- Arrêt du 17 avril 2013

17/04/2013 - 2011AR1224

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Artikel 1384,1e BW - art 86 WLVO

De brand vernietigde de materiële structuur van het gebouw, althans gedeeltelijk. De brand vernietigde bovendien een wezenlijke eigenschap van dat gebouw, dat het gebouw tot een woning maakte, namelijk de bewoonbaarheid. Het laat geen twijfel dat het gebouw (woning) op het ogenblik van de uitslaande brand niet meer voldeed aan deze wezenlijke eigenschap. Het was op dat ogenblik immers niet meer bewoonbaar.

Dit abnormaal kenmerk, te weten de uitslaande brand, was van aard om schade te kunnen veroorzaken aan derden.

Het hof besluit tot de buitencontractuele aansprakelijkheid op grond van art. 1384, 1ste lid BW, meer bepaald als bewaarders van de gebrekkige zaak die de schade veroorzaakte.

De benadeelden maken met toepassing van art. 86 Wet op de landverzekeringsovereenkomst terecht aanspraak op de verzekeringsprestatie van de verzekeraar.

Artikel 1383 BW

Het verzuim om, na de brand, de nodige maatregelen te nemen om de afvoer van regenwater vanaf het dak van hun woning naar het aanpalende erf en meer bepaald naar de muur van het gebouw te doen ophouden en voor de toekomst te voorkomen, geldt als een fout in de zin van art. 1383 B W. Een normaal voorzichtig en bedachtzaam persoon, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden, zou immers terstond het nodige doen om deze schadeverwekking te doen ophouden. Zij hebben de schadeverwekkende oorzaak niet afdoende weggenomen, hoewel zij dit hadden gekund. De verzekeraar laat dan ook terecht het verval van de dekking gelden voor wat de bijkomende schade (het tweede schadegeval) betreft.

Verval

Het verzuim om de schadeverwekkende oorzaak, voortkomend uit het eerste schadegeval, weg te nemen, betreft een feit dat het tweede schadegeval vooraf is gegaan. Het verweer dat zij wegens het uitblijven van de vergoedingen van hun verzekeraar onvoldoende financiële middelen hadden om tot deze herstelling over te gaan, wordt niet aangenomen door het hof. De houding van de verzekeraar geldt te dezen niet als een vreemde oorzaak die hen verhinderde de nodige maatregelen te nemen, die, al waren ze beperkt en voorlopig, toch voldoende zouden geweest zijn om de schadeverwekking te doen ophouden.

De verzekeraar vermag het verval met toepassing van art. 87, § 2 Wet op de landverzekeringsovereenkomst tegenwerpen aan de benadeelden.

Omvang schade

De benadeelde meent nog aanspraak te kunnen maken op nog bijkomende schadevergoedingen:

- verplaatsingskosten: euro 1 298,00

- verbruik gas en elektriciteit: euro 1 185,62

- administratiekosten: euro 250,00

- morele schade: euro 1 000,00.

Hij aanvaardt evenwel de beoordeling van de eerste rechter die deze schadeposten gezamenlijk naar redelijkheid en billijkheid begrootte op euro 2 000,00. De aansprakelijken besluiten tot de volledige afwijzing van het gevorderde.

Benadeelde bewijst evenwel dat deze schadeposten werkelijk geleden schade betreffen, die hij grotendeels niet zou geleden hebben zonder het schadegeval. De aard van de diverse posten laat niet toe hetzij de omvang van de schade, zoals morele schade, hetzij het nochtans zeker bestaand oorzakelijk verband, zoals bij de verplaatsingskosten, exact cijfermatig aan te tonen. In het bestreden vonnis werd dan ook terecht besloten tot een schaderaming naar redelijkheid en billijkheid. Het hof beoordeelt de raming van euro 2 000,00 als de juiste compensatie.


Arrêt - Texte intégral

2011/AR/1224 - hof van beroep Antwerpen -2e kamer

AG INSURANCE NV, voorheen FORTIS INSURANCE BELGIUM, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Emile Jacqmainlaan 53, KBO-nummer 0404.494.849

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. VAN KELST J. loco Mr. VAN KERCKHOVEN Jan, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Tolstraat 24

en vertegenwoordigd door Mr. WEYNS B. loco Mr. DEPREZ Gus, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Lange Leemstraat 59

tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 13 december 2010

tegen

1. V. J.,

geïntimeerde, ter zitting van 20.11.2012 in persoon aanwezig

bijgestaan door Mr. SEGERS K. loco Mr. SEGERS Paul, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 12 bus 16

2. DEXIA VERZEKERING BELGIË NV, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Livingstonelaan 6, KBO-nummer 0405.764.064

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. SEGERS K. loco Mr. SEGERS Paul, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 12 bus 16

3. V.L. B.,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. LEENAARDS R. loco Mr. DERWAEL Peter, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Quinten Matsijslei 34

4. K. I.,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. LEENAARDS R. loco Mr. DERWAEL Peter, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Quinten Matsijslei 34

***

1. De feiten

1.1. Op 1 januari 2006 werd de woning te K; toebehorende aan B. V.L. en I. K., door een brand geteisterd.

De aanpalende woning te K;, eigendom van J. V. liep eveneens schade op. Naar verluidt werden keuken, badkamer en de scheidsmuur ter hoogte van de achterbouw rechtstreeks door de brand getroffen en leed de gehele woning rook- en roetschade.

B. V.L. en I. K. hadden een verzekeringsovereenkomst "Top Woning" gesloten met de nv Fortis AG, rechtsvoorganger van AG Insurance (polisnr. 48356463).

1.2. Volgens J. V. lieten B. V.L. en I. K. na onmiddellijk na de brand de nodige herstellingen te doen aan de regenwaterafvoer van het geteisterde gebouw en voorkwamen zij aldus niet dat het regenwater langs de gemene muur in zijn woning binnendrong en daar schade aanrichtte aan de bezetting, het behang en het schilderwerk in de woonkamer en de slaapkamer.

J. V. hield voor dat de schade aan zijn woning nog uitbreiding nam in de loop van 2006.

1.3. J. V. ging dan over tot de dagvaarding in kort geding van B. V.L., I. K. en hun verzekeraar de NV Fortis AG. Hij vorderde een deskundigenonderzoek.

De voorzitter van eerste aanleg te Antwerpen, zitting houdend in kort geding, heeft in een beschikking van 18 mei 2006 Jos Verbraeken als gerechtsdeskundige aangesteld.

