- Arrêt du 30 octobre 2012

30/10/2012 - 2010KR87

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Het is onjuist te stellen dat de rechter in kort geding geen eindveroordeling wegens tergende en roekeloze gedingvoering kan uitspreken omdat hij dan de grond van de zaak zou raken Er is geen reden om aan de kortgedingrechter te ontzeggen het procesgedrag van partijen in de kortgedingprocedure te beoordelen en kennis te nemen van een vordering tot schadevergoeding die daarop gesteund wordt. Hij neemt daarmee geen beslissing over "de zaak zelf" in de zin van artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek. Overigens verbiedt artikel 1039 de kort geding rechter niet de grond van de zaak aan te raken; wel mag zijn beslissing daaraan geen nadeel toebrengen.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2010/KR/87

INZAKE VAN :

De heer G. V.,

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 12 januari 2010,

vertegenwoordigd door Meester Joke VAN BELLE loco Meester Hans RIEDER, advocaat te 9000 GENT, Recollettenlei 39-40,

1ste kamer

TEGEN :

De heer H. R., wonende te 2018 ANTWERPEN, Belgiëlei 195 A,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Marie-Paule DERVEAUX, advocaat te 1853 STROMBEEK-BEVER, Kasteelstraat 124,

Artikel 1039 Ger. W. Bevoegdheden van de kortgedingrechter. Eindveroordeling wegens tergende en roekeloze dagvaarding.

Het is onjuist te stellen dat de rechter in kort geding geen eindveroordeling wegens tergende en roekeloze gedingvoering kan uitspreken omdat hij dan de grond van de zaak zou raken Er is geen reden om aan de kortgedingrechter te ontzeggen het procesgedrag van partijen in de kortgedingprocedure te beoordelen en kennis te nemen van een vordering tot schadevergoeding die daarop gesteund wordt. Hij neemt daarmee geen beslissing over "de zaak zelf" in de zin van artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek. Overigens verbiedt artikel 1039 de kort geding rechter niet de grond van de zaak aan te raken; wel mag zijn beslissing daaraan geen nadeel toebrengen.

1 De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis in kort geding van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 12 januari 2010.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

Partijen verklaren dat het vonnis werd betekend op 19 februari 2010. De heer V. heeft hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof op 16 maart 2010. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2 De feiten

De heer R. is de advocaat van de heer L. V.H. en mevrouw M. B.. De heer V. is hun advocaat geweest. De heer V. heeft de heer V.H. en mevrouw B. rechtstreeks gedagvaard op 29 november 2006 voor de correctionele rechtbank te Brussel. Bij het voeren van hun verdediging wenste de heer R. gebruik te maken van briefwisseling tussen hen en de heer V.. Die verzet zich daar tegen.

3 Het onderwerp van de vordering

3.1

Voor de eerste rechter vorderde de heer V. aan de heer R. verbod op te leggen bepaalde stukken neer te leggen of openbaar te maken, op verbeurte van een dwangsom. Hij vorderde dat ook tegen de heer V.H. en mevrouw B..

Op 12 november 2009 werd de zaak bij hoogdringendheid en beperkt gepleit, en willigde de voorzitter de vordering tegen de heer R. in voor beperkte tijd. Hij besliste dat de heer R. zich gedurende dertig dagen diende te onthouden van het neerleggen en openbaar maken van stukken en brieven in eender welke vorm (kopie, origineel), op eender welke drager of media die gedekt zijn door het strafrechtelijk beschermd recht op het beroepsgeheim waarvan de heer V. de auteur is, onder andere maar niet beperkt tot de stukken nrs. 10 tot 46 vermeld op de inventaris van de conclusies van de heer R., (artikel 458 S.W.) en/of van het opnemen of weergeven in andere documenten van in extenso citaten afkomstig uit deze stukken en brieven die gedekt zijn door het beroepsgeheim, en dit op straffe van verbeuring van een dwangsom van 25 000,00 EUR per stuk en per dag. In die beschikking werd, teneinde de heer R. de gelegenheid te geven zich omstandiger te kunnen verdedigen, de zaak in voortzetting gesteld en werden dwingende conclusietermijnen opgelegd.

