- Arrêt du 26 juin 2012

26/06/2012 - 2010AR3234

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Het standpunt van NV Nateus dat artikel 2248 burgerlijk wetboek niet van toepassing zou zijn gelet op de van het gemene recht afwijkende bijzondere bepaling van artikel 35 §4 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst, wordt door het hof niet gevolgd. De bepaling van artikel 35 §4 is enkel specifiek afwijkend van het gemene recht in zoverre de kennisname van de wil van de benadeelde om een vergoeding te bekomen de verjaringstermijn stuit tot op het ogenblik dat de verzekeraar aan de benadeelde schriftelijk kennis geeft van zijn beslissing om te vergoeden of van zijn weigering.

Deze bepaling wijkt niet af van de gemeenrechtelijke bepaling van artikel 2248 burgerlijk wetboek dat bepaalt dat de erkenning door de schuldenaar van het recht tegen wie de verjaring loopt de verjaring stuit. Immers, artikel 35 §4 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst heeft een ander voorwerp, te weten een specifieke stuitingsgrond, te weten de kennisname van de wil van de benadeelde om een vergoeding te bekomen met een specifieke duur, te weten tot op het ogenblik van de schriftelijke kennisgeving van de beslissing van de verzekeraar. Dit is een ander voorwerp dan het voorwerp van de gemeenrechtelijke bepaling dat de erkenning van het recht door de schuldenaar de verjaring stuit.


Arrêt - Texte intégral

Hof van beroep Antwerpen - tweede kamer

2010/AR/3243

NATEUS NV, met maatschappelijke zetel te 2000 ANTWERPEN, Frankrijklei 79, KBO-nummer 0808.719.880,

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. VERMEIREN Rudi, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 187/101

tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 25 juni 2010

tegen

1. S M., optredend in eigen naam en namens de huwgemeenschap

2. S. G., optredend namens de huwgemeenschap

geïntimeerden,

beiden vertegenwoordigd door Mr. JORIS Suzy, advocaat te 3511 KURINGEN, Kuringenstraat 11

3. DE LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met maatschappelijke zetel te 1031 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 579 bus 40,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. T. LEEMPOELS loco Mr. VAN HOOF Johan, advocaat te 3000 LEUVEN, Bondgenotenlaan 100

***

1. Feiten.

NV De Medische, thans NV Nateus is de verzekeraar van de burgerlijke aansprakelijkheid en "medisch beroep" van dr. H..

Bij een keizersnede op de persoon van mevrouw S op 21 september 1993 liet dr. H. een operatietampon achter in de buikholte van mevrouw S. Dit had medische complicaties tot gevolg.

Tussen mevrouw S en NV Nateus is op 14 februari 1996 een overeenkomst van minnelijke medische expertise ondertekend die op 13 augustus 2003 heeft geleid tot een arbitrageverslag van dr. Henrotte.

De contractanten in de minnelijke medische expertise verklaarden in deze overeenkomst nadrukkelijk de besluiten van deze minnelijke medische expertise te aanvaarden als definitieve beoordeling van de eventuele beroepsfout en van de omvang van de schade.

In het arbitrageverslag van dr. Henrotte wordt een beroepsfout in hoofde van de verzekerde van NV Nateus aangenomen, worden de periodes van tijdelijke en blijvende invaliditeit en de ongeschiktheid en de esthetische schade geraamd. Er wordt ten slotte voorbehoud voorzien voor het eventueel optreden in de toekomst van (sub)obstructie ten gevolge van adhaesis (en waarvoor mogelijks tot hospitalisatie -al dan niet met adhaesiolysis- dient te worden overgegaan).

De arbiter dr. Henrotte besluit tot:

a. Tijdelijke invaliditeit van 15% van 27 december 1993 tot en met 28 februari 1994;

b. Tijdelijke invaliditeit van 30% van 1 maart 1994 tot en met 11 september 1994;

c. Tijdelijke invaliditeit en tijdelijke ongeschiktheid van 100% van 12 september 1994 tot en met 30 november 1994;

d. Tijdelijke invaliditeit van 25% van 1 december 1994 tot en met 31 december 1994 en consolidatie op 1 januari 1995 met een blijvende invaliditeit van 10%.

Het abdominale litteken (als gevolg van de laparotomie ter verwijdering van het achtergelaten compres) veroorzaakt een esthetische schade, geëvalueerd op 2 op de schaal van 7 (en komt niet voor plastische correctie in aanmerking).

Dr. Henrotte besluit dat er een herval was wegens sub-obstructiebeeld van 3 maart 2001 tot 22 april 2001 en besluit tot het ontstaan van intra-abdominale adhaesis (secundair aan het achterlaten van de tampon) als oorzaak van de sub- obstructie en besluit voor die tweede periode tot:

a. Tijdelijke invaliditeit en tijdelijke ongeschiktheid van 100% van 30 maart 2001 tot en met 30 april 2001;

b. Tijdelijke invaliditeit van 25% van 1 mei 2001 tot en met 31 mei 2001 en consolidatie op 1 juni 2001 met een:

- blijvende invaliditeit aan 15 % en

- blijvende ongeschiktheid van 7%.

De cijfermatige evaluatie van de schadevergoeding voor die schade behoorde niet tot de overeengekomen opdracht van de arbiter.

2. Rechtspleging in eerste aanleg.

2.1. Op 4 september 2009 lieten mevrouw M. S en haar echtgenoot de heer G. S. dagvaarding betekenen aan NV Nateus om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren.

Het gaat om een rechtstreekse vordering tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar van Dr. H.s.

Het voorwerp van de vordering is in laatste conclusie in eerste aanleg de veroordeling van NV Nateus om aan haar te betalen een provisionele verzekeringsprestatie ten bedrage van euro 29.771,96.

Het gevorderd bedrag bestaat uit het provisioneel saldo van een provisionele schadevergoeding van euro 62.784,46 meer de vergoedende interesten en de gerechtelijke intresten aan de wettelijke interestvoet en verminderd met het door mevrouw S ontvangen bedrag van euro 33.012,50 meer negatieve intresten vanaf de datum van de ontvangst van betaling op 28 november 2006.

Het voorwerp van de eis is in ondergeschikte orde het bevelen van een onderzoeksmaatregel van deskundigenonderzoek.

2.2. Op 25 juni 2010 is de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten vrijwillig tussengekomen.

De Landsbond vraagt NV Nateus te veroordelen om aan haar te betalen een bedrag van euro 2.935,93 meer vergoedende interesten vanaf de gemiddelde datum van betaling tot de datum van de neerlegging van het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst, waarna de gerechtelijke intresten.

De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten vordert alvorens recht te doen een geneesheer-deskundige aan te stellen teneinde na te gaan of de prestaties waarvoor een tussenkomst werd gevraagd vallen onder het door dr. Henrotte geformuleerde voorbehoud in de minnelijke medische expertise van 13 augustus 2003.

2.3. NV Nateus voert verweer met het middel van de verjaring, omdat volgens NV Nateus de datum waarop de stuiting - ingegaan bij aangifte van het schadegeval - is geëindigd, 18 december 2003 is, tijdstip waarop NV Nateus de wederpartij schriftelijke kennis heeft gegeven van haar beslissing om te vergoeden zodat de verjaringstermijn ingegaan op 18 december 2003 zou verstreken zijn op 18 december 2008, terwijl de dagvaarding dateert van 4 september 2009. Volgens Nateus is de verjaringstermijn minstens verstreken op 19 maart 2009, 5 jaar na het tijdstip waarop zij nogmaals kennis heeft gegeven van haar beslissing om te vergoeden, welke kennisgeving de wederpartij zeker heeft bereikt.

2.4. De eerste rechter heeft het verweer van de verjaring verworpen met het motief dat de verjaringstermijn herhaaldelijk en laatst op 6 november 2007 is gestuit bij toepassing van artikel 2248 burgerlijk wetboek, te weten de minstens impliciete erkenning van het recht van mevrouw S tegen wie de verjaring loopt.

2.5. NV Nateus wierp verder op dat met briefwisseling bewezen geraakt dat in september 2006 een dading of definitieve regeling qua omvang van haar verzekeringsprestatie is tot stand gekomen bij wederzijds akkoord, welke regeling is uitgevoerd door de betaling voor slot van alle rekeningen van euro 34.750,00 op 20 september 2006.

2.6. De eerste rechter verklaart dit verweer ongegrond met het motief dat geen enkele kwitantie voorligt en dat uit de voorgelegde briefwisseling niet kan uitgemaakt worden over welke schadeposten er al dan niet overeenstemming zou geweest zijn. De eerste rechter oordeelt dat de betaling niet kan gelden als voor slot van rekeningen.

