- Arrêt du 9 mai 2011

09/05/2011 - 2000AR1427

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Geïndexeerde rente : Het hof is van oordeel dat de door geïntimeerde voorgestelde geïndexeerde rente in dit geval de meest integrale vorm van schadevergoeding is.

De geïndexeerde rente is de meest volledige vorm van schadevergoeding wanneer een slachtoffer periodiek de huishoudelijke arbeid, in de vorm van geleverde huishoudelijke hulp door derden dient te betalen.

Deze vorm van vergoeding houdt in dat het slachtoffer in de toekomst en gedurende de volledige periode waarin de vergoedbare nood bestaat een geïndexeerd bedrag ontvangt. Het voordeel van deze vergoeding voor het slachtoffer is dat de ontvangen vergoeding dichter aansluit bij zijn economische toestand en precies de realiteit van de hulpbehoevendheid volgt.

Het eerste maandbedrag is betaalbaar een maand na de uitspraak en jaarlijks indexeerbaar met inachtneming van de evolutie van de gezondheidsindex (indexcijfer - basis 2004: 100 en op 1 april 2011: 115,39).

Economische waarde huishouden tijdens hospitalisatie : appellant was alleenstaande en verbleef in totaal 201 dagen in het hospitaal en het revalidatiecentrum. Gedurende die periode vielen een aantal huishoudelijke taken weg Het hof is van oordeel dat de economische waarde huishouden voor die periode aan een lager dagbedrag dient vergoed te worden en stelt de dagvergoeding vast op euro 10.

B.I. : Het hof is van oordeel dat blijvende invaliditeit (B.I.) impliceert dat geen blijvende arbeidsongeschiktheid (B.A.O.) weerhouden werd, nu appellant ook vóór het ongeval omwille van zijn psychiatrische aandoening niet meer ter beschikking stond van de arbeidsmarkt.

Geen verdiscontering: De vergoeding van de toekomstige uitgaven voor krukken maakt in regel een vervroegde betaling uit. Deze moet niet worden verdisconteerd omdat de nominale kostprijs van de vervangingsuitgaven noodzakelijkerwijze zal stijgen door de onvermijdelijke munterosie over zulk een lange periode.

Vergoedende intrest :Wat de vergoedende interest betreft, biedt geïntimeerde gemakkelijkheidshalve aan te betalen aan een rentevoet van 5%.

Het hof kan - gelet op het principe: de schade vergoeden maar niet meer dan de schade - geen rentevoet toekennen van 5% vanaf 1 januari 2010. De wettelijke rente voor het jaar 2010 bedroeg slechts 3,25% en voor het jaar 2011 3,75%. Om die reden wordt voor het jaar 2010 en 2011 de vergoedende interest respectievelijk gerekend aan 3,25% en 3,75%.


Arrêt - Texte intégral

Nummer:

Rep.: 2011/4509

Zitting van:

9 MEI 2011

eindarrest

Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, EERSTE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen:

inzake: 2000/AR/1427

J. B.

A P P E L L A N T

tegen een vonnis gewezen door de 13e B kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 14 februari 2000, aldaar gekend onder nr. A.R. 95/306/A;

ter terechtzitting van 7 maart 2011 vertegenwoordigd door mr.

tegen: O C MW

G E I N T I M E E R D E

Gelet op het tussenarrest van deze kamer van dit hof van 29 april 2002 waarbij:

- het hoger beroep en het incidenteel beroep werden ontvangen;

- vooraleer verder recht te doen dr. B. Van Noten als deskundige werd aangesteld;

- de zaak in afwachting naar de bijzondere rol werd verwezen en de uitspraak over de kosten werd aangehouden.

Gelet op het deskundigenverslag van dr. B. Van Noten, neergelegd ter griffie van dit hof op 25 maart 2003.

Gelet op het arrest van het Hof van Cassatie van 23 maart 2006, waarbij het cassatieberoep tegen voormeld tussenarrest werd ver-worpen.

Gelet op de beschikking van de voorzitter van deze kamer van dit hof van 19 februari 2008 gegeven in toepassing van artikel 747 §2 Ger.W.

Gelet op de beschikking van de voorzitter van de Vak 3 kamer van dit hof van 7 augustus 2009, gegeven in toepassing van artikel 747 §2 Ger.W.

Gelet op de herneming van de zaak wegens de gewijzigde samenstelling van de zetel.

Wat voorafging

Bij gedinginleidend exploot van 22 februari 1995 werd geïntimeerde door appellant gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen teneinde hem te horen veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de schade die appellant had opgelopen toen hij op 25 december 1993 in een bewaakte dagzaal in de dienst psychiatrie van het algemeen ziekenhuis S. te A., waar hij was opgenomen, in verdwazing door een openstaand raam naar be-neden was gesprongen.

Geïntimeerde stelde een tegenvordering in tot het bekomen van betaling van de verplegings- en verzorgingskosten tot beloop van

euro 1.956,47 en nadien uitgebreid tot euro 2.318,05.

De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen heeft bij vonnis van 14 februari 2000 de hoofdvordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Er werd niet geoordeeld over de tegenvordering.

Appellant stelde tegen voormeld vonnis hoger beroep in.

Door geïntimeerde werd er incidenteel beroep ingesteld voor zover geen recht werd gedaan over de tegenvordering.

Bij tussenarrest van deze kamer van dit hof van 29 april 2002 werd op hoofdvordering gezegd dat geïntimeerde er toe gehouden was appellant te vergoeden voor de schade die hij geleden heeft door de fouten begaan door het personeel van het algemeen ziekenhuis Stuivenberg, voor dewelke geïntimeerde dient in te staan, en een deskundigenonderzoek werd bevolen om de schade te ramen.

Tegen dit arrest werd cassatieberoep ingesteld, dat bij arrest van het Hof van Cassatie van 23 maart 2006 werd verworpen.

De vorderingen van partijen na het tussenarrest van 29 april 2002

Appellant vordert:

- geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een bedrag van

euro 1.014.741,50 (hoofdsom: euro 697.280,40 vermeerderd met de vergoedende interest: euro 317.461,14) te vermeerderen met de gerechtelijke interest vanaf de datum van het arrest;

- geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: euro 11.000).

Verder vraagt appellant hem voorbehoud te verlenen voor de kosten van aanpassing appartement indien deze mogelijk is of ten aanzien van de meerkost indien die aanpassing niet mogelijk is.

Geïntimeerde vraagt de geactualiseerde vordering toelaatbaar en gegrond te verklaren als volgt:

A. tijdelijke invaliditeit

a. morele schade: euro 13.153,24

b. economische waarde huishoudelijke arbeid: euro 9.257,50

c. hulp van derden: provisioneel: euro 1,00

B. blijvende invaliditeit

a. vergoeding per punt: euro 52.500,00

economische waarde huishoudelijk arbeid /

hulp van derden: geïndexeerde rente

b. seksuele schade: euro 5.000,00

c. esthetische schade: euro 5.000,00

C. materiële schade

a. administratieve kosten: euro 125,00

D. medische kosten

incontinentiemateriaal: euro 5.948,88

euro 1.098,00

aanpassingen appartement: euro 1.083,86

automatische versnellingsbak: provisioneel: euro 1,00

rolstoel: provisioneel: euro 1,00

matrasbeschermers: euro 45,86

speciale matras tegen doorlig: euro 860,19

knie- en beenbeschermers: provisioneel: euro 1,00

orthopedische schoenen, steunzolen

en hielkussens: provisioneel: euro 1,00

podologie: provisioneel: euro 1,00

medicatie: provisioneel: euro 1,00

alle bedragen te verhogen met de positieve vergoedende interest vanaf de gemiddelde datum, met uitzondering van de blijvende invaliditeit en de esthetische schade vanaf de consolidatiedatum, aan een rentevoet van 5%, doch te verminderen met de betaalde provisies van euro 50.000 op 30 september 2007, van euro 50.000 op 15 augustus 2008 en van euro 50.000 op 15 september 2010, meer de negatieve te verrekenen interest.

