- Arrêt du 10 janvier 2011

10/01/2011 - 2009-AR-2973

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De eigen intellectuele inspanning van de auteur van "Square is terug te vinden in "Orgamo". De methodologie die bij beide programma's gevolgd werd, is nagenoeg dezelfde en is niet louter door de VCA-norm of de Kinney methode bepaald. Hetzelfde geldt voor de structuur van het programma. De gebruikersinterface stemt in te ruime mate overeen.


Arrêt - Texte intégral

HOF VAN BEROEP

te Gent

7de Kamer

_________________

Terechtzitting

van

10 januari 2011

_______________

Na tussenarrest

van 4/10/2010

________________

AUTEURSRECHTEN

2009/AR/2973 - In de zaak van:

1. EMBAS BVBA, met maatschappelijke zetel te 9100 SINT-NIKLAAS, Ankerstraat 66/4, KBO nr. 0886.986.113,

2. BAVECON B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 9270 KALKEN, Schriekstraat 23 a, KBO nr. 0479.813.171,

3. B....... J......., wonende te .......................................,

appellanten tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, eerste kamer, van 21 september 2009,

hebbende als raadsman mr. DE MEULEMEESTER Dirk, advocaat te 9000 GENT, Citadellaan 10, (referte: 9339/08)

tegen:

1. C........... O.........., wonende te ........ ....... woonstkeuze doende bij zijn raadsman, mr. LEYSEN Jan, wonende te 8500 KORTRIJK, Koning Albertstraat 24 bus 1,

2. WOLTERS KLUWER BELGIUM N.V., met maatschappelijke zetel te 2800 MECHELEN, Motstraat 30, KBO nr. 0405.772.873,

geïntimeerden,

hebbende als raadsman mr. LEYSEN Jan, advocaat te 8500 KORTRIJK, Koning Albertstraat 24 bus 1, (referte: 22397.002/JL)

velt het hof het volgend arrest:

I Bestreden beslissing - Rechtspleging in hoger beroep

1.

Het hoger beroep is gericht tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op tegenspraak gewezen op 21 september 2009, gekend onder het rolnummer 08/1635/A. Het is tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 18 november 2009. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd.

2.

Het Hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen.

De procedure gebeurde op tegenspraak. De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord.

Het hof nam kennis van de overtuigings- en procedurestukken.

Het tussenarrest van 4 oktober 2010 van dit hof wordt verder uitgewerkt.

II Overblijvende betwisting - Feiten - Procedure in eerste aanleg

3.

De overblijvende betwisting betreft de vragen of:

1) het computerprogramma "Square" van de heer C............ origineel is en derhalve auteursrechtelijke bescherming verdient;

2) zo ja, de heer B........... en de bvba Embas en de bvba Bavecon een inbreuk begingen met het computerprogramma "Orgamo" op de auteursrechten op de software Square (vaderschapsrechten van de heer C........... en exploitatierechten van de nv Wolters Kluwer);

3) zo ja, een schadevergoeding verschuldigd is en hoe groot deze desgevallend moet zijn.

Heel wat gevallen van (beweerde) inbreuken op de softwarewetgeving gaan over het maken en gebruiken van een exacte kopie van het computerprogramma, zonder de vereiste licentie. In deze zaak gaat het om software, met een verschillende broncode, die de eigen intellectuele schepping van de klager zou geschonden hebben.

4.

De eerste rechter vatte de feiten in deze zaak correct samen. Het hof verwijst naar de uiteenzetting onder de nummers 2.1 tot 2.6 van het bestreden vonnis. Deze uiteenzetting vergt geen verdere aanvulling.

5.

De eerste rechter besliste het volgende:

- de hoofdvordering van geïntimeerden is ontvankelijk en in volgende mate gegrond;

- het programma ORGAMO, op de markt gebracht door appellanten en zoals beschreven in het deskundig verslag van P....l D.. V............., vormt een auteursrechtelijke inbreuk;

- appellanten worden het verbod opgelegd om op welke wijze dan ook verder nog de litigieuze software te produceren, in te voeren, te koop aan te bieden, te verkopen of bij zich te hebben onder verbeurte van een dwangsom van 10.000 EUR per drager waarop de software gevonden wordt en dit vanaf de vijfde dag na de betekening van huidig vonnis en tot een maximum van 300.000 EUR;

- appellanten worden solidair veroordeeld om aan geïntimeerden te betalen 110.000 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten vanaf 6 mei 2008 (datum dagvaarding) tot de datum der algehele betaling;

- de nagemaakte software moet vernietigd worden op kosten van appellanten;

- appellanten worden solidair verwezen in de gedingkosten;

- de tegenvordering van appellanten is ontvankelijk, doch wordt afgewezen als ongegrond;

- het meer en anders gevorderde wordt afgewezen als ongegrond.

III Grieven - Voorwerp van het hoger beroep

6.

Appellanten tekenen hoger beroep aan met de volgende grieven.