1.4. Gerechtsdeskundige Verbraeken heeft zijn opdracht uitgevoerd en kwam tot de volgende besluiten.

Hij heeft de kostprijs van de herstellingswerken tot bewaring van de te redden gedeelten van de woning van J. V. geraamd op euro 3 096,36, de schade ingevolge de brand en/of bluswater op euro 13 407,60 + euro 880,03 (voor coördinatie en veiligheid) en de bijkomende schade door niet tijdig, vakkundig herstel van de verbrande dakgoot van het pand nr. 93 op euro 9 516,44 + euro 662,11 (voor coördinatie en veiligheid) + euro 1 345,98 (voor luchtontvochtiger) + euro 339,20 (voor werken ter voorkoming van uitbreiding van de schade).

De gerechtsdeskundige adviseerde een mindergenot van euro 8 125,00 + euro 3 125,00 en een aftrek op de vergoedI.n voor vetustiteit van euro 2 011,14 en euro 1 427,47.

Gerechtsdeskundige Verbraeken stelde tevens dat de woning van V. op het ogenblik van zijn installatievergadering op 13 juni 2006 gemeubeld en in principe bewoonbaar was, maar dat V. stelde er niet te kunnen wonen omwille van gezondheidsproblemen en omwille van de grote luchtvochtigheid en de huiszwam in de woning. De deskundige verwees naar een medisch attest, facturen van hotel-, verhuis- en verzekeringskosten en een huurcontract van een appartement maar stelde: "... gezien het juridisch karakter van de zaak niet bevoegd te zijn hierover uitspraak te formuleren".

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. In de dagvaarding van 30 september 2009 die J. V. en de NV Dexia Verzekeringen België uitbrachten tegen B. V.L., I. K. en de NV AG Insurance om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, vorderden zij de veroordeling van de gedaagden, solidair, in solidum, minstens van de ene bij gebreke van de andere tot de betaling aan J. V. van de som van euro 19 666,89, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 1 januari 2006 en met de gerechtelijke intresten, en tot de betaling aan de NV Dexia Verzekeringen België van de som van euro 37 220,92, te vermeerderen met de intresten vanaf de data van de betalingen en met de gerechtelijke intresten alsook tot de proceskosten.

Zij lieten hun eis steunen op art. 1382 e.v. van het Burgerlijk Wetboek en art. 544 van het Burgerlijk Wetboek.

2.2. Zowel B. V.L., I. K. als AG Insurance hebben geconcludeerd tot de afwijzing van de eisen van V. en Dexia.

B. V.L. en I. K. hebben een tusseneis in vrijwaring ingesteld tegen hun verzekeraar AG Insurance.

Ondergeschikt heeft AG Insurance gevraagd de tusseneis in vrijwaring te beperken tot euro 22 751,83 (hoofdsom).

2.3. Het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 13 december 2010 heeft de oorspronkelijke hoofdeisen gedeeltelijk gegrond verklaard door:

- B. V.L., I. K. en de NV AG Insurance in solidum te veroordelen tot de betaling aan J. V. van de som van euro 17 353,27, vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf 10 december 2007,

- B. V.L., I. K. en de NV AG Insurance in solidum te veroordelen tot betaling aan de NV Dexia Verzekeringen België van de som van euro 37 220,92, vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf 10 december 2007.

De eerste rechter verklaarde de tussenvordering in vrijwaring van B. V.L. en I. K. tegen de NV AG Insurance ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, met name ten belope van de sommen waartoe ze zelf op hoofdeis werden aangesproken.

B. V.L., I. K. en de NV AG Insurance werden in solidum veroordeeld tot de betaling van de proceskosten aan de zijde van J. V. en van de NV Dexia Verzekeringen België.

De eerste rechter oordeelde dat B. V.L. en I. K. aansprakelijk waren voor de schade van J. V. op grond van art. 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek, meer bepaald als bewaarders van een gebrekkige zaak. Volgens de eerste rechter werd het bewijs geleverd dat B. V.L. en I. K. op het ogenblik van de brand de feitelijke en juridische bewaarders waren van hun woning en dat die woning een gebrek vertoonde in de zin van art. 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek dat schade veroorzaakte aan het gebouw van J. V..

De eerste rechter oordeelde dat de NV AG Insurance rechtstreeks door J. V. en de in zijn rechten gesubrogeerde verzekeraar Dexia met toepassing van art. 86 van de Wet op de landverzekeringsovereenkomst kon worden aangesproken tot vergoeding.

Het verweer van verzekeraar AG Insurance met betrekking tot de uitsluiting of het verval van dekking wegens het opzettelijk karakter van de vochtschade, werd afgewezen.

De eerste rechter trad het advies van de deskundige bij wat de raming betreft van de omvang van de schade van J. V..

De eerste rechter nam tevens aan dat J. V. noodzakelijkerwijze kosten heeft moeten maken voor hotel, verhuis, verzekering en de huur van een appartement.

De eerste rechter gaf voor de schade met betrekking tot gas- en elektriciteitsverbruik in de beschadigde en tijdelijk onbewoonde woning, verplaatsingsonkosten tussen Schoten (appartement) en Kapellen (woning) en de aankoop van CD-roms een vergoeding naar redelijkheid en billijkheid ten belope van euro 2 000,00.

Het meergevorderde werd door de eerste rechter afgewezen.

2.4. De NV AG Insurance, hierna in 't kort AG genoemd, stelde een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 20 april 2011.

De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 20 november 2012, 19 december 2012 en 06 februari 2013.

3. De standpunten in hoger beroep

3.1. AG vordert dat de oorspronkelijke eisen van J. V. en van de NV Dexia Verzekeringen België bij hervorming van het bestreden vonnis ongegrond zouden worden verklaard.

AG vordert dat zou worden gezegd voor recht dat de aansprakelijkheid van haar verzekerden B. V.L. en I. K. op grond van art. 1382 en 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek alsook hun gehoudenheid op grond van art. 544 van het Burgerlijk Wetboek niet onder de verzekeringsdekking valt en dat de verzekeringsovereenkomst in kwestie evenmin dekking voorziet voor schade ten gevolge van waterinsijpeling langs de dakgoot.

Ondergeschikt vordert AG dat het hof zou oordelen dat er verval van recht op dekking minstens een uitsluiting van dekking geldt.

AG besluit verder dat de tusseneis in vrijwaring van B. V.L. en I. K. alleszins ongegrond zou worden verklaard.

In de meest ondergeschikte orde vordert AG dat haar tussenkomst in vrijwaring zou worden beperkt tot de rechtstreekse gevolgen van de brand te weten tot een som van euro 22 751,83.

AG verzoekt J. V. te veroordelen tot de proceskosten aan haar zijde wat zijn eis betreft.

