- Decision du 2 octobre 2012

02/10/2012 - M12-1-0441/8920

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...)

I. Feiten

In de periode januari 2008 - juni 2010 werd de minderjarige Joyce X. (° 1995) herhaaldelijk seksueel misbruikt en aangerand in de eerbaarheid.

De feiten werden gepleegd tijdens het verblijf bij haar gescheiden moeder door de nieuwe partner (stiefvader).

II. Vervolging

Bij vonnis dd. 9 november 2010 van de rechtbank van eerste aanleg te ... werden de volgende tenlasteleggingen bewezen geacht in hoofde van de genaamde Z. (° 1969), en waarvoor deze veroordeeld werd tot 4 jaar gevangenisstraf met uitstel voor de duur van 5 jaar onder probatievoorwaarden:

"A. Te ..., herhaaldelijk in de periode van 1.03.2008 tot ../../2009;

De misdaad die beschouwd wordt als zijnde verkrachting met behulp van geweld, gepleegd te hebben, door een daad van seksuele penetratie, van welke aard en met welk middel ook, die gepleegd wordt op de persoon van een kind boven de volle leeftijd van tien jaar dat de volle leeftijd van veertien jaar niet heeft bereikt, namelijk op X. joyce, geboren op ../../1995,

met de omstandigheid dat de schuldige behoort tot degenen die over het slachtoffer gezag hebben of ieder ander persoon is die een gelijkaardige positie in het gezin heeft hetzij onverschillig welke persoon die gewoonlijk of occasioneel met het slachtoffer samenwoont en die over het slachtoffer gezag heeft;

- inbreuk op art. 79,80, 375 lid 1,2 en 6, 377 lid 1 en 6,378 Sw.

B. Te ..., herhaaldelijk in de periode van ../../2009 tot en met 23.02.2010;

De misdaad van verkrachting gepleegd te hebben, zijnde elke daad van seksuele penetratie van welke aard ook en met welk middel ook, gepleegd op een persoon die daar niet in toestemt, toestemming er met name niet zijnde wanneer de daad is opgedrongen door middel van geweld, dwang of list of mogelijk is gemaakt door een onvolwaardigheid of een lichamelijk of een geestelijk gebrek van het slachtoffer. de misdaad gepleegd zijnde op de persoon van een kind boven de volle leeftijd van veertien jaar en beneden die van zestien jaar, ter zake op de persoon van X. Joyce, geboren op ../../1995,met de omstandigheid dat de schuldige behoort tot degenen die over het slachtoffer gezag hebben of ieder ander persoon is die een gelijkaardige positie in het gezin heeft hetzij onverschillig welke persoon die gewoonlijk of occasioneel met het slachtoffer samenwoont en die over het slachtoffer gezag heeft;

- inbreuk op art. 79,80, 375 lid 1,2 en 5, 377 lid 1 en 6, 378 Sw.

C. Te ..., herhaaldelijk in de periode van 1.03.2008 tot en met 23.02.2010 ;

Aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging gepleegd te hebben op de persoon van een minderjarige, geen volle zestien jaar oud op het ogenblik van de feiten, namelijk op de persoon van X. Joyce, geboren op ../../1995, de aanranding bestaande van zodra er een begin van uitvoering is,

met de omstandigheid dat de schuldige behoort tot degenen die over het slachtoffer gezag hebben of ieder ander persoon is die een gelijkaardige positie in het gezin heeft hetzij onverschillig welke persoon die gewoonlijk of occasioneel met het slachtoffer samenwoont en die over het slachtoffer gezag heeft;

- inbreuk op art. 79, 80, 373 lid 3, 374, 377 lid 1 en 4, 378 Sw.

D. Te ... in de periode van 1.01.2008 tot 4.03.2010 en in de periode van 21.04.2010 tot 4.06.2010, en minstens op 4.03.2010:

Zinnebeelden voorwerpen films, foto's, dia's of andere beelddragers die houdingen of seksuele handelingen met pornografisch karakter voorstellen waarbij minderjarigen betrokken zijn of worden voorgesteld, wetens in zijn bezit te hebben gehad.

- inbreuk op art. 383bis § 2 Sw. "

Op burgerlijk vlak werd Z. bij zelfde vonnis veroordeeld tot betaling aan:

-de heer Pascal X. namens Joyce: euro 2.500 morele schade;

-de heer Pascal X. in eigen naam: euro 1.000 morele schade.

Verzoeker q.q. tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis.