Beoordeling

Over de hoofdvordering

Bij tussenarrest van 29 april 2002 werd de aansprakelijkheid van geïntimeerde reeds aanvaard.

De zaak heeft thans betrekking op de verdere afwikkeling van de schade-eis na deskundigenonderzoek.

Op grond van artikel 1315, eerste lid B.W. en artikel 870 Ger.W. rust in principe op de benadeelde het bewijs van het bestaan en de omvang van de schade.

De begroting dient te geschieden op het ogenblik van de uitspraak.

Voorafgaandelijk:

- i.v.m. betaalde provisies

Het hof stelt vast dat niet wordt betwist dat drie provisies van telkens euro 50.000 door Ethias Verzekeringen, verzekeraar van geïntimeerde, aan appellant werden betaald.

- i.v.m. rentevoet vergoedende interest

Wat de vergoedende interest betreft, biedt geïntimeerde gemakkelijkheidshalve aan te betalen aan een rentevoet van 5%. Appellant daarentegen vraagt vergoedende interest aan de wettelijke rentevoet, die sinds een programmawet van 27 december 2006 fluctueert.

Vergoedende interest maakt inherent deel uit van de schade-vergoeding die tot herstel van de door de contractuele wanprestatie veroorzaakte schade wordt toegekend en vergoedt de bijkomende schade die voortvloeit uit de uitgestelde betaling van de vergoeding waarop de benadeelde op de datum van de schade recht had.

Ze vormt meer bepaald een aanvullende vergoeding tot

herstel van de schade die uit de muntontwaarding én de uit-gestelde betaling is ontstaan (vgl. Cass. 20 februari 2004, http://www.cass.be (16 april 1994); Cass. 22 oktober 2003, R.G.A.R. 2004, afl. 6, nr. 13.885).

De gevorderde forfaitaire schadebedragen (zie verder) werden hier geactualiseerd. Daaruit volgt dat de vergoedende interest moet worden toegekend aan 5% op de aan de inflatie aangepaste bedragen.

Het hof kan - gelet op het principe: de schade vergoeden maar niet meer dan de schade - geen rentevoet toekennen van 5% vanaf 1 januari 2010. De wettelijke rente voor het jaar 2010 bedroeg slechts 3,25% en voor het jaar 2011 3,75%. Om die reden wordt voor het jaar 2010 en 2011 de vergoedende interest respectievelijk gerekend aan 3,25% en 3.75%.

- i.v.m. verdere onderzoeken door medische expert

Het hof neemt nota van de verklaring van appellant dat - subsidiair - hij geen bezwaar heeft tegen het uitvoeren van verdere onderzoeken, zoals gesteld wordt door geïntimeerde in conclusies, maar dat hij meent dat het causaal verband tussen de door hem gevorderde bedragen en het ongeval duidelijk blijkt uit het deskundigenverslag. Hij acht verdere onderzoeken weinig zinvol.

A. tijdelijke invaliditeit

a. morele schade

In dit verband maakt appellant aanspraak op een bedrag van

euro 19.847,50 terwijl geïntimeerde deze vergoeding raamt op

euro 13.153,24.

Voor deze schade wordt de vergoeding berekend op basis van een dagforfait en het percentage fysische invaliditeit, zoals door de deskundige als volgt in het deskundigenverslag vastgesteld:

van 25 december 1993 tot en met 24 december 1994 aan 100%

van 25 oktober (bedoeld wordt: december) 1994 tot en met 24 december 1995 aan 80%

De morele schade omvat de normale pijn en alle courante ongemakken als gevolg van de vastgestelde letsels. Deze schade wordt billijk vergoed aan een geactualiseerd bedrag van euro 31 per gewone dag hospitalisatie en euro 25 per dag zonder hospitalisatie (aan 100%).

Appellant toont niet dat er tijdens de hospitalisatie sprake was van uitzonderlijk hevige pijnen. In het deskundigenverslag wordt daarvan geen gewag gemaakt.

De morele schade wordt vastgesteld als volgt:

van 25 december 1993 tot 21 maart 1994 in de afdeling Orthopedie van het S., hetzij een hospitalisatieperiode van 87 dagen aan euro 31 per dag (100%) = euro 2.697

van 22 maart 1994 tot een niet-bepaalde en niet-bewezen periode in de revalidatie-instelling G., hetzij een revalidatie, waarvan het hof - zoals geïntimeerde aanbiedt - 36 dagen aanvaardt d.w.z. tot 27 april 1994 - aan euro 31 per dag (100%) = euro 1.116

van 28 april 1994 tot 24 december 1994, hetzij 242 dagen aan euro 25 = euro 6.050

van 25 december 1994 tot 7 april 1995, hetzij 104 dagen aan euro 20 (80% van euro 25) = euro 2.080

In de loop van 1995 heeft appellant blijkens het deskundigenverslag (p. 11) een aantal heelkundige ingrepen ondergaan op de bekkenkam links, samen met een plastische ingreep op de beide billen, plaatsen van siliconen en ook een ingreep op het tracheotomielitteken. Daarvoor was er een noodzaak aan hospitalisatie.

Van 8 april 1995 tot 25 april 1995 (hospitalisatie): 18 dagen aan euro 24,80 per dag (80% van euro 31) = euro 446,40.

Van 26 april 1995 tot 26 juli 1995: 92 dagen aan euro 20 (80% van euro 25) per dag = euro 1.840.

Van 27 juli 1995 tot 9 augustus 1995 (hospitalisatie): 14 dagen aan euro 24,80 (80% van euro 31) = euro 347,20.

Van 10 augustus 1995 tot 18 augustus 1995: 8 dagen aan euro 20 (80% van euro 25) per dag = euro 160.

Van 19 augustus 1995 tot 21 augustus 1995: 3 dagen (hospitalisatie) aan euro 24,80 (80% van euro 31) = euro 74,40.

Van 22 augustus 1995 tot 3 oktober 1995 (hospitalisatie): 43 dagen aan euro 24,80 (80% van euro 31) = euro 1.066,40.

Van 4 oktober 1995 tot 24 december 1995: 82 dagen aan euro 20 (80% van euro 25) = euro 1.640.

De totale "morele schade" bedraagt: euro 2.697 + euro 1.116 +

euro 6.050 + euro 2.080 + euro 446,40 + euro 1.840 + euro 347,20 + euro 160 + euro 74,40 + euro 1.066,40 + euro 1.640 = euro 17.517,40 te vermeerderen met de vergoedende interest aan 5% vanaf de gemiddelde datum, d.i. 25 december 1994 tot 31 december 2009 en vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet tot de datum van betaling.

b. economische waarde huishoudelijke arbeid

Appellant vordert euro 11.497,50 vergoeding voor verlies van de economische waarde van zijn huishoudelijke arbeid overeenkomstig de bedragen van de indicatieve tabel.

