- Arrêt du 22 février 2011

22/02/2011 - 2010-AR-0443

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De betekening aan de procureur des Konings is rechtsgeldig geschied conform artikel 38§2 Ger.W. wanneer blijkt dat de woonplaats van de geadresseerde niet langer actueel was en dat de betekenende partij alle nuttige opzoekingen heeft verricht met het oog op het bepalen van de woon- of verblijfplaats van aan de geadresseerde


Arrêt - Texte intégral

Hof van beroep

te Gent

14 kamer

________

Terechtzitting

van

22 februari 2011

________

CBB 22.02.2011

2010/AR/443 in de zaak van:

V..... L........ L.......,

wonende te .............................,

appellant,

hebbende als raadsman mr. VERSTRAETE Jean, advocaat te 8755 RUISELEDE, Pensionaatstraat 31

tegen:

SCHELFHOUT BOUWMATERIALEN NV,

met maatschappelijke zetel te 9300 AALST,Moutstraat 12

WOONSTKEUZE doende op het kantoor van gerechtsdeurwaarder VYNCK Eddy, 8000 BRUGGE, Leopold II-laan 130,

ingeschreven met KBO-nummer 0422.548.331,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. DE WOLF Michel, advocaat te 9300 AALST, Molendries 11

Wijst het Hof volgend arrest::

Het Hof neemt kennis van de op 23 december 2009 door de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Brugge verleende beschikking, waartegen appellant, met zijn op 18 februari 2010 ter griffie neergelegd verzoekschrift tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep heeft ingesteld.

Het Hof neemt inzage van de conclusie van appellant en het bundel van beide partijen.

Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in acht genomen.

I. Voorgaanden

1. Op 17 september 2009 heeft appellant verzet aangetekend tegen een exploot van betekening-bevel van 13 november 1995, alsook tegen een bevel voorafgaand aan een uitvoerend beslag op onroerend goed en tegen het uitvoerend onroerend beslag, die op verzoek van geïntimeerde aan hem betekend werden op respectievelijk 17 november 2008 en 6 mei 2009. Dit verzet maakt het voorwerp uit van het thans te beoordelen executiegeschil.

De voornoemde uitvoeringsdaden werden betekend op grond van een tegensprekelijk vonnis van de rechtbank van koophandel te Dendermonde, afdeling Aalst, van 20 juni 1995, waarbij appellant veroordeeld werd tot betaling aan geïntimeerde van een bedrag van 589.083 BEF, meer conventionele intresten tegen 12% vanaf 16 maart 1995 tot 29 maart 1995, meer gerechtelijke intresten vanaf 29 maart 1995 en de kosten.

Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Kortrijk van 26 februari 1996 werd appellant persoonlijk failliet verklaard. Geïntimeerde deed aangifte van haar schuldvordering in het faillissement. Bij vonnis van 12 april 1998 werd de vordering van geïntimeerde opgenomen in het gewoon passief. Het faillissement werd wegens ontoereikend actief afgesloten op 26 maart 2001, waarbij appellant niet verschoonbaar werd verklaard.

Geïntimeerde heeft op grond van het vonnis volgende exploten laten betekenen:

- een exploot van betekening-bevel tot betalen door tussenkomst van gerechtsdeurwaarder Luc Ameele op 13 november 1995, betekend aan het ambt van de heer Procureur des Konings te Brussel;

- een exploot van herhaald bevel tot betalen op 11 februari 2008;

- een beslag onder derden betekend op 15 februari 2008 bij de N.V.Soetaert te Westende;

- een aanzegging van het derdenbeslag aan appellant op 22 februari 2008, sprekende met diens partner Mevrouw Vindevoghel;

- een tegenaanzegging betekend op 28 februari 2008;

- een bevel voorafgaand aan uitvoerend onroerend beslag, betekend op 27 augustus 2008 met de aanzegging dat bij gebreke aan voldoening van het verstrijken van de wettelijke termijn van 15 dagen beslag zou worden gelegd op het onverdeeld aandeel van appellant in een woonhuis te Ruiselede, Kruiskerkestraat 27 en een bouwland, gelegen te Ruiselede, Kruiskerkestraat;

- een uitvoerend onroerend beslag betekend op 24 september 2008 op voornoemde goederen;

- een tweede bevel voorafgaand aan een uitvoerend onroerend beslag betekend op 17 november 2008;

- een tweede uitvoerend beslag op beide onroerende goederen op 6 mei 2009.

Tussen 13 november 1995 en 2001 heeft geïntimeerde appellant nog verschillende malen tevergeefs aangeschreven en ingebreke gesteld om zijn openstaande schuld te voldoen, meer bepaald op 28 augustus 1996 op zijn adres te 9300 Aalst, Sint-Annalaan 3 Bus 1, op 4 september 1997, eveneens op het adres te Aalst, Sint-Annalaan 3 Bus 1, op 18 september 1997 op het adres te Haaltert, Ekentstraat 74 Bus 3 en op 11 juli 2001 op het laatstgenoemde adres.