1) het vonnis faalt in feite, nu het gebaseerd is op het expertiseverslag dat tot stand kwam in het kader van een beslag inzake namaak. Via een - afgewezen - vordering in derdenverzet tegen het verleende beslag inzake namaak hadden appellanten nochtans aangeboden de procedure tegensprekelijk te maken. Ten onrechte zag de deskundige over het hoofd dat een aantal gelijkenissen tussen de twee softwareprogramma's het gevolg zijn van de VCA reglementering zelf en van het feit dat webapplicaties in het algemeen gelijkenissen vertonen in opbouw en structuur omwille van de duidelijkheid en het gebruiksgemak. De expert stelde zijn verslag op zonder voldoende kennis van VCA. De deskundige was vooringenomen tegen E.........., B.......... en de heer B..............

2) het vonnis is onvoldoende gemotiveerd, waar het naar het deskundigenverslag verwijst en niet antwoordt op de argumenten van E..........., B............. en de heer B...............

Appellanten vragen het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis teniet te doen en opnieuw wijzende:

- met toepassing van artikel 962 ev. Ger.W. over te gaan tot de aanstelling van één of meerdere deskundigen met navolgende opdracht :

o bij de gerechtsdeskundige P..........D.......V............, met kantoor te ....................................., het programma ORGAMO, waaronder de broncode en alle in beslag genomen stukken, opvragen;

o bij WOLTERS KLUWER BELGIUM N.V., met zetel te 2800 Mechelen, Motstraat 30, het programma SQUARE, inclusief de broncode, opvragen;

o bijgestaan door een preventieadviseur met kennis van de VCA materie, overgaan tot een beschrijving van de programma's ORGAMO en SQUARE, waarbij duidelijk wordt aangegeven welke elementen er opgelegd worden door de VCA reglementering of universeel aangewend worden bij de aanmaak van webprogramma's alsook aandacht besteed wordt aan de opbouw van beide programma's, zijnde de volgorde van de schermen en de lengte van een traject om bepaalde schermen te bekomen;

o een voorverslag neerleggen teneinde partijen toe te laten hun opmerkingen te formuleren.

In hun syntheseconclusie vragen E............, B........... en de Heer B......... nog:

- de hoofdvordering van geïntimeerden ongegrond te verklaren op grond van het feit dat geïntimeerden niet beschikken over een auteursrecht, minstens op grond van het feit dat er geen auteursrecht werd geschonden. Uiterst ondergeschikt te oordelen dat geïntimeerden geen schade hebben geleden;

- de tegenvordering van appellanten ten bedrage van 1 EUR provisioneel op grond van rechtsmisbruik ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- geïntimeerden te verwijzen in de kosten van beide aanleggen.

7.

Geïntimeerden concluderen tot de onontvankelijkheid van het hoger beroep, minstens tot de ongegrondheid ervan, met solidaire verwijzing van appellanten in de kosten van de beroepsprocedure.

Bij wijze van incidenteel hoger beroep vragen zij appellanten solidair te veroordelen tot het betalen van 210.000 EUR, te vermeerderen met de interesten vanaf 6 mei 2008.

8.

In het tussenarrest werden de volgende vragen gesteld.

De eerste vraag was of partijen nog een andere lezing geven aan het deskundigenverslag dan deze gegeven in het tussenarrest.

De tweede vraag rees of de context waarin de deskundige de afwezigheid van een kopie van de software situeert (zie citaat in het tussenarrest) nog aanleiding geeft tot een inbreuk op de Wet Rechtsbescherming Software.

Het tweede lid van artikel 2 van deze wet bepaalt immers uitdrukkelijk:

"De bescherming overeenkomstig deze wet wordt verleend aan de uitdrukkingswijze, in welke vorm ook, van een computerprogramma. De ideeën en beginselen die aan enig element van een computerprogramma ten grondslag liggen, met inbegrip van de ideeën en beginselen die aan de interfaces daarvan ten grondslag liggen, worden niet auteursrechtelijk beschermd.".

In derde instantie rees de vraag of het debat in graad van beroep al dan niet beperkt is tot de vraag of geïntimeerden over een auteursrecht beschikken op de user interfaces van het programma Square (de schermen waarmee de gebruiker en de potentiële klant te maken krijgen) en zo ja, of dit geschonden is.

De partijen hebben hierop geantwoord in hun conclusie, aan de hand van stukken.

IV Bespreking

De auteursrechtelijke inbreuk op het computerprogramma Square

Toepasselijke wetgeving - juridisch kader van de betwisting

9.

Hoewel niet uitdrukkelijk vermeld, handelt de voorliggende betwisting over de wet van 30 juni 1994 houdende omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's (hierna " Wet Rechtsbescherming Software" of "WRS").

De volgende bepalingen uit deze wet zijn relevant voor dit geschil.

Artikel 1. "Overeenkomstig het bepaalde in Richtlijn 91/250/EEG van de Raad van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's worden computerprogramma's, het voorbereidend materiaal daaronder begrepen, auteursrechtelijk beschermd en gelijkgesteld met werken van letterkunde in de zin van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst.".