AG verzoekt de NV Dexia Verzekeringen België te veroordelen tot de proceskosten aan haar zijde wat haar eis betreft.

AG verzoekt B. V.L. en I. K. te veroordelen tot de proceskosten aan haar zijde wat hun eisen betreft.

3.2. J. V. en de NV Dexia Verzekeringen België, hierna in 't kort Dexia, concluderen tot de afwijzing van het hoger beroep van AG als ongegrond. Zij verzoeken het bestreden vonnis integraal te bevestigen.

Zij vragen AG, B. V.L. en I. K. te veroordelen tot de proceskosten.

3.3. B. V.L. en I. K. concluderen tot de afwijzing van het hoger beroep van AG. Zij hebben incidenteel beroep ingesteld. Zij verzoeken de oorspronkelijke eisen van J. V. en van Dexia ongegrond te verklaren.

Zij vorderen dat de oorspronkelijke eisen van J. V. en van Dexia (hoogstens) slechts gedeeltelijk gegrond zouden worden verklaard en dat zij samen met hun verzekeraar AG slechts zouden veroordeeld worden tot de betaling van een som van euro 19 272,85, om AG vervolgens te veroordelen hen te vrijwaren voor alle ten laste gelegde vergoedI.n inclusief intresten en gerechtskosten.

Zij vragen AG te veroordelen tot de proceskosten.

3.4. J. V. en Dexia verzoeken het incidenteel beroep van B. V.L. en van I. K. ongegrond te verklaren.

4. Beoordeling

De brand van 1 januari 2006 en de daaruit voortgekomen schade aan de woning van J. V..

4.1. De woning van J. V. werd op 1 januari 2006 beschadigd door een brand die oversloeg van het aanpalend gebouw, eigendom van B. V.L. en I. K..

J. V. en zijn brandverzekeraar Dexia, als gesubrogeerde in de rechten van haar verzekerde die ze (gedeeltelijk) heeft vergoed, vorderen schadeloosstelling ten laste van B. V.L. en I. K. op grond van hun buitencontractuele aansprakelijkheid (art. 1384, 1ste lid en art. 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek). Zij vorderen ten laste van B. V.L. en I. K. minstens het herstel van het bovenmatig verstoorde evenwicht in het nabuurschap (art. 544 van het Burgerlijk Wetboek). Zij richten zich met toepassing van art. 86 Wet op de landverzekeringsovereenkomst tegen AG Insurance als verzekeraar van B. V.L. en I. K..

4.2. Het bestreden vonnis heeft de eisen van J. V. en Dexia gedeeltelijk gegrond verklaard.

B. V.L. en I. K. werden aansprakelijk verklaard voor de brandschade als bewaarders van een gebrekkige zaak (art. 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek). AG werd tot vergoeding veroordeeld als verzekeraar van de burgerlijke aansprakelijkheid van het gebouw, waar de brand ontstond.

4.3. AG betwist deze beoordeling. Er bestaat weliswaar geen betwisting over dat B. V.L. en I. K. de bewaarders waren van het gebouw te K., waar de brand ontstond die oversloeg naar het aanpalend gebouw te K., eigendom van J. V.. AG voert echter aan dat door J. V. en Dexia geen afdoend bewijs geleverd wordt van hun bewering dat de schade aan de woning van eerstgenoemde werd veroorzaakt door een gebrek van de zaak (woning) die haar verzekerden (B. V.L. en I. K.) onder hun bewaring hadden.

AG laat meer in het bijzonder gelden dat J. V. en Dexia geen bewijs leveren van het gebrek van de woning van haar verzekerden en van het oorzakelijk verband tussen dit gebrek en de schade, waarvan de vergoeding gevorderd wordt.

4.4. J. V. en Dexia betwisten niet dat zij de bewijslast dragen van het beweerde gebrek, van hun schade en van het oorzakelijk verband tussen dat gebrek en die schade.

J. V. en Dexia poneren: "dat de brand in de woning het bewijs levert van een gebrek in de zin van art. 1384, lid 1 B.W. ..." en nog: "dat de woning immers op 1 januari 2006 ingevolge de brand duidelijk een gebrek vertoonde ...", en verder: "dat op het ogenblik van de brand het vuur een gesteldheid van het pand is geworden,...." (syntheseconclusie van J. V. en Dexia van 23/12/2011).

Aldus drukken zij uit dat de brand zelf het gebrek van het gebouw was, zoals ook door de eerste rechter aangenomen, minstens dat de brand het bewijs levert dat het gebouw gebrekkig was.

AG betwist zowel het ene als het andere.

4.5. Een zaak is gebrekkig in de zin van art. 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek wanneer die zaak een abnormaal kenmerk of een abnormale gesteldheid vertoont die in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken.

Het gebouw (woning)werd door de politie op 01/01/2006 om 17u 26 aangetroffen in volgende gesteldheid: "... en stellen vast dat het hier een half open bebouwing betreft. Links naast de woning is een zij-ingang die echter is afgesloten door een slotvaste deur. Vanaf de zijkant van de woning stellen we reeds vast dat de brand achteraan de woning is. Het betreft een uitslaande brand met hevige rookontwikkeling...." (aanvankelijk proces-verbaal nr. AN.47.L4.000003/2006). De brandweer van de gemeente K. kwam ter plaatse en vond: "Brand in achterbouw van woning..." (brandverslag van 01/01/2006).

De vaststelling van de politie strekt tot bewijs. De vaststelling van de brandweer is overeenstemmend. Deze vaststellingen tonen aan dat het gebouw (woning) of alleszins de achterbouw daarvan in brand stond toen de hulpdiensten ter plaatse kwamen. Op het ogenblik van het schadegeval, d.i. te dezen de beschadiging van de woning van J. V., vertoonde het naburige gebouw van B. V.L. en I. K. een abnormaal kenmerk, zijnde de uitslaande brand in de achterbouw. Bij vergelijking met een zaak (gebouw-woning) van dezelfde soort en hetzelfde type op het ogenblik van de feiten in kwestie, komt het hof tot het besluit dat zo'n typezaak niet het kenmerk van een uitslaande brand heeft. In die voormelde gesteldheid beantwoordde het gebouw (woning) in kwestie niet meer aan zijn normale onschadelijke structuur.

Deze brand tastte bovendien de structuur zelf van het gebouw aan. De brand vernietigde de materiële structuur van het gebouw, althans gedeeltelijk. De brand vernietigde bovendien een wezenlijke eigenschap van dat gebouw, dat het gebouw tot een woning maakte, namelijk de bewoonbaarheid. Het laat geen twijfel dat het gebouw (woning) op het ogenblik van de uitslaande brand niet meer voldeed aan deze wezenlijke eigenschap. Het was op dat ogenblik immers niet meer bewoonbaar.