Geïntimeerde aanvaardt het principe van deze schadepost en het gehanteerde tarief behoudens voor de periodes van hospitalisatie.

Verminderd met de hospitalisatieperiodes stelt geïntimeerde een bedrag van euro 9.257,50 voor, met dien verstande dat geïntimeerde argumenteert dat wanneer geopteerd wordt voor de post "hulp van derden" de schadepost "economische waarde huishoudelijke arbeid" komt te vervallen.

Het standpunt van geïntimeerde - geen vergoeding voor verlies huishoudelijke waarde tijdens de hospitalisatieperiode - kan niet gevolgd worden. Ook tijdens het ziekenhuisverblijf is het vermogen om huishoudelijke taken te vervullen aangetast.

Wel wordt rekening gehouden met de concrete situatie van de schadelijder.

In dit geval was appellant alleenstaand.

Ook was door zijn invaliditeit vóór het schadegeval zijn geschiktheid om huishoudelijke taken te doen al aangetast, wat blijkt uit het medisch expertiseverslag.

Appellant verbleef in totaal 201 dagen in het hospitaal en het revalidatiecentrum. Gedurende die periode vielen een aantal huishoudelijke taken weg (o.a. boodschappen doen, koken e.d. dienden niet te gebeuren).

Het hof is van oordeel dat de economische waarde huishouden voor die periode aan een lager dagbedrag dient vergoed te worden en stelt de dagvergoeding vast op euro 10.

Het hof kent 201 dagen hospitalisatie en revalidatie x euro 10 toe = euro 2.010.

Voor de overige periodes economisch verlies huishouden - of anders gedefinieerd hulp van derden voor de taken in het huishouden - dient er forfaitair te worden vergoed aan een dagbedrag van euro 17,50 (zonder kinderlast):

van 28 april 1994 tot 24 december 1994, hetzij 242 dagen aan euro 17,50 per dag = euro 4.235

van 25 december 1994 tot 7 april 1995, hetzij 104 dagen aan euro 14 per dag (80%) euro 17,50 = euro 1.456

van 26 april 1995 tot 26 juli 1995: 92 dagen aan euro 14 per dag (80% van euro 17,50) = euro 1.288

van 10 augustus 1995 tot 18 augustus 1995: 8 dagen aan

euro 14 per dag (80% van euro 17,50) = euro 112

van 4 oktober 1995 tot 24 december 1995 : 82 dagen aan euro 14 per dag (80% van euro 17,50) = euro 1.148

In totaal is appellant voor "economische waarde huishoudelijke arbeid" gerechtigd op een bedrag van euro 2.010 + euro 4.235 + euro 1.456 + euro 1.288 + euro 112 + euro 1.148 = euro 10.249

te vermeerderen met de vergoedende interest aan 5% vanaf de gemiddelde datum, d.i. 25 december 1994 tot 31 december 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet tot de datum van betaling.

c. hulp van derden

Appellant houdt voor dat het hier om andere schade gaat, ingevolge een verlies aan zelfredzaamheid.

Appellant vordert vanaf de datum van het ongeval - 25 december 1993 - tot de consolidatiedatum (25 december 1995): euro 10 x (15 uur per week, hetzij 2,14 uur per dag) x 731 dagen = euro 15.643,40.

Uit het deskundigenverslag blijkt niet dat geïntimeerde niet zelfredzaam was, in de zin van zich niet kunnen aankleden, voeden, wassen e.d.

Het verlies aan autonomie werd door de geneesheer-deskun-dige niet beschreven.

In het deskundigenverslag (p. 12) wordt de hulp van derden weliswaar geraamd op "15 uur per week, 8 uur per week familiehulp door een organisatie, 7 uur per week door familie en kennissen" maar dit kadert in de zin van hulp bij het verrichten van het huishoudelijk werk, waarvoor onder punt b. een forfaitaire dagvergoeding wordt toegekend.

B. blijvende invaliditeit

Appellant vraagt een gemengde vergoeding per percentage invaliditeit, waarbij het materieel en moreel onderdeel vermengd zijn, overeenkomstig de bedragen bepaald in de indicatieve tabel 2008, of een bedrag van euro 115.500 ( euro 1.925 x 60%). Hij vraagt hierop vergoedende interest vanaf de consolidatiedatum, 25 december 1995, tot de datum van het arrest.

Geïntimeerde vraagt om enkel de morele schade toe te kennen op basis van 60% invaliditeit.

a. blijvende invaliditeit (B.I.)

De medische expert maakt gewag van 60% B.I. met consolidatiedatum 25 december 1995, met de motivering: "ook vòòr het ongeval stond de heer B. niet ter beschikking van de arbeidsmarkt en er waren geen aanwijzingen dat hij terug op de arbeidsmarkt zou geraken".

Het hof is van oordeel dat blijvende invaliditeit (B.I.) impliceert dat geen blijvende arbeidsongeschiktheid (B.A.O.) weerhouden werd, nu appellant ook vóór het ongeval omwille van zijn psychiatrische aandoening niet meer ter beschikking stond van de arbeidsmarkt.

Uit het expertiseverslag blijkt immers dat appellant sinds ... aan een zwaar invaliderende psychiatrische aandoening lijdt. Hij is door het RIZIV invalide verklaard voor het kwestieuze ongeval en genoot al invaliditeitsuitkeringen voor het ongeval, namelijk vanaf 1 januari 19...

In die omstandigheid is er geen materiële schade te vergoeden, maar alleen maar morele schade.

Terecht meent geïntimeerde dat alleen de morele schade in aanmerking komt voor vergoeding.

Appellant kan dan ook niet worden gevolgd waar hij stelt dat hij op het ogenblik van het ongeval nog steeds een economisch potentieel had.

De blijvende invaliditeit wordt hier vergoed door toekenning van een vergoeding vastgesteld op basis van een forfaitair bedrag per percentage van invaliditeit.

Op datum van de consolidatie was appellant 33 jaar oud.

De vermengde vergoeding per punt bedraagt euro 1.925.

In dit verband kan aan appellant worden toegekend een forfaitaire vergoeding per punt van de helft van euro 1.925 als morele schade, nl. euro 1.925 : 2 x 60% = euro 57.750

te vermeerderen met de vergoedende interest aan 5% vanaf de consolidatiedatum 25 december 1995 tot 31 december 2009, en vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf die datum de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet tot de datum van betaling.

b. blijvende aantasting economische waarde huishoudelijke arbeid

Voor de berekening van deze schade moet een onderscheid worden gemaakt tussen geleden schade (tot aan de datum van de uitspraak) en de toekomstige schade (vanaf de datum van de uitspraak).

economische waarde huishoudelijke arbeid vanaf consolidatie 25 december 1995 tot de datum van het arrest:

Als het niet of gedeeltelijk kunnen verrichten van huishoudelijk werk het gevolg is van het schadeverwekkende feit en een behoefte in het huishouden doet ontstaan wordt de schade vergoed.

Appellant vraagt voor het verleden een bedrag van

euro 58.957,50.

Het hof kent in dit verband de volgende vergoeding toe:

van 25 december 1995, datum consolidatie, tot 9 mei 2011 (60%) 5.615 dagen aan euro 10,50 (60% van euro 17,50) =

euro 58.957,50 te vermeerderen met de vergoedende interest aan 5% vanaf de gemiddelde datum 8 mei 2003 tot 31 december 2009, en vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75%.

economische waarde huishoudelijke arbeid voor de toekomst:

Appellant vraagt 60% van euro 17,50 x 365 dagen = euro 3.832,50 per jaar, gekapitaliseerd aan 3% x 20,78436 (appellant is op 9 mei 2011 48 jaar oud) = euro 79.656.

