- Avis du 29 février 2012

29/02/2012 - BM11-7-0923/8413

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Avis - Texte intégral

(...)

I. Feiten

Op 2 november 2010 bezocht verzoekster haar zus Manuela en haar schoonbroer Robert, beiden woonachtig te ... .

In het PV van verhoor van zelfde datum verklaarde verzoekster dat Robert, die te veel gedronken zou hebben, agressief werd t.a.v. haar zus. Toen verzoekster tussenbeide wilde komen, keerde haar schoonbroer zich tegen haar. Zij werd diverse malen geschopt en geslagen. Verzoekster is dan naar haar wagen gevlucht. Robert liep haar achterna, wierp haar op de grond en bleef schoppen. Toen Manuela riep dat hij haar met rust moest laten, slaagde ze erin de wagen te bereiken.

Toen dook Robert op met een wapen waarmee hij op de wagen vuurde.

Verzoekster moest een eind verder noodgedwongen stoppen omdat de linker voorband was lek geschoten.

II. Vervolging

Verzoekster legde op datum der feiten klacht neer bij de politie van ....

Het is niet geweten welk gerechtelijk gevolg aan de klacht werd verleend.

III. Gevolgen van de feiten

Daags na de feiten consulteerde verzoekster haar huisarts, dr. R. M., attesterende:

" Heden zag ik mevrouw A. X., geboren ../../1989, wonende [...],

i.v.m. volgens haar eigen zeggen lichamelijk mishandeld te zijn dd. 02-11-2010.

Goed aanspreekbaar. Diverse hematomen (blauwe plekken) c.q. zwellingen op:

- gelaat

- hals

- linker schouder

- rechter bovenarm

- rechter pols

- buitenzijde rechterhand

- linker bovenarm

- linker pols

- linker heupregio

- linker knie

- linker onderbeen

- rechter knie

- rechter enkel

Op medische gronden weer een röntgenfoto vervaardigd van linker onderbeen in Y. Ziekenhuis C. aan den ...: geen tekenen fractuur.

Emotioneel diep ontdaan. Nu zware hoofdpijn. "

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

IV-1. De dader is gekend. Verzoekster deelt niet mee welke stappen zij tot heden ondernam om de schade op hem te verhalen.

IV-2. Verzoekster verklaart dat ze geen enkele verzekering heeft afgesloten die kan tussenkomen in de opgelopen schade.

V. Begroting van de gevraagde noodhulp

Verzoekster vraagt om de toekenning van een noodhulp van euro 10.000 maar verklaart zich tevens te gedragen naar de wijsheid van de Commissie met betrekking tot het gevraagde bedrag.

Zij maakt gewag van volgende schadeposten:

- morele schade euro 10.000

- medische kosten (psychologische hulp) euro 60

- materiële kosten euro 269

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift tot noodhulp aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd.

Artikel 36 van de wet van 1 augustus 1985 bepaalt de voorwaarden tot toekenning van een noodhulp:

"Onverminderd de toepassing van de artikelen 31 tot 33, § 1, kan de commissie een noodhulp toekennen wanneer elke vertraging bij de toekenning van de hulp de verzoekster een ernstig nadeel kan berokkenen, gelet op zijn financiële situatie.

De noodhulp wordt per schadegeval en per verzoekster toegekend voor schade boven 500 euro en is beperkt tot een bedrag van 15 000 euro.

Het verzoek tot toekenning van een noodhulp kan worden ingediend zodra de verzoekster klacht heeft ingediend of zich burgerlijke partij heeft gesteld.

Wanneer het gaat om de kosten bedoeld in artikel 32, § 1, 2°, is de dringendheid altijd verondersteld. Artikel 33, § 1, is niet van toepassing wanneer de commissie zich uitspreekt over het verzoek tot tenlasteneming van deze kosten. Het reële bedrag van de kosten wordt door de commissie in aanmerking genomen, zonder toepassing van de beperking die bepaald wordt in het tweede lid."

Luidens de eerste alinea van het hierboven geciteerd artikel 36 kan de Commissie aan het slachtoffer een noodhulp toekennen indien het in financiële moeilijkheden verkeert. Een uitzondering op deze voorwaarde wordt gemaakt voor de medische kosten en de ziekenhuiskosten, met inbegrip van de prothesekosten (zie het laatste lid van artikel 36: "de kosten bedoeld in artikel 32, § 1, 2°"): voor deze kosten wordt de dringendheid verondersteld.

Verzoekster vraagt een noodhulpbedrag van euro 10.000 voor bijna hoofdzakelijk ‘morele schade'.

Op 30 september 2011 deelde het secretariaat aan verzoekster mee dat de Commissie van oordeel is dat morele schade niet gevraagd kan worden in het kader van de noodhulp aangezien voor deze schadepost geen hoogdringendheid kan worden voorgehouden.

De enige door verzoekster gestaafde uitgaven zijn zes bijgewoonde sessies m.b.t. psychologische begeleiding x euro 10 ‘wettelijke eigen bijdrage' = in totaal euro 60. Twee van de zes sessies gingen echter door vóór de feiten van 2 november 2010, namelijk op 18 oktober en 25 oktober 2010.

Nog abstractie makend van de twee niet in aanmerking komende sessies, beloopt de voor de noodhulp in aanmerking komende schade minder dan euro 500 en wordt dus de wettelijk minimumdrempel in de eerste alinea van het hierboven geciteerd artikel 36 niet bereikt.

In die omstandigheden dient voorliggend verzoek tot noodhulp hic et nunc te worden afgewezen als ongegrond.

Voor de volledigheid wordt verzoekster gewezen op de mogelijkheid om een verzoekschrift tot (hoofd)hulp in te dienen op een later tijdstip, zodra zij over een rechterlijke beslissing beschikt (bv. een veroordeling van de tegenpartij) en wanneer het zou blijken dat zij noch via de veroordeelde noch via een verzekering de opgelopen kosten kan lenigen, De verzoekster dient dan wel de driejarige termijn in acht te nemen waarbinnen zij dergelijk verzoek moet neerleggen, te rekenen vanaf de datum van de rechterlijke beslissing. Tevens dient zij dan rekening te houden met artikel 31, 1°, van de Wet van 1 augustus 1985 dat als voorwaarde, om in aanmerking te komen voor een financiële hulp, oplegt dat een ernstig lichamelijk of psychisch letsel wordt aangetoond dat rechtstreeks verband houdt met de opzettelijke gewelddaad.

De aandacht van verzoekster wordt gevestigd op artikel 30, §3, tweede lid van de wet: "De voorzitters van de kamers houden zitting als enig lid inzake de verzoeken om noodhulp als bedoeld in artikel 36, inzake verzoeken die kennelijk onontvankelijk of kennelijk ongegrond zijn, of wanneer ze de afstand van het geding toewijzen of de zaak van de rol afvoeren."

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De voorzitter,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek tot noodhulp ongegrond.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 29 februari 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN P. DE SMET

Mots libres

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 26 augustus 2011, waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een noodhulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.