Dit abnormaal kenmerk, te weten de uitslaande brand, was van aard om schade te kunnen veroorzaken aan derden.

Zonder dit gebrek van de zaak zou J. V. de schade niet geleden hebben zoals hij die thans in concreto geleden heeft.

Het hof besluit tot de buitencontractuele aansprakelijkheid van B. V.L. en I. K. op grond van art. 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek, meer bepaald als bewaarders van de gebrekkige zaak die de schade veroorzaakte van J. V..

4.6. De bewaarder van de gebrekkige zaak bevrijdt zich slechts van zijn aansprakelijkheid door het bewijs dat de schade werd veroorzaakt door een vreemde oorzaak. Het bewijs dat het gebrek van de zaak te wijten is aan een vreemde oorzaak bevrijdt hem niet.

AG voert aan dat op basis van het verslag van branddeskundige ir. Ph. Bastijns moet worden besloten tot een criminele oorsprong van de brand, meer bepaald kwaadwillig opzet van een ongekend gebleven derde.

Branddeskundige ir. Ph. Bastijns besloot: "... Het schijnbaar ontbreken van accidentele ontstekingsbronnen in de zone van de brandhaard, het uitbreken van de brand kort nadat de bewoner het pand verlaten heeft en de snelle ontwikkeling van de brand - ...- zijn elementen die wijzen in de richting van kwaadwillig opzet" (verslag Bastijns, p.9).

AG doelt dus op de oorzaak van brand in de woning van haar verzekerde, m.a.w. op het gebrek van de zaak.

Het gerechtelijk onderzoek m.b.t. deze brand werd overigens door ontheffing van de onderzoeksrechter van zijn opdracht beëindigd bij beschikking van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 02/05/2007 zodat ook de materialiteit van de beweerde vreemde oorzaak niet werd aangetoond.

AG, B. V.L. en I. K. slagen niet in de weerlegging van het vermoeden van aansprakelijkheid (art. 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek) door het bewijs van een vreemde oorzaak voor de schade in kwestie, meer bepaald de beweerde fout van een derde.

4.7. J. V. en Dexia laten hun eisen tegen AG, B. V.L. en I. K. ook steunen op art. 544 van het Burgerlijk Wetboek.

Vermits de eventuele plicht tot evenwichtsherstel wegens buitenmatig verstoord evenwicht in het nabuurschap tot geen ruimere vergoedingsverplichting kan leiden dan de toewijzing van de eis tot schadeloosstelling op grond van art. 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek, vraagt deze rechtsgrond geen verder onderzoek en beoordeling.

4.8. J. V. en Dexia hebben art. 86 Wet op de landverzekeringsovereenkomst aan de grondslag van hun eisen tegen AG gelegd. Zij verwijzen naar de verzekeringsovereenkomst tussen AG en B. V.L. en I. K., zijnde de polis nr. 48356463 met daarin begrepen de afdeling "Top woning gebouw" met de waarborgen ‘brand' (art. 8 algemene polisvoorwaarden), ‘burgerrechtelijke aansprakelijkheid gebouw' (art. 24 algemene polisvoorwaarden) en ‘het verhaal van derden' (art. 29 algemene polisvoorwaarden).

De waarborg ‘het verhaal van derden' wordt (o.m.) als volgt omschreven: "We verzekeren de aansprakelijkheid die U ten laste kan vallen krachtens artikelen 1382 tot 1386bis van het Burgerlijk Wetboek voor de materiële schade veroorzaakt door een gewaarborgd schadegeval dat overslaat naar goederen die eigendom zijn van derden, ..." (art.29).

AG heeft niet betwist dat deze waarborg werd onderschreven door haar verzekeringnemer B. V.L..

J. V. en Dexia maken met toepassing van art. 86 Wet op de landverzekeringsovereenkomst terecht aanspraak op de verzekeringsprestatie van AG.

B. V.L. en I. K. hebben bij tusseneis terecht gevorderd dat hun verzekeraar hen zou vrijwaren m.b.t. de eisen die J. V. en Dexia tegen hen indienden tot vergoeding van de brandschade aan de woning van J. V..

De uitbreiding van de schade na de brand van 1 januari 2006.

4.9. J. V. en Dexia houden voor dat er na de brand van 01/01/2006 nieuwe, bijkomende schade aan de woning van eerstgenoemde is ontstaan in de loop van 2006 ingevolge het verzuim van B. V.L. en I. K. om aan hun gebouw de nodige werken uit te voeren tot voorkoming van die schade.

J. V. en Dexia dragen de bewijslast van hun beweringen. Zij verwijzen naar de vaststellingen van gerechtsdeskundige J. Verbraeken.

Gerechtsdeskundige J. Verbraeken schreef het volgende m.b.t. de toestand waarin hij het gebouw van J. V. aantrof bij zijn eerste plaatsbezoek: "Bij de installatievergadering, dewelke plaatsvond d.d. 13-06-2006, ongeveer 6 maanden na de brand, was een lekkende dakgoot in pand nr. .., eigendom van eerste en tweede verwerende partij nog steeds niet hersteld. Door gebrek aan voorlopige herstelling na de brand is er in pand nr. .. van eisende partij bijkomende schade ontstaan. De schade is ontstaan door voortdurende waterbelasting op de achtergevel ter plaatse van de scheidingsmuur van het hoofdhuis tussen beide panden. De schade doet zich voor in de hoek van de achtergevel zowel op gelijkvloers als op eerste verdieping. In de maand augustus 2006 is er gezien de hevige regenval en wegens een nog steeds geen afdoende herstelling extra bijkomende schade ontstaan aan pand nr. 95" (deskundigenverslag, p. 41 en 54).

Volgens de syntheseconclusie van B. V.L. en I. K. van 27/04/2012 wordt het louter bestaan van deze bijkomende schade niet betwist. Zij houden voor dat deze schade te wijten was aan de halsstarrige houding van hun verzekeraar AG om de verzekeringswaarborg te verstrekken. Zij hebben hun verzekeraar AG in vrijwaring geroepen. Zij betwisten tevens de omvang van de beweerde schade.

AG betwist haar gehoudenheid tot de vergoeding van deze bijkomende schade.