Geïntimeerde stelt in hoofdorde een geïndexeerde rente voor.

Zij houdt voor dat kapitalisatie de uitzondering is, vermits er geen reden is om een schade te vergoeden die zich nog niet gerealiseerd heeft.

Het hof is van oordeel dat de door geïntimeerde voorgestelde geïndexeerde rente in dit geval de meest integrale vorm van schadevergoeding is.

De geïndexeerde rente is de meest volledige vorm van schadevergoeding wanneer een slachtoffer periodiek de huishoudelijke arbeid, in de vorm van geleverde huishoudelijke hulp door derden dient te betalen.

Deze vorm van vergoeding houdt in dat het slachtoffer in de toekomst en gedurende de volledige periode waarin de vergoedbare nood bestaat een geïndexeerd bedrag ontvangt. Het voordeel van deze vergoeding voor het slachtoffer is dat de ontvangen vergoeding dichter aansluit bij zijn economische toestand en precies de realiteit van de hulpbehoevendheid volgt.

Door een geïndexeerde rente toe te kennen verkrijgt appellant een vergoeding die zijn schade dekt, hoe lang hij ook moge leven.

Om appellant in staat te stellen in de toekomst deze last te dragen, dient aan hem maandelijks, zolang appellant in leven is, te worden toegekend: 60% van de dagvergoeding of euro 315 per maand.

Het eerste maandbedrag is betaalbaar een maand na de uitspraak en jaarlijks indexeerbaar met inachtneming van de evolutie van de gezondheidsindex (indexcijfer - basis 2004: 100 en op 1 april 2011: 115,39).

Het hof houdt hierbij rekening met de laatst gepubliceerde gezondheidsindex - die van de maand april 2011 - voorafgaand aan de uitspraak.

c. hulp van derden

voor de periode consolidatiedatum 25 december 1995 - datum van het arrest

Appellant houdt voor dat hij minstens 15 uur per week hulp van derden nodig heeft en hij meent dat er rekening moet gehouden worden met een vergoeding van euro 10 per uur.

Voor de periode vanaf de consolidatiedatum, 25 december 1995, tot 9 mei 2011 vraagt hij euro 120.161.

Uit het deskundigenverslag blijkt niet dat appellant niet zelfredzaam was, in de zin van zich niet te kunnen aankleden, voeden, wassen e.d.

Het hof stelt vast dat het verlies aan autonomie door de geneesheer-deskundige niet beschreven werd.

In het deskundigenverslag (p. 12) wordt de hulp van derden weliswaar geraamd op "15 uur per week, 8 uur per week familiehulp door een organisatie, 7 uur per week door familie en kennissen" maar het hof is van oordeel dat dit - net zoals bij de tijdelijke ongeschiktheid - kadert in de zin van hulp bij het verrichten van het huishoudelijk werk, waarvoor onder punt b. een forfaitaire dagvergoeding wordt toegekend.

De in dit verband gevorderde schadevergoeding wordt niet toegekend.

voor de toekomst, na de datum van de uitspraak

Appellant stelt dat de kosten van gezins- en poetshulp minstens euro 10 per uur bedragen en hij vraagt een vergoeding van euro 162.346,64 (hij is 48 jaar in 2011, gekapitaliseerd aan 3%, coëfficiënt 20,78436, gevorderd bedrag per jaar: euro 7.811).

Het verlies aan autonomie wordt niet beschreven. Er is voor deze post geen schadevergoeding verschuldigd.

d. seksuele schade

Deze post wordt door geïntimeerde als zodanig niet betwist. Geïntimeerde begroot deze post op euro 5.000, terwijl appellant in dit verband aanspraak maakt op euro 20.000.

De deskundige heeft gesteld dat er afname is van de seksuele functies en heeft deze schade ‘matig tot zwaar' geraamd (p. 12 deskundigenverslag).

Op het ogenblik van het ongeval was appellant nog jong. Voor het verlies van het genot van een seksleven en het verlies van de zekerheid van een nageslacht dient ex aequo et bono de vergoeding te worden bepaald op euro 7.500

te vermeerderen met de vergoedende interest aan 5% vanaf de datum van het ongeval tot 31 december 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van de uitspraak en vanaf de datum van het arrest vermeerderd met de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet.

e. esthetische schade

Overeenkomstig de indicatieve tabel vordert appellant een bedrag van euro 7.250, meer de vergoedende interest vanaf de datum van het ongeval, 25 december 1993.

Geïntimeerde stelt euro 5.000 voor, nu niet duidelijk is of operatielittekens in het dagelijkse leven zichtbaar zijn.

De deskundige beschrijft op p. 10 van zijn verslag de esthe-tische schade en zegt op p. 12 over deze esthetische schade: "globaal 4, 5 / 7 of matig tot zwaar".

Het hof houdt rekening met de leeftijd van appellant, met de vastgestelde letsels, o.a. de dropvoet parese van de linkervoet en met de evaluatie op de zevendelige schaal.

Het hof is van oordeel dat esthetische schade ook dient toegekend te worden voor de functionele stoornis, zoals de verplaatsing met krukken.

Het hof kent appellant in redelijke billijkheid een vergoeding toe van euro 7.250.

Op dit forfaitaire bedrag loopt de vergoedende interest vanaf de consolidatiedatum en niet vanaf de datum van het ongeval. Het hof houdt hierbij rekening met de duur, met het gegeven dat verbetering van de toestand van appellant uitgesloten is en met de vaststelling dat de schade zeker en vergoedbaar is.

Dit bedrag is te verhogen met de vergoedende interest aan 5% vanaf de datum van de consolidatie, 25 december 1995, tot 31 december 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van de uitspraak, en vanaf dan de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet tot de datum van de effectieve betaling.

f. verlies van een hobby

Volgens appellant deed hij voor het ongeval aan powertraining. Deze is volgens deskundige (p. 13 van zijn verslag) door het ongeval volledig onmogelijk geworden.

Er ligt geen bewijs voor dat appellant voorafgaandelijk het ongeval aan powertraining deed.

De brief van de vorige raadsman van appellant van 6 februari 2003 aan de deskundige in dit verband vormt uiteraard geen bewijs.

Bovendien staat in het deskundigenverslag te lezen - op p. 5 - dat appellant niet meer aan sport deed sedert 1993.

Deze schadepost dient te worden verworpen.

C. materiële kosten

a. administratiekosten

Deze post ten bedrage van euro 125 wordt niet betwist. Ze kan worden toegekend, te vermeerderen met de vergoedende interest aan 5% vanaf de gemiddelde datum, 25 december 1994 tot 31 december 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan vermeerderd met de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet.

b. kledijschade

De beschadiging blijkt uit de opgelopen verwondingen en de ernst van het ongeval. Gelet op de onmogelijkheid van een ander wijze van begroting wordt de omvang van de kledijschade ex aequo et bono begroot op euro 125, meer de vergoedende interesten aan 5% vanaf de datum van het ongeval tot 31 december 2009 en vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf de datum van het arrest vermeerderd met de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet.

c. verplaatsingskosten

Appellant vordert in dit verband een vergoeding van euro 390,61.