Bij arrest dd. 5 maart 2012 van het Hof van Beroep te ... werd het bestreden vonnis tenietgedaan en werd Z. veroordeeld tot betaling aan:

-de heer Pascal X. namens Joyce: euro 10.000 morele schade;

-de heer Pascal X. in eigen naam: euro 2.000 morele schade + intresten + euro 30 ten titel van kosten hoger beroep + euro RPV van euro 625 in graad van 1ste aanleg en RPV van euro 687,50 in graad van hoger beroep.

Arrest dd. 5/03/2012, f° 5 -6:

" De in hoofde van de verweerder Z. bewezen misdrijven voorwerp van de tenlasteleggingen A tot en met C in zijnen hoofde vormen naar het oordeel van het Hof een verregaand misbruik van de kwetsbaarheid van een jong meisje, dat nog in volle lichamelijke en geestelijke ontwikkeling was en volop in de verwarrende fase van de ontwikkeling van haar seksuele gevoelens.

Bovendien, gelet op de omstandigheden waarin het seksuele misbruik zich voordeed, kan het niet anders dan dat het vertrouwen van de minderjarige in haar omgeving als gevolg van de gepleegde misdrijven een ernstige knauw heeft gekregen.

Misdrijven zoals deze, bewezen in hoofde van de verweerder Z., brengen naar het oordeel van het Hof een blijvende schade bij het slachtoffer teweeg: immers nooit nog kan het slachtoffer terugkeren naar het onschuldige en onbezoedelde verleden waarin, in alle vertrouwen, ruimte is voor seksuele ontwikkeling op eigen tempo en in overeenstemming met een volwaardige wilsuiting daartoe.

De raming van de betreffende schade kan naar het oordeel van het Hofniet anders gebeuren dan ex aequo et bono.

Naar het oordeel van het Hof zal immers nooit volledige zekerheid kunnen bekomen worden omtrent de hoegrootheid van de (actuele en of toekomstige) problemen in hoofde van de burgerlijke partij voornoemd als gevolg van in hoofde van de verweerder voornoemd weerhouden feiten, nu immers de menselijke psyche dermate individueel en complex is dat zelfs deskundig advies desbetreffend nooit voldoende zekerheden kan opleveren.

Onafgezien de voorgaande overwegingen is het Hof ervan overtuigd, gelet op de omstandigheden waarin het seksueel misbruik van Joyce X. zich voordeed (meer bepaald tijdens haar verblijf bij haar gescheiden moeder, en door de nieuwe partner van haar moeder), dat de schade als gevolg van de in hoofde van de voornoemde verweerder weerhouden feiten voor de burgerlijke partij Joyce X. aanzienlijk is.

Het Hof voelt zich bij voormelde overweging gesteund door de door de voornoemde burgerlijke partij voor het Hof neergelegde stukken in verband met haar psychische problematiek (cfr. stuk 2: "slaapstoornissen, humeurschommelingen, woedeuitbarstingen en verdriet en emotionaliteit').

Daarbij weerhouden zich de morele schade enerzijds, en de materiële schade voor toekomstige psychologische begeleiding anderzijds, als compenserende vaten: als Joyce X. voldoende psychologische begeleiding zal volgen, zal haar morele schade als gevolg van de schadeverwekkende feiten in hoofde van de verweerder voornoemd naar alle waarschijnlijkheid enigszins beperkt worden - doet zij in de toekomst geen beroep op psychologische ondersteuning en begeleiding, dan zal zijzelf een grotere morele last dienen te dragen.

Het is dan ook zinloos, en overigens onmogelijk, de twee schadeposten morele schade en te voorziene psychotherapie afzonderlijk te begroten.

Ook is het niet nuttig thans, naast de raming van de actuele schade, nog een voorbehoud voor de toekomst te voorzien: naar het oordeel van het Hof is immers het zich voordoen van toekomstige schade een zekerheid, terwijl anderzijds die toekomstige schade ook al vandaag adequaat ex aequo et bono kan geraamd worden.

Rekening houdend met alle voorliggende gegevens, de aard en de hoeveelheid van de door de voornoemde verweerder gepleegde feiten en leeftijd van de burgerlijke partij Joyce X. op het ogenblik van de voormelde feiten, raamt het Hof het geheel van de schade in hoofde van de voornoemde burgerlijke partij samen ex aequo et bono op 10.000,00 EUR.

In deze forfaitaire schadebegroting is de kostprijs van psychologische begeleiding begrepen, zodat desbetreffend geen voorbehoud meer kan verleend worden aan de burgerlijke partij voornoemd."

