- Arrêt du 8 septembre 2011

08/09/2011 - 2009-AR-1637

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Door een vrije aanwerving - d.i. een aanwerving zonder vergoedingsplicht voor de werkgever - van een uitzendkracht ondergeschikt te maken aan de voorwaarde dat er 125 dagen uitzendarbeid zijn verricht tussen de eerste dag van uitzending en de eerste dag van de arbeidsverhouding worden de kansen op vaste tewerkstelling van een voormalige uitzendkracht zeer bezwaard en beperkt op een wijze die niet strookt met het grondwettelijk recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil.


Arrêt - Texte intégral

Hof van beroep

te Gent

1be kamer

________

terechtzitting

van

08-09-2011

na tussenarrest

07.04.2011

2009/AR/1637

in de zaak van:

ACCENT JOBS FOR PEOPLE N.V.,

met maatschappelijke zetel te 8800 ROESELARE, Beversesteenweg 576,

ingeschreven met KBO-nummer 0455.069.956,

appellante van het vonnis van 16 februari 2009 van de vierde kamer van de rechtbank van koophandel te Kortrijk,

hebbende als raadsman mr. LUST David, advocaat te 8755 RUISELEDE, Knokstraat 19

tegen:

GEODIS - CIBLEX BELGIUM N.V.(voorheen CIBLEX BELGIUM N.V.),

met maatschappelijke zetel te 1930 ZAVENTEM, Hoge Wei 5, ingeschreven met KBO-nummer 0414.616.897,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. BAEL Brian, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 475/6

velt het Hof het volgend arrest:

Gezien het tussenarrest van deze kamer van 7 april 2011.

In voormeld tussenarrest is vastgesteld dat J.......... D........ bij de geïntimeerde was tewerkgesteld van 23 april 2007 tot en met 27 juli 2007 in het kader van een met de appellante gesloten overeenkomst voor uitzendarbeid, dat ze nadat de uitzendarbeid op deze laatste datum beëindigd was, van 30 juli 2007 tot en met 30 september 2007 in vast dienstverband werkte bij Securitas en op 1 oktober 2007 in dienst werd genomen door de geïntimeerde.

De geïntimeerde heeft J........ D......... niet aangeworven bij de afloop of beëindiging van de terbeschikkingstelling bij haar, maar meer dan twee maanden later, nadat de ( gewezen) uitzendkracht ondertussen in vast dienstverband had gewerkt bij een andere werkgever.

De beëindiging van de uitzendarbeid op 27 juli 2007 gaf blijkbaar geen aanleiding tot betwisting. In de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid is geen melding gemaakt van de duur ervan.

Om in deze omstandigheden van de geïntimeerde een "schadevergoeding voor afwerving" te vorderen beroept de appellante zich op de derde zin van art. 20 van de algemene voorwaarden van de "opdrachtbevestiging" aan de appellante van 23/3/2007 (st. 1 appellante) die bepaalt dat die vergoeding ook verschuldigd is door een voormalige gebruiker, nadat de terbeschikkingstelling beëindigd is, wanneer de aanwerving gebeurt voordat 125 dagen uitzendarbeid zijn gepresteerd tussen de eerste dag van uitzending en de eerste dag van de arbeidsverhouding.

Er wordt geen rekening gehouden met het feit dat de uitzendarbeid reeds voor het verloop van 125 dagen een einde had genomen en gevolgd werd door een vaste tewerkstelling bij een derde werkgever.

Art. 2 van de opdrachtbevestiging bepaalt dat de algemene voorwaarden integraal deel uitmaken van de overeenkomst tussen de gebruiker en het uitzendbureau.

In de dagvaarding stelt de appellante dat deze algemene voorwaarden ook zijn afgedrukt op de ommezijde van elk contract en elke factuur, hetgeen de geïntimeerde niet betwist.

In de op grond van art. 9 van de wet van 24 juli 1987 verplicht op te stellen arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid (st. 3 appellante) wordt de duur van de overeenkomst niet bepaald.

Art. 20 van de algemene voorwaarden richt weliswaar geen verbod tot de uitzendmedewerker en legt inderdaad enkel een vergoeding ten laste van de werkgever die voordien gebruiker was van de uitzendkracht.

Wel legt zij een onrechtstreekse maar daadwerkelijke beperking op van de kansen op een vaste tewerkstelling van de werknemer wiens uitzendarbeid werd beëindigd voor het verloop van de periode bepaald in de voormelde algemene voorwaarden en die reeds in vast verband was tewerkgesteld bij een andere werkgever voor hij door de voormalige gebruiker van uitzendkracht wordt aangeworven.

Omwille van het risico verplicht of minstens aangesproken te worden een "vergoeding voor geleden schade" te betalen zal een werkgever niet bereid zijn een oud-uitzendkracht vast aan te werven die, zoals in casu, niet langer een taak vervult die voorwerp van een overeenkomst tussen het uitzendbureau en de gebruiker (zie art. 17 § 1 van de wet van 24 juli 1987) maar waarvan de in de algemene voorwaarden van de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid bepaalde termijn tussen de eerste dag van uitzending en de eerste dag van de arbeidsverhouding met de uitzendkracht niet is verstreken.

Door een vrije aanwerving - d.i. een aanwerving zonder vergoedingsplicht voor de werkgever - van een uitzendkracht ondergeschikt te maken aan de voorwaarde dat er 125 dagen uitzendarbeid zijn verricht tussen de eerste dag van uitzending en de eerste dag van de arbeidsverhouding worden de kansen op vaste tewerkstelling van een voormalige uitzendkracht zeer bezwaard en beperkt op een wijze die niet strookt met het grondwettelijk recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil.

Uit niets blijkt dat aan het niet verder zetten van de overeenkomst tussen het uitzendbureau en de geïntimeerde als gebruiker en/of aan de vaste aanwerving van J......... D........... een frauduleuze bedoeling ten grondslag lag om een rechtmatige aanspraak op vergoeding van de appellante te omzeilen.

Een contractuele bepaling die de kans op "een vrije aanwerving" van een uitzendkracht in die mate beknot druist in tegen voormelde grondwettelijke bepaling en kan omwille van die strijdigheid geen toepassing vinden.

Dat mogelijks pogingen zouden kunnen worden ondernomen om onbetwistbare afwervingsbedingen te omzeilen door onterecht voor te houden dat de werknemer na het stopzetten van de uitzendarbeid in een ander bedrijf werd aangeworven, doet geen afbreuk aan bovenstaand oordeel.

OM DEZE REDENEN,

het hof,

gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Verklaart het hoger beroep ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis, weze het deels op andere gronden.

Veroordeelt de appellante tot de kosten van deze instantie.

Begroot ze aan de zijde van de geïntimeerde op euro 715,00 wegens rechtsplegingvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, eerste bis kamer, recht doende in burgerlijke zaken van acht september tweeduizend en elf.

Aanwezig: de heer M. Vercruysse, Kamervoorzitter, alleenrechtsprekend en mevrouw M. Vercruysse, griffier.

Mots libres

  • Uitzendarbeid

  • dienstverband

  • schadevergoeding voor afwerving grondwettelijk recht op arbeid