Bij beschikking van 23 september 2004 werd appellant toegelaten tot de procedure van collectieve schuldenregeling. De identiteit van geïntimeerde werd niet opgenomen in het verzoekschrift en geïntimeerde werd niet betrokken in de procedure. De gehomologeerde minnelijke aanzuiveringsregeling kwam ten einde op 7 juni 2008, zoals blijkt uit de beschikking van de beslagrechter van 24 juni 2009.

Toen de vader van appellant kwam te overlijden, wenste geïntimeerde over te gaan tot gedwongen uitvoering op het onverdeeld aandeel van appellant in twee onroerende goederen afhangende van de nalatenschap van zijn vader.

2. Geïntimeerde liet een eerste bevel voorafgaand aan uitvoerend onroerend beslag betekenen op 27 augustus 2008 en uitvoerend onroerend beslag leggen op 24 september 2008. Appellant stelde hiertegen verzet in. Het verzet steunde enerzijds op de overweging dat appellant in de periode van 23 september 2004 tot 7 juni 2008 was toegelaten tot de procedure van collectieve schuldenregeling en dat alle individuele uitvoeringsdaden gesteld in die periode daardoor onregelmatig zouden zijn, en anderzijds op de nietigheid van het bevel voorafgaand aan uitvoerend onroerend beslag omdat geen volledig afschrift van de titel mee betekend werd.

Het bevel en beslag werden bij beschikking van 24 juni 2009 van de beslagrechter te Brugge nietig verklaard. Omdat het exploot houdende voorafgaand bevel van 27 augustus 2008 geen afschrift bevatte van de ten uitvoer gelegde titel en er in de drie voorafgaande jaren geen betekening van de titel was gebeurd, zodat het exploot van voorafgaand bevel en het exploot van uitvoerend onroerend beslag van 24 september 2008,nietig zijn, werd bij beschikking van 24 juni 2009 de opheffing van het beslag en de doorhaling ervan bevolen.

Bij deze beschikking oordeelde de beslagrechter ook dat door het betekenen van het herhaald bevel tot betalen van 11 februari 2008 de verjaring van de vordering rechtsgeldig werd gestuit en dat uit het bericht van collectieve schuldenregeling is gebleken dat de collectieve schuldenregeling op het ogenblik van het beslag reeds beëindigd was.

Geïntimeerde ging bij exploot van 7 mei 2009 over tot handlichting van dit beslag en doorhaling van het beslag in de registers van de hypotheekbewaarder.

3. Bij exploot van 17 november 2008 liet geïntimeerde een tweede bevel voorafgaand aan onroerend beslag betekenen, waarbij ditmaal het afschrift van de titel wel mee werd betekend en beslag leggen op 6 mei 2009, waartegen appellant opnieuw verzet instelde, voorwerp van huidig executiegeschil.

Het verzet van appellant is niet gericht tegen het ten uitvoer gelegde vonnis als zodanig, maar tegen de rechtspleging. Appellant verzet zich tegen de gedwongen tenuitvoerlegging op twee gronden.

Enerzijds vraagt hij zich af of de oorspronkelijke betekening van het vonnis zelf op 15 (volgens appellant in zijn verzetsakte maar volgens de vermeldingen in het voorgelegde exploot 13) november 1995 aan de heer Procureur des Konings te Brussel geldig is. Anderzijds meent hij dat geïntimeerde haar vorderings-recht niet meer kan uitoefenen omwille van de collectieve schuldenregeling waartoe hij op 23 november 2004 werd toegelaten en die volgens appellant erga omnes geldt. Hij stelt dat de beschikking van toelaatbaarheid krachtens artikel 1675/7 §2 Ger.W. elke latere individuele executie verbiedt en dat krachtens artikel 1675/7, §1 Ger.W. de intresten geschorst zijn tot het einde van de aanzuiveringsregeling.

Ten slotte meent appellant dat het uitvoerend onroerend beslag dd.6 mei 2009 nietig is wegens het verbod van dubbel beslag, omdat het werd gelegd op een tijdstip dat nog geen handlichting was verleend van het eerste onroerend beslag, dat bij beschikking van 24 juni 2009 van de beslagrechter nietig werd verklaard.

