- Decision du 17 octobre 2012

17/10/2012 - M12-1-0224/8793

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...)

I. Feiten

Vonnis 22/10/2007, f° 4 en 5

" Beklaagde gaf opzichtens de verbalisanten aan dat de letsels vastgesteld op 28.10.2004 het gevolg waren van een schudding die hij het kind gaf daags voordien en dit omwille van het feit dat het kind dreigde in een huilbui te blijven. Hij gaf aan dat de vastgestelde verwondingen dus aan dit schudden te wijten waren en dus het gevolg waren van een niet-opzettelijk, zelfs levensreddend handelen.

Daar waar aan deze verklaring - op zich - nog enig geloof zóu kunnen worden gehecht nu de burgerlijke partij het voorval met de huilbui beaamde, dient in het licht van alle elementen van het dossier te worden besloten dat deze verklaring leugenachtig is en in casu niet met de waarheid strookt.

Vooreerst dient te worden vastgesteld dat deze versie van de feiten zoals beklaagde deze aangeeft, enkel een uitleg kan bieden voor de op 28.10.2004 vastgestelde blauwe plekken en schrammen op de buikstreek (zijnde de plaats waar beklaagde opgaf het kind te hebben vastgenomen om te schudden). Deze verklaring van beklaagde kan evenwel geen uitleg bieden voor de door de deskundige op diezelfde datum vastgestelde letsels aan het voorhoofd en letsels op de wang (zie pag.2 verslag dd. 02.03.2005 eerste oranje map),

Deze vaststelling op zich doet de rechtbank aannemen dat de verklaring van beklaagde afgelegd op 28.10.2004 leugenachtig is en er daarentegen dient te worden gesteld dat beklaagde het kind wetens willens, dus opzettelijk in de zin van de wet, heeft geslagen.

De rechtbank wordt in deze overtuiging gesterkt door het feit dat de verwondingen van 28.10.2004 niet alleenstaand waren en dus niet kunnen worden teruggebracht tot een eenmalige ongewilde schudding als levensreddende reactie zoals beklaagde wil voorhouden.

Voorafgaandelijk aan de vaststelling van de letsels op 28.10.2004, werden reeds op 10.08.2004 en 08.09.2004 door Kind en Gezin, vaststellingen gedaan in verband met verdachte letsels. Kind en Gezin maakte van deze letsels melding in hun intern dossier en waren van oordeel dat verder toezicht zich opdrong. Er werden op 28.1 0.2004 een beet op het onderbeen, een verwonding op de wang, een verkleuring aan het oog opgemerkt en op 10.08.2004 een aantal blauwe vlekjes in de rugstreek. Omtrent deze verwondingen kon beklaagde geen uitleg geven.

Op 22.02.2005 werden opnieuw diverse letsels vastgesteld weze blauwe plekken op de dijen en ter hoogte van de ribben. Hiermee geconfronteerd gaf beklaagde opzichtens de verbalisanten aan dat het kind daags voordien van tafel was gevallen, eerst op de stoel, daarna op de grond. Zijn poging om het kind nog op te vangen was mislukt.

Ook deze verklaring komt leugenachtig voor nu deze verklaring -op zich- mogelijks nog een uitleg zóu kunnen geven voor de naderhand op scan vastgestelde breuk van rib 11 en 12 evenals voor de vastgestelde kneuzing van het heupbot, doch dit niet het geval is ten aanzien van de op scan vastgestelde breuken van rib 3 en 4, die voordien al waren ontstaan en intussen op 22.02.2005 reeds waren geheeld.

De verklaring inzake de val van de tafel, komt voorts nog meer ongeloofwaardig voor nu de letsels op de rug en bovenbuik dd. 22.02.2005 vastgesteld van dezelfde aard zijn als deze vastgesteld op 28.10.2004, met name daags na de "onopzettelijke schudding" die beklaagde erkent te hebben gegeven.

Beklaagde ontkende zich schuldig te hebben gemaakt aan mishandeling van zijn kind. Op de vraag wie de verwondingen dan wel had veroorzaakt antwoordde beklaagde aan de verbalisanten dat hij daar niet verder wenste op in te gaan.

