaststellingen naar aanleiding van door de externe dienst, in samenwerking met de interne dienst, verrichte taken in de onderneming (b.v. plaatsbezoeken, medische onderzoeken, onderzoeken naar aanleiding van arbeidsongevallen,...);
- bevat een diagnose van het preventiebeleid in de onderneming, die een overzicht geeft van de reeds genomen preventiemaatregelen en een opsomming van specifieke tekortkomingen;
- bevat voorstellen van correctiemaatregelen en maatregelen om het welzijnsbeleid in de onderneming te verbeteren;
- geeft in voorkomend geval informatie en/of documentatie over goede praktijken of aangepaste praktische hulpmiddelen en tools om de voorgestelde maatregelen te kunnen implementeren.
Modaliteiten van het beleidsadvies
Voor het opbouwen van het beleidsadvies moeten minimaal de volgende stappen worden gevolgd :
- het verschaffen van algemene documentatie i.v.m. de risico's die verbonden zijn aan de activiteiten van de onderneming en de daaraan gekoppelde bekende goede praktijken en preventiemaatregelen;
- het verrichten van een onderzoek van de arbeidsplaatsen en van de werkposten, uiterlijk binnen de twee jaar volgend op de aansluiting bij werkgevers die behoren tot de tariefgroepen 3, 4 of 5, of binnen de drie jaar volgend op de aansluiting bij werkgevers die behoren tot de tariefgroepen 1 of 2;
- het opmaken van een globale analyse van de arbeidsongevallen en incidenten, teneinde passende preventieve maatregelen voor te stellen;
- het vastleggen van de aanvullende contactmomenten die nodig zijn om het beleidsadvies te vervolledigen;
- het deelnemen aan de bespreking van het beleidsadvies in het Comité.
In voorkomend geval kan dit beleidsadvies worden gesteund op een instrument dat hiertoe gezamenlijk door de externe diensten wordt uitgewerkt.
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 27 november 2015 tot wijziging van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk wat betreft de tarifering.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Werk,
K. PEETERS