Concreet vraagt appellant in zijn verzetsakte:

- in hoofdorde de betekening met bevel van 13 november 1995 nietig te verklaren en te zeggen voor recht dat het bevel voorafgaand aan het uitvoerend beslag van 17 november 2008 en het uitvoerend beslag van 6 mei 2009 nietig zijn wegens uitdoving van het vorderingsrecht van geïntimeerde en/of wegens dubbel beslag en de opheffing van beide te bevelen, met veroordeling van geïntimeerde tot alle executiekosten;

- in ondergeschikte orde, de uitvoeringskosten en de vervallen intresten gemaakt en opgeëist tijdens de collectieve schuldenregeling van appellant uit de vordering van geïntimeerde te weren;

- geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding.

Bij de thans voor dit hof bestreden beschikking van 23 december 2009 heeft de beslagrechter te Brugge het verzet van appellant ongegrond verklaard en ook de ondergeschikte vorderingen omtrent de kosten van het exploot bevel van 11 februari 2008 en de "intresten vanaf 23 september 2004 tot 18 juli 2008" als ongegrond afgewezen.

4. Appellant vraagt het hof de beschikking dd.23 december 2009 te hervormen en opnieuw wijzende, de betekeningen van 13 november 1995 en 11 februari 2008 nietig te verklaren, het voorafgaand bevel van 17 november 2008 en het beslag van 6 mei 2009 eveneens nietig te verklaren en hun opheffing te bevelen en ondergeschikt de kosten en intresten gemaakt/ vervallen tijdens de periode van 23 september 2004 tot 22 juli 2008 uit de vordering van geïntimeerde te weren.

In zijn synthesebesluiten vraagt hij de akte van betekening-bevel van 13 november 1995 en alle daden van uitvoering die er tot op heden op gevolgd zijn, met uitzondering van degene die al nietig werden verklaard bij beschikking van 24 juni 2009, ongedaan en nietig te verklaren en opheffing te bevelen en van het bevel voorafgaand onroerend beslag van 13 november 2008 en van het beslag op onroerend goed van 6 mei 2009. Tevens vraagt hij de doorhaling te bevelen van de inschrijving van beide akten in het hypotheekkantoor op vertoon van het arrest en de veroordeling van geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen.

In ondergeschikte orde vraagt hij minstens de executiekosten en de intresten gemaakt/vervallen tussen 23 september 2004 en 7 juni 2008 uit de schuldvordering te weren en de kosten om te slaan tussen partijen.

II.Beoordeling

A. In hoofdorde: de geldigheid van de betekening van 13 november 1995

4. Appellant werpt op dat het exploot van betekening van het ten uitvoer gelegde vonnis op 13 november 1995 nietig is omdat de betekening geschiedde aan de procureur des Konings, terwijl geïntimeerde al maanden wist dat appellant gehuisvest was in een huurpand te Nieuwerkerken, Sint Rochusstraat 28/2.

Appellant beroept zich op de regel van artikel 38, §2 in fine van het Gerechtelijk Wetboek, volgens dewelke de betekening aan de

procureur des Konings ongedaan is indien de partij op wier verzoek ze is gericht, de woonplaats of de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van degene aan wie betekend wordt, kende. Hij stelt dat niet voldaan was aan de voorwaarden om te betekenen aan de procureur des Konings, omdat geïntimeerde al maanden wist dat appellant feitelijk gehuisvest was op voornoemd adres te Nieuwerkerken en op het tijdstip van de betekening nog ingeschreven was op zijn vroeger adres en dit tot 27 december 1995. Doordat het vonnis hem niet regelmatig werd betekend, zou hem de mogelijkheid tot verhaal zijn ontnomen.

Appellant wijst erop:

- dat hij per aangetekend schrijven dd.23 februari 1995 de facturen had geprotesteerd en aan geïntimeerde had gevraagd niet meer te leveren aan bepaalde personen;

- dat hij op 23 februari 1995 de heer D......om dringende redenen heeft ontslagen;

- dat hij zich op 8 mei 1995 burgerlijke partij stelde tegen P..... D...... wegens misbruik van vertrouwen;

- dat hij nooit in kennis is gesteld van de betekening en nooit geweten heeft dat de termijn van verhaal was beginnen lopen.

Omdat de betekening van 13 november 1995 op voornoemde gronden nietig moet worden verklaard en de herbetekening van 11 februari 2008 eveneens nietig is, wegens het feit dat deze geen afschrift van het vonnis bevatte, zijn volgens appellant alle uitvoeringsdaden nietig.

5. Krachtens artikel 38, §2 Ger.W. bestaat de betekening in de terhandstelling van het afschrift van het exploot aan de procureur des Konings in wiens rechtsgebied de feitelijke toestand zich voordoet, wanneer uit de ter plaatse vastgestelde feitelijke omstandigheden blijkt dat het materieel onmogelijk is tot de betekening over te gaan door het achterlaten van een afschrift van het exploot aan de woonplaats of bij gebrek aan een woonplaats, aan de verblijfplaats van de geadresseerde. In dat geval worden op het origineel en op het afschrift van het exploot de feitelijke omstandigheden vermeld die de betekening aan de

procureur des Konings noodzakelijk maken. Deze regel geldt ook wanneer de woning waar de persoon aan wie betekend wordt zijn woonplaats heeft, klaarblijkelijk verlaten werd zonder dat hij de overbrenging van woonplaats heeft gevraagd.

