- Arrêt du 12 avril 2011

12/04/2011 - 2008AR1044

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

In een dressuuroefening met paarden reed een ruiter op het ogenblik dat een paard van de hem voorafgaande ruiter op ongeveer 1 meter reed van dat paard. Het staat bijgevolg vast dat het slachtoffer veel te dicht achter het vorige paard van reed en hierdoor het uitslaande been van dat vorige paard onmogelijk kon ontwijken. Het slachtoffer heeft bijgevolg onverantwoorde risico's genomen door zo dicht achter het vorige paard te rijden. De rijwijze van het slachtoffer maakt een onzorgvuldigheid uit in de zin van artikel 1382 e.v. B.W. hetwelk een eigen aansprakelijkheid met zich meebrengt. Het paard bereden door door de vorige ruiter heeft inderdaad niet totaal abnormaal of onvoorzienbaar gereageerd gelet op de rijwijze van de ruiter, het slachtoffer, die achter hem reed.


Arrêt - Texte intégral

HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2008/AR/1044

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

FIDEA N.V., met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Van Eycklei 14, ingeschreven met KBO-nummer 0406.006.069,

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. DE CRAEN T. loco Mr. GOEDHUYS Jan, advocaat te 3001 HEVERLEE, Ambachtenlaan 6 ;

TEGEN:

1. D. P., wonende te 3350 LINTER, Dotermontstraat 3,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. CAPPAERT B. loco Mr. VANDEBROEK Nicolas, advocaat te 3000 LEUVEN, C. Meunierstraat 111 ;

2. T. G., wonende te 3440 BUDINGEN, Roelstraat 16,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. BOGHE M. loco Mr. HUBRECHTS Carl, advocaat te 3010 KESSEL-LO, Tiensesteenweg 305 ;

Samenvatting

In een dressuuroefening met paarden reed een ruiter op het ogenblik dat een paard van de hem voorafgaande ruiter op ongeveer 1 meter reed van dat paard. Het staat bijgevolg vast dat het slachtoffer veel te dicht achter het vorige paard van reed en hierdoor het uitslaande been van dat vorige paard onmogelijk kon ontwijken. Het slachtoffer heeft bijgevolg onverantwoorde risico's genomen door zo dicht achter het vorige paard te rijden. De rijwijze van het slachtoffer maakt een onzorgvuldigheid uit in de zin van artikel 1382 e.v. B.W. hetwelk een eigen aansprakelijkheid met zich meebrengt. Het paard bereden door door de vorige ruiter heeft inderdaad niet totaal abnormaal of onvoorzienbaar gereageerd gelet op de rijwijze van de ruiter, het slachtoffer, die achter hem reed.

Gelet op de procedurestukken:

n het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 19 december 2007, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

n het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 15 april 2008;

n de conclusie van geïntimeerde sub 1 neergelegd ter griffie op 3 juli 2008;

n de conclusie van geïntimeerde sub 2 neergelegd ter griffie op 28 november 2008;

n de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 2 maart 2009.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 14 februari 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep en de incidentele beroepen werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van geïntimeerde sub 1 strekte ertoe appellante en geïntimeerde sub 2 in solidum, de ene bij gebreke aan de andere te horen veroordelen tot betaling van een provisie van 2.500 euro met raming van de eis op 12.500 euro en vooraleer verder uitspraak te doen ten gronde een geneesheer - deskundige te horen aanstellen met een welomschreven opdracht .

Hierop stelden appellante en geïntimeerde sub 2 elk een wederzijdse vordering tot vrijwaring in.

1.2. De eerste rechter heeft (1) de vordering van geïntimeerde sub 1 tegen appellante ontvankelijk en deels gegrond verklaard, (2) de vordering van geïntimeerde sub 1 tegen geïntimeerde sub 2 ontvankelijk doch ongegrond verklaard, (3) de vordering tot vrijwaring van appellante tegen geïntimeerde sub 2 ontvankelijk doch ongegrond verklaard, (4) de vordering tot vrijwaring van geïntimeerde sub 2 tegen appellante zonder voorwerp verklaard, (5) gezegd voor recht dat appellante gehouden was tot de helft van de schade geleden door geïntimeerde sub 1 ingevolge het ongeval van 10 augustus 2008, (6) appellante veroordeeld tot betaling van een provisie van 1.000 euro , (7) vooraleer verder uitspraak te doen ten gronde Dr. DE MUNNYNCK aangesteld als deskundige met o.a. als opdracht de aard van de opgelopen letsels en de eventuele ondergane behandelingen te beschrijven alsmede zijn advies te geven over de duur en de graad van de opgelopen arbeidsongeschiktheden/invaliditeit en (8) alle andere beslissingen aangehouden.

