- Decision du 27 novembre 2012

27/11/2012 - M10-7-1215

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...)

I. Feiten

Vonnis van 11 maart 2009:

"Beklaagde verklaarde aan de verbalisanten op 21.10.2007 dat hij zelf op 20.10.2007 getelefoneerd had naar X. Iris om te vragen of ze naar zijn thuis wou komen. Onmiddellijk nadat zij toekwam hebben ze geslachtsbetrekking gehad. Hij verklaarde verder: "Ik ben hier vrij ruw bij geweest, waarmee ik bedoel dat het wat uit de hand gelopen is. Ik had namelijk stevig gedronken en was zat. Op een bepaald ogenblik heeft Iris inderdaad gevraagd om te stoppen en heeft ze duidelijk gezegd dat ze pijn had, maar we hebben toch nog geslachtsbetrekkingen gehad omdat ik niet onmiddellijk gestopt ben.".

De objectieve vaststellingen uit het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting, onder meer de verklaring van beklaagde zelf, de verklaring van W. Nour, de vaststellingen van de verbalisanten, het verslag van gynaecologe A. C. (seksuele agressie set), ondersteunen de verklaring van het slachtoffer X. Iris dat er geen geldige toestemming was en dat zij op brutale wijze verkracht werd door beklaagde. Het is duidelijk dat de verwondingen van het slachtoffer tijdens de feiten werden toegebracht.

De schuld van beklaagde aan de hem ten laste gelegde feiten, zoals omschreven in de dagvaarding, is bewezen door het vooronderzoek en het onderzoek ter terechtzitting."

II. Verloop gerechtelijke procedure

II-1. Bij vonnis dd. 11 maart 2009 van de correctionele rechtbank te ... werd Ossama Z. (° 1979) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden en een geldboete van euro 200 wegens de bewezen geachte tenlastelegging:

" Verdacht van: te ..., op 20 oktober 2007

De misdaad van verkrachting te hebben gepleegd, zijnde elke daad van seksuele penetratie van welke aard en met welk middel ook, gepleegd op een persoon die daar niet in toestemt, wanneer met name de daad is opgedrongen door middel van geweld, dwang of list of mogelijk is gemaakt door een onvolwaardigheid of een lichamelijk of een geestelijk gebrek van het slachtoffer, de misdaad gepleegd zijnde op de persoon van een minderjarige boven de volle leeftijd van zestien jaar, met name op X. Iris, geboren te ... op ../../1991."

II-2. Op burgerlijk gebied werden bij zelfde vonnis de volgende bedragen toegekend:

- euro 4.000 meer de intresten aan X. Patrick - Y. Vonnie q.q. hun (op dat ogenblik) minderjarige dochter X. Iris;

- euro 1.000 meer de intresten aan X. Patrick in eigen naam;

- euro 1.000 meer de intresten aan Y. Vonnie in eigen naam.

Zowel de burgerlijke partijen, de veroordeelde als het O.M. stelden hoger beroep in tegen het vonnis.

II-3. Bij arrest dd. 2 maart 2010 van het Hof van Beroep te ... werd, op strafgebied, het bestreden vonnis bevestigd, behoudens de enkele wijziging dat Z. niet meer veroordeeld werd tot de geldboete van euro 200.

II-4. Op burgerlijk gebied wijzigde dit arrest het vonnis als volgt:

" Veroordeelt beklaagde Ossama Z. om te betalen aan Patrick X. en, Vonnie Y. in eigen naam de som van euro 750 per persoon en aan Iris X. de som van euro 2.000. Deze bedragen zijn te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 20 oktober 2007 en met de gerechtelijke intresten vanaf heden.

Veroordeelt beklaagde Ossama Z. om te betalen als rechtsplegingsvergoedingen aan:

- X. Patrick in eigen naam: eerste aanleg: 400 euro - beroep: 400 euro

- Y. Vonnie in eigen naam: eerste aanleg: 400 euro - beroep: 400 euro

- X. Patrick en Y. Vonnie in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers: eerste aanleg : 400 euro

- X. Iris in eigen naam: beroep: 400 euro. "

De motivering luidt: "De burgerlijke vorderingen zijn ontvankelijk en deels gegrond zoals hierna bepaald.

Vorderingen namens X. Iris:

De kosten die betrekking hebben op de tijdelijke werkonbekwaamheid, revalidatie en verlies van een schooljaar zijn af te wijzen bij gebrek aan een zeker en vaststaand oorzakelijk verband tussen deze schadeposten en het bewezen verklaarde feit zoals hoger reeds uiteengezet.

De morele schade kan worden toegekend, nu het vaststaat dat het bewezen verklaarde feit een moreel leed heeft veroorzaakt in hoofde van het slachtoffer, doch dient ex aequo et bono herleid te worden tot 2.000 euro. "

Dit arrest verwierf kracht van gewijsde (attest griffie).