De betekening verricht aan de procureur des Konings is echter ongedaan is indien de partij op wier verzoek ze is gericht, de woonplaats of de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van degene aan wie betekend wordt, kende.

In deze zaak gebeurde de betekening op 13 november 1995 blijkens de vermeldingen op het exploot in toepassing van artikel 38, §2 Ger.W. aan de procureur des Konings omdat appellant het adres te 1500 Halle, Halleweg 122/1 - waar hij nog ingeschreven was - klaarblijkelijk verlaten had en de woning door derden werd bewoond, zonder dat hij de overbrenging van zijn woonplaats had aangevraagd. Tevens vermeldt het exploot dat er een voorstel tot ambtshalve schrapping lopende is.

Appellant, die aanvoert dat geïntimeerde kennis had van zijn verblijfplaats, dient daarvan het bewijs te leveren (zie Cass.7 september 2000, AR C.99.0052.F). Het is daarbij redelijk aan dit bewijs strenge eisen te stellen. Het is immers aan de nalatigheid van appellant zelf te wijten dat hij op het ogenblik van de betekening van het exploot op 13 november 1995 niet beschikte over een woonplaats. Een partij die niet beschikt over een woonplaats in de zin van artikel 36 Ger.W., bemoeilijkt het rechtsverkeer. Het zou onredelijk zijn dat haar schuldeisers hiervan de nadelige gevolgen moet dragen doordat zij het risico moeten dragen van een betekening aan de procureur des Konings die ongedaan is wanneer de geadresseerde over een verblijfplaats blijkt te beschikken. Dit risico kan enkel worden opgelegd wanneer daadwerkelijk wordt bewezen dat zij kennis hadden van de verblijfplaats van degene aan wie het exploot moest worden betekend.

Nagegaan moet worden of appellant het bewijs levert dat geïntimeerde wel degelijk kennis had van zijn verblijfplaats ten tijde van de betekening van het vonnis.

6. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat appellant op 20 november 1994 werd ingeschreven te 1500 Halle, Halleweg 122/1 en daar ambtshalve werd afgevoerd op 27 december 1995. Op het tijdstip van de betekening - 13 november 1995 (appellant vermeldt af en toe verkeerdelijk 15 november 1995) - was appellant nog ingeschreven op het voornoemde adres te Halle, maar er was blijkens het exploot een voorstel tot ambtshalve schrapping lopende.

Appellant legt kopie voor van een brief, die de raadsman van geïntimeerde op 7 september 1995 (stuk 24 bundel appellant), dus twee maanden voor de betekening van het vonnis, schreef aan zijn cliënte, tot staving van zijn stelling dat geïntimeerde wel op de hoogte was van zijn feitelijke verblijfplaats ten tijde van de betekening op 13 november 1995.

Geïntimeerde vraagt dat dit stuk uit het debat zou worden geweerd, omdat het een vertrouwelijke brief is tussen een advocaat en zijn cliënte en allerminst duidelijk is hoe appellant aan dit stuk is gekomen. Zij meent dat het gaat om een onrechtmatig verkregen bewijs, zonder toestemming van afzender en bestemmeling.

Op dit verzoek kan niet worden ingegaan. Het bewuste stuk bevond zich in het strafdossier, dat werd opgesteld naar aanleiding van een klacht van appellant tegen een gewezen aangestelde P...... D...... wegens oplichting. In het kader van het strafonderzoek werd ook geïntimeerde gehoord, die onder meer de brief aan haar gericht door haar raadsman op 7 september 2009 heeft ingebracht in het dossier. Aangezien appellant zelf toegang had tot het strafdossier, kon hij kennis nemen van de inhoud van de stukken die daarin opgenomen werden en dus ook van de bewuste brief van 7 september 2009. Het stuk werd op rechtmatige wijze door appellant verkregen en dient niet uit het debat te worden geweerd.

In het stuk wordt gemeld dat de gerechtsdeurwaarder nog niet kon betekenen omdat betrokkene verdwenen is op het officieel adres te Halle, terwijl hij op het adres naar hetwelk de afschrijving in Halle zou zijn ter kennis gebracht (Sint-Rochusstraat 28/2) officieel nog niet bekend is. Tevens vraagt de raadsman in deze

brief aan geïntimeerde om bij gelegenheid op een avond eens na te trekken of er geen vrachtwagens of ander materieel aan de ......................kunnen worden aangetroffen, wat perspectieven zou bieden om een beslag te overwegen.