2.7. Mevrouw S voerde in haar afrekening aan slechts euro 33.012,50 ontvangen te hebben van haar raadsman. De eerste rechter beslist dat het bedrag van euro 34.750,00 door NV Nateus aan haar raadsman betaald in mindering dient te worden gebracht.

2.8. De eerste rechter veroordeelt NV Nateus om aan mevrouw S een provisionele verzekeringsprestatie te betalen van euro 39.579,89 meer de vergoedende interesten aan de wettelijke rentevoet op euro 2.675,00 vanaf 21 september 1993, op euro 219,24 vanaf 16 november 1994, op euro 14.526,00 vanaf 13 september 1997, op euro 18.150,00 vanaf 1 juni 2001, op euro 245,00 vanaf 2 februari 2003, op euro 300,00 vanaf 28 april 2003 en op euro 3.978,37 vanaf 25 november 2005, meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijke interestvoet vanaf de datum van de uitspraak, onder aftrek van een som van euro 34.750,00 meer de negatieve intresten aan de wettelijke rentevoet op dit bedrag vanaf 20 september 2006.

Alvorens verder uitspraak te doen over de gegrondheid van de vordering van mevrouw S en van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten met betrekking tot de schadeposten medische, paramedische en farmaceutische kosten, beveelt de eerste rechter een onderzoeksmaatregel van deskundigenonderzoek met aanstelling van dr. Laporte met als opdracht:

"te adviseren of en in welke mate de aan hem door eiseres en de vrijwillig tussenkomende partij voorgelegde medische, paramedische en farmaceutische kosten en uitgaven het gevolg zijn van de lastens de verzekerde van verweerster weerhouden beroepsfout (abdominaal achterlaten van een kompres tijdens sectio d.d. 21.09.1993);

te adviseren of na datum van neerlegging van zijn definitief verslag eiseres S nog medische, paramedische of farmaceutische kosten en uitgaven zal dienen te dragen die het gevolg zijn van deze beroepsfout".

3. Standpunten in hoger beroep.

3.1. NV Nateus legt op 4 november 2010 een verzoekschrift tot hoger beroep neer.

Zij vraagt bij hervorming van het bestreden vonnis de vorderingen van mevrouw S, de heer S. en de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten verjaard te verklaren behoudens met betrekking tot het voorbehoud voorzien in het arbitraal verslag van dr. Henrotte.

Zij vraagt ondergeschikt de vorderingen verjaard te verklaren, behoudens met betrekking tot het voorbehoud voorzien in het verslag van dr. Henrotte en behoudens met betrekking tot het voorbehoud uit hoofde van medicatie.

In dat geval, alvorens verder recht te doen, een geneesheer-deskundige aan te stellen, zulks niet enkel ter beoordeling van de problematiek van de medicatie maar ook aangaande de problematiek van de toepasselijkheid van het door dokter Henrotte voorziene voorbehoud op de voorgehouden ongeschiktheidsperiodes alsmede ter bepaling van de hoegrootheid (qua duur en qua degressiviteit) van deze ongeschiktheidsperiodes.

Bovendien in de afrekening - naast en boven het ten definitieve titel betaalde saldobedrag van euro 34.750,00 - ook rekening te houden met de door NV Nateus betaalde provisies ten bedrage van euro 4.338,13 te vermeerderen met negatieve intresten vanaf de respectievelijke data van betaling.

NV Nateus vraagt minstens ook een moratorium van de vergoedende interesten ten laste van geïntimeerden te voorzien van 19 maart 2004 tot 2 mei 2005 en op de geactualiseerde bedragen slechts intresten toe te kennen vanaf de respectievelijke actualisatiedata.

NV Nateus vraagt om het incidenteel beroep van mevrouw M. S en van de heer S. ongegrond te verklaren.

3.2. Mevrouw S en de heer S. stellen incidenteel beroep in tegen de beslissing om alvorens recht te doen over de cijfermatige omvang van de medische, paramedische en farmaceutische kosten en uitgaven in oorzakelijk verband met de fout van de verzekerde van NV Nateus, een onderzoeksmaatregel van deskundigenonderzoek te bevelen.

Zij vorderen dat bij hervorming van het bestreden vonnis NV Nateus boven de bedragen door de eerste rechter toegekend zou veroordeeld worden tot een provisionele som van euro 29.576,96 voor de schadepost farmaceutische kosten in het verleden en in de toekomst, en voor de schadepost medische kosten in het verleden en in de toekomst.

Zij vragen in ondergeschikte orde een deskundigenonderzoek te bevelen met gewijzigde opdracht in die zin dat de opdracht zou luiden:

- advies te geven over de omvang van de reeds blootgestelde medische en farmaceutische kosten in navolging van de fout van 21 september 1993, zowel voor als na de consolidatiedatum;

- advies te geven over de omvang van de kosten voor de levenslange noodzakelijke medicatie in navolging van de fout van 21 september 1993;

- advies te geven over de noodzaak van blijvende opvolging door huisartsen en specialisten en de kosten daarvan;

- advies te geven over de repercussies van de twee bijkomende hospitalisaties op 6 september 2005 en 15 december 2005 in navolging van de ingreep van 21 september 1993, met een degressieve raming van de mogelijk verschillende periodes en percentages tijdelijke arbeidsongeschiktheid, economisch verlies huishouden, meerinspanningen en loonverlies.

- advies te geven over de repercussies van de permanente pijnklachten en hinder, de noodzaak van bijkomende hospitalisatie, medicatie en medische opvolging, op grond van de blijvende arbeidsongeschiktheid en blijvende invaliditeit, vastgesteld bij de minnelijke medische expertise in 2003.

3.3. De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten concludeert in het overwegend gedeelte van haar conclusie tot de veroordeling van NV Nateus om aan haar een schadevergoeding te betalen van euro 2.935,93 meer vergoedende interesten vanaf de gemiddelde datum van betaling tot de datum van neerlegging van het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst, waarna de gerechtelijke intresten.

Dit betreft een impliciet incidenteel beroep.

De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten concludeert verder tot de bevestiging van het bestreden vonnis.

Beoordeling.

4. De toelaatbaarheid van het hoger beroep van NV Nateus is geen geschilpunt. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm. Het hoger beroep is toelaatbaar.

5. Over het geschilpunt of het vorderingsrecht van mevrouw S en de heer S. tegen NV Nateus al dan niet verjaard is.

5.1. Standpunt van NV Nateus.

NV Nateus voert aan dat artikel 34 §2 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst bepaalt:

"onder voorbehoud van bijzondere wettelijke bepalingen, verjaart de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens artikel 86 door verloop van 5 jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd. Indien de benadeelde evenwel bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, begint de termijn pas te lopen vanaf dat tijdstip, maar hij verstrijkt in elk geval na verloop van 10 jaar te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd."

NV Nateus voert aan dat krachtens artikel 35§4 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst de verjaring van de vordering bedoeld in artikel 34 §2 wordt gestuit zodra de verzekeraar kennis krijgt van de wil van de benadeelde om een vergoeding te bekomen voor de door hem geleden schade. De stuiting eindigt op het ogenblik dat de verzekeraar aan de benadeelden schriftelijk kennis geeft van zijn beslissing om te vergoeden of van zijn weigering.

NV Nateus voert aan dat de kennisgeving van de wil van mevrouw S om vergoed te worden dateert van 14 februari 1996 en dat op dat ogenblik de stuiting van de verjaring heeft aangevangen tot op het ogenblik dat de verzekeraar schriftelijk kennis geeft van zijn beslissing om te vergoeden of van zijn weigering.

NV Nateus voert aan dat de stuiting is geëindigd op datum van 19 maart 2004, zijnde de datum waarop NV Nateus aan mevrouw S schriftelijk kennis heeft gegeven van haar beslissing om te vergoeden.

Het nieuwe aanvangspunt van de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 34 §2 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst was 19 maart 2004 zodat de verjaringstermijn is verstreken op 19 maart 2009. Het vorderingsrecht was dan ook verjaard op 4 september 2009, datum waarop het vorderingsrecht werd uitgeoefend door mevrouw S en de heer S..

NV Nateus voert hierbij aan dat onderhandelingen de verjaring niet stuiten.

5.2. Redengeving van het hof m.b.t. de exceptie van verjaring.

Het is juist dat de stuiting die veroorzaakt is door de kennisname van de wil van de benadeelde om een vergoeding te bekomen geëindigd is op 19 maart 2004. Op dat ogenblik is inderdaad een nieuwe termijn van vijf jaar beginnen lopen.

Krachtens artikel 2248 burgerlijk wetboek stuit de erkenning door de schuldenaar van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt, de verjaring.

Het hof stelt vast dat NV Nateus op 10 juni 2005 schriftelijk het recht erkend heeft van mevrouw S om een verzekeringsprestatie te bekomen.