Geïntimeerde stelt dat niet bewezen wordt dat verplaatsingen in oorzakelijk verband staan met het ongeval, en dat facturatie zich situeert na de consolidatiedatum.

Onder stuk 3 legt appellant de facturen en rekeningen voor dewelke hij heeft betaald.

De factuur d.d. 21 augustus 1995 - vervoer naar de fase

D.: - dit bedrag, betaald vóór de consolidatiedatum, kan worden aanvaard.

Het hof kent euro 47,10 (1.900 BEF) verplaatsingskosten toe, nu dit de enige verplaatsingskosten zijn die gemaakt werden vóór de consolidatiedatum, 25 december 1995, te vermeerderen met de vergoedende interest aan 5% vanaf de datum van betaling 7 september 1995 tot 31 december 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan vermeerderd met de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet.

De andere voorgelegde bewijzen dateren van na de consolidatiedatum en staan niet in oorzakelijk verband met het ongeval van 25 december 1993.

d. plastische ingreep

Volgens het deskundigenverslag op p. 11 werd heelkundig ingegrepen op de bekkenkam links samen met een plastische ingreep op de beide billen, plaatsen van siliconen, ook ingreep op het tracheotomielitteken aan de hals in de loop van 1995. De medische expert beschrijft op p. 8 dat er in een Nederlands ziekenhuis één nacht hospitalisatie is geweest.

Uit de opgave van prestaties van het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten blijkt dat er geen terugbetaling gebeurde (kaft 7, stuk 18).

In dit verband stelt het hof vast dat stuk 13 - factuur Kliniek

H. van 30 maart 1995 - betrekking heeft op littekencorrecties en bekkenosteotomie. Beide ingrepen zijn in oorzakelijk verband met het ongeval.

Het bedrag van euro 1.144,66 wordt toegekend te vermeerderen met de vergoedende interest aan 5% vanaf de datum van 30 maart 1995 tot 31 december 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan vermeerderd met de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet.

D. medische kosten

De deskundige heeft in zijn verslag een aantal orthese - aanpassingen - medicatie - medisch materiaal blijvend voorzien.

De vergoeding van deze toekomstige uitgaven maakt in een regel een vervroegde betaling uit.

Deze moet niet worden verdisconteerd omdat de nominale kostprijs van de vervangingsuitgaven noodzakelijkerwijze zal stijgen door de onvermijdelijke munterosie over zulk een lange periode.

a. voetheffer links

De deskundige aanvaardt dat een voetheffer links blijvend dient te worden voorzien.

Voor de toekomst:

Appellant vordert in dit verband een bedrag van euro 815.

Het hof stelt vast dat appellant in dit verband geen stavingsstukken voorlegt. Er is bij de overtuigingsstukken enkel sprake van orthopedische schoenen en steunzolen, waarvoor de mutualiteit De Voorzorg tussenkomst verleent (kaft 2 - stuk 7). Zie verder punt j.

Het hof kent voor de voetheffer links een voorbehoud toe.

b. krukken

Op grond van het deskundigenverslag - het hof verwijst naar p. 12 - zijn krukken blijvend nodig.

Geïntimeerde werpt terecht op dat deze volgens informatie van de thuiswinkel CM krukken maar om de twee jaar worden vernieuwd.

voor het verleden:

Appellant brengt een factuur van BVBA Van den Broucke

Orthese euro 49,33 d.d. 26 mei 1994 (1.990 BEF) met betrekking tot de aanschaf van krukken voor.

Appellant brengt voor herstelling van de krukken een factuur d.d. 30 augustus 2002 ten bedrage van euro 11,44 en een factuur d.d. 5 oktober 2002 ten bedrage van euro 17,38 voor.

Het hof kent euro 78,15 toe, te vermeerderen met de vergoedende interest aan 5% vanaf de gemiddelde datum van 31 juli 1998 tot 31 december 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan vermeerderd met de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet.

voor de toekomst:

Rekening houdend met zijn vermoedelijke levensduur van 33,21 jaar en de vernieuwing om de twee jaar heeft appellant recht op een vergoeding van 17 x euro 49,33 = euro 838,61, meer de gerechtelijke moratoire interest vanaf de datum van het arrest tot de effectieve betaling.

De vergoeding van deze toekomstige uitgaven maakt in regel een vervroegde betaling uit. Deze moet niet worden verdisconteerd omdat de nominale kostprijs van de vervangingsuitgaven noodzakelijkerwijze zal stijgen door de onvermijdelijke munterosie over zulk een lange periode.

c. incontinentiemateriaal

Incontinentiemateriaal is volgens de medische expert blijvend te voorzien. Het is een maandelijks weerkerende uitgavenpost, te aanzien als een economische schade, waarbij het moeilijk in te schatten is wat de kostprijs in de verre toekomst zal zijn. Geïntimeerde drukt zijn voorkeur voor een rente uit.

voor het verleden:

Appellant heeft in het verleden al een bedrag van euro 5.948,88 en euro 1.098 voor incontinentiemateriaal betaald. In conclusie stelt hij een vordering van euro 7.089,95. De optelling van de twee bedragen euro 5.948,88 + euro 1.098 is een bedrag van euro 7.046,88.

Appellant stelt dat hij terugbetalingen van het Vlaams Fonds ontving, en dat hij hiermee rekening hield bij het stellen van zijn vordering.

Zodra er uitspraak was omtrent aansprakelijkheid komt het Vlaams Fonds niet meer tussen.

Geïntimeerde aanvaardt de bedragen euro 5.948,88 + euro 1.098 = euro 7.046,88.

Het hof kent de vergoeding van euro 7.046,88 toe te vermeerderen met de vergoedende interest aan 5% vanaf de gemiddelde datum 27 januari 2004 tot 31 december 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan vermeerderd met de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet.

voor de toekomst:

Het hof aanvaardt dat in de toekomst deze schade zich ook zal voordoen. Er wordt vanaf de datum van de uitspraak een maandelijks bedrag van euro 91,50 ( euro 1.098 betaald in 2007 : 12 maanden = euro 91,50 per maand; geen bewijsstukken van uitgaven van incontinentiemateriaal voor de jaren 2008-2009-2010 worden voorgelegd), het eerste maandbedrag van euro 91,50 betaalbaar een maand na de uitspraak, en jaarlijks indexeerbaar met inachtneming van de evolutie van de gezondheidsindex (indexcijfer - basis 2004: 100 en op 1 april 2011: 115,39), meer de gerechtelijke moratoire interest vanaf de datum van de uitspraak.

d. aanpassing appartement

voor het verleden:

Geïntimeerde stemt in met een bedrag van euro 1.083,86 voor drie door appellant in rekening gebrachte facturen:

o factuur Sanico d.d. 14 juni 1994 ten bedrage van euro 1.013,41 (40.881 BEF);

o factuur d.d. 21 september 1994 voor euro 36,20 (1.460 BEF);

o factuur d.d. 20 oktober 2001 voor euro 34,25 (1.382 BEF).

Het bedrag van euro 1.083,86 wordt toegekend, te vermeerderen met de vergoedende interest vanaf de gemiddelde datum van 1 januari 1998 aan 5% tot 31 december 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan vermeerderd met de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet.

voor de toekomst:

Voor de toekomst verleent het hof voorbehoud voor het geval appellant in zijn appartement rolstoelgebonden zou worden, in oorzakelijk verband met zijn val van 25 december 1993.

e. automatische versnellingsbak

Uit het deskundigenverslag blijkt dat een eventuele auto moet voorzien zijn van een automatische versnellingsbak.

voor het verleden:

Uit kaft nr. 5 - stukken 16 - aankoop Polo oktober 1997 - kan niet worden afgeleid wat de kostprijs is van een automatische versnellingsbak.