In tegenstelling tot appellant, is het Hof van oordeel dat uit deze brief niet kan worden afgeleid dat geïntimeerde wist dat appellant effectief verbleef op het adres te ...........................Er wordt enkel vastgesteld dat appellant op dit adres, waarnaar de afschrijving zou zijn ter kennis gebracht, officieel nog niet bekend is en gesuggereerd dat geïntimeerde desgevallend zelf ter plaatse eens zou gaan kijken.

Bovendien blijkt uit de voorgelegde stukken m.b.t. het onderzoek naar de woonst door de diensten van het parket tussen 24 november 1995 en februari 1996, dat appellant zich onvindbaar had gemaakt en niet gekend is op het adres .................... De raadsman van appellant zelf verklaarde aan de politie dat hij contact heeft met zijn cliënt via zijn vriendin. Van de eigenaar van de kamerwoningen op laatst-genoemd adres werd op 2 februari 1996 vernomen dat appellant eens 2 maand huur had betaald, maar dat hij hem nadien niet meer heeft gezien en niet weet waar hij zou verblijven (stuk 26 geïntimeerde).

Geïntimeerde heeft door tussenkomst van haar gerechtsdeurwaarder en via de diensten van het Parket de nodige inspanningen gedaan om te achterhalen waar appellant feitelijk verbleef. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de woonplaats van appellant niet langer actueel was en dat geïntimeerde alle nuttige opzoekingen heeft verricht met het oog op het bepalen van de woon- of verblijfplaats van appellant. De betekening aan de procureur des Konings op 13 november 1995 is volstrekt rechtsgeldig geschied conform artikel 38, §2 Ger.W.

De bestreden beschikking dient op dit punt te worden bevestigd.

B. De geldigheid van de betekening van het herhaald bevel dd.11 februari 2008

7. Het Hof stelt vast dat appellant voor het eerst in hoger beroep de nietigheid vraagt van het exploot van herhaald bevel van 11 februari 2008 op grond van artikel 32 Ger.W., daar waar hij zijn oorspronkelijk verzet enkel richtte tegen de exploten van voorafgaand bevel en beslag van 17 november 2008 en 6 mei 2009.

Tot staving van zijn stelling verwijst hij naar artikel 32 van het Gerechtelijk Wetboek. Volgens deze bepaling wordt onder betekening verstaan: "de afgifte van een afschrift van de akte; zij geschiedt per deurwaardersexploot". Omdat de betekening geen afschrift bevatte van het vonnis van 20 juni 1995, zou het exploot van herhaald bevel van 11 februari 2008 nietig zijn.

Geïntimeerde stelt dat deze nieuwe vordering tot nietigverklaring van het exploot van 11 februari 2008 niet kan worden toegelaten.

8. Uit de artikelen 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat enkel het instellen van volstrekt nieuwe eisen in hoger beroep verboden is, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Nieuw is een eis die verschilt van de oorspronkelijke eis door haar aard, voorwerp, wettelijke grond of gegrondheid of een eis die wordt ingesteld tussen dezelfde partijen in een gewijzigde hoedanigheid. Het gaat om een eis, waarvan het voorwerp, nl.wat gevorderd wordt, en/of de oorzaak, zijnde de juridische grondslag van het gevorderde, niet geformuleerd waren in de oorspronkelijk ingestelde eis. In hoger beroep is nieuw en ontoelaatbaar, de eis die ertoe strekt voor het eerst iets te bekomen zonder dat dit in de hoofdeis is begrepen, zelfs niet virtueel. Op grond hiervan meent het Hof dat de eis van appellant tot nietigverklaring van de betekening van het herhaald bevel van 11 februari 2008 niet nieuw is, aangezien de inwilliging van de hoofdeis voor gevolg zou hebben dat de akte van bevel van 11 februari 2008 niet voldoet aan artikel 32 Ger.W. en dus nietig is, zodat in de vordering tot nietigverklaring van het exploot van 13 november 1995 virtueel ook de eis tot nietigverklaring van het exploot van 11 februari 2008 is begrepen.

Het hof is evenwel van oordeel dat de vordering tot nietigverklaring van het exploot van 11 februari 2008 volstrekt ongegrond is. Het exploot betreft immers de betekening van een herhaald bevel tot betalen krachtens het vonnis van 20 juni 1995, dat reeds rechtsgeldig betekend was bij exploot van 13 november 1995, zoals hiervoor werd vastgesteld. Het exploot van 11 februari 2008 kan dus niet worden beschouwd als een eerste akte van betekening van het vonnis, dat reeds twaalf jaar eerder rechtsgeldig was betekend met afschrift van het vonnis, conform artikel 32 e.v. Ger.W.