Het hof oordeelt dat NV Nateus op 10 juni 2005 een daad van stuiting heeft gesteld door het recht van mevrouw S om een verzekeringsprestatie te bekomen te erkennen.

Op 10 juni 2005 is er dus een nieuwe verjaringstermijn ingegaan van 5 jaar, die niet verstreken was op 4 september 2009, datum waarop mevrouw S haar vorderingsrecht heeft uitgeoefend.

Het standpunt van NV Nateus dat artikel 2248 burgerlijk wetboek niet van toepassing zou zijn gelet op de van het gemene recht afwijkende bijzondere bepaling van artikel 35 §4 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst, wordt door het hof niet gevolgd. De bepaling van artikel 35 §4 is enkel specifiek afwijkend van het gemene recht in zoverre de kennisname van de wil van de benadeelde om een vergoeding te bekomen de verjaringstermijn stuit tot op het ogenblik dat de verzekeraar aan de benadeelde schriftelijk kennis geeft van zijn beslissing om te vergoeden of van zijn weigering.

Deze bepaling wijkt niet af van de gemeenrechtelijke bepaling van artikel 2248 burgerlijk wetboek dat bepaalt dat de erkenning door de schuldenaar van het recht tegen wie de verjaring loopt de verjaring stuit. Immers, artikel 35 §4 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst heeft een ander voorwerp, te weten een specifieke stuitingsgrond, te weten de kennisname van de wil van de benadeelde om een vergoeding te bekomen met een specifieke duur, te weten tot op het ogenblik van de schriftelijke kennisgeving van de beslissing van de verzekeraar. Dit is een ander voorwerp dan het voorwerp van de gemeenrechtelijke bepaling dat de erkenning van het recht door de schuldenaar de verjaring stuit.

NV Nateus verliest het onderscheid uit het oog tussen onderhandelingen enerzijds en erkenningen van het recht op een verzekeringsprestatie in hoofde van degene tegen wie de verjaring loopt. Onderhandelingen na 19 maart 2004 houden niet noodzakelijk erkenningen van het recht in van degene tegen wie de verjaring loopt. De brief van 10 juni 2005 is geschreven in het kader van onderhandelingen over de cijfermatige evaluatie van de verzekeringsprestatie maar houdt duidelijk ook een erkenning in door NV Nateus van het recht van mevrouw S op de verzekeringsprestatie.

5.3. Het hof beslecht het geschilpunt in die zin dat het vorderingsrecht van mevrouw S op 4 september 2009 niet verjaard was.

6. Beoordeling van de grief van NV Nateus dat de eerste rechter had moeten beslissen dat tussen mevrouw S en NV Nateus over de cijfermatige omvang van de verzekeringsprestatie een overeenkomst is gesloten, behoudens voor wat het door de arbiter geformuleerd voorbehoud betreft en het bijkomend voorbehoud met betrekking tot de medische kosten in oorzakelijk verband met de onrechtmatige daad en met betrekking tot de interesten.

6.1. NV Nateus die beweert bevrijd te zijn van een saldo verzekeringsprestatie door een overeenkomst voor slot van rekeningen behoudens de aangevoerde voorbehouden moet het bewijs leveren van het feit dat het tenietgaan van haar verbintenissen heeft teweeg gebracht.

NV Nateus voert aan dat zij een definitief aanbod heeft gedaan en dat uit de stukken kan afgeleid worden dat het aanbod aanvaard werd in die zin dat er nog enkel betwistingen kunnen gevoerd worden met betrekking tot de voorbehouden geformuleerd in het arbitraal verslag en het conventioneel voorbehoud met betrekking tot de medische kosten in oorzakelijk verband met de onrechtmatige daad van haar verzekerde en met betrekking tot de interesten.

NV Nateus voert aan dat er wel degelijk een overeenkomst, zij het geen dading, blijkt uit de gevoerde briefwisseling.

6.2. Uit de briefwisseling tussen de verzekeraar en de advocaat van de benadeelde mevrouw S blijkt dat NV Nateus op 25 maart 2004 een regelingsvoorstel heeft ontvangen van de advocaat van mevrouw S.

NV Nateus heeft daarop op 15 april 2004 een tegenvoorstel gedaan.

De advocaat van mevrouw S heeft op 2 mei 2005 onder voorbehoud van alle rechten en zonder enige nadelige erkentenis laten weten niet akkoord te gaan met de voorgestelde cijfermatige evaluatie van de - cijfermatig belangrijke - schadeposten van blijvende invaliditeit en van esthetische schade.

Op 8 juni 2005 heeft de advocaat van mevrouw S onder voorbehoud haar schade-eisen opnieuw geformuleerd ten bedrage van een saldo van euro 42.721,49, inclusief intresten.

Uit de notities daarop gemaakt door NV Nateus blijkt dat NV Nateus niet akkoord ging met het voorstel en dit wenste te herleiden tot maximaal een bedrag van euro 34.653,28 inclusief intresten.

Het hof oordeelt dat met de selectie van briefwisseling die NV Nateus voorlegt bewezen geraakt dat er wederkerig inspanningen zijn gedaan om tot een regeling te komen en dat dat uiteindelijk niet is gelukt. De nagestreefde regeling betrof een dading nu uit de briefwisseling blijkt dat partijen wederzijds bereid waren tot cijfermatige toegevingen, maar dat er uiteindelijk geen consensus is gekomen.

Ten overvloede stelt het hof vast dat niet is aangetoond dat de advocaat van mevrouw S een bijzondere volmacht had om een dading aan te gaan.

6.3. De grief van NV Nateus is ongegrond. Over het cijfermatig aspect van de te leveren verzekeringsprestaties is geen overeenkomst tot stand gekomen.

7. Over de omvang in hoofdsom van de schadepost morele schade in hoofde van mevrouw S voor de periode van 27 december 1993 tot 1 juni 2001.

7.1. Partijen zijn het eens over het bestaan van morele schade tijdens volgende periodes:

a. Tijdelijke invaliditeit van 15% vanaf 27.12.1993 tot en met 28 februari 1994 (64 dagen)

b. Tijdelijke invaliditeit van 30% vanaf 1 maart 1994 tot en met 11 september 1994 (195 dagen)

c. Tijdelijke invaliditeit en tijdelijke ongeschiktheid van 100% van 12 september 1994 tot en met 30 november 1994 (80 dagen, waarvan 12 dagen hospitalisatie)

d. Tijdelijke invaliditeit van 25% van 1 december 1994 tot en met 31 december 1994. (31 dagen)

e. Tijdelijke invaliditeit van 10% van 1 januari 1995 tot 29 maart 2001 (2280 dagen).

f. Tijdelijke invaliditeit van 100% met hospitalisatie van 24 dagen van 30 maart 2001 tot 22 april 2001.

g. Tijdelijke invaliditeit van 100 % van 23 april 2001 tot 30 april 2001

h. Tijdelijke invaliditeit van 25% van 1 mei 2001 tot 31 mei 2001.

7.2. Mevrouw S evalueert deze schadepost aan de parameter van euro 31,00 per dag bij hospitalisatie en aan de paramater van euro 25,00 per dag van 100% ongeschiktheid en/of invaliditeit. Zij komt aldus tot een hoofdsom van euro 10.806,00.

7.3. NV Nateus gaat volgens de inhoud van haar brief van 15 april 2004, die zij in conclusie bevestigt, akkoord met de evaluatie van deze schadepost aan de paramater van euro 30,99 per dag hospitalisatie en euro 24,79 per dag van 100% ongeschiktheid en/of invaliditeit. Zij komt aldus tot een hoofdsom van euro 10.721,87.

7.4. Het hof oordeelt dat een bedrag van euro 10.721,87 de morele schade voor die periode in hoofsom in zijn geheel vergoedt. Het hof houdt rekening met het gegeven dat het hoofdzakelijk gaat over morele schade tijdelijke invaliditeit zonder tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Het bedrag van euro 10.800,00 overschrijdt de hoofdsom van de morele schade. Het hof houdt ook rekening met het verslag van dr. Niville van 9 juni 1995 naar aanleiding van een raadpleging op die datum: "... bovendien ervaart patiënte haar pijnen als goed draagbaar...".

8. Over de aanvangsdatum van de vergoedende interesten op deze schadepost.

De aanvangsdatum van de vergoedende interesten is in beginsel de mediaandatum, de datum waarop de helft van het bedrag van euro 10.721,87 werd bereikt. Dit is 29 juli 1996.

Omdat mevrouw S geen vergoedende interesten vordert voorafgaand aan 13 september 1997, worden de vergoedende interesten op euro 10.721,87 toegekend vanaf 13 september 1997.

