- Arrêt du 17 mai 2011

17/05/2011 - 2008AR1062

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Bij de vaststelling van de billijke vergoeding bij een onteigenling kunnen minnelijke aankopen als vergelijkingspunt wel degelijk dienstig zijn. Het is desgevallend aan een deskundige om uit te maken in welke mate en in welk opzicht deze aankopen een invloed kunnen hebben op de uiteindelijke waarde van de onteigende goederen.

Bij toepassing van artikel 16 van de Grondwet heeft de onteigende recht op een billijke vergoeding wat inhoudt dat het niet gaat om een vergoeding ex aequo et bono maar om een nauwkeurige en rechtvaardige vergoeding, die een integraal herstel van de geleden schade inhoudt, niet meer en niet minder.

Niettegenstaande de onteigening geen onrechtmatige daad is, dient, om de door artikel 16 van de Grondwet vereiste billijke schadeloosstelling te bepalen, aansluiting gezocht te worden bij de principes die de schadeloosstelling uit onrechtmatige daad beheersen. De schadeloosstelling bij onteigening dient te worden beschouwd als een specifieke vorm van schadevergoeding bij rechtmatige overheidsdaad.


Arrêt - Texte intégral

Nr.: HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2008/AR/1062

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

1. G. C.

2. V. R.,

appellanten,

beiden vertegenwoordigd door Mr. VAES Raf, advocaat te 3000 LEUVEN, Naamsestraat 42 ;

TEGEN:

Het VLAAMSE GEWEST, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Leefmilieu, Infrastructuur, Administratie Wegen en Verkeer, handelend door tussenkomst van het Comité tot Aankoop van Onroerende Goederen te 2800 MECHELEN, Zwartzustersvest 24 bus 27, alwaar woonstkeuze wordt gedaan,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. VAN DER STRATEN Patrick, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 120 ;

Art. 16 van de Grondwet. Onteigening. Billijke vergoeding. Criteria. Vergelijkingspunten. Impact van minnelijke verkopingen.

Bij de vaststelling van de billijke vergoeding bij een onteigenling kunnen minnelijke aankopen als vergelijkingspunt wel degelijk dienstig zijn. Het is desgevallend aan een deskundige om uit te maken in welke mate en in welk opzicht deze aankopen een invloed kunnen hebben op de uiteindelijke waarde van de onteigende goederen.

Bij toepassing van artikel 16 van de Grondwet heeft de onteigende recht op een billijke vergoeding wat inhoudt dat het niet gaat om een vergoeding ex aequo et bono maar om een nauwkeurige en rechtvaardige vergoeding, die een integraal herstel van de geleden schade inhoudt, niet meer en niet minder.

Niettegenstaande de onteigening geen onrechtmatige daad is, dient, om de door artikel 16 van de Grondwet vereiste billijke schadeloosstelling te bepalen, aansluiting gezocht te worden bij de principes die de schadeloosstelling uit onrechtmatige daad beheersen. De schadeloosstelling bij onteigening dient te worden beschouwd als een specifieke vorm van schadevergoeding bij rechtmatige overheidsdaad.

Gelet op de procedurestukken...

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellanten strekte ertoe geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 219.804,45 euro onder aftrek van de reeds betaalde provisionele vergoeding van 113.039,45 euro , hetzij 106.765 euro plus de vergoedende intresten en de kosten.

Zij vroegen tevens de aanstelling van een deskundige of een bijkomend onderzoek te bevelen.

Geïntimeerde vroeg de onteigeningsvergoeding te bepalen op 108.778,33 euro , in conclusie herleid tot 99.347,91 euro . Het vroeg tevens de onteigenden te veroordelen tot terugbetaling van het verschil tussen de aan de onteigenden betaalde provisionele onteigeningsvergoeding door storting in de Deposito - en Consignatiekas en tot betaling van de burgerlijke vruchten die zij hebben gewonnen vanaf de dag van de consignatie tot op de dag van de terugbetaling en van de kosten.

1.2. De eerste rechter heeft (1) het verzoek tot aanstelling van een deskundige of het geven van een bijkomende opdracht aan deskundige VAN DEN PLAS verworpen, (2) de vordering in herziening van de onteigenden ontvankelijk doch ongegrond verklaard , (3) de tegeneis van het Vlaamse Gewest ontvankelijk en deels gegrond verklaard, (4) de onteigeningsvergoeding bepaald op 100.288,62 euro en (5) de onteigenden solidair veroordeeld tot terugbetaling van het te veel betaalde, zijnde 12.750,83 euro plus de kosten.