C. In ondergeschikte orde: de gevolgen van de toelating tot de collectieve schuldenregeling

9. Appellant vraagt zich af of geïntimeerde haar vorderingsrecht krachtens het vonnis nog kan uitoefenen nu zij niet heeft deelgenomen aan de collectieve schuldenregeling, waartoe hij bij beschikking van de beslagrechter te Brugge dd.23 november 2004 werd toegelaten. Hij stelt dat de aanzuiveringsregeling erga omnes geldt en ook gevolgen heeft voor schuldeisers, zoals geïntimeerde, die niet vermeld werden in het inleidend verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling of nadien niet zijn gemeld.

Hij voert aan dat geïntimeerde op de hoogte werd gesteld van de procedure collectieve schuldenregeling door de melding hiervan door zijn partner Marleen Vindevoghel bij de betekening van het bevel op 11 februari 2008 en door hemzelf ter gelegenheid van de aanzegging van het derdenbeslag op 22 februari 2008.

Tevens verwijst hij naar de verplichting van de schuldeiser tot voorafgaandelijke consultatie van de beslagberichten, waarbij kon worden vastgesteld dat er een aanzuiveringsregeling loopt (art.1391, §2 Ger.W.), zodat geïntimeerde het nodige kon doen om aangifte van haar schuldvordering te doen in de collectieve schuldenregeling. Hij meent dat hij moet beschermd worden tegen geïntimeerde, die geen aangifte deed van haar schuldvordering in de collectieve schuldenregeling hoewel zij hiertoe de kans had en dat hij na de beëindiging van de aanzuiveringsregeling, niet aan nieuwe uitvoeringsmaatregelen kan worden blootgesteld.

Op deze gronden vraagt appellant voor het eerst in hoger beroep het herhaald bevel tot betalen dd.11 februari 2008 nietig te verklaren, omdat het met miskenning van voornoemd artikel 1391 Ger.W. en 1675/7, §2 Ger.W. werd betekend.

Geïntimeerde stelt dat de procedure van collectieve schuldenregeling haar niet kan worden tegengeworpen, omdat zij geen kennis had van deze procedure en hierin niet werd betrokken.

10. Overeenkomstig artikel 1675/7, §1 Ger.W. doet de beschikking van toelaatbaarheid een toestand van samenloop ontstaan tussen de schuldeisers en heeft de opschorting van de loop van de intresten en de onbeschikbaarheid van het vermogen

van de verzoeker tot gevolg. Tevens worden door de beschikking van toelaatbaarheid ingevolge artikel 1675/7, §2 Ger.W. alle middelen van tenuitvoerlegging die strekken tot de betaling van een geldsom geschorst.

Op grond van de voorgelegde stukken is het hof van oordeel dat geïntimeerde door appellant niet werd opgenomen in het verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling - hetgeen door hem trouwens niet wordt betwist - en nooit kennis heeft gekregen van het bestaan van deze procedure die een aanvang nam bij de beschikking van toelaatbaarheid op 23 september 2004 en eindigde bij afloop van de minnelijke aanzuiveringsregeling.

De ten uitvoer gelegde minnelijke aanzuiveringsregeling, waarin zij niet werd betrokken, kan niet worden tegengeworpen aan geïntimeerde, die appellant zelf vergat te vermelden in zijn verzoekschrift en die op geen enkel tijdstip in de procedure werd betrokken of daarin is tussengekomen, nadat zij kennis zou gekregen hebben van het bestaan van de collectieve schuldenregeling, wat evenwel niet is geschied.

Geïntimeerde kon bijgevolg na afloop van de minnelijke aanzuiveringsregeling op 7 juni 2008, opnieuw overgaan tot gedwongen uitvoering van haar vorderingsrechten.

De aanspraken die geïntimeerde op grond van het vonnis van 20 juni 1995 kan laten gelden, zijn intact gebleven ondanks de tussengekomen en sinds juni 2008 beëindigde aanzuiverings-regeling, en konden door geïntimeerde op 10 februari 2008, 17 november 2008 en 6 mei 2009 opnieuw gedwongen ten uitvoer

worden gelegd, voor zover de vordering tot uitvoering van het vonnis (actio judicati) op dat tijdstip nog niet was verjaard, wat door appellant niet wordt betwist.

11. Het vonnis van 20 juni 1995 werd reeds een eerste maal rechtsgeldig betekend met bevel tot betalen bij exploot van 13 november 1995. Op 11 februari 2008 werd een herhaald bevel betekend tot betaling van een totaal bedrag, inmiddels opgelopen tot 28.730,11 EUR, te vermeerderen met de intresten vanaf 27 januari 2008.

Daarna werd door geïntimeerde zowel uitvoerend derdenbeslag gelegd op 15 februari 2008 als - na het einde van de minnelijke aanzuiveringsregeling - een eerste uitvoerend beslag op onroerend goed op 24 september 2008, na betekening van een voorafgaand bevel op 27 augustus 2008 en een tweede uitvoerend beslag op 6 mei 2009 op het onverdeeld aandeel van appellant in een onroerend goed te ................................na betekening van een voorafgaand bevel op 17 november 2008.