Nadat de partijen die termijnen niet hadden nageleefd, werd bij beschikking van 1 december 2009 het boven omschreven verbod verlengd tot en met 26 januari 2010, en werden opnieuw termijnen en rechtsdag bepaald.

Vervolgens vorderde de heer V. wat de eerste rechter weergeeft als volgt:

"alvorens recht te spreken: de onmiddellijke wering uit het debat te bevelen van de stukken nrs. 10 tot 46 op de inventaris van eerste verweerder, proces-verbaal op te stellen van dit incident en deze over te maken aan de tuchtrechtelijke overheid van eerste verweerder;

Ten gronde, in hoofdorde: de inleidende dagvaarding dd. 06/11/2009 en vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; voor recht te horen zeggen dat het normdoel bereikt werd krachtens art. 867 Ger.W.; voor recht te horen zeggen dat de vordering hoogdringend is; de dagvaarding in tussenkomst dd. 23/11/2009 dat in limine litis en voor elk verweer werd betekend toelaatbaar en gegrond te verklaren (art. 812 Ger.W.); de samenvoeging van de dagvaarding op hoofdvordering en dagvaarding op tussenkomst te bevelen krachtens art. 30 Ger.W.;

de kort geding beschikking dd. 12/11/2009 en 01/12/2009 voor onbepaalde tijd te verlengen en verweerders te horen veroordelen tot het bevel van "zich onder een dwangsom van 25.000 EUR per stuk en per dag zich te onthouden van het neerleggen en openbaar maken van stukken en brieven in eender welke vorm (kopie, origineel), op eender welke drager of media die gedekt zijn door het strafrechtelijk beschermd recht op het beroepsgeheim waarvan eiser de auteur is [onder andere maar niet beperkt tot de stukken nrs. 10 tot 46 vermeld op de inventaris dd. 26/10/2009 van de conclusies van R.] (artikel 458 S.W.) en/of van het opnemen of weergeven in andere documenten zoals conclusies van in extenso citaten afkomstig uit deze stukken en brieven die gedekt zijn door het beroepsgeheim."

De heer V. vroeg verder de verweerders te veroordelen tot betaling van 1,00 EUR provisioneel wegens tergend en roekeloos verweer en tot betaling van een geldboete overeenkomstig artikel 780 bis Ger. W.

De heer R. concludeerde tot de nietigheid van de dagvaarding, de onbevoegdheid van de rechter wegens gebrek aan spoedeisendheid en rechtsmacht, ondergeschikt tot de ongegrondheid van de vordering.

Bij tegeneis vorderde hij de veroordeling van de heer V. tot betaling van 2.000,00 EUR wegens tergend en roekeloos geding.

3.2

De eerste rechter behandelde in het vonnis waartegen hoger beroep alleen de vorderingen tussen de heer V. en de heer R..

Hij verklaarde de vordering van de heer V. ontvankelijk maar ongegrond, en veroordeelde hem tot betaling van de kosten, voor wat de heer R. betreft een rechtsplegingsvergoeding van 1.200,00 EUR.

Hij verklaarde de tegenvordering van de heer R. gedeeltelijk gegrond en veroordeelde de heer V. tot betaling aan de heer R. van 500,00 EUR wegens tergende en roekeloze gedingvoering.

3.3

In hoger beroep vraagt de heer V. om alvorens recht te spreken onder meer om stukken en inventarissen van de heer R. te weren uit de debatten en de procedure te schorsen in afwachting van een correcte inventaris van stukken en volledige stukken.

Hij vraagt de vordering van de heer R. wegens tergend en roekeloos geding ongegrond te verklaren, en de rechtsplegingsvergoeding te verminderen tot 75,00 EUR.

De heer V. vordert verder de veroordeling van de heer R. tot betaling aan hem van 5.000,00 EUR wegens tergend en roekeloos verweer en procesmisbruik en tot betaling van een boete.

Hij vraagt de heer R. te veroordelen tot de kosten van het geding die hij forfaitair begroot op 250,00 EUR.

Hij concludeert tot de niet-ontvankelijkheid minstens ongegrondheid van het incidenteel hoger beroep van de heer R. en de ongegrondheid van de incidentele vordering in beroep.

De heer R. concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Bij incidenteel hoger beroep herneemt hij zijn oorspronkelijke vordering voor een vergoeding van 2.000,00 EUR wegens tergend en roekeloos geding.