De resultaten van het psychiatrisch onderzoek van beklaagde spreken de hierboven vermelde besluitvorming niet tegen, wel in tegendeel, nu de deskundige ondermeer tot het besluit komt dat

- beklaagde beantwoordt aan het profiel van een dader van kindermishandeling;

- beklaagde onvoldoende opvoedingsbekwaam is ten aanzien van het kind;

- beklaagde beschikt over beperkte emotionele en intellectuele vermogens;

- beklaagde door zijn handelswijze als "gevaarlijk" te omschrijven is.

Lopende het deskundig onderzoek gaf beklaagde blijkbaar zelf aan dat hij met een agressieproblematiek kampt gezien hij zichzelf omschrijft als zijnde een "moordmachine eens iemand hem op de tenen trapt".

Uit alle voormelde elementen blijkt dat beklaagde zich op diverse ogenblikken schuldig heeft gemaakt aan feiten van slagen ten aanzien van zijn baby.

De rechtbank wijt het toebrengen van de slagen niet aan een criminele ingesteldheid van beklaagde doch eerder aan het niet adequaat reageren op een stress-situatie, weze de last van een baby die permanent aandacht én vergaande zorgen vergt. Dit belet evenwel niet dat deze slagen wetens en willens en dus niet accidenteel werden toegebracht zodat de tenlastelegging als bewezen dient te worden aanzien.

[...]

Ter zitting van 24.09.2007 is beklaagde verschenen. Hij gaf aan dat zijn mentale toestand op heden nog niet in orde is. Hij gaf aan "het nog moeilijk te hebben". Hij heeft intussen een nieuwe relatie. Hij hoopt dat deze goed zal blijven lopen. Hij geniet een werkloosheidsuitkering van ongeveer 800 euro per maand. "

II. Vervolging

Bij vonnis dd. 22 oktober 2007 van de rechtbank van eerste aanleg te ... werden de volgende tenlasteleggingen bewezen geacht in hoofde van Wesley X. (° 1985) en waarvoor deze veroordeeld werd tot 12 maanden gevangenisstraf met uitstel:

"Te ..., meermaals, op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van ../../2004tot 31 maart 2005, minstens op 27/10/2004:

Opzettelijke verwondingen of slagen te hebben toegebracht aan X. Jesse, die voor deze hetzij een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge hadden, met de omstandigheid dat het misdrijf gepleegd werd op een minderjarige, geboren zijnde op ../../2004, door zijn vader."

Op burgerlijk vlak werd X. bij zelfde vonnis veroordeeld tot betaling aan:

- verzoekster qualitate qua Jesse: een provisie voor morele schade, ex aequo et bono begroot en herleid tot euro 750;

- verzoekster in eigen naam: een provisie voor materiële en morele schade, ex aequo et bono begroot en herleid tot euro 500;

III. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

III-1. Op 14/10/2011 werd het vonnis van 22/10/2007 betekend aan de veroordeelde.

De instrumenterende gerechtsdeurwaarder deelt op 10/11/2011 mee:

" De schuldenaar zou onder collectieve schuldbemiddeling geplaatst zijn bij mr. D. Kurt, advocaat te .... Deze schuldbemiddeling was ons niet bekend door het feit dat de schuldenaar verhuisd is naar het arrondissement ... en gezien de collectieve schuldbemiddeling dateert van voor de verplichte registratie in het Centraal Bestand voor Beslagberichten, namelijk 18/01/2010.

Volledigheidshalve dien ik te vermelden dat de uitvoeringsmogelijkheden beperkt zijn tot een PC met toebehoren en flatscreen monitor en een kleine verzameling DVD's en CD's. De overige meubelen of roerende goederen die enige waarde kunnen vertegenwoordigen zijn eigendom van zijn huisgenote. "

III-2. Verzoekster verklaart op geen enkele verzekeringstussenkomst te kunnen beroep doen.

Zij heeft een familiale polis afgesloten maar op het ogenblik van de feiten maakte de dader deel uit van het gezin.

IV. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoekster q.q. haar zoon Jesse vraagt om de toekenning van een hulp van euro 750,00 voor morele schade.