Artikel 2." Een computerprogramma geniet bescherming indien het oorspronkelijk is in die zin, dat het een eigen intellectuele schepping van de auteur is. Om te bepalen of het programma voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt, mogen geen andere criteria worden aangelegd. De bescherming overeenkomstig deze wet wordt verleend aan de uitdrukkingswijze, in welke vorm ook, van een computerprogramma. De ideeën en beginselen die aan enig element van een computerprogramma ten grondslag liggen, met inbegrip van de ideeën en beginselen die aan de interfaces daarvan ten grondslag liggen, worden niet auteursrechtelijk beschermd.". Artikel 3. "Tenzij bij overeenkomst of statutair anders is bepaald, wordt alleen de werkgever geacht verkrijger te zijn van de vermogensrechten met betrekking tot computerprogramma's die zijn gemaakt door een of meer werknemers of beambten bij de uitoefening van hun taken of in opdracht van hun werkgever.". Artikel 4. Het morele recht wordt geregeld overeenkomstig artikel 6bis, 1, van de Berner Conventie.".

Artikel 5. "Onverminderd de artikelen 6 en 7, omvatten de vermogensrechten : a) de permanente of tijdelijke reproductie van een deel of het geheel van een computerprogramma, ongeacht op welke wijze en in welke vorm. Voor zover voor het laden of in beeld brengen, of de uitvoering, transmissie of opslag van een computerprogramma deze reproductie van het programma noodzakelijk is, is voor deze handelingen toestemming van de rechthebbende vereist;"

Artikel 6. § 1. Tenzij bij overeenkomst uitdrukkelijk anders is bepaald, is voor de in artikel 5, a) en b), genoemde handelingen, geen toestemming van de rechthebbende vereist wanneer deze handelingen voor de rechtmatige gebruiker noodzakelijk zijn om het computerprogramma te kunnen gebruiken voor het beoogde doel, met inbegrip van het verbeteren van fouten. § 2. De reproductie in de vorm van een reservekopie door de rechtmatige gebruiker van het computerprogramma mag niet worden verboden, voor zover die kopie noodzakelijk is om het programma te kunnen gebruiken. § 3. De rechtmatige gebruiker van een kopie van een computerprogramma is gemachtigd om zonder toestemming van de rechthebbende de werking van het programma te observeren, te bestuderen en uit te testen, ten einde vast te stellen welke ideeën en beginselen aan een element van het programma ten grondslag liggen, indien hij dit doet bij het rechtmatig laden of in beeld brengen, de uitvoering, transmissie of opslag van het computerprogramma. Artikel 7. "§ 1. Er is geen toestemming van de rechthebbende vereist wanneer de reproductie van de code en de vertaling van de codevorm in de zin van artikel 5, a) en b) onmisbaar zijn om de informatie te verkrijgen die nodig is om de compatibiliteit van een onafhankelijk gecreëerd computerprogramma met andere programma's tot stand te brengen, voor zover aan de volgende voorwaarden wordt voldaan : a) de reproductie en de vertaling worden verricht door een persoon die het recht heeft om een kopie van het programma te gebruiken, of voor zijn rekening door een daartoe gemachtigd persoon; b) de gegevens die nodig zijn om de compatibiliteit tot stand te brengen zijn nog niet eerder snel en gemakkelijk beschikbaar gesteld voor hem; c) de reproductie en de vertaling blijven beperkt tot die onderdelen van het oorspronkelijke programma die voor het tot stand brengen van deze compatibiliteit noodzakelijk zijn. § 2. Het bepaalde in de vorige paragraaf biedt niet de mogelijkheid dat de op grond daarvan verkregen informatie : a) voor een ander doel dan het tot stand brengen van de compatibiliteit van het onafhankelijk gecreëerde programma wordt gebruikt; b) aan derden wordt meegedeeld, tenzij die mededeling noodzakelijk is met het oog op de compatibiliteit van het onafhankelijk gecreëerde programma; c) of wordt gebruikt voor de ontwikkeling, productie of het in de handel brengen van een qua uitdrukkingswijze in wezen gelijk computerprogramma, of voor andere handelingen waarmee inbreuk op het auteursrecht wordt gepleegd. § 3. Dit artikel mag niet zodanig worden toegepast dat ongerechtvaardigd nadeel voor de rechtmatige belangen van de rechthebbende ontstaat of het normale gebruik van het computerprogramma belemmerd wordt. Artikel 8. Het bepaalde in de artikelen 6, §§ 2 en 3, en 7 is van dwingend recht. Artikel 9. "De termijn van bescherming van computerprogramma's door het auteursrecht wordt bepaald overeenkomstig artikel 2 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten."

Artikel 10. "De inbreuken op het auteursrecht inzake een computerprogramma worden gesanctioneerd overeenkomstig de wet.".

10.

