- Arrêt du 2 avril 2012

02/04/2012 - 2011-AR-1433

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Wanneer het afschrift van het betekend exploot niet ondertekend is door de gerechtsdeurwaarder, terwijl de gerechtsdeurwaarder het origineel exploot en de aangetekende brief wel ondertekende , dan moet daaruit afgeleid worden dat de betekening het doel heeft bereikt dat de wetgever beoogde, namelijk de dagvaarding aan de gedaagde partijen doen toekomen door de ambtelijke tussenkomst van een gerechtsdeurwaarder; om aan de gedaagde partijen de mogelijkheid te bieden hun verweermiddelen uiteen te zetten.


Arrêt - Texte intégral

Hof van beroep

te Gent

7de Kamer

_______________

Terechtzitting

van

02 april 2012

_________________

Auteursrechten

_________________

Dwangsom

_________________

E.E.X.- vordering

_________________

2011/AR/1433 - In de zaak van:

1. J..........J.....................,

wonende te ........................,

2. S.........R............,

wonende te ..........................,

3. S.............. M.................,

wonende te .........................,

4. S............ J............,

wonende te .................,

5. S................ P..................,

wonende te .......................,

6. S.................. T............,

wonende te .............................,

Allen in hun hoedanigheid van wettelijke erfgenaam en rechtsopvolger van de heer M................ S............, gekend onder diens artiestennaam B...........S.............., voorheen wonende te ........................., overleden op 17 mei 2010,

En

7. BOBBEJAAN RECORDS B.V.B.A.,

met maatschappelijke zetel te 2460 KASTERLEE, Olensteenweg 45, ingeschreven met KBO-nummer 0885.146.675,

appellanten,

hebbende allen als raadsman mr. DENEUTER Didier, advocaat te 1020 BRUSSEL, E. Tollenaerestraat 56-76,

tegen:

1. TELSTAR B.V.,

Vennootschap naar Nederlands recht, met maatschappelijke zetel te 6006 SK WEERT (NEDERLAND), Uilenweg 38,

2. B.V. BRILJANT CLASSICS, voorheen PINK RECORDS B.V.,

Vennootschap naar Nederlands recht, met maatschappelijke zetel te 9206 AL DRACHTEN (NEDERLAND), Het Anker 5,

geïntimeerden,

hebbende als raadsman mr. RONSE Christophe, advocaat te 1000 BRUSSEL, Havenlaan 86C B.414,

velt het hof het volgend arrest:

I Bestreden beslissing - Rechtspleging in hoger beroep

1.

Het hoger beroep is ingesteld bij verzoekschrift van 10 mei 2011 tegen het vonnis van de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Gent, die zitting nam zoals in kort geding (09/153/A), van 14 april 2010.

Het is tijdig en regelmatig naar de vorm. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd.

Ook het incidenteel hoger beroep is regelmatig naar de vorm.

2.

Het Hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen.

De procedure gebeurde op tegenspraak.

Er werd kennis genomen van de overtuigings- en procedurestukken.

II Overblijvende betwisting - Feiten - Procedure in eerste aanleg

3.

De betwisting in hoger beroep betreft de vraag of er al dan niet inbreuken op auteursrechten en naburige rechten begaan werden

4.

De feiten worden niet apart uiteen gezet. Zij komen voor zover nodig bij de bespreking hierna aan bod.

5.

De eerste rechter wees de vordering tot staking af als ongegrond.

III Grieven - Voorwerp van het hoger beroep

6.

De erfgenamen S................. tekenen hoger beroep aan met de volgende grieven:

1) ten onrechte oordeelt de eerste rechter dat de overeenkomst van 1 september 1972 tussen Bobbejaan Records (een handelsnaam van de heer M....... S...........) en de bv Telstar, niet stilzwijgend beëindigd was;

2) de eerste rechter vergist zich in feite waar hij oordeelt dat de brieven van 1 september 2008 niet kunnen gelden als een aangetekende beëindiging van de overeenkomst;

3) het vonnis faalt in feite voor zover het uitgaat van de ondertekening van de overeenkomst van 1 september 1972 door de heer M....... S......., nu getekend werd door "B............ S..........." voor de contractspartij "Bobbejaan Records". Bobbejaan Records is de producent en enig eigenaar van de opnames van de auteur en uitvoerend kunstenaar B............ S..............;

4) het vonnis is niet gemotiveerd waar het niet antwoordt op het middel dat de bv Telstar met de huidige exploitatie de overeenkomst van 1 september 1972 schendt, gesteld dat deze nog in voege zou zijn. In 1972 werd - uiteraard - niets overeen gekomen over CD's en andere digitale dragers, inclusief downloads van het internet.