1.3. Het hoger beroep van appellanten beoogt (1) in hoofdorde, een deskundige te horen aanstellen met een welomschreven opdracht of het horen bevelen van een bijkomende opdracht en (2) in ondergeschikte orde, de onteigeningsvergoeding te horen bepalen op een bedrag van 223.234,19 euro onder aftrek van de reeds betaalde provisionele vergoeding, hetzij 113.039,45 euro , aangepast op de datum van de uitspraak aan de koopkracht door indexatie, voorlopig geraamd op 128.527,35 euro plus de vergoedende intresten.

1.4. Geïntimeerde vraagt in hoofdorde de bevestiging van het bestreden vonnis en in ondergeschikte orde, ingeval een deskundige zou worden aangesteld deze te gelasten met de gebruikelijke opdracht inzake onteigeningen.

Het Vlaamse Gewest vraagt tevens vooraleer verder recht te doen de onteigenden te bevelen de stukken over te leggen die gevoegd waren aan hun aanvraag van 10 oktober 2003 teneinde de afgifte te bekomen van een stedenbouwkundig attest.

II. Precedenten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat op 21 januari 2000 de bevoegde minister besliste tot onteigening over te gaan van de inneming G1 , G2 en G3 .

2.3. Bij provisioneel vonnis besliste de vrederechter op 18 april 2002 dat (1) de onteigening regelmatig werd ingesteld, (2) de door de wet voorgeschreven formaliteiten vervuld waren, (3) het plan van de grondinneming van toepassing verklaard werd op het goed waarvan de onteigening gevorderd werd en (4) de provisionele vergoeding bepaald werd op 113.039,45 euro .

2.4. Bij vonnis van 29 september 2004 bepaalde de vrederechter de onteigeningsvergoeding ten voorlopige titel op 111.224.21 euro . Appellanten werden bijgevolg veroordeeld tot terugbetaling van het verschil, zijnde 1.815,24 euro plus de intresten.

2.5. In het bestreden vonnis werd de onteigeningsvergoeding bepaald op 100.288,62 euro en werden appellanten veroordeeld tot terugbetaling van het verschil, zijnde 12.750,83 euro plus de intresten.

III. Bespreking.

3.1. Appellanten vragen, vooraleer recht te doen, een deskundige aan te stellen of aan de destijds aangestelde deskundige, Mevrouw Inge VAN DEN PLAS, een bijkomende opdracht te geven.

Zij menen dat de eerste rechter geen rekening heeft gehouden met de overgelegde onteigeningsdossiers van het Aankoopcomité Brussel 2 die binnen hetzelfde project tot stand kwamen.

Volgens hen diende hun dossier dat geregeld werd door het Aankoopcomité Mechelen op gelijke wijze behandeld te worden als de onteigeningen die geregeld werden door het Aankoopcomité Brussel 2 teneinde te verhinderen dat binnen eenzelfde moderniseringsproject met twee maten en twee gewichten zou gewerkt worden (= aantasting van het gelijkheidsbeginsel in de zin van de artikelen 10 en 11 van de G.W.).

Zij menen dat de vergelijkingspunten die het voorwerp uitmaken van de onteigeningen geregeld door het Aankoopcomité Brussel 2 medegedeeld hadden moeten worden aan de instrumenterende deskundige VAN DEN PLAS die er ook om verzocht had.

3.2. Het Vlaamse Gewest brengt hiertegen in dat bij minnelijke aankopen in de regel hogere vergoedingen worden toegekend om de kosten van een gerechtelijke procedure te vermijden.

Zij verzetten zich tegen de aanstelling van een deskundige of het geven van een bijkomende opdracht en betwisten tevens de door appellanten omschreven opdracht.

3.3. Deskundige VAN DEN PLAS toonde zelf belangstelling voor de dossiers van minnelijke aankopen waarvan appellanten gewag maken .

Op 19 september 2002 vroeg zij aan de vrederechter van Haacht om haar een uitstel te verlenen voor de neerlegging van haar verslag.

Op 18 oktober 2002 schreef zij het 2e Comité tot Aankoop van Onroerende goederen te Brussel, t.a.v. de heer Van der Seype, aan met het verzoek de minnelijke aankopen te Kampenhout Sas te willen overmaken.

Hierop zou er eind oktober een telefonisch contact geweest zijn met de heer Van der Seype die haar doorverwees naar het registratiekantoor van Zaventem.