Op grond van artikel 7 van het Decret d'Allarde van 2/17 maart 1791 geldt de vrijheid van beroep en bedrijf. Dit impliceert de vrijheid van mededinging. De vrijheid van de mededinging vindt een concrete toepassing in de vrijheid van kopie (cfr. ook GOTZEN, F., "De eerlijke gebruiken en de rechten van intellectuele eigendom", in STUYCK, J. en WYTINCK, P., De nieuwe wet handelspraktijken, Kluwer, 261-263).

Intellectuele eigendomsrechten vormen een uitzondering op de vrijheid van handel en meer bepaald op de vrijheid van kopie. Intellectuele eigendomsrechten in het algemeen en het auteursrecht in het bijzonder kennen een monopolie toe.

Anderzijds kunnen een inbreuk op het auteursrecht, en het onterecht maken van een kopie in het algemeen, aanleiding geven tot concurrentievervalsing.

Het auteursrecht beoogt "free riding", dit wil zeggen het ongeoorloofd gebruik maken van de inspanningen tot ontwikkeling en innovatie van een ander, te voorkomen en te beteugelen.

De uitzondering op de vrijheid van handel is derhalve aan welbepaalde voorwaarden gebonden, die niet zozeer door de wet zelf ingevuld zijn, maar door rechtspraak en rechtsleer op basis van internationale verdragen en de dagelijkse praktijk bepaald zijn.

11.

Om auteursrechtelijke bescherming te verkrijgen is het een noodzakelijke maar voldoende voorwaarde dat een voortbrengsel de uitdrukking is van de intellectuele inspanning van de maker. Er moet een aanwijsbare activiteit zijn van de menselijke geest. Tussen het werk en de auteur moet een band bestaan. De omvang van de intellectuele inspanning is niet belangrijk (Cass., 27 april 1989, Pas., 1989, I, 908; Cass., 2 maart 1993, Pas., I, 234; Cass., 24 februari 1995, R.W., 1995-'96, 433 en I.R. D.I., 1996, 28; Cass., 10 december 1998, R.W. 1999-2000, 325; Cass., 11 maart 2005, www.cass.be).

Die intellectuele inspanning is de onontbeerlijke voorwaarde om aan het werk het nodige individuele karakter te geven waardoor een vorm ontstaat.

De vorm moet de stempel van de persoonlijkheid dragen. De vorm moet zodanig beïnvloed zijn door de persoon dat het werk een eigen persoonlijk karakter vertoont (ibidem).

Artikel 2, sub a, van richtlijn 2001/29, omgezet in de Belgische Auteurswet, bepaalt dat de auteurs het uitsluitende recht hebben om de volledige of gedeeltelijke reproductie van hun werken toe te staan of te verbieden. De bescherming van het recht van de auteur om reproductie toe te staan of te verbieden betreft dus een „werk". Om auteursrechtelijke bescherming te genieten, moet een werk uitgedrukt zijn in een bepaalde vorm, die mededeelbaar is aan het publiek (ideeën zijn niet beschermd, maar behoren tot het publiek domein).

Bovendien moet het werk oorspronkelijk zijn.

Uit de algemene opzet van de Berner Conventie, inzonderheid van artikel 2, leden 5 en 8, ervan, volgt dat voor de bescherming van bepaald materiaal als werken van letterkunde en kunst wordt verondersteld dat het gaat om scheppingen van de geest.

Richtlijn 2001/29, die geharmoniseerde rechtsregels op het gebied van het auteursrecht vaststelt, is, zoals blijkt uit de punten 4, 9 tot en met 11 en 20 van de considerans ervan, gebaseerd op hetzelfde beginsel.

Aldus kan het auteursrecht in de zin van artikel 2, sub a, van richtlijn 2001/29 slechts gelden met betrekking tot materiaal dat oorspronkelijk is in die zin dat het gaat om een eigen intellectuele schepping van de auteur ervan (H.v.J., Infopaq, 16 juli 2009, Arrest C-5/08, www.curia.eu, inz. r.o. nrs. 32-37).

De vorm mag niet ontleend zijn aan een bestaand werk en moet dus een eigen oorspronkelijk karakter hebben. De vorm moet het resultaat zijn van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes (H.R., 30 mei 2008, N.J., 2008, 556).

Drukt het werk de activiteit uit van zijn auteur? Heeft het werk een individueel karakter? Een zekere mentale activiteit is vereist, zoniet komt de persoonlijkheid van de auteur niet tot uiting in het werk.

Elementen die op zich niet origineel zijn kunnen door de wijze waarop ze samen gebracht zijn een origineel geheel opleveren.

Nieuwheid is in beginsel geen criterium om een werk auteursrechtelijk te beschermen (DE VISSCHER, F. en MICHAUX, B., Précis du droit d'auteur et des droits voisins, 2000, Brussel, Bruylant, nrs. 23 en 31, met verwijzing; STROWEL, A., "L' originalité en droit d'auteur: un critère à géométrie variable", J.T., 1991, 513-514), net zo min als omvangrijk opzoekingswerk of een grote inspanning om het werk te maken (ibidem).