Het hof volgt NV Nateus niet in haar vraag om de aanvangsdatum van de vergoedende interesten te bepalen op datum van actualisering van de schadecijfers, te weten op datum van de uitspraak.

Actualisatie heeft wel invloed op de rentevoet van de vergoedende interesten, omdat de muntontwaarding door de actualisatie gedekt is, maar laat onverkort dat er een schade is door vertraging in de nakoming van de herstelverbintenis.

De hoofdsom omvat in casu de schade door vertraging in de ontvangst van het kapitaal en het zolang niet kunnen beschikken over het kapitaal niet.

9. Evaluatie van de schadepost economisch verlies huishoudelijke arbeid.

9.1. Mevrouw S vordert voor de periodes van invaliditeit van minstens 25% een forfaitaire vergoeding voor het verlies van de economische waarde van haar huishoudelijke arbeid.

9.2. Aan een parameter van euro 20 per dag en rekening houdende met de graad van invaliditeit vanaf minstens 25% komt mevrouw S tot een bedrag van euro 3.720,00 in hoofdsom.

9.3. Aan een parameter van euro 19,33 per dag en rekening houdende met de graad van invaliditeit vanaf minstens 25% evalueert NV Nateus deze schadepost op euro 3.593,47 in hoofdsom.

9.4. Het hof oordeelt dat een schadevergoeding van euro 3.593,47 in hoofdsom deze schadepost in hoofdsom integraal vergoedt, nu het hoofdzakelijk gaat om periodes met invaliditeit en slechts in geringe mate gaat om periodes met arbeidsongeschiktheid.

10. Over de aanvangsdatum van de vergoedende interesten op deze schadepost.

Het hof kent de vergoedende interesten toe vanaf de gevraagde datum van 13 september 1997. Deze datum is later dan de mediaandatum voor deze schadepost.

Het hof herneemt zijn weerlegging van de visie van NV Nateus om de interesten slechts op datum van uitspraak te doen ingaan. Actualisatie van de schadecijfers heeft zijn weerslag op de interestvoet van de vergoedende interesten omdat er door de actualisatie geen schade door muntontwaarding is, maar dit gegeven laat onverkort het bestaan van schade door vertraging in het kunnen beschikken over het kapitaal.

11. Evaluatie van de schadepost blijvende invaliditeit van 15%.

11.1. De arbiter heeft de blijvende invaliditeit vastgesteld op 15% vanaf 1 juni 2001 en de blijvende arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 7% vanaf 1 juni 2001.

11.2. Mevrouw S evalueert deze schadeposten op euro 18.150,00 in hoofdsom aan de parameter van euro 825,00 per punt.

11.3. NV Nateus evalueert deze schadeposten op euro 16.361,18 in hoofdsom.

11.4. Rekening houdende met het gegeven dat de arbeidsongeschiktheid niet meer dan 7% bedraagt en rekening houdend met het gegeven dat de arbiter bij klinisch onderzoek enkel weerhoudt wat volgt:

"Bij klinisch onderzoek weerhouden we een wat opgezet doch soepel abdomen, zonder défense musculaire of loslaatpijn (vooral bij aanspannen van de buikwand) vier vingerbreedten para-umbilicaal Li alsmede in de Li fossa iliaca", evalueert het hof deze schadeposten op euro 16.361,18 in hoofdsom.

12. Over de aanvangsdatum van de vergoedende interesten op deze schadepost.

Het hof bepaalt de aanvangsdatum van de vergoedende interesten voor deze schadepost op 1 juni 2001, datum van consolidatie.

13. Evaluatie van de esthetische schade.

13.1. De te evalueren esthetische schade betreft het dwarse laparotomie-litteken in de Li flank, ongeveer 12,5 cm en gaande tot infra umblicaal, waarvan de arbiter vaststelt dat het weinig zichtbaar is en geen opvallende kenmerken vertoont.

De arbiter evalueert het litteken op 2 op de schaal van 7.

13.2. Mevrouw S evalueert deze schadepost op euro 1.800,00.

13.3. NV Nateus evalueert deze schadepost op euro 1.239,46.

13.4. Rekening houdend met de geboortedatum van mevrouw S, geboren op 21 april 1958, rekening houdende met haar geslacht en met de plaats van het litteken, het weinig zichtbaar zijn van het litteken en met het gegeven dat het litteken geen opvallende kenmerken vertoont, oordeelt het hof dat deze schadepost in hoofdsom integraal vergoed wordt met toekenning van een schadevergoeding van in hoofdsom euro 1.239,46.

14. Over de aanvangsdatum van de vergoedende interesten op deze schadepost.

14.1. Mevrouw S vraagt voor deze schadepost vergoedende interesten vanaf 21 september 1993.

14.2. Het hof oordeelt dat mevrouw S in casu ten onrechte vraagt om de aanvangsdatum van de vergoedende interesten te bepalen op 21 september 1993. Immers de esthetische schade bestond nog niet op 21 september 1993.

De esthetische schade was er niet voor de uitvoering van de laparotomie op 23 september 1994. Het gaat immers om een litteken als gevolg van de laparotomie. Het hof bepaalt de aanvangsdatum van de vergoedende interesten daarom op 23 september 1994.

15. Over de evaluatie van de schadepost familiehulp.

15.1. Mevrouw S vordert haar uitgaven voor hulp in de huishouding van vzw familiehulp gedurende 44 uren in de maand oktober 1994.

Zij vordert een schadevergoeding van euro 219,94 meer vergoedende interesten vanaf 21 september 1993.

15.2. De uitgave is bewezen middels de factuur (stuk 20 S) en dateert van een periode van tijdelijke invaliditeit en tijdelijke arbeidsongeschiktheid volgens het verslag van arbiter dr. Henrotte.

Het hof is van oordeel dat deze concrete uitgave zich zonder de fout van de verzekerde van NV Nateus zeker niet zou hebben voorgedaan.

15.3. De vermogensaantasting bestond slechts op de factuurdatum van 16 november 1994, zodat het hof de aanvangsdatum van de vergoedende interesten bepaalt op 16 november 1994.

16. Over de schadepost bijstand van dr. Zervas bij de arbitrage.

16.1. Mevrouw S en de heer S. vorderen een verzekeringsprestatie voor de uitgave van euro 300,00 voor bijstand van Dr. Zervas meer vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 21 september 1993.

16.2. NV Nateus betwist gehouden te zijn tot deze schadepost.

16.3. Deze vordering is ongegrond omdat partijen in de overeenkomst minnelijke medische expertise overeengekomen zijn dat elk van de partijen definitief de kosten ten laste neemt van de door haar aangestelde deskundige. Met definitief ten laste nemen bedoelen partijen dat geen aanspraak zal worden gemaakt op betaling van deze kosten als zijnde een schadepost.

17. Over de schadepost administratiekosten.

17.1. Mevrouw S evalueert deze schadepost op euro 125,00 meer vergoedende interesten vanaf 21 september 1993. NV Nateus betwist deze schadepost.

17.2. Het hof kent een forfaitaire vergoeding toe van euro 100,00. Het bedrag van euro 100,00 vergoedt integraal de schade in hoofdsom van administratiekosten.

17.3. De administratiekosten hebben zich geleidelijk voorgedaan. Het hof bepaalt de aanvangsdatum van de vergoedende interesten op 1 juni 2001, datum waarop de helft van de administratiekosten werd bereikt.

18. Over de schadepost verplaatsingskosten.

18.1. Mevrouw S evalueert deze schadepost op euro 750,00 meer de vergoedende interesten met als aanvangsdatum 21 september 1993. De berekening gebeurde ex aequo et bono.

18.2. NV Nateus evalueert op euro 75,00 in hoofdsom.

18.3. Het hof stelt vast dat alle medische behandelingen gebeurden in het ziekenhuis Oost-Limburg, campus Genk en dat mevrouw S in Genk woont.

Het hof stelt vast dat er vier verplaatsingen zijn geweest naar Hasselt naar het kabinet van dr. Vanderbruggen en van dr. Henrotte.

Rekening houdende met de concrete bewijsstukken in dit dossier oordeelt het hof dat de hoofdsom van de verplaatsingskosten integraal vergoed wordt door toekenning van een bedrag van euro 75,00.

Het hof bepaalt de aanvangsdatum van de verplaatsingskosten van de gemiddelde datum van 3 april 2003, datum van eerste zitting van de arbitrage bij dr. Henrotte in Hasselt.

19. Over de schadepost expertisekosten dr. Henrotte.

19.1. Mevrouw S vordert de veroordeling tot betaling van een schadevergoeding van euro 250,00 meer vergoedende intresten vanaf 2 februari 2003.

Het voorwerp van deze schadepost omvat de helft van de expertisekosten van de arbiter dr. Henrotte.