1.3. In hoger beroep vraagt appellante (1) de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde sub 1 ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, (2) minstens ¾ van de aansprakelijkheid bij geïntimeerde sub 1 te leggen en (3) voor zoveel als nodig, haar vordering tot vrijwaring gegrond te horen verklaren.

1.4. Bij incidenteel beroep herneemt geïntimeerde sub 1 zijn initiële vordering (= punt 1.1. van huidig arrest).

1.5. Bij incidenteel beroep vraagt geïntimeerde sub 2 - voor zoveel als nodig - zijn oorspronkelijke vordering tot vrijwaring tegen appellante ontvankelijk en gegrond te verklaren.

In hoofdorde vordert geïntimeerde sub 2 bijgevolg de bevestiging van het bestreden vonnis.

II. Precedenten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat geïntimeerde sub 1 samen met K. V., verzekerde van appellante, en 4 andere ruiters aan een dressuuroefening bezig was op de buitenpiste van de "Geteruiters" te Orsmaal, onder leiding van geïntimeerde sub 2.

Geïntimeerde sub 1 reed achter het paard van K. V. van hetwelk hij een stamp kreeg op zijn rechterbeen.

III. Discussie.

3.1. De vordering van geïntimeerde sub 1 in zoverre gericht tegen appellante is gesteund op artikel 1385 B.W.

Artikel 1385 B.W. bepaalt dat voor de schade veroorzaakt door een dier, de eigenaar van het dier of diegene die er zich van bedient, aansprakelijk is.

3.2. Het staat vast dat de verzekerde van appellante op het ogenblik van het ongeval daadwerkelijk het meesterschap had over het dier dat de stamp toebracht.

Om artikel 1385 B.W. toe te passen en derhalve de bewaarder van het dier aansprakelijk te kunnen stellen, is een autonome gedraging van het dier vereist, wat in deze het geval is.

De stamp van het paard van de verzekerde van appellante heeft de door geïntimeerde sub 1 opgelopen letsels veroorzaakt zodat er een causaal verband bestaat tussen de gedraging van het dier en de ontstane schade.

3.3. Het vermoeden van artikel 1385 B.W. is een wettelijk onweerlegbaar vermoeden.

De bewaarder van het dier kan zich enkel bevrijden door het bewijs van een vreemde oorzaak, overmacht, fout van het slachtoffer of een daad van een derde aan te voeren.

Het behoort bijgevolg aan appellante aan te tonen dat het slachtoffer zelf een fout beging in de zin van de artikelen 1382 e.v. B.W.

3.4. Uit de verklaringen van G. T., K. V. (= verzekerde van appellante) en P. D. zelf bleek dat deze laatste heel dicht achter het paard van K. V. reed. Deze verklaringen zijn overeenstemmend.

Uit de verklaring van Walter Vaes - die geen betrokken partij is in huidig geschil - blijkt dat op de plaats waar geïntimeerde sub 1 viel - na de letter F - een afstand van 3 meter moest gerespecteerd worden.

Geïntimeerde sub 1 verklaarde zelf dat hij de dag van het ongeval op ongeveer 1 meter reed van het paard van K. V..

Het staat bijgevolg vast dat geïntimeerde veel te dicht achter het paard van K. V. reed en hierdoor het uitslaande been van dat paard onmogelijk kon ontwijken.

Het slachtoffer heeft bijgevolg onverantwoorde risico's genomen door zo dicht achter het paard van K. V. te rijden.

De rijwijze van geïntimeerde sub 1 maakt een onzorgvuldigheid uit in de zin van artikel 1382 e.v. B.W. hetwelk een eigen aansprakelijkheid met zich meebrengt.