Wat nieuw is, is niet automatisch origineel. Wat origineel is, kan nieuw zijn en zal vaak een aspect van nieuwheid impliceren. De twee begrippen vallen evenwel niet samen. De maker van een later werk mag nog steeds bewijzen dat zijn werk onafhankelijk van het eerste werk tot stand gekomen is.

Een origineel werk is niet vanzelfsprekend. Het is ook niet banaal. Geen auteursrechtelijke bescherming wordt verleend indien de vorm zo banaal of triviaal is dat geen creatieve arbeid van welke aard ook valt aan te wijzen.

12.

De bewijslast met betrekking tot de originaliteit van het computerprogramma Square en de eventuele inbreuk door de software Orgamo berust bij W......... K........... en de heer C.........(toepassing van artikel 870 Ger. Wb.).

De bewijslast van W.......... K........... en de heer Cl...............beperkt zich tot het aanduiden waarin de originaliteit van de creatie ligt. Zij dienen aan te tonen dat de software niet geheel bepaald is door de aard maar dat de vormgeving het resultaat is van de eigen keuzes van de ontwerper (D....V..........., F. en M..........., B., Précis du droit d'auteur et des droits voisins, .................................., met referenties).

13.

Namaak wordt op synthetische wijze beoordeeld, zonder stil te blijven staan bij detailverschillen, die niet beletten dat een deel van of geheel de originaliteit van het oorspronkelijke werk is hernomen (D...... V..........., F. en M............., B., op. cit., nr. 83 in fine, met referenties in voetnoot 28).

Indien beide creaties eenzelfde totaalbeeld oproepen, is er namaak of plagiaat. Hierbij moet de nadruk worden gelegd op de globale indruk die de onderscheiden werken elk afzonderlijk en in hun onderling verband opwekken. Zowel de gelijkenissen als de verschillen moeten worden bekeken, waarbij de gelijkenissen zwaarder wegen dan de

verschilpunten (Brussel, 28 februari 2006, AM 2006, 436).

Er is sprake van namaak in geval het bestreden werk geheel of gedeeltelijk een ontlenen, een overname vormt van wat origineel is aan het werk waarvan de auteursrechtelijke bescherming ingeroepen wordt (Brussel, 7 december 1999; I.R. D.I., 2000, 34; Bergen, 23 november 1994, J.T., 1995, 282).

Er is namaak voorhanden wanneer de verschillen betreffende de aspecten die de originaliteit inhouden en dus constitutief zijn voor de bescherming, niet significant voorkomen in vergelijking met de gelijkenissen in die aspecten (Brussel, 21 juni 1999, I.R. D.I., 2001, 297, met noot D.... V................, B.).

Toepassing

14.

De heer C............ en W......... Kl.............. tonen voldoende aan dat het programma Square (waarvan B............, E............. en de heer B.............. niet beweren dat het een kopie vormt van het computerprogramma Orgamo) het resultaat is van eigen keuzes met betrekking tot de aard van de materie. De stukken 14 en 15 van hun dossier tonen een intellectuele schepping aan en tonen aan dat de software de uitdrukking is van een creatieve geest.

Zij tonen met deze stukken ook aan dat de opbouw van het softwareprogramma niet geheel bepaald is door de aard van de VCA wetgeving. De stukken 14 tot 16 tonen aan dat er geheel verschillende software met hetzelfde doel op de markt is. Appellanten weerleggen deze stukken niet. Hun stelling dat de gelijkenissen tussen de beide computerprogramma's het gevolg zijn van de eigenschappen van VCA en de toepasselijke wetgeving, wordt niet bewezen.

15.

E............, B............ en de heer B............... hebben - voor zover nog nodig - daarenboven zelf zowel de auteursrechtelijk vereiste originaliteit als de intellectuele eigendomsrechten van de heer C........... en W............... K............. erkend.

De mail van de heer B................ van 27 mei 2005 (stuk 12, p. 2 van het dossier van geïntimeerde) is duidelijk. Indien hij de eigendomsrechten van de heer C........ op de software niet zou erkennen zou hij ook niet voorstellen "het stuk VCA" te kopen, zodat hij het verder kan aanpassen. Hij voegt aan het voorstel toe "Mocht je dit overwegen [de verkoop van het computerprogramma] zou ik zelfs de lay out veranderen en een stuk ook de werkwijze en ik ben zeker dat ik niet in je vaarwater zou zitten.".

In zijn mail van 31 mei 2005 doet de heer C............ een serie voorstellen met betrekking tot de boedelscheiding tussen de heer C............ en B..............en hun vennootschappen. Op 2 juni geeft de heer B............ in een mail per onderdeel commentaar en eventueel een tegenvoorstel. Op de mededeling van de heer C.............. "Kopen VCA module: buiten discussie. Er wordt niks van software verkocht. De software is mijn ontwikkeling en blijft dit ook. Commissie: ter discussie." (stuk 13 van het dossier van geïntimeerden) volgt geen reactie van of betwisting door de heer B.............