19.2. NV Nateus betwist deze schadepost.

19.3. Het hof stelt vast dat op 14 februari 1996 bij het aangaan van de minnelijke medische expertise mevrouw S akkoord is gegaan om de helft van de kosten van de arbiter, dr. Henrotte, definitief zelf te dragen. Thans de veroordeling vragen van NV Nateus om de helft van deze kosten te dragen strijdt met de verbintenis om de helft van de kosten definitief zelf te dragen.

Dit onderdeel van de vordering is ongegrond.

20. Over de farmaceutische kosten tot op heden.

20.1. Mevrouw S evalueert haar kosten voor geneesmiddelen tot op heden op euro 824,43.

20.2. Het hof oordeelt dat mevrouw S met het arbitrage-verslag van dr. Henrotte bewijst dat de medicaties Spasmomen, Voltaren, Contramal en af en toe Motilium in oorzakelijk verband staan met de onrechtmatige daad van de verzekerde van NV Nateus.

20.3. De optelsom van de overtuigende bewijsstukken tot op heden met betrekking tot deze met name in het verslag van de arbiter weerhouden geneesmiddelen in oorzakelijk verband met de onrechtmatige daad van de verzekerde van NV Nateus bedraagt euro 189,66.

Dit blijkt ook uit de uitgavenstaat 5b van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, waarin de remgelden voor de geneesmiddelen weerhouden door de arbiter als zijnde in oorzakelijk verband met de onrechtmatige daad worden opgesomd tot een totaal van euro 189,66.

Mevrouw S vordert voor een bedrag boven euro 189,66 vergoeding van geneesmiddelen, waarvan in het verslag van dr. Henrotte geen melding wordt gemaakt als zijnde in oorzakelijk verband met de onrechtmatige daad van de verzekerde van NV Nateus. Er is voor wat deze geneesmiddelen betreft geen gerechtelijke zekerheid over het oorzakelijk verband met de onrechtmatige daad van de verzekerde van NV Nateus.

Een onderzoeksmaatregel om advies te vragen of andere geneesmiddelen dan deze in het verslag van de arbiter vermeld eventueel ook in oorzakelijk verband staan met de onrechtmatige daad van de verzekerde van NV Nateus is niet opportuun, omdat er mede gelet op de inhoud van het arbitrageverslag weinig zekerheid is dat afdoend bewijs zou kunnen worden geleverd van de feiten waarvoor de maatregel zou moeten dienen. Bovendien zou de kostprijs en de duur van de onderzoeksmaatregel niet in verhouding staan tot de inzet van een beperkt geschil.

20.4. De mediaandatum voor deze uitgaven voor geneesmiddelen werd bereikt op 15 januari 2002, zodat 15 januari 2002 de aanvangsdatum is van de vergoedende interesten.

21. Over de andere medische kosten dan deze voor geneesmiddelen tot op heden.

21.1. Mevrouw S vordert een bedrag van euro 2.547,29 meer vergoedende interesten vanaf 21 september 1993.

21.2. Het hof heeft de optelsom gemaakt van de medische kosten die met zekerheid in oorzakelijk verband staan met de onrechtmatige daad van de verzekerde van NV Nateus. Voor sub-obstructies na 13 augustus 2003 ten gevolge van adhaesis en waarvoor mogelijk tot hospitalisatie dient te worden overgegaan al dan niet met adhaesiolysis werd voorbehoud gemaakt. De verslagen maken inderdaad voor 13 augustus 2003 reeds gewag van recidiverende sub-obstructies als gevolg van de onrechtmatige daad van de verzekerde van NV Nateus.

Er is geen gerechtelijke zekerheid over het oorzakelijk verband tussen de uitgaven voor kinesitherapie en de uitgaven voor dr. Vantilborg en dr. Robaeys en alle uitgaven voor de huisarts van mevrouw S en de medische kosten van de heer S. enerzijds en anderzijds de onrechtmatige daad van de verzekerde van NV Nateus. Voor de uitgaven voor behandeling door dr. Niville en dr. Van Der Speeten en dr. Maes in de afdeling abdominale geneeskunde is er wel gerechtelijke zekerheid over het oorzakelijk verband met de onrechtmatige daad van de verzekerde van NV Nateus.

De optelsom van de medische kosten die zeker in oorzakelijk verband staan met de onrechtmatige daad van de verzekerde van NV Nateus bedraagt euro 1.948,22.

21.3. De mediaandatum voor deze uitgaven is 27 oktober 2005, zodat 27 oktober 2005 de aanvangsdatum is van de vergoedende interesten op euro 1.948,22.

22. Over de morele schade tijdelijke werkongeschiktheid naar aanleiding van twee bijkomende hospitalisatieperiodes.

22.1. Het is niet betwist dat mevrouw S in de periode van 6 september 2005 tot en met 7 september 2005 en in de periode van 15 december 2005 tot en met 18 december 2005 gehospitaliseerd werd.

22.2. De eerste rechter heeft beslist dat het verslag van dr. Van Der Speeten ten genoegen van recht bewijst dat de twee bijkomende hospitalisatieperiodes kaderen in het door dr. Henrotte verleende voorbehoud voor het eventueel optreden in de toekomst van (sub)obstuctie ten gevolge van adhaesis (en waarvoor mogelijks tot hospitalisatie -al dan niet met adhaesiolysis- dient te worden overgegaan).

De eerste rechter heeft beslist dat het verslag van dr. Maes voldoende aantoont dat en in welke mate mevrouw S ingevolge deze twee operaties tijdelijk ongeschikt is geweest.

De eerste rechter heeft de morele schade TWO, het economisch verlies huishouden en de meerinspanningen voor deze periodes geëvalueerd en heeft NV Nateus tot betaling van een schadevergoeding voor deze schadeposten veroordeeld.

22.3. NV Nateus is gegriefd doordat de eerste rechter bewijswaarde heeft gehecht aan het verslag van dr. Van Der Speeten en van dr. Maes.

NV Nateus oordeelt dat alvorens kan worden beslist of de twee bijkomende hospitalisatieperiodes onder het door de arbiter geformuleerde voorbehoud vallen een bijkomend deskundigenonderzoek van een onafhankelijke gerechtsdeskundige, bij voorkeur dr. Henrotte, nodig is.

22.4. Het hof oordeelt dat de verslagen van dr. Van Der Speeten en dr. Maes een vrije bewijswaarde hebben. Het gaat niet om beweringen van een procespartij. Het gaat om een weergave van vaststellingen en visies van behandelende geneesheren. Deze hebben geen belang bij de afloop van het geding.

Er is de onbetwiste zekerheid dat, conform aan de inhoud van zijn verslag, de visie van dr. Van Der Speeten is dat de nieuwe hospitalisatieperiodes kaderen in het voorbehoud verleend in het arbitrageverslag van dr. Henrotte.

Er is de onbetwiste zekerheid dat conform aan de inhoud van zijn verslag de visie van dr. Maes is dat de nieuwe hospitalisatieperiodes kaderen in het voorbehoud verleend in het arbitrageverslag van dr. Henrotte.

De zekerheden van het bestaan van deze visies van twee onderscheiden geneesheren vormen overeenstemmende vermoedens van het door mevrouw S te bewijzen feit dat de hospitalisaties vallen onder het voorbehoud geformuleerd in het arbitrageverslag van dr. Henrotte.

NV Nateus legt geen enkel document voor, waardoor uit een zekerheid een niet-overeenstemmend vermoeden zou kunnen worden geput.

Het hof oordeelt aldus dat mevrouw S slaagt in het bewijs van het door haar te bewijzen feit dat de bijkomende hospitalisaties vallen onder het voorbehoud geformuleerd in het arbitrage is van dr. Henrotte.

22.5. Het hof evalueert de morele schade wegens tijdelijke werkongeschiktheid ten gevolge van sub-obstructies, waarvoor hospitalisaties op 6 september 2005 tot en met 7 september 2005 en ten gevolge van hospitalisatie op 15 december 2005 tot en met 18 december 2005 als volgt:

- 100% van 6 september 2005 tot 7 september 2005 aan euro 31,00 per dag = euro 62,00

- 100% van 15 december 2005 tot 18 december 2005 aan euro 31,00 per dag = euro 124,00.

Een hogere morele schade geraakt niet ten genoegen van recht bewezen.

Het is niet opportuun daaromtrent een nieuwe onderzoeksmaatregel te bevelen. De kostprijs en de duur van de ook door mevrouw S, zij het in ondergeschikte orde, gevraagde onderzoeksmaatregel staan niet in verhouding tot de inzet van het geschil. Bovendien is er weinig zekerheid dat met een onderzoeksmaatregel het bewijs zou kunnen worden geleverd van het feit, te weten het bestaan van morele schade wegens arbeidsongeschiktheid buiten de duur van de hospitalisaties, waarvoor de maatregel als bewijsmiddel zou moeten dienen.