De aankoop van de BMW in mei 2005 betreft een tweedehandsaankoop tegen sterk verminderde prijs en de voorgelegde factuur met beschrijving optie automatische versnellingsbak "boite sequentielle" werd niet gericht aan appellant.

Bij gebrek aan concreet bewijs van deze schade wordt deze schadepost verworpen.

voor de toekomst:

Voor de toekomst verleent het hof voorbehoud.

f. rolstoel

Volgens de deskundige moet een rolstoel blijvend worden voorzien.

voor het verleden:

Het hof stelt vast dat geen bewijsstuk voorligt i.v.m. de kostprijs.

voor de toekomst:

De deskundige deelt mee dat een rolstoel om de 7 jaar dient te worden vervangen.

Appellant vraagt om een bedrag van euro 35.000 (5 x euro 7.000 kostprijs elektrische rolstoel) toe te kennen, minstens een voorbehoud.

Geïntimeerde meent dat dit onderdeel van de vordering dient beperkt tot euro 1 provisioneel.

Het hof stelt vast dat er tot op heden in dit verband nog geen enkele factuur voorligt. Concrete schade in dit verband is niet bewezen.

Aan appellant kan het gevraagde voorbehoud worden verleend.

g. matrasbeschermer

Ook matrasbeschermers dienen volgens de deskundige blijvend te worden voorzien.

voor het verleden:

Geïntimeerde aanvaardt in dit verband een bedrag van euro 45,86 d.d. 4 januari 1995 (stuk 5 van kaft 1).

In het dossier van appellant (kaft 2) ligt nog een factuur d.d. 17 september 2009 t.b.v. euro 32,10 voor.

De bedragen van euro 45,86 + euro 32,10 worden toegekend, te vermeerderen met de vergoedende interest vanaf de respectieve data van 4 januari 1995 en 17 september 2009 aan 5% tot 31 december 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan vermeerderd met de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet.

voor de toekomst:

Volgens appellant koopt hij jaarlijks een matrasbeschermer, waarvoor hij euro 1.523,01 vordert (33,21 x euro 45,86).

Met geïntimeerde dient te worden vastgesteld dat appellant tot op heden slechts twee aankoopbewijzen voorlegt.

Voor de toekomst wordt voorbehoud verleend.

h. speciale matras tegen doorlig

De deskundige vermeldt duidelijk in zijn verslag dat dit slechts eenmalig moet worden voorzien (p. 13 van het deskundigenverslag).

Nu deze post niet wordt betwist kan ze worden toegekend voor een bedrag van euro 860,19. De factuur van aankoop dateert van 4 januari 1994.

Voormeld bedrag te vermeerderen met de vergoedende interest vanaf 4 januari 1994 aan 5% tot 31 december 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan vermeerderd met de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet.

i. knie- en beenbeschermers

De deskundige zegt dat voor comfort in verband met het koude aanvoelen ter hoogte van de onderste ledematen deze post moet worden aanvaard.

voor de toekomst:

Appellant vordert 16,3 x euro 50 = euro 815 (elke twee jaar).

Geïntimeerde betwist deze post als zodanig niet, maar werpt op dat geen bewijs van aankoop voorligt.

Geïntimeerde aanvaardt wel het principe, en stelt euro 1 provisioneel voor.

Het hof kent in dit verband een voorbehoud toe.

j. orthopedische schoenen

voor het verleden:

In het deskundigenverslag van 2003 staat geen informatie met betrekking tot orthopedische schoenen en dergelijke. Er is enkel sprake van een voetheffer links, schadepost die niet werd toegekend (enkel voorbehoud voor de toekomst).

De deskundige beschrijft op p. 6 en 9 van zijn verslag de zware problematiek van appellant met de voeten. In het deskundigenverslag staat immers te lezen: "dropvoet links", "dropvoet parese linker voet" en "stramheid van de voorvoet".

Gelet op de vaststelling in het deskundigenverslag en op het voorgelegde medische voorschrift is het hof van oordeel dat er reden is tot toekenning van de facturen voor aanschaf orthopedische schoenen.

Appellant vordert een bedrag van telkens euro 71,29 gedateerd 4 oktober 2006 (facturen EDS Orthopedie) en 9 juni 2009.

Deze facturen kunnen worden aanvaard en het hof kent tweemaal het bedrag van euro 71,29 toe, namelijk euro 142,58, te vermeerderen met de vergoedende interest aan 5% vanaf de gemiddelde datum van 4 februari 2008 tot 31 december 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan vermeerderd met de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet.

Verder ligt het bewijs voor van het bedrag van euro 117,41 dat appellant betaalde overeenkomstig de factuur van 30 oktober 2007.

Het hof kent het bedrag van euro 117,41 toe, te vermeerderen met de vergoedende interest aan 5% vanaf de gemiddelde datum van 30 oktober 2007 tot 31 december 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan vermeerderd met de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet.

voor de toekomst:

Appellant zegt dat hij recht heeft op terugbetaling van één paar orthopedische schoenen door de mutualiteiten en refereert naar het bedrag dat hij in het verleden betaalde voor orthopedische schoenen - factuur d.d. 30 oktober 2007 ten bedrage van euro 117,41 (factuur EDS Orthopedie)

Appellant vraagt naar de toekomst toe een bedrag van

euro 3.827,57 (32,6 x euro 117,41).

Geïntimeerde meent dat de schadepost orthopedische schoenen dient beperkt tot euro 1 provisioneel.

Het hof kent voorbehoud toe voor het jaarlijkse remgeld dat

appellant dient te betalen bij de aanschaf van orthopedische schoenen, na de datum van de uitspraak.

k. steunzolen en hielkussens

steunzolen voor het verleden:

Appellant legt een factuur van 20 maart 2007 voor met betrekking tot de aanschaf van twee steunzolen ( euro 117).

Het hof kent het bedrag van euro 117 toe, te vermeerderen met de vergoedende interest vanaf de gemiddelde datum van 20 maart 2007 aan 5% tot 31 december 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan vermeerderd met de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet.

steunzolen voor de toekomst:

Voor de toekomst vraagt appellant een bedrag van euro 3.814,20 (32,6 x euro 117). Voor de periode vanaf 2007 legt appellant geen bewijsstuk voor, zodat de noodzaak van jaarlijkse aankoop steunzolen niet bewezen is.

Het hof kent naar de toekomst toe een voorbehoud toe.

hielkussens voor het verleden:

Met betrekking tot de hielkussens verwijst appellant naar de factuur van 7 november 2006 vanwege EDS Orthopedie voor

euro 23,50.

Appellant bewijst niet dat deze uitgave in oorzakelijk verband staat met het ongeval.

hielkussens voor de toekomst:

Appellant vraagt euro 766,10 voor hielkussens (32,6 x euro 23,50). Om reden zoals hoger aangehaald, wordt de gevraagde vergoeding niet toegekend.

l. podologie

Appellant vraagt vergoeding voor uitgaven podologie en verwijst in dit verband naar het attest van dr. L.V. M. van 13 februari 2007. Bovendien zou dr. H. B. op 8 februari 2008 hebben bevestigd dat appellant één jaar na zijn ongeval is blijven sukkelen met zijn rechter hiel.