4.10. Aan de hand van de vaststellingen van gerechtsdeskundige J. Verbraeken (deskundigenverslag, p. 5, 8 en 19) leveren J. V. en Dexia het bewijs van de bijkomende schade die de woning van eerstgenoemde opliep door waterinsijpelingen afkomstig van het aanpalende gebouw van B. V.L. en I. K., meer in het bijzonder door hun verzuim de door de brand beschadigde dakgoot met bekleding aan de achtergevel van het hoofdhuis adequaat te herstellen.

Volgens de brief van gerechtsdeskundige J. Verbraeken van 11/08/2006 aan de raadslieden van partijen verzocht hij B. V.L. en I. K. tijdens de bijeenkomst van 14/06/2006 de beschadigde dakgoot aan de achtergevel van hun woning zodanig te herstellen dat het water gekanaliseerd kon worden afgeleid op het eigen perceel en verdere schade in de woning van J. V. kon worden vermeden (deskundigenverslag, p. 10).

Tijdens zijn plaatsbezoek van 18/09/2006 stelde gerechtsdeskundige J. Verbraeken vast dat de woning van J. V. "zeer vochtig" was (deskundigenverslag, p. 19). Hij besloot tot bijkomende schade veroorzaakt door de niet-herstelde dakgoot van het gebouw van B. V.L. en I. K..

Het verzuim van B. V.L. en I. K. om, na de brand, de nodige maatregelen te nemen om de afvoer van regenwater vanaf het dak van hun woning naar het aanpalende erf en meer bepaald naar de muur van het gebouw van J. V. te doen ophouden en voor de toekomst te voorkomen, geldt als een fout in de zin van art. 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Een normaal voorzichtig en bedachtzaam persoon, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden, zou immers terstond het nodige doen om deze schadeverwekking te doen ophouden. Dit is des te meer het geval omdat betrokkenen reeds bij het eerste plaatsbezoek van de gerechtsdeskundige op 13/06/2006 gewezen werden op de noodzaak van de herstelling van de dakgoot. Zij zijn echter niet verder gekomen dan een ondoelmatige ingreep.

Het verweer van B. V.L. en I. K. dat zij wegens het uitblijven van de vergoedingen van hun verzekeraar onvoldoende financiële middelen hadden om tot deze herstelling over te gaan, wordt niet aangenomen door het hof. De houding van de verzekeraar geldt te dezen niet als een vreemde oorzaak die hen verhinderde de nodige maatregelen te nemen, die, al waren ze beperkt en voorlopig, toch voldoende zouden geweest zijn om de schadeverwekking te doen ophouden.

J. V. en Dexia leveren dan ook het bewijs van de buitencontractuele aansprakelijkheid van B. V.L. en I. K. m.b.t. de bijkomende schade die door waterinsijpelingen aan de woning van J. V. is aangericht na de brand .

4.11. B. V.L. en I. K. voeren aan dat de defecte dakgoot er voor zorgde dat er sprake was van waterinsijpeling via het dak. Daaruit leiden ze af dat het schadegeval onder de dekking van de polis valt (art. 29 algemene polisvoorwaarden).

Naar het oordeel van de eerste rechter is deze bijkomende schade gedekt onder de waarborgen "BA-gebouw" (art. 24 algemene polisvoorwaarden) en "Verhaal van derden - waterinsijpeling" (art. 29 algemene polisvoorwaarden).

Het hof steunt zijn beoordeling op het exemplaar van de algemene polisvoorwaarden zoals dat wordt aangetroffen in het dossier met overtuigingstukken van AG. Volgens de bijzondere polisvoorwaarden waren op het contract van partijen immers de algemene voorwaarden 0079-2000707N-01072004 van toepassing, waarvan AG voormeld exemplaar voorbrengt. In het dossier met overtuigingstukken van B. V.L. en I. K. bevindt zich een exemplaar van algemene polisvoorwaarden "Top Woning" nr.0079-2000709N-30062006. Zij laten na aan te tonen dat deze algemene voorwaarden toepasbaar waren op de verzekeringsovereenkomst met AG ten tijde van het schadegeval.

De waarborg "BA-gebouw" (art. 24 algemene polisvoorwaarden) betreft de buitencontractuele aansprakelijkheid van de verzekerde(n) voor schade veroorzaakt aan derden door de verzekerde goederen. Krachtens art. 25 van de algemene polisvoorwaarden geldt de waarborg B.A.-gebouw niet voor schade die verzekerbaar is onder de aanvullende waarborg "verhaal van derden". Desbetreffend heeft de verzekeraar zich in art. 29 van de algemene polisvoorwaarden verbonden de aansprakelijkheid van de verzekerden te verzekeren die deze ten laste kan worden gelegd krachtens art. 1382-1386 van het Burgerlijk Wetboek voor de materiële schade die goederen van derden lijden door een gewaarborgd schadegeval. Meer specifiek in het geval van het wegvloeien of insijpelen van water dat onder de waarborg "waterschade" gedekt is, heeft de verzekeraar zich verbonden tegemoet te komen aan het verhaal van derden.

AG heeft niet betwist dat de waarborg "verhaal van derden" (art. 29 algemene polisvoorwaarden) door B. V.L. en I. K. werd onderschreven.

AG werpt evenwel tegen dat de bijkomende schade die door waterinsijpeling werd aangericht aan de woning van J. V. in de periode na de brand, niet gedekt is onder de waarborg "waterschade" en derhalve art. 29 van de algemene polisvoorwaarden niet van toepassing is. De onder de waarborg "waterschade" (art. 20 algemene polisvoorwaarden) bedoelde schade betreft: "...de materiële schade rechtstreeks veroorzaakt aan de verzekerde goederen door: - (...) het insijpelen van water langs de daken van het aangeduide gebouw of van een naburig gebouw, - (...)". AG wijst erop dat zij de waarborg "Verhaal van derden" slechts moet verstrekken indien het bewijs geleverd wordt van een onder art. 20 gedekt schadegeval waarbij ook aan derden schade is berokkend.

Volgens AG was er te dezen geen sprake van een schadegeval in de zin van art. 20 omdat geen insijpeling van water langs het dak van het aangeduide gebouw werd bewezen. De afvoer van regenwater dat van het dak afliep naar de dakgoot en vervolgens, ingevolge de door de brand veroorzaakte schade aan deze dakgoot terecht kwam op de muur van het naburige gebouw van J. V., kan, volgens AG, niet beschouwd worden als "het insijpelen van water langs de daken van het aangeduide gebouw", zoals vereist voor de toepassing van art. 29 juncto art. 20 van de algemene polisvoorwaarden. Zij houdt voor dat de waterschade aan het gebouw van J. V. ingevolge de defecte dakgoot niet gelijk te schakelen valt met waterschade die aan het gebouw van J. V. zou zijn aangericht ingevolge insijpeling van water langs het dak van het gebouw van B. V.L. en I. K..