22.6. De aanvangsdatum van de vergoedende interesten op het bedrag van euro 62,00 is 7 september 2005, nu deze schadepost bestond op die datum.

De aanvangsdatum van de vergoedende interesten op het bedrag van euro 124,00 is 18 december 2005, nu deze schadepost bestond op die datum.

23. Het hof kent een beperkte vergoeding toe voor verlies van economische waarde tijdens de ziekenhuisopnames. De economische waarde van mevrouw S in het huishouden is in die dagen inderdaad verloren gaan. De echtgenoot heeft de huishoudelijke taken alleen dienen te vervullen tijdens de periodes van hospitalisatie. De huishoudelijke taken waren wel minder in omvang tijdens de hospitalisaties. De eigen verzorging van en onder meer alle werk voor de maaltijden voor mevrouw S werden door het ziekenhuispersoneel opgevangen.

Het hof evalueert deze schadepost voor 6 en 7 september 2005 op euro 10,00.

Het hof begroot deze schadepost voor de periode van 15 december 2005 tot 18 december 2005 op euro 40,00.

Een hogere omvang van deze schadepost geraakt door de overtuigingsstukken niet bewezen. Het is niet opportuun daaromtrent een onderzoeksmaatregel te bevelen, omdat de kostprijs en de duur ervan niet in verhouding staan tot de inzet van het geschil. Er is bovendien weinig zekerheid dat de onderzoeksmaatregel het bewijs zal kunnen leveren van het te bewijzen feit, te weten een hogere schade wegens economisch waardeverlies in de huishouding.

De aanvangsdatum van de vergoedende interesten op het bedrag van euro 10,00 is 7 september 2005, nu deze schadepost vanaf die datum bestond.

De aanvangsdatum van de vergoedende interesten op het bedrag van euro 40,00 is 18 december 2005, nu deze schadepost vanaf die datum bestond.

24. Het hof kent geen vergoedingen toe voor meerinspanningen. Arbeidsongeschiktheid na de hospitalisaties in 2005 geraakt niet ten genoegen van recht bewezen.

25. Over de interestvoet van de vergoedende interesten.

25.1. Mevrouw S vordert vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet.

25.2. NV Nateus vraagt dat de interestvoet tot 31 december 2009 zou bepaald worden op 5% en dat de intrestvoet voor de periode 2010 zou bepaald worden op 3,25% en dat de interestvoet vanaf 1 januari 2011 zou bepaald worden op 3,75%. NV Nateus voert aan dat, rekening houdend met de actualisering van de hoofdsommen, een hogere intrestvoet zou leiden tot een schadevergoeding, die de schade overstijgt.

25.3. Rekening houdende met het gegeven dat de hoofdsommen geactualiseerd zijn op datum van de uitspraak, bepaalt het hof de intrestvoet van de vergoedende interesten op 5% tot 31 december 2009, op 3,25% van 1 januari 2010 tot 31 december 2010 en op 3,75% vanaf 1 januari 2011 tot op datum van de uitspraak. Dit is conform de gemotiveerde visie van NV Nateus, waarop mevrouw S niet specifiek antwoordt.

26. Over de aangevoerde fout van mevrouw S, erin bestaande passief te zijn gebleven van 19 maart 2004 tot 2 mei 2005, wat de enige oorzaak zou zijn van de schadepost vertraging in de betaling voor die periode.

Het hof stelt vast dat er in de periode van 15 april 2004 tot 2 mei 2005 geen enkel initiatief is geweest van mevrouw S.

Op 25 maart 2004 heeft mevrouw S nog een regelingsvoorstel gedaan.

Dit is beantwoord door NV Nateus op 15 april 2004 en nadien heeft mevrouw S tot 2 mei 2005 geen enkel initiatief genomen.

Het hof oordeelt dat mevrouw S is afgeweken van het normaal gedrag van een normaal voorzichtig benadeelde door gedurende de voormelde periode geen enkel initiatief te nemen ter afhandeling van haar schade-eis. Het hof stelt aldus een aan de benadeelde mevrouw S te wijten vertraging vast in de afhandeling van het schadegeval en dit voor de periode van 15 april 2004 tot 2 mei 2005. Deze vertraging is niet te wijten aan NV Nateus. Deze vertraging is het gevolg van een fout van mevrouw S. De schade door deze fout wordt aan mevrouw S aangerekend door haar het recht op vergoedende interesten te ontzeggen voor de periode van 15 april 2004 tot 2 mei 2005.

27. Over de jaarlijkse farmaceutische kosten vanaf heden.

27.1. Mevrouw S voert aan vanaf heden levenslang een jaarlijkse kost te hebben aan medicatie van euro 453,80.

Met kapitalisatie vanaf heden voert zij aan dat zij aldus recht heeft op een schadevergoeding van euro 10.524,33.

27.2. Het hof oordeelt dat enkel de medicatie die is vermeld in het verslag van de arbiter met gerechtelijke zekerheid in oorzakelijk verband staat met de onrechtmatige daad van de verzekerde van NV Nateus. De kostprijs van deze medicatie (Voltaren, Spasmomen en Motilium) is thans per jaar euro 282,84 volgens een attest van apotheker Quintens.

Het hof houdt rekening met de geboortedatum van mevrouw S op 21 april 1958.

Rekening houdende met haar mediaanlevensduur volgens de prospectieve tabel 2011 en rekening houdende met een kapitalisatierentevoet van 3% is de kapitalisatiecoëfficiënt 21,73 en komt haar een bedrag toe van euro 6.146,00.

Op dit bedrag zijn geen vergoedende intresten verschuldigd.

28. Over de jaarlijkse medische kosten vanaf heden.

28.1. Mevrouw S voert aan vanaf heden een jaarlijkse medische kost te hebben van euro 400,00 in oorzakelijk verband met de fout van de fout van de verzekerde van NV Nateus. Zij vordert voor deze schadepost een vergoeding van euro 8.594,80.

28.2. Het hof heeft vastgesteld dat de bewezen medische kosten in oorzakelijk verband met de onrechtmatige daad van de verzekerde van NV Nateus voor de periode van 21 september 1993 tot op heden euro 1.948,22 bedragen. Het gaat om een bedrag van euro 1.948,22 over een periode van 18 jaar en 9 maanden.

28.3. Volgens de verslagen van dokter Van der Speeten en dokter Maes, zijn er met zekerheid in de toekomst levenslang nog medische kosten in oorzakelijk verband met de fout van de verzekerde van NV Nateus. Mevrouw S zal haar huisarts dienen te raadplegen voor het voorschrijven van de medicaties voorzien in het verslag van dr. Henrotte.

Rekening houdend met het gegeven dat de medische kosten over de laatste 18 jaar en 9 maanden niet meer dan in euro 1.948,22 bedroegen en rekening houdende met alle concrete elementen in deze zaak, zoals de afwezigheid van subobstructies sedert december 2005, evalueert het hof de huidige jaarlijkse medische kosten in zeker oorzakelijk verband met de onrechtmatige daad op thans euro 50,00.

Rekening houdend met de leeftijd van mevrouw S en haar mediaanlevensduur volgens de meest recente prospectieve tafel en rekening houdend met een kapitalisatierentevoet van 3% evalueert het hof deze schadepost op euro 50,00 x 21,73 = euro 1.086,50.

Op deze schadepost zijn geen vergoedende intresten verschuldigd.

29. Over de in mindering te brengen bedragen.

29.1. NV Nateus bewijst met rekeninguittreksels volgende bedragen betaald te hebben:

- op 20 oktober 1997 euro 1.239,47 op rekening van mevrouw S

- op 1 februari 2000 euro 619,73 op rekening van mevrouw S

- op 20 september 2006 euro 34.750,00 op derdenrekening van de toenmalige raadsman van mevrouw S, meester Sas.

29.2. Mevrouw S voert aan dat voor wat de betaling betreft van euro 34.750,00 geen rekening mag gehouden worden met de betaaldatum van 20 september 2006 op de derdenrekening van haar toenmalige advocaat, maar dat enkel rekening dient te worden gehouden met het bedrag van euro 33.012,50 dat haar advocaat op 28 november 2006 doorstortte op haar rekening.

29.3. Het hof stelt vast dat mevrouw S niet betwist dat meester Sas op 20 september 2006 haar advocaat was, gelast met de afhandeling van haar aanspraken tegen NV Nateus. Het hof oordeelt dat het tot de aan de advocaat door mevrouw S gegeven opdracht behoort en dit volgens de normale gang van zaken om voor haar bestemde gelden te ontvangen op zijn derdenrekening. Een lastgeving om gelden bestemd voor mevrouw S te ontvangen is in hoofde van meester Sas bewezen.