Bij incidentele vordering vraagt hij de veroordeling van de heer V. tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep van 1.000,00 EUR plus de gerechtelijke intresten.

4 De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1 De grond van het hoger beroep

Het hoger beroep van de heer V. is beperkt tot de beslissing met betrekking tot de tegenvordering van de heer R. op grond van tergende en roekeloze gedingvoering en tot de rechtsplegingsvergoeding.

Ten onrechte laat de heer V. gelden dat de rechter in kort geding geen eindveroordeling wegens tergende en roekeloze gedingvoering kon uitspreken omdat hij dan de grond van de zaak raakte. Wat de eerste rechter aanmerkt als tergende en roekeloze gedingvoering, is de inhoud van de voor hem neergelegde procedurestukken. Er is geen reden om aan de kort geding rechter te ontzeggen het procesgedrag van partijen in de kort geding procedure te beoordelen en kennis te nemen van een vordering tot schadevergoeding die daarop gesteund wordt. Hij neemt daarmee geen beslissing over "de zaak zelf" in de zin van artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek, in deze de betwisting over het gebruik van briefwisseling door de heer R. bij de verdediging van de heer V.H. en mevrouw B.. Overigens verbiedt artikel 1039 de kort geding rechter niet de grond van de zaak aan te raken; wel mag zijn beslissing daaraan geen nadeel toebrengen.

De dagvaarding van de heer V. vermeldt "dat R. reeds in 1994 tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd wegens (1) schending van het beroepsgeheim, (2) laster, (3) optreden tegen ex-cliënten en (4) aanmatiging van titels (zie stuk) en dat het dus meer dan een louter risico is dat R. opnieuw zal toeslaan".

De dagvaarding vermeldt een inventaris van stukken met als nummer 2 een "kopie van de veroordeling door R. door het Europees Hof d.d. 15/05/1996".

In zijn conclusie van 17 december 2009 (p. 14) liet de heer R. gelden dat de beslissing van 15 mei 1996 niet een beslissing was van het EHRM maar van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens, en dat daarin vermeld staat dat de heer R. door de Raad van de Orde van Advocaten beticht werd van schending van het beroepsgeheim (betichting II), dat hij voor deze betichting veroordeeld werd door de Provinciale Tuchtraad op 15 juni 1992 (p. 2 van de beslissing van de ECRM), maar dat de Tuchtraad in graad van hoger beroep hem op 5 maart 1993 vrijsprak van deze betichting van schending van het beroepsgeheim (p. 3 van de beslissing van de ECRM).

De inventaris van stukken van de heer R. voor de eerste rechter vermeldt als stuk 75 "beslissing E.C.R.M. dd. 15 mei 1996".

De conclusie van de heer V. neergelegd op 28 december 2009 vermeldt:

"

Deze stukken zijn echter beschermd door het strafrechtelijk beschermd beroepsgeheim aangezien ze door concluant werden opgesteld in zijn hoedanigheid van advocaat en vallen onder het beroepsgeheim en briefgeheim als correspondentie tussen advocaat en cliënt.

Eerste verweerder is overigens niet aan zijn eerste proefstuk toe en werd reeds in het verleden door de Tuchtraad (stuk 2) veroordeeld (schorsing) wegens o.a. (I) gebrek aan respect, integriteit, waardigheid van het advocatenberoep die de eer van het beroep aantasten, (II) schending van het beroepsgeheim, (III) laster t.a.v. tegenpartijen, (IV) optreden tegen ex-cliënten".

De heer V. antwoordde niet op het verweer van de heer R. met betrekking tot zijn kennis van de vrijspraak in hoger beroep voor de schending van het beroepsgeheim.

Het stuk 2 in de inventaris bij de conclusie van de heer V. wordt beschreven als "kopie tuchtrechtelijke veroordeling R.". Het stuk maakt geen deel uit van de inventaris van de heer V. in hoger beroep.

Uit een en ander moet afgeleid worden dat de heer V. bij het opstellen van de dagvaarding kennis had van de beslissing van de ECRM die de vrijspraak in hoger beroep vermeldt voor de schending van het beroepsgeheim, en dat hij die kennis a fortiori had na ontvangst van de conclusie van de heer R..