Het behoort B. V.L. en I. K. als verzekerden het bewijs te leveren dat het schadegeval onder de polis gedekt is.

B. V.L. en I. K. bewijzen niet dat er waterinsijpeling langs het dak van hun woning plaatsvonden die rechtstreeks schade aan hun woning veroorzaakten (schadegeval onder art. 20) en daarbij de bijkomende waterschade veroorzaakten aan het aanpalende gebouw van J. V. (verhaal van derden - art. 29).

De vaststellingen van gerechtsdeskundige J. Verbraeken laten, integendeel, toe met zekerheid te besluiten dat deze bijkomende waterschade werd veroorzaakt door de defecte dakgoot (deskundigenverslag, p. 8, 25, 30, 41, 54). De omstandigheid dat regenwater van het dak van de woning van B. V.L. en I. K. afliep, in de dakgoot terecht kwam om vervolgens ingevolge de defecten aan de dakgoot op de muur van de woning van J. V. te vloeien, doet niet af aan de vaststelling dat waterinsijpelingen langs het dak van de woning van B. V.L. en I. K. niet bewezen geraken.

Het blijft onbewezen dat voldaan is aan het vereiste voor de toepassing van de waarborg "verhaal van derden", met name het bewijs van een schadegeval gedekt onder de waarborg "waterschade".

Dat neemt echter niet weg dat, indien het schadegeval niet gedekt is onder de waarborg "verhaal van derden", de dekking in beginsel behouden blijft onder de waarborg ‘B.A.-gebouw" (art. 24 algemene polisvoorwaarden).

4.12. Volgens AG is zij desalniettemin niet tot enige verzekeringsprestatie verplicht wegens het opzettelijk karakter van het schadegeval (art 8, 1ste lid Wet op de landverzekeringsovereenkomst).

Het blijkt dat de gerechtsdeskundige tijdens zijn plaatsbezoek van 15/06/2006 de partijen gewezen heeft op de waterindringing in de woning van J. V., afkomstig van de dakgoot van de woning van B. V.L. en I. K.. Hij heeft gewezen op vochtschade en zwamvorming.

B. V.L. en I. K. hebben een herstelling aan die dakgoot uitgevoerd, doch bij het plaatsbezoek van de gerechtsdeskundige op 18/09/2006 bleek dat deze herstelling erg ontoereikend was geweest.

AG levert echter geen bewijs van het beweerde opzet van B. V.L. en I. K. in die zin dat zij met opzet hebben verzuimd een toereikende herstelling uit te voeren, wetende dat hun nalaten een redelijkerwijze voorzienbare schade zou gaan veroorzaken aan J. V.. Zij hebben, zoals voormeld, gehandeld in strijd met de algemene zorgvuldigheidsplicht, doch daarmee is hun opzet nog niet bewezen.

AG roept tevens een verval van dekking in met toepassing van art. 7, § 1, 4 van de algemene polisvoorwaarden, luidend als volgt: "Wat niet verzekerd is door het contract: (...) - 4. De schade waarvan de oorzaak, die bij een vorig schadegeval aan het licht kwam, niet werd weggenomen, terwijl deze had kunnen weggenomen worden;...".

AG toont aan dat de bijkomende schade aan het gebouw van J. V. (tweede schadegeval) ontstond na de brand (eerste schadegeval) ingevolge een oorzaak (defecte dakgoot) die aan het licht kwam bij dat eerste schadegeval en die niet door de verzekerden werd weggenomen, hoewel dit had gekund. AG toont eveneens aan dat B. V.L. en I. K. op de hoogte waren of minstens moesten zijn van de schadeverwekkende oorzaak, voortkomend uit de brand van 01/1/2006. De gerechtsdeskundige heeft hen daar immers op gewezen tijdens zijn plaatsbezoek van 15/06/206 (deskundigenverslag, p. 8, punt 4.03.1.1). Zij hebben die schadeverwekkende oorzaak niet afdoende weggenomen, hoewel zij dit hadden gekund.

AG laat dan ook terecht het verval van de dekking gelden voor wat de bijkomende schade (het tweede schadegeval) betreft.

Het verzuim van B. V.L. en I. K. om de schadeverwekkende oorzaak, voortkomend uit het eerste schadegeval, weg te nemen, betreft een feit dat het tweede schadegeval vooraf is gegaan. AG vermag het verval met toepassing van art. 87, § 2 Wet op de landverzekeringsovereenkomst tegen te werpen aan de benadeelden J. V. en Dexia.

Het hoger beroep van AG is in dit onderdeel gegrond.

De schade.

4.13. De gerechtsdeskundige stelde roet-, hitte- en bluswaterschade vast, rechtstreeks veroorzaakt door de brand en de bluswerken:

Hij begrootte deze gebouwschade als volgt (deskundigenverslag, p. 53):

- brand- en blusschade: euro 12 046,36

- onvoorziene kosten (5%): euro 602,32

- subtotaal: euro 12 648,68

- BTW (6%) op brand - en blusschade: euro 758,92

- subtotaal: euro 13 407,60

- kosten bouwbegeleiding en veiligheidscoördinator

euro 12 648,68 x 5,75% = euro 727,30 + 21% (BTW): euro 880,03

- subtotaal: euro 14 287,63

- bewarende werken (inclusief BTW): euro 3 096,36

- subtotaal: euro 17 383,99

- vetustiteit van 15%: euro 2 011,14

- Verschil: euro 15 372,85

In het bestreden vonnis werd deze schade als bewezen aangenomen. Het hof bemerkt geen weerlegging van deze beoordeling en sluit zich daarbij aan.

4.14. De gerechtsdeskundige begrootte de schade die veroorzaakt werd door het verzuim van B. V.L. en I. K. om de door de brand beschadigde dakgoot op afdoende wijze te herstellen (deskundigenverslag, p. 56):

- bijkomende herstelwerken: euro 8 550,26

- onvoorzien kosten (5%): euro 427,51

- subtotaal: euro 8 977,77

- BTW (6%): euro 538,67

- subtotaal: euro 9 516,44

- kosten bouwbegeleiding en veiligheidscoördinator

euro 8 977,77 x 5,75% = euro 516,22 + 21% BTW= euro 624,63

- subtotaal: euro 10 141,07

- vetustiteit van 15%: euro 1 427,47

- verschil: euro 8 713,60

Hierbij corrigeert het hof de afrekening van de gerechtsdeskundige m.b.t. de kosten van de bouwbegeleiding en veiligheidscoördinator, die ten onrechte werken aangerekend heeft op de bouwsom, inclusief BTW.