De betaling van euro 34.750,00 op 20 september 2006 door NV Nateus aan meester Sas geldt als betaling aan de lastgever van meester Sas, te weten mevrouw S.

Een eventuele betwisting tussen mevrouw S en haar toenmalig advocaat over het gegeven dat deze van het op 20 september 2006 ontvangen bedrag van euro 34.750 pas op 28 november 2006 euro 33.012,50 doorstortte is vreemd aan NV Nateus en staat hier niet ter beoordeling.

29.4. Het hof oordeelt dat deze 3 betalingen meer negatieve interesten aan dezelfde rentevoet als de vergoedende interesten in mindering moeten worden gebracht op de verschuldigde bedragen.

30. Over de exceptie van verjaring ten aanzien van de vordering van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten tegen NV Nateus.

30.1. NV Nateus voert aan dat de eerste rechter had moeten beslissen dat de vordering van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten tegen NV Nateus verjaard is. NV Nateus voert daarbij dezelfde motieven aan als deze aangevoerd ter ondersteuning van de exceptie van verjaring ten aanzien van mevrouw S. Het hof herneemt zijn motivering die analoog van toepassing is op het vorderingsrecht van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten.

30.2. Het hof stelt vast dat NV Nateus op 14 februari 1996 kennis heeft gekregen van de wil van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten om een vergoeding te bekomen voor de door haar geleden schade. De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten heeft de overeenkomst van minnelijke medische expertise mede ondertekend.

De mededeling op 19 maart 2004 aan de raadsman van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten van de beslissing om te vergoeden, maakt een einde aan de stuiting voorzien in artikel 35 §4 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst.

Het hof stelt vast dat NV Nateus op 21 september 2006 het recht van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten op een vergoeding heeft erkend door de betaling voor haar bestemd van een bedrag van euro 6.505,09 op de derdenrekening van meester Sas, toenmalig raadsman van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, tevens toenmalig raadsman van mevrouw S. Bij toepassing van artikel 2248 burgerlijk wetboek is de verjaringstermijn van 5 jaar, die inging op 19 maart 2004, opnieuw gestuit op 21 september 2006.

De vordering van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten werd ingesteld op 4 juni 2010.

De verjaringstermijn van vijf jaar na de stuiting van 21 september 2006 ingegaan op 22 september 2006 was niet verstreken op 4 juni 2010. Het vorderingsrecht van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten was niet verjaard op 4 juni 2010.

31. Over de schadecijfers van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten.

31.1. NV Nateus concludeert bij hervorming van het bestreden vonnis tot de ongegrondheid van de vordering van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten.

31.2. De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten vordert gesubrogeerd in de rechten van haar verzekerde een schadevergoeding voor de schadepost uitgavenstaat 3, 4, 5 en 5b ten bedrage van in hoofdsom euro 2.935,93.

31.3. NV Nateus betwist dat deze uitgavenstaat onder het voorbehoud zou vallen geformuleerd in het arbitrageverslag van dr. Henrotte.

31.4. De uitgavenstaat nummer 3 heeft betrekking op onderzoeken naar obstructies in augustus en september 2004 met negatief resultaat inzake vaststellingen der obstructies.

In het arbitrageverslag in het kader van de overeenkomst tot minnelijke medische expertise, dat ook door de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten werd ondertekend, is het voorbehoud geformuleerd als volgt:

"we maken voorbehoud voor het eventueel optreden in de toekomst van (sub)obstructie ten gevolge van adhaesis en waarvoor mogelijks tot hospitalisatie -al dan niet met adhaesiolysis- dient te worden overgegaan."

31.5. Het hof oordeelt dat de uitgaven in augustus/september 2004 voor medisch onderzoek naar sub-obstructies, die toen niet werden vastgesteld, niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat in het kader van de gemeenschappelijke bedoeling van partijen met betrekking tot het voorbehoud nog slechts schadevergoeding kan worden bekomen voor de uitgaven voor effectieve sub-obstructies ten gevolge van adhaesis.

Onderzoeken in augustus/september 2004, die hebben geleid tot een negatieve beoordeling van het bestaan van subobstructies ten gevolge van adhaesis vallen niet onder het voorbehoud.

NV Nateus is niet gehouden het bedrag van euro 898,12 van uitgavenstaat 3 te betalen. Deze uitgave staat niet met gerechtelijke zekerheid in oorzakelijk verband met de onrechtmatige daad van de verzekerde van NV Nateus en ten overvloede valt deze uitgave niet onder het voorbehoud geformuleerd in het arbitrageverslag.

31.6. Het hof oordeelt dat met betrekking tot de uitgavenstaat 4 evenmin is aangetoond dat de verleende geneeskundige verstrekkingen in oorzakelijk verband staan met de onrechtmatige daad van de verzekerde van NV Nateus en ten overvloede vallen deze uitgaven niet onder het voorbehoud.

Een onderzoeksmaatregel van deskundigenonderzoek meer dan 6 jaar later biedt weinig zekerheid dat deze onderzoeksmaatregel het bewijs zal kunnen leveren van de feiten waarvoor de maatregel moet dienen. De maatregel zou moeten dienen voor het bewijs van het feit dat kwestieuze uitgaven met gerechtelijke zekerheid onder het voorbehoud vallen geformuleerd in het arbitrageverslag en te maken hebben met de effectieve sub-obstructies ten gevolge van adhaesis. In casu is er geen aanwijzing dat dat zo is voor de uitgaven vermeld op uitgavenstaat 4.

31.7. Het hof oordeelt dat de uitgavenstaten 5 van december 2005 wel met gerechtelijke zekerheid onder het voorbehoud vallen omdat ze betrekking hebben op sub-obstructies ten gevolge van adhaesis, waarvoor tot hospitalisatie in december 2005 diende te worden overgegaan.

Deze uitgavenstaten bedragen in hoofdsom euro 1.436,85.

Op deze uitgavenstaten zijn vergoedende intresten verschuldigd vanaf 16 december 2005.

31.8. De uitgavenstaat 5b heeft betrekking op de medicatie waarvan sprake in het verslag van Dr. Henrotte, te weten Spasmomen en Voltaren. Deze uitgavenstaat betreft medicatie Voltaren en Spasmomen ten bedrage van euro 109,10 over een periode van 5 jaar en 6 maanden.

Op deze uitgavenstaat zijn vergoedende intresten verschuldigd vanaf de mediaandatum. De mediaandatum voor deze uitgaven is 26 oktober 2006.

32. Over de proceskosten in de rechtband Mevrouw S/NV Nateus.

32.1. NV Nateus is de in het ongelijk gestelde partij wat de exceptie van verjaring betreft.

NV Nateus is de in het ongelijk gestelde partij wat betreft het geschilpunt of er al dan niet een overeenkomst tot slot van rekeningen over de schadecijfers is tot stand gekomen.

NV Nateus is gedeeltelijk in het ongelijk gesteld wat betreft de cijfermatige evaluatie van de schade, waar zij een beslissing wenste dat de betaalde bedragen voor in totaal euro 36.609,20, de volledige schade inclusief interesten vergoeden, terwijl de som van de hoofdsommen door het hof aan mevrouw S toegekend euro 41.917,30 bedraagt, exclusief intresten.

Mevrouw S is gedeeltelijk in het ongelijk gesteld wat betreft de cijfermatige evaluatie van de schade. Zij becijfert haar schade in totaal op euro 62.289,46, terwijl de cijfermatige som van de schadevergoeding voor de verschillende schadeposten door het hof wordt geëvalueerd op euro 41.917,30.

32.2. In die omstandigheden veroordeelt het hof mevrouw S en de heer S. tot 1/5 van de proceskosten van beide aanleggen aan de zijde van NV Nateus.

In die omstandigheden veroordeelt het hof NV Nateus tot 4/5 van de proceskosten van beide aanleggen aan de zijde van mevrouw S en de heer S..

33. Over de proceskosten in de rechtsband tussen de Landsbond van de Christelijke Mutualiteiten en NV Nateus.

33.1. In deze rechtsband is NV Nateus in het ongelijk gesteld wat betreft het geschilpunt van de verjaring.

In deze rechtsband is NV Nateus gedeeltelijk in het ongelijk gesteld wat betreft de evaluatie van de cijfermatige omvang van de schadevergoeding aan de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten toekomend.

In deze rechtsband is de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten gedeeltelijk in het ongelijk gesteld wat betreft de evaluatie van de cijfermatige omvang van de schadevergoeding aan haar toekomend.