III. Financiële middelen en mogelijkheden tot schadeloosstelling

III-1. In een brief dd. 28 mei 2010 deelt de raadsman van de veroordeelde mee dat zijn cliënt "nog steeds gedetineerd en volkomen insolvabel is. Alle kosten die u maakt zijn zinloze kosten."

III-2. Op 3 januari 2011 ging rechtsbijstandverzekeraar ETHIAS over tot vergoeding van euro 2.000 aan verzoekster in persoon op grond van de waarborg ‘speciale tegenverzekering'.

IV. Begroting van de schade door verzoekster

Verzoekster vroeg op 27 oktober 2010 een hulp van euro 2.400

- morele schade euro 2.000

- RPV (hoger beroep ingediend in eigen naam) euro 400

Op 3 januari 2011 ging rechtsbijstandverzekeraar ETHIAS over tot vergoeding van euro 2.000 aan verzoekster in persoon op grond van de waarborg ‘speciale tegenverzekering'.

Op rechtszitting van 30 maart 2011 van de Commissie breidde zij haar vordering uit tot een niet nader begrote hulp, stellende dat haar reële schade een grotere omvang had dan zoals bepaald bij de afhandeling van de burgerlijke belangen.

V. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

Gelet op het subsidiariteitsbeginsel, dat vervat ligt in artikel 31bis, § 1, 5° van voormelde wet, dient de Commissie bij de toekenning van het hulpbedrag rekening te houden met de door de verzoekster genoten verzekeringstussenkomst.

Na aftrek van de tussenkomst door rechtsbijstandverzekeraar ETHIAS ad euro 2.000 zou het resterend saldo van de hulpaanvraag nog euro 400 belopen en dus onder de wettelijke minimumdrempel van euro 500 (art. 33, § 2, van de wet) komen te liggen.

Op de rechtszitting d.d. 30 maart 2011 verklaarde verzoekster echter dat zij recentelijk opnieuw met psychische problemen te kampen had, die in oorzakelijk verband met de feiten stonden, waarvoor zij gedurende twee maanden diende opgenomen te worden in het Virga Jesseziekenhuis te .... Zij stelde dat haar morele schade wezenlijk groter is dan zoals begroot bij de afhandeling van de burgerlijke belangen.

Teneinde zich een nauwkeurig beeld te kunnen vormen van de door verzoekster opgelopen letsels en de impact ervan, achtte de Commissie het aangewezen om de Gerechtelijk-geneeskundige Dienst op grond van artikel 34bis van de Wet van 1 augustus 1985 te belasten met een medisch onderzoek. Verzoekster verklaarde zich tijdens het zittingsverloop akkoord met de aanwijzing van deze geneeskundige dienst, dewelke bij beslissing dd. 29 april 2011 van de Commissie in werking werd gesteld.

Op 13 december 2011 deelde de Gerechtelijk-geneeskundige Dienst mee: "Dossier kan niet worden afgewerkt wegens het ontbreken van de essentiële medische verslagen betreffende de ziekenhuisopname en behandeling."

Op zelfde datum schreef het secretariaat (de raadsman van) verzoekster aan hoe het nu verder moest. Daarop volgde geen reactie, evenmin op de herinneringsbrief van 13 maart 2012. Op 8 oktober 2012 werd zowel verzoekster als haar raadsman uitgenodigd om de rechtszitting van 24 oktober 2012 bij te wonen waarbij beiden gewezen werden op de wenselijkheid van hun aanwezigheid. Op 19 oktober 2012 deelde de raadsman mee dat haar cliënte had meegedeeld "geen verdere aanspraken ten overstaan van de Commissie te laten gelden. Met dezelfde post heb ik haar gevraagd om dit persoonlijk aan uw diensten te laten weten door middel van een brief. Ik zal alleszins niet verschijnen voor uw Commissie omdat voor mij het dossier werd afgesloten op 29 februari j.l. ". In een later telefonisch contact deelde deze raadsman mee dat haar cliënte niet naar de zitting zou komen. De afwezigheid van beiden werd effectief vastgesteld op zitting van 24 oktober 2012. Het persoonlijk schrijven waarin verzoekster gebeurlijk afstand zou doen (zoals haar raadsman haar had aanbevolen), werd niet bekomen waardoor geen toepassing kan vinden van artikel 27 van het koninklijk besluit van 18 december 1986.

Aangezien verzoekster er nog steeds in faalt om de uitbreiding van haar hulpaanvraag op gedetailleerde wijze te begroten bij gebrek aan medische gegevens ter objectivering van de werkelijk geleden schade, waardoor de Commissie genoodzaakt is om voort te gaan op de stukken van het dossier waaruit blijkt dat verzoekster schadeloos gesteld werd voor de bewezen schade door haar verzekeraar, komt zij in deze omstandigheden tot de bevinding dat het verzoek ongegrond is.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk doch ongegrond.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 27 november 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN P. DE SMET

Mots libres

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 27 oktober 2010 waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.