- Decision du 23 janvier 2012

23/01/2012 - M91001/6966

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...)

I. Feiten

In de nacht van 5 op 6 november 2005 werd mevrouw Katrien Y. (° 1960), de schoondochter van verzoekster, vermoord door haar vriend, de heer Patrick Z..

In het schrijven van de raadsman van verzoekster d.d. 8 december 2009 werden de feiten als volgt toegelicht:

"Mevrouw Kaat Y. werd om het leven gebracht door de heer Z. door dubbele wurging. Zij had in die periode, als weduwe van de heer G. die bij leven goed bevriend was met Z., een relatie met Z. enige tijd na het overlijden van haar man.

De heer Z. heeft mevrouw Y. 's nachts meegelokt naar zijn in aanbouw zijnde woning, al waar hij haar door dubbele wurging om het leven heeft gebracht.

Eerst heeft hij gepoogd haar met de handen te wurgen om haar vervolgens met het snoer van een stofzuiger om het leven te brengen, waarna hij haar in een waterput dumpte.

Hij heeft zelf ook even plaats genomen in de waterput, om voor te wenden alsof hij zelfmoord zou plegen. Dit werd evenwel door de gerechtsdeskundigen doorprikt."

Verzoekster woonde ten tijde van de feiten niet in bij haar schoondochter.

II. Vervolging

Bij arrest van het Hof van Assisen van de provincie ... d.d. 22 mei 2008 werd de heer Patrick Z. schuldig bevonden aan doodslag en veroordeeld tot 30 jaar opsluiting.

In het arrest over de burgerlijke belangen d.d. 1 oktober 2008 werd hij veroordeeld tot betaling van een bedrag van euro 21.305,70 meer intresten aan verzoekster. Dit bedrag omvat:

- morele schade: euro 2.300,00

- meerinspanningen: euro 18.505,70

- verplaatsings- en administratiekosten: euro 500,00

III. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

* In zijn schrijven d.d. 14 mei 2010 deelt de raadsman van verzoekster mee dat hij inmiddels een bedrag van euro 60.060 ontving als resultaat van de gedwongen verkoop van het onroerend goed van de dader.

* Geen enkele verzekering kwam tussen in dekking van de geleden schade.

IV. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoekster vraagt om de toekenning van een financiële hulp van euro 2.800:

- morele schade (ex aequo et bono): euro 2.300,00 (cf. arrest d.d. 01.10.08)

- materiële schade (ex aequo et bono): euro 500,00 ( " )

verplaatsingen, achternageloop en ongemakken

V. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen nageleefd te worden.

Artikel 31 van voornoemde wet, zoals het van kracht was op het moment van indiening van het verzoekschrift, bepaalt dat de Commissie een hulp kan toekennen aan "nabestaanden van of personen die in duurzaam gezinsverband samenleefden met een persoon die overleden is als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad" (art. 31, 2°), aan "verwanten tot en met de tweede graad van of verwanten die in duurzaam gezinsverband samenleefden met een slachtoffer dat sinds meer dan een jaar vermist is (...)" (art. 31, 4°) en aan "verwanten tot de tweede graad of personen die in duurzaam gezinsverband met hen samenleefden " (art. 31, 5°).

Uit haar vaste rechtspraak blijkt dat de Commissie, naar analogie van de in artikel 31, 4° en 5° voorziene categorieën van verzoekers, als "nabestaanden van een overleden slachtoffer" enkel de verwanten tot en met de tweede graad in aanmerking neemt.

Verzoekster behoort, als schoonmoeder van de overledene, niet tot die categorie. Haar hulpverzoek is dan ook onontvankelijk.

Er kan op gewezen worden dat de rechtspraak van de Commissie door de wetgever werd gevolgd bij de totstandkoming van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen betreffende Justitie (II). In de Memorie van Toelichting bij die wet staat het volgende te lezen: "Geïnspireerd door de rechtspraak van de Commissie voorziet het wetsontwerp dan ook in een gelijkschakeling van de in artikel 31, 2°, 4° en 5° bedoelde categorieën van personen". (Parl. St. Kamer 2008-2009, nr. 2161/001, p. 31).

Sedert 25 januari 2010, datum van inwerkingtreding van voornoemde wet van 30 december 2009, kan luidens artikel 31, 2° een financiële hulp worden toegekend aan "erfgerechtigden, in de zin van artikel 731 van het Burgerlijk Wetboek, tot en met de tweede graad van een persoon die overleden is als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad of personen die in duurzaam gezinsverband samenleefden met de overledene".

De Commissie wenst te benadrukken dat de afwijzing van het verzoek op juridisch-technische gronden berust en geenszins een miskenning inhoudt van het moreel leed dat aan verzoekster ongetwijfeld werd toegebracht ingevolge het gewelddadig overlijden van haar schoondochter.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006.

Verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 23 januari 2012.

De secretaris, De voorzitter,

G. VAN DEN ABBEELE L. VULSTEKE

Mots libres

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 22 oktober 2009, waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.