In het bestreden vonnis werd deze schade als bewezen aangenomen.

B. V.L. en I. K. hebben deze schaderaming m.b.t. het vocht in de keuken aangevochten door te verwijzen naar de opmerkingen van de technische raadsman Laureys en de technische inspecteur Vandevyvere van hun verzekeraar. Deze opmerkingen komen er op neer dat de bijkomende vochtschade in de keuken geheel, minstens gedeeltelijk veroorzaakt werd door de inertie van J. V. zelf, die onvoldoende maatregelen zou hebben genomen om waterindringing langs zijn eigen woning te voorkomen. De gerechtsdeskundige heeft kennis genomen van deze opmerkingen en ze afdoende beantwoord (deskundigenverslag, p. 25 en 38) door te wijzen op de plaats van de vochtschade in de hoek van de achtergevel daar waar de dakgoot van de buureigendom het water vrij over de achtergevel heen voerde. De verergering in de hoek van de woonkamer en de slaapkamer duidde op hetzelfde fenomeen.

De gerechtsdeskundige heeft zowel in de woonkamer, de keuken als de slaapkamer van de woning van J. V. beginnende schimmel- en zwamvorming vastgesteld (deskundigenverslag, p. 8, 30-32). De bewering van B. V.L. en I. K. dat de schimmel- en zwamvorming mede werd veroorzaakt door de wijze waarop J. V. zijn huis na de brand onbewoond liet, wordt niet bewezen.

Ten onrechte verwerpen B. V.L. en I. K. de vaststellingen van de gerechtsdeskundige van 18/09/2006 als zouden deze niet op tegenspraak zijn geschied. De gerechtsdeskundige heeft partijen en hun technische raadslieden bij brief van 13/09/2006 uitgenodigd voor het bijwonen van een bijkomend plaatsbezoek. Het is niet voorgehouden, laat staan aangetoond dat één van de partijen deze uitnodiging niet zou hebben ontvangen. Eén van de partijen verzocht een uitstel, doch de gerechtsdeskundige liet bij faxbericht van 15/09/2006 aan partijen en hun technische raadslieden weten dat het plaatsbezoek zou doorgaan. Het feit dat sommige partijen in die omstandigheden, na regelmatig opgeroepen te zijn, afwezig bleven bij het plaatsbezoek van 18/09/2006 doet er niet aan af dat de onderzoeksverrichting op tegenspraak werd gehouden en de materiële vaststellingen van de gerechtsdeskundige strekken tot bewijs, behoudens tegenbewijs, m.a.w. in zoverre ook aan de afwezige partijen tegenwerpelijk zijn.

Het hof bemerkt dan ook geen weerlegging van de beoordeling door de eerste rechter en sluit zich daarbij aan mits voormelde correctie van de afrekening.

4.15. De gerechtsdeskundige adviseerde een periode van tijdelijke onbruikbaarheid van de woning van J. V. ingevolge de brand vanaf 01/01/2006, dag van de brand tot 31/01/2007. Hij begrootte het mindergenot naar rato van euro 625,00 per maand:

- euro 625,00 x 13 = euro 8 125,00.

De gerechtsdeskundige adviseerde een bijkomende periode van tijdelijke onbruikbaarheid van de woning van J. V. ingevolge bijkomende vochtschade van 5 maanden:

- euro 625,00 x 5 = euro 3 125,00.

J. V. heeft overeenkomstig gevorderd.

Het bestreden vonnis heeft het gevorderd gegrond verklaard.

J. V. heeft bovendien een vergoeding gevorderd voor de kosten verbonden aan een hotelverblijf ( euro 880,00 + euro 6 760,00) en daaropvolgende huur van een appartement ( euro 5 800,00).

Het bestreden vonnis heeft ook deze eisen gegrond verklaard.

Volgens B. V.L. en I. K. heeft J. V. hoogstens een mindergenot van zijn woning ondervonden in de periode van 01/01/2006 tot einde juni 2006, of gedurende 6 maanden. Het meer gevorderde mindergenot is, volgens hen, niet bewezen, en de hotelkosten en de huur van een appartement zouden een dubbel gebruik vormen met het mindergenot.

De gerechtsdeskundige heeft vastgesteld dat de woning van J. V. op het ogenblik van het eerste plaatsbezoek (13/06/2006) gemeubeld was en "in principe bewoonbaar". Tegelijk heeft hij grote luchtvochtigheid en schimmel- en zwamvorming geconstateerd, welke toestand nog verergerd was op 18/09/2006. Het gezondheidsaspect in acht genomen dat verbonden is aan de aanwezigheid van schimmels en zwammen, heeft de gerechtsdeskundige terecht een tijdelijke onbruikbaarheid van de woning geadviseerd, wat hem heeft doen besluiten tot een mindergenot naar rato van 100% op basis van de volledige huurwaarde (deskundigenverslag, p. 57-58).

Het hof volgt, zoals de eerste rechter, het advies van de gerechtsdeskundige m.b.t. de periode van het mindergenot. In strijd met de bewering van B. V.L. en I. K. is immers door de vaststellingen van de gerechtsdeskundige aangetoond dat de toestand van de bewoonbaarheid van de woning van J. V. na de hevige regens van augustus 2006 nog slechter was dan voorheen (deskundigenverslag, p. 24-25). De tijd die nog nodig was om de werken uit te voeren om de waterinfiltraties te doen ophouden en om het gebouw te drogen werden door de gerechtsdeskundige terecht geraamd op bijkomend 5 maanden gedurende welke er ook nog geen bewoning mogelijk was.

J. V. was ingevolge de onbruikbaarheid van zijn woning genoodzaakt voor zichzelf en zijn echtgenote elders onderdak te zoeken. Dit heeft hij gevonden op hotel en door de huur van een appartement vanaf augustus 2006. Zijn schade bestond in het verlies van het genot van zijn woning en in de uitgaven van de kosten voor het verblijf op hotel en de huur van een appartement. Zelfs na vergoeding van deze uitgaven, zou het mindergenot van de eigen woning nog onvergoed blijven. Het zijn twee onderscheiden schadeposten. Met de eerste rechter besluit het hof dat er geen sprake is van dubbel gebruik.

Het hof treedt de eerste rechter ook bij in zoverre deze de eis van J. Verhagen herleidde m.b.t. de aanrekening van hotelkosten en huur voor de maand augustus 2006. Daarin lag wel een dubbel gebruik.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis in zoverre de schade van J. V. ingevolge het door het schadegeval veroorzaakte hotelverblijf, huur van een appartement, met daaraan noodzakelijk verbonden kosten van verhuizing en verzekering, werd begroot op euro 15 515,08 (hoofdsom).