Zowel het exploot van herhaald bevel, op verzoek van geïntimeerde betekend op 11 februari 2008 tijdens de procedure van collectieve schuldenregeling, als het voorafgaand bevel en het beslag op onroerend goed op 17 november 2008 en 6 mei 2009, betekend na het einde van de collectieve schuldenregeling, werden op regelmatige wijze aan appellant betekend.

Noch in het exploot van betekening-bevel van 11 februari 2008, noch in het exploot van derdenbeslag van 15 februari 2008, noch in het exploot van aanzegging van 22 februari 2008 werd akte genomen door de gerechtsdeurwaarder van de mededeling dat appellant sinds 2004 zou zijn toegelaten tot de procedure van collectieve schuldenregeling.

Geïntimeerde was niet op de hoogte van de procedure van collectieve schuldenregeling en appellant is zelf in gebreke gebleven de schuldbemiddelaar in kennis te stellen van het bestaan van nog een schuldeiser na aanzegging van het uitvoerend derdenbeslag tijdens de procedure collectieve schuldenregeling op 22 februari 2008.

In de conclusies voor de eerste rechter gaf appellant zelf toe dat hij naar aanleiding van de aanzegging van het derdenbeslag op 22.02.2008 gemeend heeft daar geen aandacht te moeten aan besteden en dit mede te delen aan zijn schuldbemiddelaar, gezien het beslag toch zonder gevolg bleef, omdat hij niet meer bij de werkgever werkte.

Appellant bewijst niet dat geïntimeerde ter gelegenheid van de betekening van de exploten op 11 en 22 februari 2008 door zijn partner of hemzelf in kennis werd gesteld van het bestaan van een minnelijke aanzuiverinsgregeling, zoals hijzelf voorhoudt.

Op het tijdstip dat geïntimeerde liet overgaan tot betekening van het voorafgaand bevel (17 november 2008) en tot het beslag op onroerend goed (6 mei 2009), was lang een einde gekomen aan de collectieve schuldenregeling. Alvorens over te gaan tot het uitvoerend onroerend beslag op 6 mei 2009, heeft geïntimeerde ook de wettelijke verplichting nagekomen om voorafgaand de beslagberichten te consulteren, zoals opgelegd door artikel 1391, derde lid Ger.W., wat blijkt uit de vermeldingen op het exploot van beslag.

Bijgevolg kon geïntimeerde ongehinderd haar rechtmatige en nog niet verjaarde aanspraken krachtens het vonnis realiseren, nu haar uitvoeringsrechten niet langer waren geschorst. Uit het voorgaande blijkt evenmin dat appellante de redelijke termijn voor het uitvoeren van rechterlijke beslissingen zou hebben overschreden of haar recht hiertoe door inactiviteit zou hebben verwerkt.

E. Het dubbel beslag

12. In tegenstelling tot wat appellant voorhoudt, is er geen sprake van een dubbel beslag gelegd op dezelfde goederen. Geïntimeerde is bij exploot van 7 mei 2009 overgegaan tot handlichting van het eerste beslag dd.24 september 2008 tot doorhaling van het beslag in de registers van de hypotheek-bewaarder.

Het uitvoerend onroerend beslag dat geïntimeerde op 6 mei 2009 heeft gelegd werd pas na de doorhaling van het eerste - nietig verklaarde - beslag overgeschreven op het hypotheekkantoor. Het werd rechtsgeldig gelegd en overgeschreven.

F. De executiekosten en intresten

13. Appellant stelt in ondergeschikte orde dat de kosten van de tenuitvoerlegging die gemaakt zijn tijdens de procedure van collectieve schuldenregeling en de vervallen intresten gedurende die periode geweerd moeten worden. Hij wijst erop dat de beschikking van toelaatbaarheid leidt tot een schorsing van de loop van de intresten en ook tot een schorsing van alle individuele uitvoeringshandelingen tijdens de procedure, die volgens appellant pas ten einde is gekomen op 18 juli 2008, zodat geïntimeerde ten onrechte liet overgaan tot de betekening van een herhaald bevel op 11 februari 2008, en tot uitvoerend derdenbeslag op 15 februari 2008, met aanzegging op 22 februari 2008.

Geïntimeerde stelt dat deze kosten en intresten ten laste blijven van appellant, nu zij niet op de hoogte was van deze procedure.

