- Decision du 9 mai 2012

09/05/2012 - M11-7-0288/8061

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...)

I. Feiten en vervolging

De heer Sylvain X., vader van verzoeker, werd op 13 februari 2007 op 87-jarige leeftijd dood aangetroffen in de kelder van zijn woning.

Gelet op het verdacht karakter van het overlijden werd een gerechtelijk onderzoek geopend. In de woning werd immers vastgesteld dat de deur van de staande klok geforceerd was. Na controle bleek dat er geld uit het geldkoffertje verdwenen was. Daarenboven bleek na verhoor van de familie dat het slachtoffer zelden of nooit de kelder inging aangezien daar niets aanwezig was.

Verzoeker heeft zich op 26 april 2007 burgerlijke partij gesteld in het betreffende dossier.

Op een gegeven ogenblik werd de inwonende kleinzoon Dennie X. in verdenking gesteld van oudermoord. Deze heeft echter steeds zijn aandeel in de feiten ontkend. Niettemin waren er voldoende ernstige bezwaren om hem door te verwijzen naar het Hof van Assisen.

Uit het gerechtelijk onderzoek (p. 12 van de neergelegde akte van beschuldiging verwijzend naar de inwendige lijkschouwingen) en tevens op de zitting van het Hof van Assisen is komen vast te staan dat het slachtoffer een gewelddadige dood stierf. De letsels waren te verscheiden om louter door een val veroorzaakt te zijn en duiden op herhaalde stompe geweldpleging. Dit werd door de verdediging trouwens ook niet betwist. De verdediging stelde evenwel dat er geen voldoende zekerheid was dat Dennie X. de feiten pleegde, aangezien ook zijn oom Eddy X. op het ogenblik van de feiten in de woning was en het sporenonderzoek belangrijke lacunes vertoonde omtrent een eventuele betrokkenheid van deze persoon.

Eddy X. kon echter geen nuttige verklaringen meer afleggen ten tijde van het proces omwille van zijn psychische toestand. Hij lijdt aan het syndroom van Korsakov (blijvende geheugenstoornis).

De onzekerheid omtrent de mogelijke rol van deze persoon, heeft de rechtsprekende jury ertoe gebracht ontkennend op de schuldvraag te antwoorden.

Dennie X. werd bijgevolg bij arrest d,d. 24 april 2009 van het Hof van assisen van de provincie ... vrijgesproken.

Het arrest van 24 april 2009 heeft kracht van gewijsde verworven (attest dienst assisen parket-generaal).

II. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

Nu de dader niet geïdentificeerd werd, kan verzoeker geen beroep doen op een eventuele waarborg ‘onvermogen van derden'.

III. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker vraagt om de toekenning van een hulp van euro 25.000.

Hij acht dit bedrag voor de morele schade verantwoord omwille van:

- het plotse en abrupte verlies;

- de onzekerheid omtrent de precieze omstandigheden en de identiteit van de dader;

- het zich steeds afvragen of zij hun vader niet hadden moeten wegnemen uit de conflictsituatie die bestond met zijn inwonende zoon en kleinzoon;

- het bijzonder gewelddadig karakter van het overlijden in een koude, vochtige kelder midden in de nacht welke verwerkingsproces bijzonder zwaar om dragen maken.

IV. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

Uit artikel 33, § 1 van de wet van 1 augustus 1985 blijkt dat het bedrag van de hulp naar billijkheid wordt bepaald. Volgens de voorbereidende werken is die beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel (Parl.St., Senaat 1984-85 nr. 873/2/1°,8). Dit uitgangspunt verleent aan de Commissie een appreciatiebevoegdheid, zowel inzake de opportuniteit van de toekenning van een financiële hulp als inzake de bepaling van de omvang van het hulpbedrag.

Zo baseert de Commissie zich onder meer bij het toekennen van een hulpbedrag voor de schadepost ‘morele schade' op het tarief dat overeenstemt met de indicatieve tabel van het Nationaal verbond van magistraten eerste aanleg en het Koninklijk verbond van vrede- en politierechters en tevens op haar rechtspraak in gelijkaardige dossiers.

In die optiek, rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak zoals hierboven geschetst, acht de Commissie de toekenning van een hulp van euro 3.750 billijk.

In deze context wenst de Commissie te benadrukken dat, naar haar oordeel, moreel leed, zoals pijn of smart, niet louter door een geldelijke tegemoetkoming kan gelenigd worden. Hooguit is de financiële hulp een erkenning van dit leed, een vorm van troost, een middel om het leed draaglijker te maken. Dienvolgens kan het toegekende bedrag slechts een abstracte begroting zijn.

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoeker een hulp toe van euro 3.750.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 9 mei 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN P. DE SMET

Mots libres

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 11 maart 2011 waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.