Op zitting van 10 september 2012 legt verzoekster nog facturen van een individuele therapie voor haar zoon neer voor een totale uitgave van euro 595,00.

V. Beoordeling door de Commissie

V-1. Inzake de ontvankelijkheid

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

Artikel 31bis, §1, 4°, van de wet van 1 augustus 1985 luidt:

"Indien de dader bekend is, moet de verzoeker schadevergoeding nastreven door middel van een burgerlijke partijstelling, een rechtstreekse dagvaarding of een vordering voor een burgerlijke rechtbank.

Het verzoek kan slechts worden ingediend, naargelang het geval, na een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de strafvordering of na een in kracht van gewijsde gegane beslissing van de burgerlijke rechtbank over de toerekening van of over de vergoeding van de schade.

Het verzoek is binnen drie jaar ingediend.

De termijn loopt, naargelang het geval, vanaf de dag waarop er definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing door een onderzoeks- of vonnisgerecht, de dag waarop een strafrechtbank bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing uitspraak heeft gedaan over de burgerlijke belangen na de beslissing over de strafvordering, of de dag waarop uitspraak is gedaan door een burgerlijke rechtbank bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de toerekening van of over de vergoeding van de schade. "

In het voorliggend dossier dateert het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te ... van 22 oktober 2007. Het verzoekschrift werd evenwel pas op 2 maart 2012 bij de Commissie ingediend, d.i. méér dan drie jaar na het vonnis.

Het rechtstreeks slachtoffer, geboren op ../../2004, is evenwel nog steeds minderjarig en ter verdediging van zijn belangen aangewezen op zijn vertegenwoordigers. Hij is dus (nog steeds) de jure handelingsonbekwaam om zelf rechtsgeldig een verzoekschrift in te dienen. Bijgevolg lag en ligt het procedureel gebeuren buiten zijn kunnen.

De Commissie aanvaardt in de gegeven omstandigheden overmacht en verklaart het verzoek ontvankelijk.

V-2. Ten gronde

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

Uit artikel 33, § 1 van de wet van 1 augustus 1985 blijkt dat het bedrag van de hulp naar billijkheid wordt bepaald. Volgens de voorbereidende werken is die beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel (Parl.St., Senaat 1984-85 nr. 873/2/1°,8). Dit uitgangspunt verleent aan de Commissie een appreciatiebevoegdheid, zowel inzake de opportuniteit van de toekenning van een financiële hulp als inzake de bepaling van de omvang van het hulpbedrag.

Het voorgaande impliceert dat de Commissie voor bepaalde schadeposten andere tarieven kan (mag) hanteren dan die waarvan de correctionele rechter zich bedient. Hierdoor kan de door de Commissie toegekende hulp in meerdere of mindere mate afwijken van de in gemeenrecht toegewezen schadevergoeding. Zo baseert de Commissie zich onder meer bij het toekennen van een hulpbedrag voor de schadepost ‘morele schade' op haar rechtspraak in gelijkaardige dossiers.

Rekening houdend met:

- de zwaarwichtigheid van de feiten;

- de door de minderjarige opgelopen schade;

- de gebruikelijke tarieven gehanteerd door de Commissie in analoge dossiers inzake de morele schade waarvoor, wat de begroting betreft, verzoekster q.q. zich ter zitting uitdrukkelijk verklaarde naar de wijsheid van de Commissie te willen gedragen,

meent de Commissie aan verzoekster q.q. Jesse X. in billijkheid een globale hulp te kunnen toekennen begroot op euro 1.500.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoekster qualitate qua Jesse X. een hulp toe van euro 1.500.

Zegt dat die som zal geplaatst worden op een spaarboekje te openen op naam van de minderjarige en dat hoofdsom en intresten onbeschikbaar zullen blijven tot aan de meerderjarigheid of ontvoogding, behoudens bijzondere toelating van de bevoegde rechter.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 17 oktober 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN C. DELESIE

Mots libres

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 2 maart 2012 waarbij verzoekster qualitate qua haar minderjarige zoon Jesse om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.