4.16. J. V. meent nog aanspraak te kunnen maken op nog bijkomende schadevergoedingen:

- verplaatsingskosten: euro 1 298,00

- verbruik gas en elektriciteit: euro 1 185,62

- administratiekosten: euro 250,00

- morele schade: euro 1 000,00.

Hij aanvaardt evenwel de beoordeling van de eerste rechter die deze schadeposten gezamenlijk naar redelijkheid en billijkheid begrootte op euro 2 000,00.

B. V.L. en I. K. besluiten tot de volledige afwijzing van het gevorderde.

J. V. bewijst evenwel dat deze schadeposten werkelijk geleden schade betreffen, die hij grotendeels niet zou geleden hebben zonder het schadegeval. De aard van de diverse posten laat niet toe hetzij de omvang van de schade, zoals morele schade, hetzij het nochtans zeker bestaand oorzakelijk verband, zoals bij de verplaatsingskosten, exact cijfermatig aan te tonen. In het bestreden vonnis werd dan ook terecht besloten tot een schaderaming naar redelijkheid en billijkheid. Het hof beoordeelt de raming van euro 2 000,00 als de juiste compensatie.

4.17. Er mee rekening houdend dat AG slechts tot tussenkomst gehouden is wat de schade betreft die rechtstreeks is voortgekomen uit de brand van 01/01/2006, is een opdeling van de aan J. V. toekomende vergoedingen vereist.

De gerechtsdeskundige heeft een onderscheid gemaakt tussen de periode dat J. V. elders onderdak heeft gezocht uit oorzaak van de brand (13 maanden) en de periode dat J. V. bijkomend tot hetzelfde gedwongen was uit oorzaak van de bijkomende schade (5 maanden). Het hof treedt de raming van de gerechtsdeskundige bij vermits niet is aangetoond dat ze op vergissingen of onvolledigheden zou berusten.

De brandschade beloopt dan:

euro 15 372,85 (herstelwerken) + euro 8 125,00 (mindergenot) + euro 880,00 + euro 6 760,00 (hotelkosten) + euro 3 050,00 (huur appartement) + euro 1 965,08 (dubbele verhuizing) + euro 2 000,00 (diverse o.m. morele schade) = euro 38 152,93 (hoofdsom). Dexia vergoedde haar verzekerde J. V. ten belope van euro 37 220,92. Zij is ten belope van deze betaling gesubrogeerd in de rechten van haar verzekerde, die nog enkel voor het saldo ( euro 932,01) persoonlijk kan opkomen.

De bijkomende schade beloopt dan:

euro 8 713,60 (herstelwerken) + euro 3 125,00 (mindergenot) + euro 2 950,00 (huur appartement) = euro 14 788,60 (hoofdsom)

In het bestreden vonnis werden op de toegekende hoofdsommen gerechtelijke interesten verleend vanaf 10/12/2007.

De beslissing over deze interesten is niet bestreden.

4.18. Vermits partijen AG, Dexia en J. V. samen, en B. V.L. en I. K. samen, ieder omtrent enig geschilpunt in het ongelijk werden gesteld acht het hof het raadzaam de proceskosten in hoger beroep met toepassing van art. 1017, 4de lid van het Gerechtelijk Wetboek om te slaan in de hierna bepaalde mate.

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van de nv AG Insurance toelaatbaar en deels gegrond.

Het hof verklaart het incidenteel beroep van B. V.L. en I. K. toelaatbaar doch ongegrond.

Het hof hervormt het bestreden vonnis.

Het hof verklaart de oorspronkelijke eisen van J. V. en van de nv Dexia Verzekeringen in volgende mate gegrond.

Het hof veroordeelt B. V.L., I. K. en de nv AG Insurance in solidum tot de betaling aan J. V. van de som van euro 932,01, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 10/12/2007 tot op de dag van onderhavige uitspraak en vanaf dan met de gerechtelijke interesten naar rato van de wettelijke rentevoet tot op de dag van de betaling.

Het hof veroordeelt B. V.L., I. K. en de nv AG Insurance in solidum tot de betaling aan de nv Dexia Belgium van de som van euro 37 220,92, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 10/12/2007 tot op de dag van onderhavige uitspraak en vanaf dan met de gerechtelijke interesten naar rato van de wettelijke rentevoet tot op de dag van de betaling.

Het hof verklaart de eis in vrijwaring van B. V.L. en I. K. tegen de nv AG Insurance gegrond m.b.t. de voormelde veroordelingen die ten laste van hen in solidum met de nv AG Insurance worden uitgesproken, beperkt tot hetgeen waartoe zij krachtens deze veroordelingen tot betaling zouden worden aangesproken.

Het hof veroordeelt B. V.L., I. K. solidair tot de betaling aan J. V. van de som van euro 14 788,60, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 10/12/2007 tot op de dag van onderhavige uitspraak en vanaf dan met de gerechtelijke interesten naar rato van de wettelijke rentevoet tot op de dag van de betaling.

Het hof wijst het meer of anders gevorderde af.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis wat de verwijzing in de proceskosten in eerste aanleg betreft.

Het hof veroordeelt de nv AG Insurance tot 1/3de, J. V. en de nv Dexia Verzekeringen samen tot 1/3de, en B. V.L. en I. K. samen tot 1/3de van de proceskosten in hoger beroep.

Deze kosten bedragen:

- aan de zijde van de nv AG Insurance in hun geheel: het rolrecht van euro 186,00 en de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van euro 2 750,00,

- aan de zijde van J. V. en de nv Dexia Verzekeringen in hun geheel: de rechtsplegingsvergoeding van euro 2 750,00,

- aan de zijde van B. V.L. en I. K. in hun geheel: de rechtsplegingsvergoeding van euro 2 750,00.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 17 april 2013 door

F. PEETERS Voorzitter

A. VERHAERT Raadsheer

I. COUWENBERG Raadsheer

M. GIJSEMANS Griffier

Mots libres

  • Uitslaande brand

  • buitencontractuele aansprakelijkheid

  • artikel 1384,1e BW art. 86 WLVO Opzettelijk karakter van het schadegeval, art 8, 1ste lid WLVO (neen) Niet wegnemen schadeverwekkende oorzaak

  • verzuim

  • Verzekeraar

  • verval van dekking voor bijkomende schade (tweede schadegeval)

  • toepassing van de algemene polisvoorwaarden

  • art. 87, § 2 WLVO Omvang van schade

  • bijkomende schadevergoedingen- schaderaming naar redelijkheid en billijkheid