33.2. In die omstandigheden veroordeelt het hof de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten tot 1/5 van de proceskosten aan de zijde van NV Nateus.

In die omstandigheden veroordeelt het hof NV Nateus tot 4/5 van de proceskosten aan de zijde van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten.

34. Over het verzoek van mevrouw S en de heer S. om af te wijken van het basistarief van de rechtsplegingsvergoeding.

Mevrouw S voert de onevenredigheid in financiële draagkracht aan tussen beide partijen en het kennelijk onredelijke van de situatie.

Aan het hof zijn geen gegevens verstrekt over de financiële draagkracht van mevrouw S en de heer S..

Het vereffenen van de rechtsplegingsvergoeding aan het basistarief brengt geen situatie met zich mee met een kennelijk onredelijk karakter.

35. De vordering van mevrouw S en de heer S. tegen NV Nateus betreft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep een niet in geld waardeerbare vordering, nu veroordeling wordt gevraagd voor een provisioneel bedrag. De rechtsplegingsvergoeding bedraagt in eerste aanleg euro 1.200,00 en de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding bedraagt in hoger beroep euro 1.320,00.

Beslissing.

Het hof beslist op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van NV Nateus toelaatbaar en als volgt gegrond.

Het hof verklaart het incidenteel beroep van mevrouw S en de heer S. toelaatbaar en als volgt gegrond.

Het hof verklaart het incidenteel beroep van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten toelaatbaar en als volgt gegrond.

Het hof wijzigt het bestreden vonnis als volgt.

Het hof veroordeelt NV Nateus om aan mevrouw S te betalen:

a. Een schadevergoeding van euro 10.721,87 te vermeerderen met vergoedende interesten vanaf 13 september 1997 tot 14 april 2004 en vanaf 3 mei 2005 tot op heden, te vermeerderen met gerechtelijke intresten aan de wettelijke interestvoet vanaf heden tot op de dag der integrale betaling.

b. Een schadevergoeding van euro 3.593,47 te vermeerderen met vergoedende interesten vanaf 13 september 1997 tot 14 april 2004 en vanaf 3 mei 2005 tot op heden, te vermeerderen met gerechtelijke intresten aan de wettelijke interestvoet vanaf heden tot op de dag der integrale betaling.

c. Een schadevergoeding van euro 16.361,18 te vermeerderen met vergoedende interesten vanaf 1 juni 2001 tot 14 april 2004 en vanaf 3 mei 2005 tot op heden, te vermeerderen met gerechtelijke intresten aan de wettelijke interestvoet vanaf heden tot op de dag der integrale betaling.

d. Een schadepost van euro 1.239,46, te vermeerderen met de vergoedende interesten vanaf 23 september 1994 tot 14 april 2004 en vanaf 3 mei 2005 tot op heden, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke interestvoet vanaf heden tot op de dag der integrale betaling.

e. Een schadevergoeding van euro 219,94, te vermeerderen met de vergoedende interesten vanaf 16 november 1994 tot 14 april 2004 en vanaf 3 mei 2005 tot op heden, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke interestvoet vanaf heden tot op de dag der integrale betaling.

f. Een schadevergoeding van euro 100,00, te vermeerderen met de vergoedende interesten vanaf 1 juni 2001 tot 14 april 2004 en vanaf 3 mei 2005 tot op heden, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke interestvoet vanaf heden tot op de dag der integrale betaling.

g. Een schadevergoeding van euro 75,00, te vermeerderen met de vergoedende interesten vanaf 3 april 2003 tot 14 april 2004 en vanaf 3 mei 2005 tot op heden, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke interestvoet vanaf heden tot op de dag der integrale betaling.

h. Een schadevergoeding van euro 189,66, te vermeerderen met de vergoedende interesten vanaf 15 januari 2002 tot 14 april 2004 en vanaf 3 mei 2005 tot op heden, te vermeerderen met gerechtelijke intresten aan de wettelijke interestvoet vanaf heden tot op de dag der integrale betaling.

i. Een schadevergoeding van euro 1.948,22, te vermeerderen met de vergoedende interesten vanaf 27 oktober 2005 tot op heden, te vermeerderen met gerechtelijke intresten aan de wettelijke interestvoet vanaf heden tot op de dag der integrale betaling.

j. Een schadevergoeding van euro 62,00, te vermeerderen met de vergoedende interesten vanaf 7 september 2005 tot op heden, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke interestvoet vanaf heden tot op de dag der integrale betaling.

k. Een schadevergoeding van euro 124,00, te vermeerderen met de vergoedende interesten vanaf 18 december 2005 tot op heden, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke interestvoet vanaf heden tot op de dag der integrale betaling.

l. Een schadevergoeding van euro 10,00, te vermeerderen met de vergoedende interesten vanaf 7 september 2005 tot op heden, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke interestvoet vanaf heden tot op de dag der integrale betaling.

m. Een schadevergoeding van euro 40,00, te vermeerderen met de vergoedende interesten vanaf 18 december 2005 tot op heden, meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijke interestvoet vanaf heden tot op de dag der integrale betaling.

n. Een schadevergoeding van euro 6.146,00, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke interestvoet vanaf heden tot op de dag der integrale betaling.

o. Een schadevergoeding van euro 1.086,50, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke interestvoet vanaf heden tot op de dag der integrale betaling.

Het hof bepaalt de intrestvoet van de vergoedende interesten op 5% vanaf 21 september 1993 tot 31 december 2009, op 3,25% vanaf 1 januari 2010 tot 31 december 2010 en op 3,75% vanaf 1 januari 2011 tot op heden.

Het hof beveelt dat op voormelde veroordelingen tot betaling in mindering dienen te worden gebracht:

- het bedrag van euro 1.239,47 meer de negatieve intresten aan 5% vanaf 20 oktober 1997 tot 31 december 2009, aan 3,25% vanaf 1 januari 2010 tot 31 december 2010 en aan 3,75% vanaf 1 januari 2011 tot op heden;

- het bedrag van euro 619,73 meer de negatieve intresten aan 5% vanaf 1 februari 2000 tot 31 december 2009, aan 3,25% vanaf 1 januari 2010 tot 31 december 2010 en aan 3,75% vanaf 1 januari 2011 tot op heden;

- het bedrag van euro 34.750,00 meer de negatieve intresten aan 5% vanaf 20 september 2006 tot 31 december 2009, aan 3,25% vanaf 1 januari 2010 tot 31 december 2010 en aan 3,75% vanaf 1 januari 2011 tot op heden.

Het hof veroordeelt NV Nateus om aan de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten te betalen :

a. een schadevergoeding van euro 1.436,85, te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 16 december 2005 tot op heden, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke interestvoet vanaf heden tot op de dag der integrale betaling.

b. Een schadevergoeding van euro 190,10, te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 26 oktober 2006 tot op heden, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke interestvoet vanaf heden tot op de dag der integrale betaling.

Het hof veroordeelt NV Nateus tot 4/5 van de proceskosten van beide aanleggen aan de zijde van mevrouw M. S en de heer G. S..

Het hof vereffent de proceskosten aan de zijde van mevrouw M. S en de heer G. S. in totaal op:

- dagvaardingskosten: euro 267,83

- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: euro 1.200,00

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: euro 1.320,00.

Het hof veroordeelt Mevrouw S en de heer G. S. tot 1/5 van de proceskosten van beide aanleggen aan de zijde van NV Nateus.

Het hof vereffent de proceskosten van beide aanleggen aan de zijde van NV Nateus in totaal op:

- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: euro 1.200,00

- rolrecht hoger beroep: euro 186,00

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: euro 1.320,00.

Het hof veroordeelt NV Nateus tot 4/5 van de proceskosten van beide aanleggen aan de zijde van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten.

Het hof vereffent de proceskosten van beide aanleggen aan de zijde van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten in totaal op:

- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: euro 650,00

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: euro 715,00.

Het hof veroordeelt de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten tot 1/5 van de proceskosten van beide aanleggen aan de zijde van NV Nateus.

Het hof vereffent de proceskosten van beide aanleggen aan de zijde van NV Nateus in totaal op:

- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: euro 650,00

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: euro 715,00.

Over dit arrest werd beraadslaagd en het werd ondertekend door F. Peeters, kamervoorzitter, K. Van Haelst, raadsheer en I. Couwenberg, raadsheer.

I. COUWENBERG K. VAN HAELST F. PEETERS

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 26 juni 2012 in aanwezigheid van F. Peeters, kamervoorzitter en M. Gijsemans, griffier.

M. GIJSEMANS F. PEETERS

Mots libres

  • Verzekeringen

  • verjaring volgens artikel 35 §4 WLVO (neen)

  • gemeenrechtelijke verjaring (art. 2258 BW)