7.

De bv Telstar en de bv Briljant Classics vorderen het hoger beroep onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren.

Verder stellen zij incidenteel hoger beroep in.

Zij vorderen het vonnis a quo te vernietigen en opnieuw recht te doen als volgt:

- de dagvaarding van 3 november 2008 nietig te verklaren wegens gebrek aan ondertekening van de dagvaarding door de gerechtsdeurwaarder;

- zich zonder internationale rechtsmacht te verklaren, gelet op het bevoegdheidsbeding in de overeenkomst van 1 september 1972;

- de vordering onontvankelijk te verklaren in hoofde van de bvba Bobbejaan Records wegens gebrek aan belang.

Zij vorderen tenslotte "minstens het vonnis a quo te bevestigen, in zoverre het de vordering van appellanten ongegrond verklaarde".

IV Bespreking

De exceptie van nietigheid van de dagvaarding wegens gebrek aan ondertekening door de gerechtsdeurwaarder

8.

De rechter kan een proceshandeling alleen dan nietig verklaren indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt (artikel 861 Ger. Wb.).

Een dagvaarding is een proceshandeling in de zin van artikel 861 Ger. Wb..

Op straffe van nietigheid moet het exploot van betekening door de optredende gerechtsdeurwaarder ondertekend zijn (artikel 43, eerste zin Ger. Wb.).

De regel van artikel 861 Ger. Wb. geldt niet voor een verzuim of onregelmatigheid die de ondertekening van de akte betreft (artikel 862, §1, 2° Ger. Wb.).

In dat geval wordt de nietigheid of het verval, zelfs ambtshalve, uitgesproken door de rechter (artikel 862, §2 Ger. Wb.), tenzij uit de gedingstukken blijkt dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt, of dat die niet-vermelde vorm wel in acht is genomen (artikel 867 Ger. Wb.).

Uit de stukken 5 tot 8 van het dossier van de erfgenamen S....... blijkt dat de Nederlandse gerechtsdeurwaarders aangetekend werden aangeschreven (in overeenstemming met de Europese regelgeving ter zake). Verder tonen de stukken aan dat zowel de bv Telstar als de bv Pink Records de aangetekende zending ontvingen en aftekenden.

Het exemplaar van de dagvaarding in het dossier van de rechtbank van koophandel te Brugge is ondertekend.

Er is geen verschil tussen het getekende origineel en het niet getekende afschrift.

Wanneer het afschrift van het betekend exploot niet ondertekend is door de gerechtsdeurwaarder, terwijl de gerechtsdeurwaarder het origineel exploot en de aangetekende brief wel ondertekende, dan moet daaruit afgeleid worden dat de betekening het doel heeft bereikt dat de wetgever beoogde, namelijk de dagvaarding aan de gedaagde partijen doen toekomen door de ambtelijke tussenkomst van een gerechtsdeurwaarder, om aan de gedaagde partijen de mogelijkheid te bieden hun verweermiddelen uiteen te zetten.

De bv Telstar en de bv Briljant Classics ontvingen de dagvaarding en formuleerden tijdig en omstandig hun verweer. Het normdoel is derhalve bereikt. De exceptie is terecht door de eerste rechter verworpen.

Dit onderdeel van het incidenteel hoger beroep is ongegrond.

De rechtsmacht

9.

Terecht heeft de eerste rechter geoordeeld dat hij gevat is door de termen van de dagvaarding. Een vordering tot staken wegens inbreuken op de auteursrechten en de naburige rechten van de erfgenamen S....... en de bvba Bobbejaan Records werd ingeleid. Volgens het standpunt van de erfgenamen S........ en de bvba doen de gewraakte handelingen zich voor op het Belgische grondgebied, buiten elke overeenkomst om.

De vordering is minstens impliciet ingesteld op grond van artikel 87, § 1 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, zoals achteraf gewijzigd (hierna "de Auteurswet"). De stakingsvordering beoogt in wezen een onrechtmatige daad te beteugelen, of zij gebaseerd is op de Auteurswet, dan wel op de Wet van 6 april 2010 betreffende Marktpraktijken en Consumenten (B.S. 12 april 2010), zoals achteraf gewijzigd (hierna WMPC genoemd).

De rechtsmacht met betrekking tot onrechtmatige daad, waaronder de vordering tot staken, is geregeld door artikel 5.3 EEX-Vo (V.... H......., H. en P....... S......., M., Europese IPR Verdragen, Leuven, Acco, 1997, 99).