De dossiers bevatten geen enkel element dat de wijziging in deze procedure in de houding van de heer B.......... (en E........... en B.................) met betrekking tot de originaliteit van Square verantwoordt.

16.

Er is geen betwisting met betrekking tot het feit dat de heer C................. de vaderschapsrechten en W.............. K................. de exploitatierechten heeft op het computerprogramma Square.

17.

Het auteursrecht biedt geen bescherming voor technische ideeën. Het biedt enkel bescherming voor een specifieke vormgeving (zie hiervoor), waarbij het auteursrecht geen hindernis mag zijn voor standaardisering. Digitalisering brengt hoe dan ook een zekere standaardisering en uniformisering met zich mee. Bij een webapplicatie is voldoende uniformiteit vereist opdat het programma zou kunnen werken. Het hof is evenwel in de gegeven omstandigheden van de zaak van oordeel dat de keuzes, gemaakt in de respectievelijke softwareprogramma's, te zeer op elkaar gelijken en dat dit niet het gevolg is van de eigenheid van het werken met software.

Uit de briefwisseling tussen E..............., B............, de heer B............. en het bedrijf dat voor hen de thans betwiste software geschreven heeft, blijkt dat het programma Square meer dan als inspiratiebron gediend heeft. Het werd meegedeeld als te volgen voorbeeld en door de softwareontwerper ook zo uitgevoerd (zie deskundigenverslag pp. 9 tot 12).

Verder stelt het hof vast dat de structuur en de opbouw van de database zeer grote gelijkenissen vertonen, in die mate dat de verschillen geringer zijn dan de gelijkenissen en dat de gelijkenissen globaal primeren op de verschillen.

Het lijkt niet uitzonderlijk dat met lichte en donkere achtergrond te werken om een zeker reliëf te geven aan een lijst (p. 18 van het deskundigenverslag). Ook het gebruik van kleuren om de status weer te geven (p. 18 van het deskundigenverslag) kan in bepaalde gevallen gerekend worden tot het publiek domein, omdat de meeste mensen groen associëren met "goed, veilig" over oranje of geel voor "let op" en rood met "stop, gevaar".

Er zijn evenwel meer en belangrijker gelijkenissen tussen de beide programma's.

De bladzijde met het hoofdmenu, zoals weergegeven op p. 15 van het deskundigenverslag, is zowat identiek en het hoofdmenu zelf is volledig hetzelfde. E..............., B............. en de heer B............... tonen niet aan dat dit door de VCA zelf is bepaald.

Hun argument dat een belangrijk deel van het programma door het gebruik van de methode van K.............. bepaald is, wordt niet aanvaard (dit zou de meest aangewende methode voor de branche van de aannemers zijn. Met deze methode wordt de risicograad (R) bepaald en E......... (E) - waarschijnlijkheid (W) - Blootstelling (B) zijn, zodat , waarbij (R)= ExWxB).

K.............bevat slechts een aantal van de parameters van het programma en het is niet aangetoond dat K............... niet anders kan dan leiden tot de opbouw van de software, zoals deze van Square en Orgamo voorligt.

De keuze voor de indeling van de hoofding in drie vakken, met links het logo van het bedrijf, in het midden de naam van het document en de naam van het bedrijf en rechts de code van het document en de datum zijn bij beide programma's hetzelfde (p. 22-23 van het deskundigenverslag), zonder dat aangetoond is dat dit door de wetgeving is opgelegd of een gevolg is van de gekozen methodologie.

De VCA norm is opgebouwd als een checklist met vragen. Een controlelijst is een verzameling aandachtspunten die het één na het ander doorlopen worden en waarbij men zich telkens afvraagt wat de aandachtspunten zijn. Op zich is de checklist geen methode, maar een hulpmiddel, een geheugensteun. De VCA norm bevat een onderdeel met vragen over de functies binnen een bedrijf. Hoe deze functies genoemd en opgelijst worden, wordt niet door de VCA norm of een methode bepaald. Hier kan de auteur van de software vrij kiezen. Uit de vergelijking op p. 24-25 van het deskundigenverslag blijkt dat in Orgamo in wezen dezelfde keuzes gemaakt werden als in Square. Opbouw en weergave stemmen in ruime mate overeen. Voor een verdere analyse van de gelijkenissen, die globaal genomen groter zijn dan de verschillen en niet door de wetgeving opgelegd zijn, van het onderdeel van de software over de functies, verwijst het hof naar de pagina's 26 tot 29 van het expertiseverslag.

De deskundige heeft in zijn verslag ook voorbeelden opgenomen van programma's met dezelfde doelstelling als Square en Orgamo (p. 37 tot 41). Daaruit blijkt duidelijk dat het mogelijk is met de VCA norm als uitgangspunt toch eigen keuzes te maken in het computerprogramma en één en ander op een andere wijze dan in Square het geval is op te nemen en naar voren te brengen.