Op 22 november 2002 vroeg de deskundige aan de vrederechter haar opnieuw uitstel te verlenen om het deskundigenverslag neer te leggen en diezelfde dag schreef zij het registratiekantoor van Zaventem aan met het verzoek om de minnelijke aankopen over te maken. Op 28 januari 2003 stuurde de deskundige aan dat kantoor een rappelschrijven.

Bij schrijven van 31 januari 2003 liet het registratiekantoor van Zaventem aan de deskundige weten de gevraagde inlichtingen niet te kunnen geven omdat de wet het niet toelaat dit soort informatie vrij te geven en verwees de deskundige opnieuw naar het 2e Comité tot Aankoop.

3.4. Het hof stelt vast dat al deze dossiers (= 35 in totaal) thans worden neergelegd door appellanten samen met een overzichtstabel opgesteld door hun technische raadsman, de heer STROOBANTS, waaruit zou kunnen blijken dat de nummers 0, 2, 4, 5, 17, 18, 28, 34 als relevante vergelijkingspunten zouden kunnen dienen.

Er wordt tevens opgemerkt dat de onteigening, voorwerp van huidig geschil, past in het kader van een algemeen plan van modernisering van de gewestweg N21 Brussel - Haacht. Naast de eigendom van appellanten hebben talrijke andere onteigeningen plaats gevonden richting Kampenhout - Sas die zich allen situeren binnen hetzelfde M.B. van 21 januari 2000.

De eigendom van appellanten is gelegen op de grens tussen de gemeente Kampenhout en Boortmeerbeek, met dien verstande dat deze onteigening valt onder Boortmeerbeek en de andere onteigeningen onder Kampenhout.

De onteigeningen op het grondgebied van Kampenhout vallen onder de bevoegdheid van het 2e Aankoopcomité van Brussel terwijl dat van appellanten onder de bevoegdheid valt van het aankoopcomité van Mechelen.

3.5. Het hof is het derhalve oneens met de eerste rechter dat het in deze niet opportuun is om een bijkomend onderzoek te bevelen.

Minnelijke aankopen kunnen als vergelijkingspunt wel degelijk dienstig zijn en het is aan een deskundige om uit te maken in welke mate en in welk opzicht deze aankopen een invloed kunnen hebben op de uiteindelijke waarde van de onteigende goederen, eigendom van appellanten.

Eén en ander blijkt overigens uit de uitgesproken interesse vanwege deskundige VAN DEN PLAS voor deze dossiers en het is enkel onder tijdsdruk (= geen verder uitstel vanwege de vrederechter om haar verslag neer te leggen) dat zij haar verslag heeft afgewerkt zonder te beschikken over deze vergelijkingspunten.

Bij toepassing van artikel 16 van de Grondwet heeft de onteigende recht op een billijke vergoeding wat inhoudt dat het niet gaat om een vergoeding ex aequo et bono maar om een nauwkeurige en rechtvaardige vergoeding, die een integraal herstel van de geleden schade inhoudt, niet meer en niet minder .

Niettegenstaande de onteigening geen onrechtmatige daad is, dient, om de door artikel 16 van de Grondwet vereiste billijke schadeloosstelling te bepalen, aansluiting gezocht te worden bij de principes die de schadeloosstelling uit onrechtmatige daad beheersen . De schadeloosstelling bij onteigening dient dan ook te worden beschouwd als een specifieke vorm van schadevergoeding bij rechtmatige overheidsdaad

3.6. Het behoort dan ook, vooraleer verder uitspraak te doen ten gronde, deskundige VAN DEN PLAS te gelasten met een bijkomende opdracht zoals hierna bepaald.

Het bestreden vonnis wordt op dat punt hervormd.

OM DEZE REDENEN

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk.

Vooraleer verder uitspraak te doen ten gronde, gelast deskundige VAN DEN PLAS Inge, kantoorhoudende te 2590 Berlaar, Liersesteenweg 174, met de bijkomende opdracht:

- Na te gaan of de 35 minnelijke onteigeningen, voorwerp van de onteigeningen verricht door het 2e Aankoopcomité van Brussel , bruikbare vergelijkingspunten opleveren zowel wat betreft de gebruikte methodiek als voor wat de berekende vergoedingen betreft;

- In functie hiervan desgevallend over te gaan tot het herberekenen van de onteigeningsvergoeding.

Houdt de beslissing over de gerechtskosten aan.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke te¬rechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 17 mei 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Dhr. M. Debaere, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

Mots libres

  • Art. 16 van de Grondwet inzake onteigening. Vaststelling van de billijke vergoeding. Geen schatting ex aequo et bono.