Het hof is van oordeel dat de voorgebrachte attesten dateren van jaren na de consolidatiedatum, bepaald op 25 december 1995.

De door appellant voorgelegde stukken zijn eenzijdige stukken die niet zonder meer kunnen worden aanvaard.

Het hof stelt vast dat de gerechtsdeskundige voor de hiel een voorbehoud gemaakt heeft, maar dat door appellant niet gevraagd wordt de gerechtsdeskundige opnieuw in werking te stellen.

Nu de gerechtsexpert niets vermeldt in het expertiseverslag over de te verstrekken podologie staat het niet vast of na de consolidatiedatum de opgelopen letsels podologie noodzaken dan wel gericht is op comfort.

De schadepost wordt afgewezen.

m. medicatie

Appellant vraagt een bedrag van euro 928,43 voor voetverzorgende crèmes aangekocht tussen 2006 en 2009, na de consolidatiedatum.

Hij stelt dat het gemiddelde bedrag per jaar euro 260 bedraagt

( euro 928,43 voor 43 maanden).

Het hof stelt vast dat hierover niets vermeld werd in het expertiseverslag.

Nu de gerechtsexpert niets vermeldt over voetverzorgende crè-mes staat het niet vast of na de consolidatiedatum de opgelopen letsels voetverzorgende crèmes noodzaken dan wel gericht zijn op comfort.

Nu niets bepaald werd wordt dit bedrag niet toegekend.

voor de toekomst:

Appellant vraagt voor de toekomst een bedrag van euro 8.476.

Op het ogenblik van de verwachte regeling zal hij 48 jaar oud zijn en heeft hij een levensverwachting van 32,6 jaar overeenkomstig sterftetafels 2006: 32,6 x euro 260 = euro 8.476.

Het hof stelt vast dat omtrent voetcrèmes niets vermeld werd in het expertiseverslag. Het is niet aangetoond dat de opgelopen letsels zalf noodzaken dan wel alleen gericht is op comfort.

Nu niets bepaald werd, wordt dit bedrag niet toegekend.

n. kinesitherapie

Appellant vraagt euro 201,77 (voor kinesitherapie tussen 1994 en 1996).

Het hof stelt vast dat geen bewijzen worden voorgelegd.

Nu de gerechtsdeskundige niet over kinesitherapie spreekt wordt het bedrag niet toegekend. Het hof stelt vast dat omtrent kinesitherapie niets vermeld werd in het expertiseverslag. Het is niet aangetoond dat de opgelopen letsels kinesitherapie noodzaken dan wel alleen gericht is op comfort.

o. remgeld Socialistische Mutualiteiten (stuk 18)

Appellant vraagt voor de schadepost remgeld SM te provisionelen titel een bedrag van euro 15.000.

Het hof stelt vast dat de bewijzen remgeld vanaf de datum van de schade tot de datum van de consolidatie (25 december 1993 - 25 december 1995) ontbreken.

Deze schadepost wordt niet toegekend.

Stuk 18 bevat alleen maar de lijst van de prestaties toegestaan aan appellant door de mutualiteit, en dateert van 21 augustus 2006.

Wat de medische kosten na consolidatie betreft wordt er een voorbehoud verleend voor evolutie van bepaalde letsels.

Er werden tot op heden geen bewijzen van remgeld overgemaakt i.v.m. gemaakte kosten.

p. voorbehoud in het medisch expertiseverslag

Voorbehoud voor evolutie van letsels ter hoogte van dorsolumbale wervelzuil, bekkenkam, hiel, voor ingrepen op het osteosynthesemateriaal.

Voorbehoud wat blijvende orthese - aanpassingen - medicatie - medisch materiaal betreft:

- voetheffer blijvend te voorzien;

- looprek blijvend te voorzien;

- Ditropan als medicatie.

Het hof kent het voorbehoud toe.

E. voorrang mutualiteit

Geïntimeerde vraagt aan het hof voor recht te zeggen dat alleszins de mutualiteit bij voorrang door het OCMW dient te worden terugbetaald.

Ze stelt dat geïntimeerde de kosten van de mutualiteit heeft betaald en deze kosten nog steeds binnengebracht worden en door geïntimeerde dienen te worden betaald.

Ze vraagt dat de kosten in mindering moeten gebracht worden met de actuele vordering.

Geïntimeerde stelt dat de mutualiteit gesubrogeerd is in de rechten van het slachtoffer en welkdanige overeenkomst haar zelfs niet tegenstelbaar is.

Nu de mutualiteit geen partij is in het geding is de vraag dat de mutualiteit bij voorrang door het OCMW dient te worden terug-betaald niet toelaatbaar.

De subrogatie die de mutualiteit geniet doet geen afbreuk aan de schadeloosstelling die appellant naar gemeen recht ontvangt.

F. provisies

Geïntimeerde stelt dat drie provisies betaald werden:

op 30 september 2007 een provisie van euro 50.000;

op 15 augustus 2008 een provisie van euro 50.000;

en op 15 september 2010 een provisie van euro 50.000

en hierover bestaat geen betwisting.

De drie provisies van telkens euro 50.000 worden in mindering gebracht, vermeerderd met de negatieve rente van 5% tot 31 december 2009 en met de negatieve rente van 3,25% voor het jaar 2010 en 3,75% voor het jaar 2011 tot de datum van de uitspraak.

over de tegenvordering van geïntimeerde:

De tegenvordering van geïntimeerde is zonder voorwerp geworden zoals door geïntimeerde ter zitting van 28 maart 2011 meegedeeld (zie zittingsblad zitting van 28 maart 2011).

over de gedingkosten:

Sinds 1 januari 2008 zijn de artikelen 1 tot en met 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en is het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger.W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de voormelde wetsartikelen, in werking getreden.

De rechtsplegingsvergoeding moet worden vereffend volgens de wetgeving en overeenkomstig de tarieven die gelden op het ogenblik van de einduitspraak waarop ze betrekking heeft.

Wat de vereffening van de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg betreft, moet bijgevolg toepassing worden gemaakt van de tarieven van kracht ten tijde van de bestreden beslissing (14 februari 2000).

De rechtsplegingsvergoedingen gevallen in hoger beroep moeten daarentegen worden vereffend volgens de thans geldende tarieven. Het hof is van oordeel dat er geen aanleiding toe bestaat ter zake af te wijken van de aanwending van het basistarief bedoeld bij artikel 2 van het hierboven bedoelde KB van 26 oktober 2007.

De rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep bedraagt derhalve

euro 11.000 (in geld waardeerbare vordering van euro 1.014.741,50 (hoofdsom: euro 697.280,40 vermeerderd met de vergoedende interest, euro 317.461,14).

Het basisbedrag was voorheen euro 10.000, appellant vordert euro 11.000 rechtsplegingsvergoeding sinds de verhoging van de rechtsplegingsvergoeding met 10% in februari 2011.

Bij toepassing van artikel 1017, eerste lid Ger.W. wordt geïntimeerde als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld tot de kosten van de beide aanleggen.

De expertisekosten ten bedrage van euro 1.646 vallen ten laste van geintimeerde.

OM DEZE REDENEN:

HET HOF,

Na herneming van de zaak, gelet op de gewijzigde samenstelling van de zetel;

Beslissend op tegenspraak;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Het tussenarrest van 29 april 2002 verder uitwerkend;

Recht doende op het hoger beroep en het incidenteel beroep;

Hervormt het bestreden vonnis.