14. Artikel 1391, §2 Ger.W. bepaalt dat geen uitvoerend beslag en geen procedure van verdeling kan plaatsvinden zonder voorafgaande raadpleging door de ministeriële ambtenaar van de berichten van beslag. Van deze raadpleging wordt melding gemaakt op het exploot. Het doel van deze verplichting is het leggen van opeenvolgende beslagen en dus nodeloze kosten te vermijden. Overeenkomstig artikel 1675/7, §1 Ger.W. schorst de beschikking van toelaatbaarheid de loop van de intresten en alle middelen van tenuitvoerlegging.

Wat de kosten betreft, stelt het hof vast dat de instrumenterende gerechtsdeurwaarder naar aanleiding van de betekening van het exploot van uitvoerend derdenbeslag op 15 februari 2008 - d.i. tijdens de looptijd van de minnelijke aanzuiveringsregeling- conform artikel 1391, derde lid Ger.W. de berichten van beslag, delegatie en overdracht ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg heeft geconsulteerd doch niet het bestaan van de procedure van collectieve schuldenregeling heeft vastgesteld. Op dat tijdstip was de behandeling en opvolging van de reeds bestaande dossiers inzake collectieve schuldenregeling reeds overgeheveld naar de arbeidsgerechten.

Overeenkomstig artikel 1391, derde lid Ger.W. kan geen uitvoerend beslag of procedure van verdeling plaatsvinden zonder voorafgaande raadpleging door de ministeriële ambtenaar van de berichten van beslag, delegatie, overdracht en collectieve schuldenregeling.

De berichten van collectieve schuldenregeling dienden krachtens deze bepaling niet geraadpleegd te worden door de gerechts-deurwaarder alvorens over te gaan tot de betekening van het herhaald bevel op 11 februari 2008, aangezien de verplichting enkel is opgelegd alvorens over te gaan tot uitvoerend beslag of evenredige verdeling. De kosten van deze betekening blijven dan ook ten laste van appellant. De berichten dienden daarentegen wel geconsulteerd te worden alvorens derdenbeslag werd gelegd.

Indien de gerechtsdeurwaarder deze wettelijke verplichting nauwgezet zou hebben uitgevoerd, ter gelegenheid van de betekening van het uitvoerend derdenbeslag had hij ook het bestaan van een minnelijke aanzuiveringsregeling kunnen vaststellen en dus ook kunnen inzien dat het geen zin had om tijdens deze regeling over te gaan tot het maken van kosten voor derdenbeslag en de aanzegging van dit beslag. De kosten van het derdenbeslag en de aanzegging dd.15 en 22 februari 2008 dienen om die reden ten laste te blijven van geïntimeerde.

15. De schorsing van de intresten ten gevolge van de beschikking van toelaatbaarheid, heeft een einde genomen bij het einde van de minnelijke aanzuiveringsregeling en aangezien de schuldvordering van geïntimeerde niet werd getroffen door deze regeling die haar niet tegenwerpelijk is, kan geïntimeerde thans haar individuele vervolgingsrechten hervatten m.b.t. het haar volledig verschuldigde bedrag met inbegrip van kosten en intresten.

Aangezien geïntimeerde vanaf het einde van de minnelijke aanzuiveringsregeling haar recht tot gedwongen tenuitvoerleg-ging m.b.t. haar schuldvordering opnieuw mag uitoefenen en de regeling haar niet kan worden tegengeworpen, is zij gerechtigd over te gaan tot gedwongen uitvoering van haar schuldvordering door het leggen van beslag ter invordering van de verschuldigde hoofdsom, vermeerderd met de intresten vervallen tijdens de procedure van collectieve schuldenregeling.

Het hoger beroep is ongegrond, behoudens wat betreft de verschuldigdheid van de kosten van uitvoerend derdenbeslag en aanzegging van dit derdenbeslag.

G. De gerechtskosten

19. Appellant dient als in het ongelijk gestelde partij in te staan voor de kosten van het geding in hoger beroep, begroot op 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

OM DEZE REDENEN

HET HOF

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar, doch ongegrond, behoudens wat betreft de gehoudenheid tot de kosten van uitvoerend derdenbeslag dd.15 februari 2008 en van de aanzegging van dit beslag dd.22 februari 2008, die ten laste blijven van geïntimeerde;

Doet de bestreden beschikking teniet voor zover dit voornoemde executiekosten ten laste legt van appellant;

Bevestigt de bestreden beschikking voor het overige in al haar onderdelen;

Veroordeelt appellant tot de kosten van het geding, aan zijn zijde niet nader te begroten en aan de zijde van geïntimeerde begroot op 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen door de VEERTIENDE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit:

Bart Wylleman, raadsheer - wn. kamervoorzitter

Karen Broeckx, raadsheer,

Véronique Matthys, plaatsvervangend raadsheer

en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 22 FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ELF

bijgestaan door Carine Sonneville, griffier.

Mots libres

  • Betekening- aan de Procureur des Konings

  • geldigheid.