III. Gevolgen van de feiten

Volgens een overgezonden attest van huisarts dr. L. W. dd.15/03/2011, ondervond zij tot dat ogenblik nog psychische klachten als gevolg van de meerdere verkrachtingen: "Patiënte vermeldt slaapstoornissen, humeurschommelingen, woedeuitbarstingen en verdriet en emotionaliteit als voornaamste klachten. Psychische begeleiding in de toekomst zal hiervoor nodig zijn. "

Uit een doktersvoorschrift blijkt het gebruik van farmaceutica XANAX RETARD en VALDISPERT NIGHT FORTE.

De heer J. Naert, directeur van het Koninklijk Technisch Atheneum te ... verklaart op 15/03/2011 dat Joyce, op dat ogenblik leerlinge in het 4de jaar Verzorging - voeding, "geregeld (gedrags)moeilijkheden blijkt te ondervinden met zichzelf, en dit om redenen die totaal geen uitstaans hebben met de school, maar eerder terug te vinden zijn in haar dagelijks leven. "

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

De stiefvader en moeder van Joyce wonen nog steeds samen en maken beiden het voorwerp uit van een collectieve schuldenregeling. Na enige discussie heeft de schuldbemiddelaar de vordering namens Joyce aanvaard en op 12 juli 2012 een vergoeding uitgekeerd van euro 10.720, vereffend op een spaarboekje geblokkeerd tot de meerderjarigheid.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Initieel vroeg verzoeker q.q. Joyce aan de Commissie om een hulp van euro 10.720,59 toe te kennen. In de reactie op het verslag van de verslaggever deelt hij mee dat dit bedrag recentelijk (12 juli 2012) door de schuldbemiddelaar van de veroordeelde uitgekeerd werd op het spaarboekje van zijn dochter.

Op de rechtszitting van de Commissie dd. 10 september 2012 merkt verzoeker q.q. op dat, hoewel hij in hoger beroep een provisionele vordering ingediend had, hem niettemin een definitieve schadevergoeding toegewezen werd. Hij vraagt namens zijn dochter aan de Commissie om voorbehoud te verlenen voor problemen die eventueel in de toekomst terug de kop kunnen opsteken. Joyce weigert momenteel iedere psychologische bijstand, behandeling of therapie hoewel uit haar doen en laten manifest blijkt dat zij de feiten nog niet verwerkt heeft.

Verzoeker q.q. meent dat de reeds ontvangen tussenkomst ontoereikend was om er de werkelijke schade effectief mee te lenigen en vraagt bijkomend voor Joyce een hulp van euro 10.000.

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

Uit artikel 33, § 1 van de wet van 1 augustus 1985 blijkt dat het bedrag van de hulp naar billijkheid wordt bepaald. Volgens de voorbereidende werken is die beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel (Parl.St., Senaat 1984-85 nr. 873/2/1°,8). Dit uitgangspunt verleent aan de Commissie een appreciatiebevoegdheid, zowel inzake de opportuniteit van de toekenning van een financiële hulp als inzake de bepaling van de omvang van het hulpbedrag.

Het voorgaande impliceert dat de Commissie voor bepaalde schadeposten andere tarieven kan (mag) hanteren dan die waarvan de correctionele rechter zich bedient. Hierdoor kan de door de Commissie toegekende hulp in meerdere of mindere mate afwijken van de in gemeenrecht toegewezen schadevergoeding. Zo baseert de Commissie zich onder meer bij het toekennen van een hulpbedrag voor de schadepost ‘morele schade' op haar rechtspraak in gelijkaardige dossiers.

Welnu, indien de Commissie haar gebruikelijk tarief inzake morele schade hanteert in voorliggend dossier en daarbij rekening houdt met de door Joyce genoten vergoeding (gelet op het subsidiariteitsbeginsel vervat in artikel 31bis, § 1, 5° van voormelde wet), dan komt zij tot de vaststelling dat het slachtoffer reeds vergoed is. In die optiek moet het verzoekschrift beschouwd worden als ongegrond.

De Commissie wenst evenwel te beklemtonen dat de afwijzing van het verzoek evident geen afbreuk doet aan het leed van het slachtoffer, waarvoor de Commissie alle begrip toont.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk doch ongegrond.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 2 oktober 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN C. DELESIE

Mots libres

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 15 mei 2012 waarbij verzoeker namens zijn minderjarige dochter Joyce om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.