Verklaart de tegenvordering zonder voorwerp.

Verklaart de hoofdvordering van appellant gegrond als volgt:

Veroordeelt geïntimeerde om aan appellant te betalen de volgende bedragen:

- euro 17.517,40 te vermeerderen met de vergoedende interest aan 5% vanaf de gemiddelde datum, d.i. 25 december 1994 tot 31 de-cember 2009, en vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet tot de datum van betaling (morele schade T.O.);

- euro 10.249 te vermeerderen met de vergoedende interest aan

5% vanaf de gemiddelde datum, d.i. 25 december 1994 tot 31 de-cember 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet tot de datum van betaling (economisch verlies huishouden T.O.);

- euro 57.750 te vermeerderen met de vergoedende interest aan 5% vanaf de consolidatiedatum 25 december 1995 tot 31 december 2009, en vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet tot de datum van betaling (B.I. moreel);

- euro 58.957,50 te vermeerderen met de vergoedende interest aan 5% vanaf de gemiddelde datum (8 mei 2003) tot 31 december 2009, en vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot datum van het arrest en vanaf dan de gerechtelijke moratoire interest tot de datum van betaling (economisch verlies huishouden in verleden, gekwalificeerd als hulp van derden in huishouden);

- euro 315 per maand, het eerste maandbedrag betaalbaar een maand na de uitspraak en jaarlijks indexeerbaar met inachtneming van de evolutie van de gezondheidsindex (indexcijfer - basis 2004: 100 en op 1 april 2011: 115,39) te vermeerderen met de gerechtelijke moratoire interest vanaf de datum van het arrest tot de datum van betaling (economisch verlies huishouden voor toekomst);

- euro 7.500 te vermeerderen met de vergoedende interest aan 5% vanaf de datum van het ongeval tot 31 december 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot datum van het arrest en vanaf dan met de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet (seksuele schade);

- euro 7.250 te vermeerderen met de vergoedende interest aan 5% vanaf de datum van de consolidatie 25 december 1995 tot 31 december 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet tot de datum van de effectieve betaling (esthetische schade);

- euro 125 te vermeerderen met de vergoedende interest aan 5% vanaf de gemiddelde datum 25 december 1994 tot 31 december 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan vermeerderd met de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet (administratiekosten);

- euro 125, meer de vergoedende interesten aan 5% vanaf de datum van het ongeval tot 31 december 2009 en vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf de datum van het arrest vermeerderd met de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet (kledijschade);

- euro 47,10 te vermeerderen met de vergoedende interest aan 5% vanaf de datum van betaling 7 september 1995 tot 31 december 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan vermeerderd met de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet (vervoer);

- euro 1.144,66 te vermeerderen met vergoedende interest aan 5% vanaf de datum van 30 maart 1995 tot 31 december 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan vermeerderd met de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet (plastische ingreep);

- euro 78,15 te vermeerderen met vergoedende interest aan 5% vanaf de gemiddelde datum van 31 juli 1998 tot 31 december 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan vermeerderd met de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet (krukken verleden);

- euro 838,61 meer de gerechtelijke moratoire interest vanaf de datum van het arrest tot de effectieve betaling (krukken toekomst);

- euro 7.046,88 te vermeerderen met vergoedende interest aan 5% vanaf de gemiddelde datum 27 januari 2004 tot 31 december 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan vermeerderd met de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet (incontinentiemateriaal in verleden);

- euro 91,50 per maand, het eerste maandbedrag betaalbaar een maand na de uitspraak, en jaarlijks indexeerbaar met inachtneming van de evolutie van de gezondheidsindex (indexcijfer - basis 2004: 100 en op 1 april 2011: 115,39) te vermeerderen met de gerechtelijke moratoire interest vanaf de datum van het arrest tot de datum van betaling (incontinentiemateriaal in toekomst);

- euro 1.083,86 te vermeerderen met de vergoedende interest aan 5% vanaf de gemiddelde datum van 1 januari 1998 tot 31 december 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan vermeerderd met de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet (aanpassing appartement);

- verleent aan appellant voorbehoud in verband met aanpassing appartement in de toekomst voor het geval hij in zijn appartement rolstoelgebonden zou worden, in oorzakelijk verband met zijn val van 25 december 1993;

- euro 45,86 (factuur d.d. 4 januari 1995: 1.850 BEF) + euro 32,10 (factuur d.d. 17 september 2009) te vermeerderen met de vergoedende interest aan 5% vanaf de respectieve data van 4 januari 1995 en 17 september 2009 tot 31 december 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan vermeerderd met de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet (matrasbeschermer);

- euro 860,19 te vermeerderen met de vergoedende interest aan 5% vanaf 4 januari 1994 tot 31 december 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan vermeerderd met de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet (matras tegen doorlig);

- euro 142,58 te vermeerderen met de vergoedende interest aan 5% vanaf de gemiddelde datum van 4 februari 2008 tot 31 december 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan vermeerderd met de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet (orthopedische schoenen);

- euro 117,41 te vermeerderen met de vergoedende interest aan 5% vanaf de gemiddelde datum van 30 oktober 2007 tot 31 december 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan vermeerderd met de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet (orthopedische schoenen);

- euro 117 te vermeerderen met de vergoedende interest aan 5% vanaf de gemiddelde datum van 20 maart 2007 tot 31 december 2009, vanaf 1 januari 2010 aan 3,25% en vanaf 1 januari 2011 aan 3,75% tot de datum van het arrest en vanaf dan vermeerderd met de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet (steunzolen);

- onder aftrek van de reeds betaalde provisies op:

30 september 2007 van euro 50.000;

15 augustus 2008 van euro 50.000;

15 september 2010 van euro 50.000

te vermeerderen met de negatieve interest daarop van 5% tot 31 december 2009 en met negatieve rente van 3,25% voor het jaar 2010 en 3,75% voor het jaar 2011 tot de datum van uitspraak;

- verleent voorbehoud voor de toekomst:

- voor evolutie van letsels ter hoogte van dorsolumbale wervelzuil, bekkenkam, hiel, voor ingrepen op het osteosynthesemateriaal;

- voor matrasbeschermers;

- voor een automatische versnellingsbak voertuig;

- voor een rolstoel;

- voor knie- en beenbeschermers;

- voor het jaarlijkse remgeld bij de aanschaf van orthopedische schoenen;

- voor steunzolen;

- voor een voetheffer;

- voor een looprek;

- voor Ditropan als medicatie.

Nu de mutualiteit geen partij ter zake is wordt de vraag van geïntimeerde voor recht te zeggen dat de mutualiteit bij voorrang door geintimeerde dient te worden terugbetaald niet toelaatbaar verklaard.

Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, aan de zijde van appellant vastgesteld als volgt:

- dagvaarding: euro 221,24

- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: euro 312,34

- rolrecht hoger beroep: euro 186,00

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: euro 11.000,00

- kosten deskundigenonderzoek dr. Bart Van Noten: euro 1.646,00

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van NEGEN MEI TWEEDUIZEND ELF, waar aanwezig waren:

M. BAX, voorzitter

M. BLEYENBERGH, raadsheer

R. LYEN, raadsheer

G. VELTMANS, griffier

Mots libres

  • Geïndexeerde rente

  • economische waarde huishouden

  • geen verdiscontering

  • vergoedende intrest