Zelfs als de andere programma's met een zogeheten ‘drop down' (keuzeveld met de pijl naar rechts) werken, dan nog verschilt het beeld aanzienlijk van dat van S............ en O............, terwijl dat tussen O............... en Square onderling niet of te weinig het geval is.

De stukken van bijlage B3 van appellanten laten niet toe na te gaan van welke softwareprogramma's zij afkomstig zijn, zodat hieruit geen conclusie kan getrokken worden. Enkel de tweede pagina bevat een naam, deze van Baco bvba. De heer B............. zou naar eigen zeggen verantwoordelijk zijn voor de layout van deze tweede pagina en dit stuk zou dateren van voor Orgamo. Het is evenwel niet aangetoond dat dit een standaard weergave en de enig mogelijke weergave is. In de mate de heer B............... een intellectuele input zou gehad hebben in Square vormt dit een andere discussie, nu in deze zaak niet is aangetoond dat hij mede-auteur zou geweest zijn.

Het is niet nodig dat de volledige doeltaal van het project waarvan gekopieerd wordt, gekend is, met trajecten en functies, opdat er van een inbreuk op het auteursrecht op software zou kunnen gesproken worden. Uit het feit dat Embas, Bavecon en de heer B.............dit niet kenden kan niet uit zichzelf afgeleid worden dat er geen inbreuk is.

Embas, Bavecon en de heer B............ werpen op dat de expert het traject om de risicoanalyse op te bouwen niet vergeleken heeft. Zij werken dit argument evenwel niet uit en tonen niet aan dat het hier om een voldoende relevant verschil gaat en waaruit het verschil bestaat. Het hof kan hiermee dan ook geen rekening houden.

De voorbeelden 2 tot 5 (p. 16-19 van de conclusie na heropening van de debatten van appellanten) overtuigen niet en wegen hoe dan ook niet op tegen de veelvuldige voorbeelden uit het deskundigenverslag en uit de conclusie na de heropening van de debatten van de heer Claerbout en Wolters Kluwer (pagina's niet genummerd- het gaat om de 12 pagina's voorafgaand aan "Conclusie: geen enkel softwarepakket heeft dezelfde velden, look&feel, structuur en overzichten en werkwijze als Square en Orgamo welke nagenoeg identiek zijn").

Bij de bespreking van een aantal voorbeelden hebben Embas, Bavecon en de heer B.................... het over het al dan niet in overeenstemming zijn met de VCA norm, wat hier niet aan de orde is. Ook de verwijzing naar G2 is niet dienstig voor zover daaruit zou moeten afgeleid worden dat iedereen met een checklist werkt, nu hiervoor werd geoordeeld dat Square als geheel origineel is in de zin van de WRS.

Hoewel Embas, Bavecon en de heer B.............. terecht opmerken dat in sommige voorbeelden verschillende onderdelen van het programma vergeleken werden, weegt dit argument niet op tegen al het voorgaande, waar bij een globale beoordeling geoordeeld werd dat de gelijkenissen groter zijn dan de verschillen.

De bewering dat "er onvoldoende kennis (was) over VCA om correct te oordelen" wordt onvoldoende onderbouwd. Er is niet voldoende aangetoond dat de kennis van VCA tot een ander oordeel zou geleid hebben of zou hebben moeten leiden.

Ook de bewering dat het niet mogelijk is software te imiteren en aldus het auteursrecht van de rechthebbende te schenden zonder de broncode te kennen, wordt verworpen.

Algemeen wordt besloten dat de eigen intellectuele inspanning van de auteur van Square en dus de keuzes die voor Square gemaakt werden in de functionele opeenvolging van menu's, invulformulieren, documenten en rapporten globaal genomen terug te vinden zijn in Orgamo, zodat een inbreuk op het auteursrecht op Square aangetoond is. De methodologie die bij beide programma's gevolgd werd, is nagenoeg dezelfde en is niet louter door de VCA-norm of de K................ methode bepaald. Hetzelfde geldt voor de structuur van het programma. De gebruikersinterface stemt in te ruime mate overeen.

Ten overvloede merkt het hof het volgende op. Het deskundigenonderzoek zou vollediger geweest zijn indien de expert een draaiende applicatie zou gezien hebben, zich niet zou hebben moeten beperken tot het plaatsbezoek bij S@WS en van het geheel van beide programma's zou hebben kennis genomen. Toch bevat het deskundigenverslag, samen met de dossierstukken, middelen en argumenten van de partijen in deze zaak voldoende gegevens om te besluiten dat er een inbreuk is op de auteursrechten van de heer C.............. en van Wolters Kluwer. De afbeeldingen op het scherm zijn de veruitwendiging van een deel van de software. De globale gelijkenissen vastgesteld op basis van de prints zijn in deze zaak voldoende om een inbreuk op het auteursrecht op het computerprogramma Square vast te stellen.

Gelet op al het voorgaande wordt het verzoek om een (bijkomend of nieuw) deskundigenonderzoek verworpen.