De erfgenamen S........... beschikten over de keuze om te dagvaarden in de woonplaats (plaats van de zetel) van de bv Telstar en de bv Briljant Classics(Nederland) of voor de plaats waar zij de inbreuk vaststelden (Oostende, waar een aantal betwiste CD's aangekocht werden). Zij kozen rechtsgeldig voor dit laatste.

Of er al dan niet een (rechtsgeldige) overeenkomst bestaat, die de gewraakte handelingen zou kunnen rechtvaardigen, behoort tot de beoordeling van de grond van de zaak. Dit is dus niet aan de orde voor de beoordeling of er al dan niet rechtsmacht is. Ook het forumbeding uit de overeenkomst wordt om die reden niet in overweging genomen.

Het bestreden vonnis wordt ook met betrekking tot dit onderdeel bevestigd. Het incidenteel hoger beroep is ongegrond op dit punt.

Toepasselijk recht

10.

Artikel 4.2 van de Conventie van Bern van 9 september 1886 voor de bescherming van letterkundige en kunstwerken bepaalt:

"Het genot en de uitoefening van die rechten zijn aan geen enkele formaliteit onderworpen; dat genot en die uitoefening zijn onafhankelijk van het bestaan der bescherming in het land van herkomst van het werk. Bijgevolg worden buiten de bepalingen van deze Overeenkomst, de omvang van de bescherming, zowel als de rechtsmiddelen, de auteur gewaarborgd ter handhaving van zijn rechten, uitsluitend bepaald door de wetgeving van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen.".

Op grond hiervan is het Belgisch recht van toepassing, nu de bescherming van de auteurs- en naburige rechten in België wordt ingeroepen.

Het belang van de bvba Bobbejaan Records

11.

Naar zeggen van alle appellanten exploiteert de bvba Bobbejaan Records de auteurs- en naburige rechten van de creaties van wijlen de heer M...... S.........

In die hoedanigheid heeft de bvba belang bij de voorliggende procedure en zijn haar vordering en hoger beroep toelaatbaar.

Ook met betrekking tot dit onderdeel is het incidenteel hoger beroep ongegrond.

De inbreuk op de auteurs -en naburige rechten van de erfgenamen S.................. en de bvba Bobbejaan Records

12.

De bv Telstar en de bv Briljant Classics verdedigen zich tegen de vordering tot staking van de namaak van de werken van B........S.......... door te verwijzen naar een overeenkomst van 1 september 1972 tussen de bv Telstar en Bobbejaan Records (toen een handelsnaam van de heer M............. S.................).

De erfgenamen S..............en de bvba Bobbejaan Records wijzen er in eerste instantie op dat de overeenkomst stilzwijgend beëindigd werd.

Tussen 24 januari 1988 (stuk 3 van het dossier van geïntimeerden) en 28 december 2006 (stuk 13 van hetzelfde dossier) is geen enkel contact tussen de partijen of hun rechtsopvolgers bewezen.

De bv Telstar en de bv Briljant Classics leggen ook geen enkel stuk voor waaruit zou kunnen blijken dat de overeenkomst tussen 1987 en 2006 uitgevoerd werd.

Een overeenkomst van onbepaalde duur die gedurende 18 jaar niet uitgevoerd werd, wordt in de omstandigheden van deze zaak geacht stilzwijgend beëindigd te zijn.

- een periode van 18 jaar stil zitten van de zijde van de bv Telstar en de bv Briljant Classics (toen Pink Records) enerzijds en van Bobbejaan Records anderzijds is bijzonder lang. Dit is des te meer zo nu B...........S........... al die tijd wel actief gebleven is, ook op muzikaal vlak. Uit dit lange stilzwijgen van de partijen blijkt de wil om de overeenkomst niet verder te zetten;

- 18 jaar is in het bijzonder erg lang, gelet op de betrokken sector. In de periode van stilzitten zijn de digitale dragers op de markt gekomen. In september 1972 kon over deze nieuwe informatiedragers geen wilsovereenstemming bereikt worden en geen overeenkomst tot stand komen, nu deze op dat ogenblik nog niet bestonden. Gelet op de geëvolueerde techniek moet het stilzwijgen als een overeenstemming om de overeenkomst te beëindigen uitgelegd worden. Er kan niet van uit gegaan worden dat de overeenkomst na 18 jaar zonder meer verder gezet wordt, maar dan niet meer voor LP's en cassettebandjes, maar wel voor CD's en internet. De mogelijkheden van de nieuwe techniek verschillen te zeer van deze van de oude techniek om de exploitatie na zowat 18 jaar als een verder zetten van de vroegere afspraken te kunnen beschouwen;

