- Decision du 3 février 2012

03/02/2012 - M11-5-0024/7895

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...)

I. Feiten

Op 19 februari 2009 omstreeks 17 uur werd verzoeker, in zijn hoedanigheid van inspecteur bij de federale politie (spoorwegbrigade ...), ter hoogte van de loketten in ...-Centraal het slachtoffer van een gewelddaad.

Verzoeker diende een reiziger te identificeren, maar deze weigerde zijn identiteit bekend te maken. Verzoeker incasseerde meerdere slagen en schoppen.

II. Vervolging

Bij vonnis van de Correctionele rechtbank te ... d.d. 24 november 2009 werd de heer Christian Z., wegens het plegen van onder meer de sub I vermelde feiten, bij verstek veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van twee jaar en tot een geldboete van euro 550.

Op burgerlijk gebied werd hij veroordeeld tot betaling van een provisioneel bedrag van euro 18.422,50 meer intresten aan verzoeker.

III. Gevolgen van de feiten

Verzoeker liep kneuzingen op, alsook een distorsio van de gehele wervelzuil. Aangezien de rugklachten persisteerden, diende hij rugschool te volgen. Tijdens deze rugschool trad er een verergering op, uitmondend in een discushernia.

In het deskundig eindverslag van Dr. B. Van N. d.d. 24 oktober 2009 lezen we:

"Er is 100 % tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 19-2-2009 tot en met voorlopig 19-10-2009.

Er kan nog niet geconsolideerd worden.

Het zou nuttig zijn om de heer X. terug te onderzoeken begin januari 2010 voor opvolging.

Er kan nu wel met zekerheid gesteld worden dat er bij latere consolidatie blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid zal resten, er dient rekening gehouden te worden met een blijvende arbeidsongeschiktheid tussen 5 en 10 %."

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

In zijn schrijven d.d. 10 augustus 2010 deelt de tussenkomende gerechtsdeurwaarder mee dat de heer Z. overladen is met schulden. In die omstandigheden zijn er geen mogelijkheden tot uitvoering lastens hem.

Luidens het verzoekschrift ontving verzoeker nog geen gelden en maakt hij geen aanspraak op enige tegemoetkoming ter dekking van de geleden schade.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker vraagt om de toekenning van een financiële hulp van euro 20.278,78:

- hoofdsom cf. vonnis d.d. 24.11.09: euro 18.422,50

- administratie- en verplaatsingskosten: euro 125,00

- verlies economische waarde huishoudelijke arbeid: euro 3.037,50

- morele schade TAO: euro 6.075,00

100 % van 19.02.09 t.e.m. 19.10.09 : 243 d. x euro 25

- andere morele schade: euro 250,00

- blijvende arbeidsongeschiktheid: euro 8.935,00

5 % x euro 1.787 per punt

- intresten: euro 1.231,28

- rechtsplegingsvergoeding: euro 625,00

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen nageleefd te worden.

De Commissie wenst te benadrukken dat ze geen integrale schadeloosstelling verzekert. Ze kan, naar billijkheid, slechts een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van voormelde wet. ‘Verlies economische waarde huishoudelijke arbeid' is daarbij niet opgenomen en komt dus niet in aanmerking voor vergoeding.

Eenzelfde opmerking geldt met betrekking tot de intresten.

Het behoort overigens tot de constante rechtspraak van de Commissie - en deze vloeit voort uit de bedoeling van de wet - dat intresten niet in aanmerking komen voor een financiële hulp. De Commissie is van oordeel dat het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt, niet van toepassing is in het stelsel van financiële hulpverlening aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. De schuldenaar van de toegekende hulp, met name de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade. Bovendien brengt ook in het gemeen recht de toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek niet mee dat de intresten automatisch verschuldigd zijn, vermits zij moeten gevraagd of gevorderd worden door het slachtoffer en de rechter ze niet mag toekennen wanneer een dergelijke vraag of vordering ontbreekt.

De Raad van State heeft zich in een uitvoerig gemotiveerd arrest bij de stellingname van de Commissie aangesloten (arrest nr. 165.787 van 12 december 2006).

Voor de verplaatsingskosten meent de Commissie evenmin een hulp te kunnen toekennen, nu deze kosten principieel in het kader van het arbeidsongevallenrecht worden vergoed.

Wat de schadepost ‘blijvende arbeidsongeschiktheid' betreft, merkt de Commissie op dat verzoeker als dusdanig geen inkomstenverlies heeft geleden (dit werd opgevangen via de arbeidsongevallenverzekering). Aldus kan enkel rekening gehouden worden met de morele component van de blijvende ongeschiktheid. ‘Meerinspanningen', ‘verlies van de economische waarde huishoudelijke arbeid' en/of ‘loutere aantasting van de arbeidswaarde op de arbeidsmarkt (zonder loonverlies)' ressorteren immers niet onder de limitatief opgesomde schadeposten in artikel 32, § 1, van de wet. Het komt dan ook passend voor het door verzoeker voor deze schadepost gevraagd bedrag, conform de indicatieve tabellen, te halveren.

Tot slot vestigt de Commissie de aandacht op artikel 33, § 1, eerste lid, van de wet, naar luid waarvan de hulp naar billijkheid wordt bepaald. Volgens de voorbereidende werken is de beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel (Parl.St. Senaat, 1984-85, nr. 873/2/1°, 8). Dit uitgangspunt geeft aan de Commissie een ruime appreciatiebevoegdheid, zowel met betrekking tot de opportuniteit van de toekenning van een financiële hulp als met betrekking tot de bepaling van de omvang ervan.

Eén en ander impliceert dat de door de Commissie toegekende hulp niet noodzakelijk overeenstemt met de volledige schadeloosstelling van het nadeel dat verzoeker heeft geleden. Het betekent eveneens dat de Commissie niet gebonden is door de schadevergoeding die door de rechter werd toegekend.

Rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak, zoals hierboven geschetst, meent de Commissie in billijkheid een hulp te kunnen toekennen van euro 10.000.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006.

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent een hulp toe van euro 10.000.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 3 februari 2012.

De secretaris, De voorzitter,

G. VAN DEN ABBEELE D. DESMET

Mots libres

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 10 januari 2011, waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.