Het paard bereden door K. V. heeft inderdaad niet totaal abnormaal of onvoorzienbaar gereageerd gelet op de rijwijze van geïntimeerde sub 1.

3.5. In tegenstelling met wat appellante voorhoudt, is de schade echter niet enkel te wijten aan het gedrag van het slachtoffer zelf.

Het uithalen met een been door een paard is op zich een abnormaal gedrag van het dier wat de aansprakelijkheid met zich meebrengt van de bewaarder van het dier op grond van artikel 1385 B.W.

3.6. De eerste rechter heeft dan ook terecht beslist dat in de gegeven omstandigheden de aansprakelijkheid voor het ongeval bij helften diende verdeeld te worden.

Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd.

3.7. Geïntimeerde sub 1 richt zich tevens tegen geïntimeerde sub 2 die op het ogenblik van het ongeval de leiding had over de uitgevoerde dressuuroefening.

Hij verwijt aan geïntimeerde sub 2 op verkeerde wijze de volgorde van de ruiters te hebben bepaald.

Volgens hem had geïntimeerde sub 2 moeten beslissen dat K. V. als laatste in de rij reed des te meer omdat zij een eerder wild paard bereed.

3.8. Uit geen enkel element van het dossier kan afgeleid worden dat geïntimeerde sub 2 enige fout zou hebben begaan.

Hij was duidelijk aanwezig tijdens de dressuuroefening en hij gaf de nodige instructies .

Indien geïntimeerde sub 1 meer afstand had genomen t.o.v. het vorige paard had het ongeval zich niet voorgedaan zoals het zich in concreto heeft voorgedaan.

Dit geldt des te meer omdat geïntimeerde sub 1 het paard dat K. V. bereed blijkbaar kende wat hem tot nog meer voorzichtigheid had moeten aanzetten.

3.9. Er kan dus geen enkele fout verweten worden aan geïntimeerde sub 2 zodat het bestreden vonnis op dat punt eveneens bevestigd wordt.

3.10. In de gegeven omstandigheden wordt het bestreden vonnis ook bevestigd in zoverre de vordering in vrijwaring van appellante tegen geïntimeerde sub 2 ontvankelijk doch ongegrond werd verklaard en de vordering in vrijwaring van geïntimeerde sub 2 tegen appellante zonder voorwerp werd verklaard.

3.11. De eerste rechter heeft terecht een geneesheer - deskundige aangesteld en diens opdracht juist omschreven.

De provisie werd even terecht herleid tot 1.000 euro gelet op de neergelegde stukken en de verdeling van aansprakelijkheid.

3.12. Geïntimeerde sub 1 vraagt een rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 1.100 euro , appellante en geïntimeerde sub 2 begroten deze op 1.200 euro .

Gelet op de omvang van het gevorderde (= provisie van 2.500 euro zonder meer) bedraagt het basisbedrag 400 euro . Na indexatie van kracht sedert 1 maart 2011 wordt dat bedrag 440 euro .

Dit bedrag komt toe aan geïntimeerde sub 2 als de in het gelijk gestelde partij met een eigen raadsman, bij helften verschuldigd door appellante en geïntimeerde sub 1. De rechtsplegingsvergoeding in hoofde van appellante en geïntimeerde sub 1 wordt omgeslagen.

OM DEZE REDENEN

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken,

Verklaart het hoger beroep en de incidentele beroepen allen ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellante en geïntimeerde sub 1 elk tot de helft van de gerechtskosten in hoofde van geïntimeerde sub 2 en slaat de kosten in hoofde van appellante en geïntimeerde sub 1 om, begroot

- in hoofde van appellante op 186 euro rolrechten + 440 euro rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van eerste geïntimeerde op 440 euro rechtsplegingsvergoeding en

- in hoofde van tweede geïntimeerde op 440 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 12 april 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Dhr. M. Debaere, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans M. Debaere

E. Janssens de Bisthoven A. De Preester

Mots libres

  • Artikel 1385 BW. Paarden. Dressuuroefening. Een ruiter krijgt een stamp van het paar van de vorige ruiter, maar het slachtoffer hield te weinig afstand van de vorige ruiter. Eigen fout van het slachtoffer.