De vordering tot schadevergoeding - het incidenteel hoger beroep

18.

De artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek houden in dat de schade persoonlijk en rechtstreeks moet geleden zijn door diegene die aanspraak maakt op het herstel of de vergoeding ervan.

Deze artikelen, noch enige andere wetsbepaling, stellen van rechtswege de hoofdelijkheid in tussen aanspraakgerechtigden. Ieder van hen kan van de aansprakelijke slechts schadevergoeding vorderen voor de schade die hij zelf heeft geleden. De vervanging van het stelsel van de deelbaarheid door een actieve, niet overeengekomen hoofdelijkheid schendt de artikelen 1382-1383 B.W. (Cass., 10 juni 2010, www.cass.be).

De syntheseconclusie van 4 mei 2010 behandelt onder randnummer 25 de economische verliezen van C............ De bvba Cebecon is evenwel geen partij in het voorliggende geding. De dagvaarding vermeldt Wolters Kluwer en de heer C............. als gedinginleidende partijen. Er kan dan ook geen rekening gehouden worden met de cijfers die voor de bvba Cebecon bijgebracht worden. Uit stuk 5 met de bijlagen blijkt dat Wolters Kluwer de vermogensrechten over Square beschikt, zodat hun schade wel in aanmerking genomen wordt.

Het hof treedt de eerste rechter bij, die oordeelde dat er meerdere aanbieders zijn van een gelijkaardig softwareprogramma en dat Wolters Kluwer en de heer C................er niet zonder meer kunnen van uitgaan dat al hun klanten ook bij hen zouden gebleven zijn voor de duur die zij in hun conclusie berekenen. De berekeningswijze die zij voorstellen, is ten andere gebaseerd op het verleden terwijl niet zonder meer kan aangenomen worden dat het verleden ook mag geëxtrapoleerd worden naar de toekomst. Om die reden is er geen grond om af te wijken van het bedrag dat de eerste rechter ex aequo et bono toegekend heeft. Het vonnis wordt enkel in die zin hervormd dat deze vergoeding alleen aan Wolters Kluwer wordt toegekend.

19.

Ook wat de morele schadevergoeding betreft wordt het bestreden vonnis bevestigd wat het toegekende bedrag betreft. Er is geen grond om dit bedrag, dat hoe dan ook ex aequo et bono bepaald is, te verdubbelen.

Het vonnis wordt hervormd in zoverre het de morele vergoeding aan beide geïntimeerden toekent, nu enkel de heer C................. een morele schade aantoont.

De tegenvordering wegens rechtsmisbruik

20.

Het middel inzake rechtsmisbruik is gegrond op feiten die geen betrekking hebben op de bvba Cebecon. Deze is geen partij in dit geding, zodat het middel op die grond afgewezen wordt.

Hoe dan ook blijkt uit de voorgelegde feiten niet dat één der geïntimeerden zijn of haar rechten uitgeoefend heeft op een foutieve manier of met het oogmerk schade toe te brengen aan één der of alle appellanten. Ook om deze reden wordt de tegenvordering verworpen.

Kosten

21.

Op grond van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger. Wb. worden appellanten in solidum tot betaling van de kosten veroordeeld.

De basisvergoeding voor het principaal hoger beroep bedraagt euro 5.000,- (in het dispositief van hun laatste conclusie vorderden geïntimeerden een bedrag van euro 210.000,00, te vermeerderen met de intresten vanaf 6 mei 2008).

De basisvergoeding voor het incidenteel hoger beroep wordt niet apart toegekend, nu dit kadert in het geheel van het geding.

OP DIE GRONDEN, het hof,

Het hoger principaal en incidenteel beroep zijn toelaatbaar, maar beide ongegrond

Het Hof:

- werkt het tussenarrest van 4 oktober 2010 verder uit;

- bevestigt het bestreden vonnis, behalve wat de toekenning van de bedragen betreft;

- veroordeelt appellanten in solidum om aan de nv Wolters Kluwer de som van 100.000,00 euro te betalen, te vermeerderen met de gerechtelijke verwijlintresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de dagvaarding tot aan de algehele betaling;

- veroordeelt appellanten in solidum om aan de heer O............C...........de som van 10.000,00 euro te betalen, te vermeerderen met de gerechtelijke verwijlintresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de dagvaarding tot aan de algehele betaling;

- verwerpt alle overige vorderingen;

- veroordeelt appellanten in solidum tot betaling van de kosten, bepaald als volgt:

Geïntimeerden:

hoger beroep:

rechtsplegingvergoeding

hoofdberoep: euro 5.000,00.

Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit:

Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend kamervoorzitter,

Frank Deschoolmeester, raadsheer,

Geneviève Vanderstichele, raadsheer,

bijgestaan door Kristoffel Goossens, griffier en uitgesproken door de kamervoorzitter in openbare terechtzitting op maandag tien januari tweeduizend en elf.

Mots libres

  • Auteursrecht

  • computersprogramma's-Originaliteit