In conclusie voor het hof ontkent de heer V. die kennis niet uitdrukkelijk; hij meent evenwel dat kopie moet worden voorgelegd van de beslissing van de tuchtraad, in het Nederlands (de beslissing van de ECRM is in het Frans gesteld) en dat de vrijspraak anders niet bewezen wordt. Dit is niet ernstig: indien de heer V. het feit van de veroordeling meende te kunnen bewijzen door verwijzing naar de beslissing van de ECRM, dan moet die beslissing ook gelden als bewijs van de vrijspraak in beroep.

De heer V. heeft dus met kennis van zaken alleen de veroordeling in eerste aanleg vermeld en de vrijspraak in hoger beroep verzwegen.

De heer V. laat gelden dat het niet foutief was te vermelden dat de heer R. op een bepaald ogenblik in het verleden werd veroordeeld wegens schending van het beroepsgeheim. Dit is niet correct. De uitspraak dat de heer R. op een bepaald ogenblik in het verleden werd veroordeeld wegens schending van het beroepsgeheim, is uiteraard waar, maar door niet te vermelden dat de heer R. vervolgens werd vrijgesproken, wekte de heer V. de indruk dat de veroordeling definitief is geworden. Hij wekte die indruk ook bewust: zowel in de dagvaarding als in de conclusie legde hij de beslissing van de ECRM voor als bewijs van de inbreuk die een nieuwe inbreuk waarschijnlijk maakte. Door een enkel waar element uit de geschiedenis te isoleren en een ander relevant element dat daartegenover staat weg te laten, ontstaat een leugen door verzwijging. Terecht heeft de eerste rechter dit aangemerkt als een bewust kwaadwillig handelen met de bedoeling om de heer R. te schaden. De beweerde schending van het beroepsgeheim door de heer R. rechtvaardigt dit niet.

Even terecht heeft de eerste rechter de door de heer R. geleden schade in billijkheid bepaald op 500,00 EUR. Het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep op dit punt zijn dus ongegrond.

Het blijkt echter niet dat de heer V. zijn hoger beroep heeft ingesteld of gehandhaafd terwijl hij wist of behoorde te weten dat het ongegrond was, of dat hij de procedure anderszins heeft gevoerd op een wijze die niet verenigbaar is met het gedrag van een normaal zorgvuldige persoon in dezelfde omstandigheden. Het hoger beroep kan dus niet beschouwd worden als tergend of roekeloos.

Het verweer van de heer R. anderzijds kan evenmin aangezien worden als onverenigbaar met het gedrag van een normaal zorgvuldige persoon in dezelfde omstandigheden. De vordering van de heer V. wegens tergend en roekeloos verweer en procesmisbruik is ongegrond.

De overige middelen van de partijen zijn zonder belang voor de beoordeling van het voorwerp van het hoger beroep.

5 De kosten

Naar geldend recht worden de kosten van verdediging die voor vergoeding in aanmerking komen beperkt tot de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1018 en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.

De heer V. vraagt voor de beide aanleggen de toepassing van het minimumbedrag, op grond van zijn beperkte financiële middelen. Hij bewijst dit door fiscale attesten met betrekking tot de inkomsten van 2009 en 2010 en door een brief van een door het bureau voor juridische bijstand aangestelde advocaat . Met toepassing van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt het minimumbedrag gelet op de waarde van de vordering (geïndexeerd) 137,50 EUR. Op het ogenblik van de uitspraak van de eerste rechter bedroeg dit 125,00 EUR.

OM DEZE REDENEN :

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk, en verklaart alleen het hoger beroep van de heer V. met betrekking tot het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding toekomend aan de heer R. gegrond; hervormt het vonnis op dat punt en bepaalt de rechtsplegingsvergoeding op 125,00 EUR;

Verklaart de incidentele vorderingen ontvankelijk maar ongegrond.

Veroordeelt de heer V. tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot

- in hoofde van hemzelf op euro 276,50 (139 rolrecht + 137,50 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerde op euro 137,50 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

30/10/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Mots libres

  • Kortgeding. Artikel 1039 Ger. W. Mogelijke maatregelen. Tergend en roekeloze procedure. Geen nadeel aan de zaak zelf