- reeds tussen september 1972 en december 1987 werd de overeenkomst niet helemaal uitgevoerd zoals overeengekomen, zonder dat de partijen daar enig bezwaar tegen uitspraken. De bedongen exclusiviteit werd zonder protest vanwege de bv Telstar of haar eventuele rechtsopvolgers niet nageleefd door B.......... S.............. en Bobbejaan Records. Zo tonen de stukken 22 aan dat de bv Telstar niet over het exclusieve exploitatierecht beschikte, niettegenstaande de bewoordingen van artikel 1 van de overeenkomst van 1 september 1972 (samenwerking met EMI en Philips).Het feit dat er geen uitdrukkelijke opzegging gebeurde op de overeengekomen manier weerlegt derhalve niet dat de partijen stilzwijgend konden afspreken en afspraken dat het contract ten einde was.

Ten onrechte verwijzen de bv Telstar en de bv Pink Records naar de overdrachten van de catalogus. Geen van beide partijen brengt de overeenkomsten van overdracht bij. Bovenal laat geen enkel stuk toe te besluiten dat de vennootschappen die zouden houder geweest zijn van de vermogensrechten deze ook daadwerkelijk geëxploiteerd hebben. De overdracht van de catalogus en de problemen die ermee gepaard gingen zijn daarom zonder weerslag op de voorliggende betwisting.

Er is een ander element. In de mate de bv Telstar en de bv Pink Records de vermogensrechten op het werk van B............. S............. overgedragen hebben, kunnen zij zich na de beweerde overdracht van 1990 niet op de overgedragen rechten beroepen om het kopiëren en uitgeven van dit werk te verantwoorden.

De overige middelen met betrekking tot de beëindiging van de overeenkomst worden niet verder beantwoord, gelet op het voorgaande.

13.

Voor zover nog nodig wijst het hof op het volgende.

Er wordt maar een beperkte en fragmentaire uitvoering van de overeenkomst van 1 september 1972 aangetoond. De handelswijze van de bv Telstar en de bv Briljant Classics vanaf 2006 wijst op een verder gaande praktijk dan er ooit geweest is, waarvan niet is aangetoond dat die kadert binnen wat afgesproken werd.

De partijen hebben gedurende enkele jaren een wilsovereenstemming gehad die betrekking had op het uitgeven en verspreiden van het werk van B............ S..............op LP en cassettebanden. Zeker gelet op het stilzitten van alle partijen tussen 1988 en 2006 kan er niet van uit gegaan worden dat er wilsovereenstemming was met betrekking tot het uitgeven op CD's en andere digitale dragers.

Ook om deze redenen zijn de uitgaven van na 2006 wederrechtelijk.

14.

De overeenkomst van 1 september 1972, gesteld dat die nog in voege zou zijn, wat niet het geval is, biedt hoe dan ook geen rechtsgrond voor het producentschap dat de bv Pink Records opeist.

Bij gebrek aan toestemming en dus aan een rechtsgrond voor het produceren van geluidsdragers met het werk van B.............S............. is dit produceren wederrechtelijk.

15.

Er is geen discussie met betrekking tot het feit dat wijlen de heer M...........S................. de betrokken liederen geschreven heeft en dus de auteur is in de zin van de Auteurswet.

Er is evenmin betwisting dat de morele rechten op zijn erfgenamen zijn overgegaan.

Naar zeggen van de erfgenamen S............ en van de bvba Bobbejaan Records werden de vermogensrechten van wijlen M............S..........., die onder meer onder de handelsbenaming Bobbejaan Records werkte, in de bvba Bobbejaan Records ingebracht bij haar oprichting (dit blijkt indirect uit de stukken 17 en 26). Zij is dus eveneens een auteursrechthebbende partij.

Bovendien is de bvba Bobbejaan Records de producent van de werken van B............... S............(zie bvb. stuk 31 van het dossier van appellanten). Zij beschikt aldus ook over de naburige rechten in de zin van de Auteurswet.

Nu de bv Telstar en de bv Briljant Classics geen toestemming en dus geen rechtsgrond hebben om de auteursrechten van de erfgenamen S............en de auteursrechten en de naburige rechten van de bvba Bobbejaan Records uit te oefenen, begaan zij een inbreuk op deze rechten.

16.

De vaststelling van een eventuele inbreuk op de vaderschapsrechten van de erfgenamen S............ en de bvba Bobbejaan Records kan niet tot een ruimer stakingsbevel leiden, zodat het hof er niet verder op ingaat.

De gevorderde maatregelen

17.

De staking van de inbreuken wordt bevolen, zoals hierna bepaald.

18.

De publicatie van de vaststelling van de inbreuk en van het bevel tot staking wordt bevolen, zoals hierna bepaald, nu een publicatie in de muzieksector, mede gelet op de huidige technologie, bijdraagt tot het rechtsherstel.

Kosten

19.

Op grond van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger. Wb. worden geïntimeerden hoofdelijk tot betaling van de kosten veroordeeld.

De basisvergoeding voor de hoofdvordering bedraagt euro 1.200,00 voor eerste aanleg en euro 1.320,00 voor het hoger beroep. Eén rechtsplegingsvergoeding komt aan alle appellanten gezamenlijk toe.

De rechtsplegingsvergoeding voor het incidenteel hoger beroep wordt niet apart bepaald. Uit het geheel van de artikelen 1017, eerste en vierde lid, 1018, eerste lid, 6° en 1022, eerste lid Ger.W. en de artikelen 1, tweede lid en 2, tweede lid van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007, volgt dat de in het gelijk gestelde partij slechts recht heeft op één rechtsplegingsvergoeding per aanleg, die berekend wordt op basis van het bedrag van de hoofdvordering (Cass., 10 januari 2011, www.cass.be).

OP DIE GRONDEN,

Het Hof:

- verklaart het hoger principaal en incidenteel beroep toelaatbaar, maar enkel het principaal hoger beroep gegrond in de hierna volgende mate;

- hervormt het bestreden vonnis, behalve in zoverre de vordering toelaatbaar verklaard werd;

- stelt de inbreuk vast door de beide geïntimeerden op de auteursrechten en de naburige rechten van alle appellanten door zonder titel of toestemming de creaties en opnamen van appellanten te (re)produceren, aan het publiek mee te delen, te importeren, te promoten en / of op een andere manier te gebruiken;

- beveelt de onmiddellijke staking aan beide geïntimeerden hoofdelijk van elke aanmaak, reproductie, verkoop, het te koop aanbieden onder gelijk welke vorm of enige andere exploitatie van inbreuk makend werk, onder verbeurte van een dwangsom van euro 1.000,00 per exemplaar van inbreuk makend werk dat vanaf één maand na de betekening van huidig arrest nog wordt aangemaakt, gereproduceerd, te koop aangeboden, verkocht of op enige andere wijze geëxploiteerd, met een maximum van euro 100.000,00;

- beveelt aan beide geïntimeerden hoofdelijk alle exemplaren van inbreuk makend werk en alle promotiemateriaal waarin het inbreuk makend werk voorkomt in alle handelszaken in België die van één van beide of beide geïntimeerden afnemers zijn, terug te nemen, binnen twee maand na de betekening van huidig arrest, op straffe van een dwangsom van euro 1.000,00 per exemplaar van het inbreuk makend werk of promotiemateriaal, met een maximum van euro 100.000,00;

- beveelt aan beide geïntimeerden hoofdelijk een bewijs van de terugname aan de appellanten over te maken binnen twee maand na de betekening van huidig arrest, op straffe van een dwangsom van euro 1.000,00 per dag vertraging voor wat de mededeling betreft van het teruggenomen materiaal, met een maximum van euro 100.000,00;

- beveelt de publicatie van het dispositief van dit arrest in een eenvoudige boodschap in twee weekbladen naar keuze van appellanten, op kosten van geïntimeerden, met dien verstande dat deze kosten hoofdelijk terugvorderbaar zijn van geïntimeerden op eenvoudige voorlegging van de factuur die voor de publicatie aan appellanten overgemaakt zal worden;

- verwerpt alle overige vorderingen van alle partijen;

- veroordeelt geïntimeerden hoofdelijk tot betaling van de kosten aan de appellanten hoofdelijk, bepaald als volgt:

appellanten:

eerste aanleg:

dagvaarding: niet opgegeven

rechtsplegingvergoeding: euro 1.200,00

hoger beroep:

rolrecht: euro 186,00

rechtsplegingvergoeding: euro 1.320,00

Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit:

Frank Deschoolmeester, raadsheer, waarnemend kamervoorzitter,

Geneviève Vanderstichele, raadsheer,

Geert De la Ruelle, raadsheer,

bijgestaan door Kristoffel Goossens, griffier en uitgesproken door de kamervoorzitter in openbare terechtzitting op maandag twee april tweeduizend en twaalf.

Mots libres

  • Betekening

  • art. 861 GW

  • nietigheid

  • ondertekening dagvaardingsexploot